De Drie Musketiers dl. I en II

Part 46

Chapter 463,791 wordsPublic domain

„Waarlijk,” zeide Athos, „gij zijt geen mannen, gij zijt kinderen, om u door een vrouw zooveel angst te laten aanjagen. En wat beteekent het in alle geval, gevangen te worden genomen? Welnu, men zal ons uit de gevangenis bevrijden, waaruit men juffrouw Bonacieux wel heeft bevrijd.... Te worden onthalsd? maar wij gaan immers dagelijks in de loopgraven ons nog meer blootstellen; want een kogel kan ons been verbrijzelen, en ik ben zeker, dat een wondheeler ons meer doet lijden, door ons een been af te zetten, dan een beul door ons het hoofd af te slaan. Weest dus gerust, binnen twee, vier of zes uren op het langst zal Planchet hier wezen; hij heeft beloofd hier te zijn, en ik stel veel vertrouwen in de beloften van Planchet, die er als een zeer brave jongen uitziet.”--„Maar als hij niet komt?” zeide d’Artagnan.--„Welnu, indien hij niet komt, is hij opgehouden, ziedaar alles. Hij kan van het paard zijn gevallen, hij kan over een brug zijn geduikeld, hij kan zooveel spoed hebben gemaakt, dat hij er een verkoudheid door heeft gekregen.... Nemen wij daarom, mijne heeren, de toevalligheden in aanmerking. Het leven is een groote rozenkrans van kleine ellenden, terwijl de wijsgeer lachend de kralen door zijn vingers laat glijden. Weest wijsgeeren, zooals ik het ben, mijne heeren, zet u aan tafel en laat ons drinken; niets geeft aan de toekomst een meer rooskleurigen weerschijn, dan ze door een glas Chambertin heen te beschouwen.”--„Dat is zeer goed,” antwoordde d’Artagnan, „maar ik ben het moede steeds, wanneer ik drink, te moeten vreezen, dat de wijn uit den kelder van milady komt.”--„Gij zijt wel lastig,” zeide Athos. „Een zoo schoone vrouw!”--„Een zoo _merkwaardige_[13] vrouw!” riep Porthos hard lachende.

[13] Er is hier in het Fransch een uitdrukking „femme de marque”, die men op een gebrandmerkte vrouw, zooals milady, kan toepassen. Porthos wist, gelijk men weet, van de zaak niet af.

Athos ontroerde, bracht de hand aan het voorhoofd, om er het zweet af te wisschen, en stond op zijn beurt op met een zenuwachtige spanning, die hij niet kon bedwingen.

De dag liep ten einde, en de avond naderde langzaam, maar hij kwam toch; de kroegen vulden zich met drinkers. Athos, die zijn aandeel van den diamant had ontvangen, verliet _het Geuzennest_ niet meer; hij had in den heer de Busigny, die den vrienden bereids een prachtig maal had gegeven, een hem waardigen drinkebroer gevonden. Zij waren met elkander, volgens gewoonte, aan het dobbelen, toen het zeven uur sloeg; men hoorde de patrouilles voorbijgaan, die de wachtposten gingen verdubbelen. Te half acht werd de taptoe geslagen.

„Wij zijn verloren,” zeide d’Artagnan, Athos in het oor fluisterende.--„Gij wilt zeggen, dat wij verloren hebben,” zeide Athos bedaard, uit zijn zak tien louis d’or halende, die hij op tafel wierp. „Komt, heeren!” ging hij voort, „men slaat de taptoe; wij gaan slapen.”

En Athos verliet _het Geuzennest_, gevolgd door d’Artagnan. Aramis kwam achterna, den arm aan Porthos gevende. Aramis zeide bij zich zelven verzen op, en Porthos trok zich van tijd tot tijd wanhopend eenige haren uit den knevel.

Maar daar verschijnt eensklaps in de duisternis een schim, van welke de gestalte aan d’Artagnan niet onbekend is, terwijl een ook bekende stem hem toeroept: „Mijnheer! ik breng u uw mantel, want het is koud van avond.”--„Planchet!” riep d’Artagnan buiten zich zelven van vreugd.--„Planchet!” riepen Porthos en Aramis.--„Welnu ja, wat is er aan Planchet wonders te zien?” zeide Athos. „Hij heeft beloofd te acht uur terug te zullen zijn, en ziedaar slaat het acht uur. Bravo, Planchet! gij zijt een man van uw woord, en indien gij ooit uw meester mocht verlaten, heb ik voor u een plaats in mijn dienst open.”--„Neen, nooit,” zeide Planchet, „nooit zal ik den heer d’Artagnan verlaten.”

En tegelijkertijd voelde d’Artagnan, dat Planchet hem een briefje in de hand stopte. D’Artagnan had veel lust Planchet te omhelzen; maar hij was bevreesd, dat dit bewijs van genegenheid midden op den weg, jegens zijn lakei betoond, den een of anderen voorbijganger zou opvallen, en hij bedwong zich.--„Ik heb het antwoord,” zeide hij tot Athos en zijn vrienden.--„Goed,” hernam Athos, „laat ons binnengaan, en wij zullen het lezen.”

Het briefje brandde in de hand van d’Artagnan; hij wilde zijn schreden verhaasten, maar Athos nam hem bij den arm, en de jongeling was genoodzaakt zijn stap naar dien van zijn vriend te regelen. Eindelijk trad men de tent binnen, men stak een lamp aan, en terwijl Planchet voor de deur bleef staan, ten einde te zorgen, dat de vier vrienden niet werden overvallen, brak d’Artagnan met een bevende hand het zegel los en opende den zoo lang verwachten brief.

Hij behelsde slechts een halven regel echt Engelsch schrift, van een volkomen Spartaansche zakelijkheid:

„_Thank you; be easy._”

Hetgeen wilde zeggen: ik dank u: wees gerust. Athos nam den brief uit de handen van d’Artagnan, stak hem in de vlam der lamp en liet hem niet los, voordat hij tot asch verteerd was. Vervolgens riep hij Planchet.

„Thans, mijn jongen!” zeide hij, „kunt gij de zevenhonderd franken eischen, maar gij waagdet niet veel met een dergelijk briefje.”--„Dat heeft niet belet, dat ik allerhande middelen heb moeten bedenken, om het goed te verbergen,” zeide Planchet.--„Welnu,” zeide d’Artagnan, „verhaal ons dat eens.”--„Duivelsch,” zeide Planchet, „dat vereischt veel tijd, mijnheer!”--„Gij hebt gelijk, Planchet! bovendien is de taptoe geslagen en men zou ons opmerken, indien men langer dan bij de anderen licht bij ons zag.”--„Goed,” zeide d’Artagnan, „laat ons gaan slapen, slaap wel, Planchet!”--„Op mijn woord, mijnheer! dat zal de eerste maal sedert zestien dagen zijn.”--„Voor mij ook,” zeide d’Artagnan.--„Voor mij ook,” hernam Aramis.--„Luistert, wilt gij dat ik u de waarheid zegge? Voor mij ook,” zeide Athos.

HOOFDSTUK XVIII.

Noodlottigheid.

Intusschen was milady dronken van toorn en brulde op het verdek van het vaartuig als een leeuwin, die werd ingescheept. Zij was zelfs op het punt geweest in zee te springen, om de kust te bereiken, want zij vond het denkbeeld ondragelijk, dat zij, na door d’Artagnan beleedigd, door Athos bedreigd te zijn geworden, nu _Frankrijk_ verliet, zonder zich op hen gewroken te hebben. Weldra kreeg dat gevoelen zoodanig de overhand, dat zij, alles wagende wat voor haar hieruit nadeeligs zou kunnen voortspruiten, den kapitein verzocht haar aan wal te zetten; maar de kapitein, verlangend uit zijn gevaarlijken toestand te geraken, daar hij tusschen Fransche en Engelsche kapers zat, als de vleermuis onder de ratten en vogels, maakte zooveel mogelijk spoed om _Engeland_ te bereiken; hij weigerde dus halsstarrig aan datgene gehoor te geven, wat hij een vrouwengril noemde, zijn passagier, die trouwens door den kardinaal bijzonder was aanbevolen, belovende, haar in een der havens van _Bretagne_, hetzij in die van _Lorient_ of van _Brest_, aan land te zetten.

Maar ondertusschen bleef de wind ongunstig en de zee onstuimig; men laveerde en maakte niet veel voortgang. Negen dagen na uit _Charente_ te zijn vertrokken zag milady, bleek van verdriet en woede, eindelijk de blauwachtige kust van _Finisterre_ dagen. Zij berekende dat, om dien hoek van _Frankrijk_ te doorreizen en tot den kardinaal terug te keeren, zij ten minste drie dagen noodig had; hierbij gevoegd één dag voor de ontscheping, maakte vier dagen. Hierbij de vorige negen voegende, zoo waren er dertien dagen verloren. Dertien dagen, in welke zoovele gewichtige gebeurtenissen te _Londen_ hadden kunnen plaats hebben! Zij begreep tevens, dat de kardinaal ongetwijfeld woedend over haar terugkomst zoude zijn en bijgevolg meer genegen wezen de klachten, welke men tegen haar zoude inbrengen, aan te hooren, dan haar beschuldigingen tegen anderen. Zij zeilde derhalve _Brest_ en _Lorient_ voorbij, zonder bij den kapitein aan te dringen, die van zijn kant zich wel wachtte haar in het minste iets te herinneren.

Milady vervolgde dus haar weg, en denzelfden dag, dat Planchet zich te _Portsmouth_ naar _Frankrijk_ inscheepte, liep de zendelinge Zijner Eminentie zegevierend de haven binnen. De geheele stad was in een buitengewone gisting; vier pas gebouwde groote schepen waren te water gelaten. Aan het havenhoofd stond, met goud belegd en volgens gewoonte schitterende van diamanten en edelsteenen, den hoed versierd met een witte veder, die langs zijn schouder golfde, Buckingham, omringd door een staf, bijna even schitterend als hij. Het was een dier zoo zeldzaam fraaie dagen, op welke _Engeland_ zich herinnert dat een zon bestaat. De bleeke, maar nochtans schitterende ster ging in het westen onder, tevens de zee en den hemel in purper hullende en als met strepen vuurs bedekkende, die op de torens en oude huizen der stad een laatsten gouden straal wierpen en de glasruiten deden glinsteren als de weerschijn van een brand.

Toen milady, die bij het naderen der kust de meer doordringende en balsemgeurige zeelucht inademde, al die toebereidselen en krachtsontwikkeling zag, welke zij moest vernielen, de macht van dat leger, dat zij alleen moest bestrijden, zij alleen, met eenige zakken goud, vergeleek zij zich bij Judith, die vreeselijke Joodsche vrouw, toen deze, in het Assyrische legerkamp binnendringende, die ontzaggelijke opeenhooping van strijdwagens, paarden, menschen en wapens zag, welke zij door een beweging harer hand als een rookwolk moest doen verdwijnen. Men kwam op de reede; maar, terwijl men zich gereed maakte om het anker te doen vallen, naderde een kleine, sterk gewapende kotter het handelsvaartuig, deed zich als kustbewaarder herkennen en liet een sloep te water, die naar de opgangsladder roeide. De boot bevatte een officier, een onderstuurman en acht roeiers. Alleen de officier klom aan boord, waar hij met al de onderscheiding werd ontvangen, welke de uniform inboezemt.

De officier onderhield zich eenige oogenblikken met den kapitein, liet hem eenige papieren lezen, welke hij bij zich had, en op bevel van den koopvaardij-kapitein werd de geheele equipage van het vaartuig, zoowel matrozen als passagiers, op het verdek geroepen.

Toen die soort van oproeping gedaan was, vroeg de officier met luide stem, van waar de brik was gekomen en naar haar koers en haar oponthoud, op welke vragen de kapitein zonder aarzeling of moeite antwoordde. Toen nam de officier achtereenvolgens al de aanwezigen in oogenschouw, en voor milady blijvende staan, beschouwde hij haar met de grootste nauwkeurigheid, zonder haar één enkel woord toe te voegen. Vervolgens keerde hij tot den kapitein terug, zeide dezen nog eenige woorden, en alsof hij het ware geweest, wien het schip voortaan moest gehoorzamen, gaf hij het bevel tot een beweging, die het scheepsvolk onmiddellijk ten uitvoer bracht. Dadelijk ging het schip weer onder zeil, maar nu vergezeld door den kleinen kotter, die er naast bleef, met de gapende monden zijner vijf kanonnen dreigende, terwijl de boot het zog van het schip volgde, als een kleine stip bij dien grooten klomp vergeleken.

Terwijl de officier milady zoo aandachtig beschouwde, had zij, zooals men wel kan denken, hem van haar zijde niet minder door haar blik verslonden. Maar hoe gewoon die vrouw met haar vlammende oogen ook was in de harten van hen te lezen, van wie zij de geheimen wilde doorgronden, vond zij nu een zoo onbeweeglijk gelaat, dat niet de minste ontdekking op haar onderzoek volgde.

De officier, die voor haar was blijven staan en haar stilzwijgend met zooveel nauwkeurigheid had gadegeslagen, kon vijf of zes en twintig jaar oud zijn geweest, was blank van vel, met helder blauwe, een weinig diep liggende oogen; zijn kleine en welgevormde mond bleef onbeweeglijk in zijn gewone omtrekken; zijn sterk geteekende kin gaf die wilskracht te kennen, welke bij den gewonen Engelschman gewoonlijk niet meer dan hoofdigheid is; een min of meer achteroverhellend voorhoofd, als dat eens dichters, eens geestdrijvers of krijgsmans, werd beschaduwd door kort en zeer dun haar, dat, evenals de baard, welke het onderste van zijn gelaat bedekte, van een schoone, donkere kastanjekleur was.

Toen men de haven binnenkwam, was de avond reeds gevallen. De mist verdikte nog meer de duisternis en vormde rondom de vuren en lichten der havenhoofden een kring als dien, welke de maan omringt, wanneer het weder tot regenen dreigt over te gaan. De lucht was treurig, vochtig en koud. De officier liet zich de goederen van milady aanwijzen en haar bagage in de boot laden; na het eindigen dezer werkzaamheid verzocht hij haar er zelve in te gaan, terwijl hij haar hiertoe de hand bood. Milady beschouwde hem en aarzelde.

„Wie zijt gij, mijnheer?” vroeg zij, „die zoo goed zijt zich zoo bijzonder met mij bezig te houden?”--„Gij kunt het aan mijn uniform zien, mevrouw! Ik ben Engelsch zee-officier,” antwoordde de jonge man.--„Maar is het dan gebruikelijk, dat Engelsche zee-officieren hun diensten aan hun landgenooten aanbieden, wanneer deze in een der havens van _Groot-Brittanje_ aanlanden, en zoover de beleefdheid uitstrekken van hen aan land te geleiden?”--„Ja, milady! het is de gewoonte, niet uit beleefdheid, maar uit voorzichtigheid, dat in oorlogstijd de vreemdelingen naar een daartoe bestemde verblijfplaats worden gebracht, om tot na den afloop van een volkomen onderzoek onder het toezicht van het gouvernement te blijven.”

Die woorden werden met de grootste beleefdheid en de volmaaktste bedaardheid uitgesproken. Echter hadden zij het vermogen niet milady te overtuigen.

„Maar ik ben geen vreemdelinge, mijnheer!” zeide zij in het zuiverste Engelsch, dat ooit van _Portsmouth_ tot _Manchester_ gesproken is geworden; „ik heet lady de Winter, en die maatregel....”--„Die maatregel is algemeen, milady! en gij zoudt vruchteloos trachten er u aan te onttrekken.”--„Ik zal u dan volgen, mijnheer!”--En de hand des officiers aannemende, begon zij de ladder af te klimmen, beneden welke de boot haar wachtte.

De officier volgde haar; een groote mantel was aan den achtersteven uitgespreid, de officier deed haar er op plaats nemen en zette zich naast haar.--„Roeit voort!” beval hij den matrozen.

De acht roeispanen vielen in zee, slechts één slag voortbrengende, en de boot scheen over de oppervlakte des waters te vliegen. Binnen vijf minuten was men aan wal. De officier sprong op de kade en bood zijn hand aan milady. Een rijtuig wachtte.

„Is dat rijtuig voor ons?” vroeg milady.--„Ja, mevrouw!” antwoordde de officier.--„Is dan de herberg zoo ver van hier?”--„Aan de andere zijde der stad.”--„Welaan!” zeide milady, en zij stapte moedig in het rijtuig.

De officier zorgde, dat de bagage behoorlijk achterop werd vastgemaakt, en dit verricht zijnde, zette hij zich naast milady en sloot het portier. Onmiddellijk daarop, zonder dat het bevel hiertoe werd gegeven, of zonder hem zijn bestemming aan te duiden, vertrok de koetsier in vollen draf en reed de straten der stad in.

Een zoo zonderlinge ontvangst moest milady veel stof tot nadenken geven, en ziende dat de jonge officier volstrekt niet genegen scheen in gesprek met haar te treden, dook zij diep in den hoek van het rijtuig en liet achtereenvolgens al de vooronderstellingen voorbijgaan, die zich voor haar geest vertoonden. Na verloop van een kwartier was zij intusschen over de lengte van den weg verwonderd, en zij boog zich uit het portier om te zien, waarheen men haar voerde. Maar geen huizen bespeurde men meer; en alleen boomen verhieven zich in de duisternis als groote, zwarte, elkander na-ijlende spookgedaanten. Milady ontroerde.

„Maar wij zijn niet meer in de stad, mijnheer!”--De jonge officier zweeg.--„Ik zal niet verder gaan, indien gij mij niet zegt, waarheen ik word gevoerd, dat verzeker ik u, mijnheer!”--Op die bedreiging kwam niet het minste antwoord.--„O, dat is te erg!” riep milady. „Help, help!”

Geen stem beantwoordde de hare; het rijtuig bleef snel voortrollen. De officier geleek een beeld. Milady beschouwde den officier met een dier vreeselijke uitdrukkingen, haar aangezicht zoo eigen, en die zoo zelden haar uitwerking misten. De toorn deed haar oogen in de duisternis schitteren. De jongeling bleef onbeweeglijk. Milady wilde het portier openen en uit het rijtuig springen.--„Wees voorzichtig, mevrouw!” zeide de jongeling koel, „gij zoudt uw leven in groot gevaar brengen.”

Milady zette zich neder, schuimbekkende van woede. De officier wendde zich tot haar, beschouwde haar op zijn beurt en scheen verwonderd dat vroeger zoo schoon gezicht, nu bijna afschuwelijk geworden en door razernij misvormd, te zien. Het doortrapte schepsel begreep, dat zij zich in het verderf stortte door op die wijze in haar ziel te doen lezen, zij verzachtte daarom haar gelaatstrekken en op zuchtenden toon sprak zij: „In ’s hemels naam, mijnheer! zeg mij toch, of ik aan u, het gouvernement of aan een vijand de gewelddadigheid moet toeschrijven, welke men mij aandoet?”--„Men pleegt geen de minste gewelddadigheid jegens u, mevrouw! en hetgeen u wedervaart is het gevolg van een zeer eenvoudigen maatregel, welken wij verplicht zijn jegens allen, die in _Engeland_ aankomen, in acht te nemen.”--„Dan kent gij mij niet, mijnheer!”--„Het is de eerste maal, dat ik de eer heb u te zien.”--„En hebt gij, op uw eer, niet de minste reden van haat jegens mij?”--„Volstrekt niet, dat zweer ik u.”

Er lag zooveel oprechtheid, kalmte, zelfs zachtheid in de stem van den jongeling, dat milady zich gerust stelde. Eindelijk, na ongeveer een uur te zijn voortgereden, hield het rijtuig voor een ijzeren hek stil, dat een hollen weg sloot, die den toegang verleende tot een eenzaam, groot kasteel van strenge bouworde. Dewijl de wielen toen het fijne zand doorwoelden, hoorde milady een hevig gedruisch, ’t geen zij voor dat der zee herkende, wier golven zich voor een steile kust komen breken. Het rijtuig reed onder twee gewelven door en bleef eindelijk op een vierkante, donkere binnenplaats staan. Bijna onmiddellijk hierop werd het portier geopend, de jongeling sprong vlug op den grond en bood milady de hand, die, er op steunende, op haar beurt tamelijk bedaard uit het rijtuig stapte.

„Het is in alle geval zeker,” zeide milady, rondom zich ziende en haar oogen met den bevalligsten glimlach ter wereld op den jongen officier terugbrengende, „dat ik gevangen ben; maar ik zal het niet voor langen tijd zijn, hiervan ben ik zeker,” voegde zij er bij. „Mijn geweten en uw beleefdheid, mijnheer! zijn er mij borg voor.”

Hoe vleiend die toespraak ook was, antwoordde de officier echter niet, maar uit zijn gordel een kleine zilveren fluit nemende, gelijk die waarvan zich de onderstuurlieden op de oorlogsschepen bedienen, floot hij tot drie malen op verschillende tonen: dadelijk hierop verschenen eenige mannen, die de dampende paarden afspanden en het rijtuig in een koetshuis brachten. De officier verzocht milady met zijn gewone bedaarde beleefdheid in huis te gaan. Deze, steeds even vriendelijk glimlachende, gaf hem haar arm en ging met hem door een lage, ronde poort in een slechts aan het einde verlicht gewelf, dat tot een zware, van steenen opgetrokken wenteltrap leidde; toen bleef men voor een deur stilstaan, welke de jongeling met een sleutel, dien hij bij zich had, opende en, zwaar op haar hengsels draaiende, toegang verleende tot de kamer voor milady bestemd; met een enkelen blik had de gevangene de kamer in haar geringste bijzonderheden in oogenschouw genomen. Het was een kamer van welke het huisraad te zindelijk voor een gevangenis, maar tevens te eenvoudig voor een vrijen bewoner was. Intusschen pleitten de traliën voor de vensters en de buitenste grendels der deur ten voordeele eener gevangenis.

Voor een oogenblik verliet de geestkracht dat in alles verharde schepsel. Zij viel op een leuningstoel neer, sloeg de armen kruiselings over haar borst, boog het hoofd en verwachtte elk oogenblik een rechter te zien verschijnen om haar te ondervragen. Maar niemand trad binnen dan twee of drie zeesoldaten, die de koffers en kisten brachten, ze in een hoek zetten en zonder één woord te spreken vertrokken. De officier woonde al deze bijzonderheden bij met dezelfde bedaardheid, welke milady voortdurend in hem had waargenomen, zelfs niet een enkel woord sprekende, en zich op een gebaar of op een geluid zijner fluit doende gehoorzamen. Men zou gemeend hebben, dat tusschen dien man en zijn onderhebbenden de gewone taal niet bestond, of althans onnoodig was geworden. Eindelijk kon milady het niet langer verkroppen en zij verbrak de stilte.

„In ’s hemels naam, mijnheer!” riep zij, „wat beteekent toch alles wat er gebeurt? Doe mijn twijfelingen ophouden. Ik heb moed voor elk gevaar, dat ik voorzie, voor elke ramp, die ik kan begrijpen; waar ben ik, en wat ben ik hier? Ben ik vrij? waarom dan die tralies en die grendels? Ben ik gevangen? wat misdaad heb ik dan bedreven?”--„Gij zijt hier in het vertrek, dat voor u bestemd is, mevrouw! Ik heb het bevel gekregen u in zee te gaan ontvangen en u hier in dit kasteel te geleiden. Dat bevel heb ik volbracht, geloof ik, met al de nauwgezetheid van een krijgsman, maar tevens met al de beleefdheid eens edelmans. Tot hiertoe bepaalt zich ten minste de last, dien ik jegens u heb te vervullen; het overige betreft een anderen.”--„En wie is die andere persoon?” vroeg milady; „kunt gij mij zijn naam niet zeggen?”

Op dat oogenblik hoorde men op de trap een groot gerucht van kletterende sporen; eenige stemmen gingen voorbij, doofden van lieverlede en het gerucht der voetstappen van een enkel persoon naderde de deur.

„Hier is die persoon, mevrouw!” zei de officier, ter zijde gaande en den doorgang vrijlatende, in een onderdanige, eerbiedige houding staan blijvende. Tegelijkertijd opende zich de deur. Een man verscheen op den drempel. Hij was zonder hoed, droeg een degen op zijde en verkreukte een zakdoek in zijn hand. Milady meende die schim in de schaduw te herkennen; zij steunde met de eene hand op den arm van haar leuningstoel en bracht het hoofd vooruit, als om zich van iets stelligs te verzekeren. Daarop naderde de vreemdeling met langzame schreden, en naar gelang hij naderde en den lichtkring, welken de lamp van zich wierp, binnentrad, deinsde milady onwillekeurig terug. Vervolgens, toen haar geen twijfel meer overbleef, riep zij vol verbazing: „Wel hoe, mijn broeder! zijt gij het?”--„Ja, schoone dame!” antwoordde lord de Winter, half beleefd, half spottend groetende; „ik zelf.”--„En dit kasteel?”--„Behoort mij.”--„En deze kamer?”--„Is de uwe.”--„Ben ik dan uw gevangene?”--„Ten naasten bij.”--„Maar dat is een vreeselijk misbruik van vertrouwen!”--„Geen groote woorden; laat ons gaan zitten en met bedaardheid praten, zooals het een broeder en een zuster betaamt.”--En zich naar de deur keerende en ziende, dat de jonge officier zijn bevelen wachtte, zeide hij: „Het is wel, ik dank u; laat ons nu alleen, mijnheer Felton.”

HOOFDSTUK XIX.

Gesprek van broeder en zuster.

Terwijl lord de Winter bezig was de deur te sluiten, een vensterluik dicht te maken en een stoel naast den leuningstoel van zijn schoonzuster te schuiven, wierp milady droomend een blik in de mogelijkheid en ontdekte het geheele weefsel, hetwelk zij zelfs niet eens had kunnen vermoeden, zoolang zij niet wist in wiens macht zij was gevallen. Zij kende haar schoonbroeder voor een echten edelman, een stouten jager, een onversaagden speler, een bij de vrouwen zeer ondernemend man, doch ver van listig. Hoe had hij derhalve haar komst kunnen voorzien, haar doen aanhouden, en waarom hield hij haar gevangen?