De Drie Musketiers dl. I en II
Part 45
Athos had eindelijk het woord gevonden, namelijk: van de zaak van Buckingham een _familiezaak_ te maken. Immers, een familiezaak zou niet aan het onderzoek van den kardinaal onderworpen worden. Een familiezaak raakte niemand, en men kon zich met een familiezaak in tegenwoordigheid van de geheele wereld bezighouden. Aramis had het denkbeeld gevonden: den lakei. Porthos het middel: den diamant. Alleen d’Artagnan had niets gevonden, hij, gewoonlijk de vindingrijkste van allen; maar het moet ook gezegd worden, dat alleen de naam van milady voldoende was om hem te ontzenuwen. Maar neen, wij bedriegen ons, hij had een kooper voor den diamant gevonden.
Het ontbijt bij den heer de Tréville was zeer vroolijk. D’Artagnan bezat reeds zijn nieuwe uniform. Van bijna dezelfde grootte als Aramis zijnde, had deze, die, zooals men weet, zoo edelmoedig betaald was geworden door den boekverkooper, die zijn dichtstuk had gekocht, alles dubbel laten maken en zijn vriend een volledige uitrusting afgestaan. D’Artagnan zou het toppunt zijner wenschen hebben bereikt, indien hij niet milady als een donkere wolk aan den gezichteinder had zien opdagen.
Na het ontbijt maakte men afspraak, elkander bij Athos dienzelfden avond weder te vinden, alwaar men de zaak zou afhandelen.
D’Artagnan besteedde den dag met het vertoonen van zijn musketiersgewaad in al de straten van het legerkamp. Des avonds vereenigden zich de vier vrienden op het bepaalde uur; er bleven nog slechts drie punten ter overweging over: Wat men aan den broeder van milady zou schrijven. Wat men aan dien knappen persoon van _Tours_ zou schrijven. En wie de lakeien zouden zijn, die de brieven moesten bezorgen. Elk bood den zijnen aan. Athos roemde de stilzwijgendheid van Grimaud, die dan alleen sprak, wanneer zijn meester hem den mond opende; Porthos roemde de kracht van Mousqueton, die tegen vier mannen, van gewone grootte, was opgewassen; Aramis, in de slimheid van Bazijn volkomen vertrouwen stellende, weidde uit in loftuitingen op zijn kandidaat; d’Artagnan ten slotte wees op den moed van Planchet en herinnerde aan de wijze, op welke hij zich in de zoo moeilijke zaak van _Boulogne_ had gedragen. Die vier deugden betwistten elkander lang den prijs en gaven aanleiding tot redevoeringen, die wij, uit vrees voor langwijligheid, niet zullen mededeelen.
„Ongelukkiglijk,” zeide Athos, „zou hij, dien men zond, alleen die vier hoedanigheden bij elkander moeten bezitten.”--„Maar waar een dergelijken dienaar te vinden?”--„Die is niet te vinden,” zeide Athos, „dat weet ik wel; neem dus Grimaud.”--„Neem Mousqueton.”--„Neem Bazijn.”--„Neem Planchet. Planchet is trouw en behendig, dat zijn reeds twee hoedanigheden van de vier.”--„Mijne heeren!” zeide Aramis, „het voornaamste is niet te weten, wie van onze vier knechts de geheimhoudendste, de sterkste, de behendigste of de moedigste is; het voornaamste is te weten, wie het meest van geld houdt.”--„Hetgeen Aramis daar opmerkt, is zeer verstandig gezegd,” hernam Athos; „men moet met de gebreken der menschen zijn voordeel doen, en niet met hun deugden. Mijnheer de abt, gij zijt een groot zedenmeester!”--„Ongetwijfeld,” hernam Aramis, „want wij moeten niet alleen goed bediend worden, ten einde te slagen, maar ook om onze onderneming niet te doen mislukken; immers in het laatste geval is niet het hoofd van den lakei....”--„Spreek zachter, Aramis!” zeide Athos.--„Het is waar ook. Is niet het hoofd van den lakei, maar dat van den meester er mede gemoeid. Hebben onze knechts ons nu zoo lief, dat zij hun hoofden voor ons zouden wagen? Neen.”--„Wel,” zeide d’Artagnan, „ik zou bijna voor Planchet willen verantwoordelijk blijven.”--„Welnu, mijn beste vriend! voeg dan bij zijn natuurlijke genegenheid een goede som, die hem eenig genot kan geven, en dan, in plaats van eenmaal voor hem verantwoordelijk te zijn, wees het dan twee malen.”
„Ach, mijn God! gij zoudt u eveneens bedrogen vinden,” zeide Athos, die _Optimist_ was wanneer het zaken, en _Pessimist_ wanneer het menschen betrof: „zij zullen alles beloven voor geld, maar onderweg zal de vrees hen beletten te handelen. Eenmaal in handen, zal men hen knijpen; en geknepen, zullen zij bekennen. Wat duivel! wij zijn kinderen! Om naar _Engeland_ te gaan (Athos begon zachter te spreken) moet men geheel _Frankrijk_ door, dat wemelt van spionnen en aanhangers van den kardinaal; men moet Engelsch spreken, om in _Londen_ den weg te vragen. Zie, ik beschouw de zaak als zeer moeilijk.”--„Wel, volstrekt niet,” zeide d’Artagnan, die er zeer op gesteld was, dat de zaak werd voortgezet; „ik, integendeel, beschouw ze als zeer uitvoerbaar. Het spreekt vanzelf, _parbleu_! dat wanneer men lord de Winter ongerijmdheden, afschuwelijkheden van den kardinaal schrijft....”--„Spreek toch zachter,” zeide Athos.--„Intrigues en staatsgeheimen,” ging d’Artagnan voort, de aanbeveling nakomende, „dan spreekt het vanzelf, dat men ons levend zal radbraken. Maar om Gods wil, vergeet niet, zooals gij het zelf hebt gezegd, Athos! dat wij over familiezaken schrijven; dat wij hem alleen schrijven, milady, zoodra zij in _Engeland_ aankomt, buiten staat te stellen ons te schaden. Ik zal hem een brief in dien zin schrijven.”--„Laat hooren,” zeide Aramis, reeds bij voorbaat het gezicht van een recensent aannemende.
„Mijnheer en waarde vriend!....”
„Wel zeker! waarde vriend aan een Engelschman! Alleen om deze woorden zou men u vierendeelen, in plaats van levend radbraken.”--„Welnu, dan zal ik eenvoudig mijnheer schrijven.”--„Gij kunt wel mylord zeggen,” hernam Athos, die zeer op étiquette was gesteld.--„Mylord! herinnert gij u nog wel die kleine omheinde geitenweide bij het _Luxembourg_?”--„Nog fraaier! Nu het _Luxembourg_! men zal gelooven, dat men op de koningin-moeder zinspeelt! zeer slim inderdaad!” zeide Athos.--„Welnu, dan zullen we eenvoudig zetten: Mylord! herinnert gij u nog wel zekere omheinde weide, waar men u het leven redde?”--„Mijn waarde d’Artagnan!” zeide Athos, „gij zult nooit anders dan een slecht briefsteller zijn. Waar men u het leven redde! wel foei! dat is onwaardig! men herinnert dergelijke zaken niet aan een edelman. Een herinnerde weldaad wordt een beleediging.”--„Ach, mijn waarde!” zeide d’Artagnan, „gij zijt onverdragelijk; en indien men onder uw toezicht moet schrijven, dan zie ik er van af.”--„En gij doet wel. Ga met het musket en den degen om, mijn vriend! gij bedient u van beide wapens voortreffelijk; maar geven wij de pen aan Aramis, ze behoort hem.”--„Wel ja,” zeide Porthos, „geef Aramis de pen in de hand; immers hij schrijft zijn thesis in het Latijn.”--„Goed, het zij zoo,” zeide d’Artagnan, „stel ons dien brief op, Aramis! Maar bij onzen Heiligen Vader den Paus, pas op! want op mijn beurt zal ik u mijn aanmerkingen niet onthouden, dat verzeker ik u.”--„Ik begeer niets anders,” zeide Aramis, met dat onnoozel vertrouwen, hetwelk ieder poëet in zich zelven stelt; „maar men moet mij met de zaken bekend maken. Ik heb wel hier en daar gehoord, dat die schoonzuster een zeer slechte vrouw is, en er zelfs het bewijs van gekregen, toen ik naar haar gesprek met den kardinaal luisterde.”--„Spreek toch zoo luid niet, _sacrebleu_!” hernam Athos.--„Maar,” vervolgde Aramis, „die bijzonderheden zijn mij ontgaan.”--„En mij ook,” zeide Porthos.
D’Artagnan en Athos beschouwden elkander een poos zwijgend. Eindelijk gaf Athos, na overwogen te hebben, en nog bleeker geworden zijnde dan gewoonlijk, een teeken van toestemming. D’Artagnan begreep, dat hij mocht spreken.
„Welnu, ziehier wat er te schrijven is,” hernam d’Artagnan: „Mylord! uw schoonzuster is een slechte vrouw, die u heeft willen doen vermoorden om van u te erven; zij mocht trouwens met uw broeder niet gehuwd zijn, daar zij reeds in _Frankrijk_....” D’Artagnan zweeg, als om het woord te zoeken, terwijl hij Athos aanzag.--„Door haar man was weggejaagd,” zeide Athos.--„Uit hoofde zij gebrandmerkt was,” vervolgde d’Artagnan.--„Och!” riep Porthos, „onmogelijk! zou zij haar schoonbroeder hebben willen doen vermoorden?”--„Ja.”--„Was zij reeds gehuwd?” vroeg Aramis.--„Ja.”--„En heeft haar man ontdekt, dat zij een lelie op den schouder had?” riep Porthos.--„Ja.”--Driemaal had Athos _ja_ gezegd, met een trapsgewijze verdooving zijner stem.--„En wie heeft die lelie gezien?” vroeg Aramis.--„D’Artagnan en ik; of liever, om de chronologische volgorde in acht te nemen, ik en d’Artagnan,” antwoordde Athos.--„En leeft dat afschuwelijk schepsel nog?” vroeg Aramis.--„Het leeft nog.”--„Zijt gij er zeker van?”--„Ik ben er zeker van.”
Een oogenblik heerschte er een onaangename stilte, van welke ieder, volgens zijn aard, den indruk voelde.
„Nu, dezen keer,” hernam Athos, het eerst de stilte afbrekende, „heeft d’Artagnan ons een heerlijk voorschrift gegeven, en dat is het, wat wij vooreerst moeten schrijven.”--„Duivelsch! gij hebt gelijk, Athos!” hernam Aramis, „maar het opstel is moeilijk genoeg. Mijnheer de kanselier zoude zelfs in verlegenheid zijn een dergelijken brief op te stellen, en nochtans stelt hij zeer aardig een proces-verbaal op. Maar het doet er niet toe. Zwijgt nu een oogenblik en ik zal schrijven.”
Aramis nam de pen, peinsde eenige oogenblikken, schreef een acht- of tiental regels in een zeer net, klein vrouwenschrift; vervolgens las hij met een zachte stem en langzaam, alsof elk woord nauwkeurig ware overwogen, het volgende:
„Mylord!
De persoon, die u deze weinige regels schrijft, heeft de eer gehad den degen met u te kruisen in zekere kleine omheinde weide in de straat _d’Enfer_. Daar gij sedert meermalen dien persoon uw vriend hebt genoemd, is hij jegens u verplicht die vriendschap door een goede waarschuwing te erkennen. Tot tweemalen toe zijt gij bijna het offer geworden eener bloedverwante, die gij uw erfgename waant, omdat het u onbekend is, dat zij, vóór haar huwelijk in _Engeland_, reeds in _Frankrijk_ was gehuwd; maar de derde maal, hetgeen nu het geval is, zoudt gij kunnen bezwijken. Uw bloedverwante is van _la Rochelle_ naar _Engeland_ vertrokken. Bewaak haar bij haar aankomst, want zij wil groote en verschrikkelijke plannen volvoeren. Als gij volstrekt wilt weten, waartoe zij in staat is, lees dan haar verleden op den linkerschouder.”
„Wel, dat kan niet beter,” zeide Athos, „en gij hebt een stijl als van een staatssecretaris, mijn waarde Aramis! De Winter zal nu een waakzaam oog houden, althans indien de waarschuwing hem gewordt, en al mocht die brief in handen van Zijne Eminentie vallen, kan hij ons niet benadeelen. Maar dewijl de knecht, die vertrekken moet, ons zou kunnen wijsmaken, dat hij in _Londen_ is geweest, en echter te _Châtellerault_ kan gebleven zijn, moeten wij hem niet meer dan de helft der som geven, met belofte hem de andere helft voor het antwoord te geven. Hebt gij den diamant?”--„Ik heb iets beters dan dat, ik heb het geld,” zeide d’Artagnan, en hij wierp den zak op tafel.
Op den klank van het geld richtte Aramis de oogen hemelwaarts. Porthos sprong op, terwijl Athos onbeweeglijk bleef zitten.
„Hoeveel is er in dien kleinen zak?” vroeg de laatste.--„Zeven duizend franken, in louis van twaalf franken.”--„Zeven duizend franken?” riep Porthos; „was die kleine, nietige diamant zeven duizend franken waard?”--„Het schijnt wel, want daar zijn ze; ik kan toch niet veronderstellen, dat onze vriend d’Artagnan er van het zijne heeft bijgelegd?”--„Maar, heeren! bij dat alles wordt er niet aan de koningin gedacht; trachten wij een weinig voor den welstand van haar lieven Buckingham zorg te dragen; dat is niet meer dan wij haar verschuldigd zijn.”--„Dat is waar,” zeide Athos; „maar dat raakt Aramis.”--„Welnu,” antwoordde deze blozende, „wat moet ik doen?”--„Wel,” hernam Athos, „dat is zeer eenvoudig: een anderen brief voor den knappen persoon, die _Tours_ bewoont, opstellen.”
Aramis vatte wederom de pen op, begon opnieuw te peinzen en schreef de volgende regels, die hij onmiddellijk aan de goedkeuring zijner vrienden onderwierp:
„Lieve nicht!”
„O, o!” riep Athos, „is die knappe persoon uw nicht?”--„Mijn volle nicht,” zeide Aramis.--„Laat het dan nicht zijn!”
Aramis vervolgde:
„Lieve nicht!
Zijne Eminentie de kardinaal, dien God behoede voor het heil van _Frankrijk_ en het verderf der vijanden van het koninkrijk, is op het punt een einde aan de kettersche rebellen van _la Rochelle_ te maken; het is waarschijnlijk, dat de Engelsche vloot, ter hulp gezonden, niet in het gezicht der stad zal komen; ik zou zelfs durven verzekeren, dat de hertog van Buckingham door een of andere groote gebeurtenis zal belet worden te vertrekken. Zijne Eminentie is de beroemdste staatkundige van den tegenwoordigen tijd, en misschien der toekomstige tijden. Hij zou de zon uitdooven, indien de zon hem hinderde. Deel die gelukkige tijding aan uw zuster mede, lieve nicht! Ik heb gedroomd, dat die vervloekte Engelschman dood was. Ik herinner mij niet meer, of zulks ten gevolge van staal of vergift was. Alleen, en hiervan ben ik zeker, is, dat hij dood was; en gij weet, mijn droomen komen altijd uit. Wees dus verzekerd van mijn spoedige terugkomst.”
„Kostelijk!” riep Athos; „gij zijt de koning der dichters, mijn waarde Aramis! Gij spreekt als de openbaring van Johannes, en gij zijt zoo waar als het evangelie. Er blijft nu slechts over, het adres op den brief te zetten.”--„Dat is zeer gemakkelijk,” zeide Aramis.
Hij maakte op sierlijke wijze den brief dicht, daarop keerde hij hem om en schreef er op:
„Aan mejuffrouw Michon, koopvrouw in lijnwaad te _Tours_.”
De drie vrienden zagen elkander lachend aan. Men had Aramis beet.--„Nu begrijpt gij wel, heeren!” zeide Aramis, „dat alleen Bazijn den brief naar _Tours_ kan brengen. Mijn nicht kent niemand dan Bazijn en stelt alleen in hem vertrouwen. Elk ander zou de zaak doen mislukken. Bovendien is Bazijn eerzuchtig en geleerd. Bazijn kent de geschiedenis, mijne heeren! hij weet, dat Sixtus V, na varkenshoeder te zijn geweest, paus is geworden; en dewijl hij voornemens is tegelijk met mij zich aan de kerk te verbinden, laat hij de hoop ook niet varen nog eenmaal paus, ten minste kardinaal te worden. Nu begrijpt gij wel, dat iemand, die zulke vooruitzichten heeft, zich niet laat vangen, en gevangen wordende, liever martelaar wordt dan te spreken.”
„Zeer goed,” zeide d’Artagnan, „ik sta u van harte Bazijn af, maar laat mij Planchet. Milady heeft hem op zekeren dag met stokslagen de deur uit laten werpen. En dewijl Planchet een zeer goed geheugen heeft, sta ik u borg, indien hij de minste wraak als mogelijk beschouwt, dat hij zich liever levend zal doen radbraken dan er van af te zien. Indien de zaken van _Tours_ de uwe zijn, Aramis! zijn die van _Londen_ de mijne. Ik verzoek dus, dat men Planchet verkieze, die buitendien reeds met mij te _Londen_ is geweest en zeer goed kan zeggen: ‚_London, Sir if you please_,’ en ‚_my master_, _lord d’Artagnan_.’ Wees daarom gerust, hij zal zijn weg wel vinden heen en weer.”
„In dat geval,” zeide Athos, „moet Planchet zevenhonderd franken om te gaan en zevenhonderd franken, om terug te keeren hebben, en Bazijn driehonderd franken om te gaan en driehonderd franken om terug te keeren; dat zal de som tot vijf duizend franken verminderen. Wij zullen elk duizend franken nemen om die naar ons goedvinden te gebruiken, en een fonds van duizend franken houden, dat de abt zal bewaren voor buitengewone uitgaven of gemeenschappelijke benoodigdheden. Neemt gij hiermede genoegen?”--„Mijn waarde Athos!” zeide Aramis, „gij spreekt als een Nestor, die, zooals de geheele wereld weet, de wijste onder de Grieken was.”--„Welnu, het is bepaald,” hernam Athos, „Planchet en Bazijn zullen vertrekken. En alles wel beschouwd is het mij niet onaangenaam Grimaud te behouden; hij is aan mijn leefwijze gewoon en ik ben aan hem gehecht; de dag van gisteren heeft hem reeds moeten doen wankelen; die reis zou hem geheel verloren doen gaan.”
Men liet Planchet komen en gaf hem de noodige voorschriften; hij was door d’Artagnan reeds gewaarschuwd, die hem vooreerst roem, ten tweede geld en eindelijk gevaar had doen vooruitzien.
„Ik zal den brief tusschen de voering van mijn kleed steken,” zeide Planchet, „en dien inslikken, wanneer men mij aanhoudt.”--„Maar dan zult gij uw boodschap niet kunnen verrichten,” zeide d’Artagnan.--„Geef er mij van avond een afschrift van, en ik zal het morgen van buiten kennen.”
D’Artagnan beschouwde zijn vrienden als wilde hij vragen: „Wel, wat heb ik u gezegd?”
„En nu,” ging hij voort, zich tot Planchet wendende, „gij hebt aan acht dagen genoeg om u naar lord de Winter te begeven; gij hebt vervolgens wederom acht dagen om terug te keeren; dus in het geheel zestien dagen. Indien gij nu den zestienden dag na uw vertrek des avonds te acht uur niet terug zijt, dan krijgt gij geen geld, al zou het slechts vijf minuten er over zijn.”--„Koop mij dan een horloge, mijnheer!” zeide Planchet.--„Neem dit,” zeide Athos met zijn ruwe edelmoedigheid, „en wees braaf; wees indachtig, dat indien gij spreekt of babbelt of slentert, gij uws meesters hals doet afsnijden, die zooveel vertrouwen in uw getrouwheid stelt, dat hij jegens ons voor u verantwoordelijk is gebleven.... Maar wees tevens ook indachtig dat, indien den heer d’Artagnan een ongeluk gebeurt, ik u overal zal weten te vinden om u den buik open te rijten.”--„Ach, mijnheer!” zeide Planchet, vernederd door dat wantrouwen, maar vooral verschrikt door die bedaarde houding van den musketier.--„En ik,” zeide Porthos, zijn groote oogen vreeselijk latende rollen, „bedenk dat ik u levend vil.”--„En ik,” zeide Aramis met zijn zachte, welluidende stem, „herinner u, dat ik u als een wilde zachtjes zal roosteren.”--„Ach, mijnheer!”
En Planchet begon te huilen; wij durven niet zeggen of zulks van angst voor de hem gedane bedreigingen was, of van verteedering op het zien dezer zoo nauw aan elkander verbonden vrienden. D’Artagnan vatte hem bij de hand.
„Ziet gij, Planchet!” zeide hij, „die heeren zeggen u dat alleen uit liefde voor mij; maar inderdaad houden zij veel van u.”--„Ach, mijnheer!” zeide Planchet, „òf ik zal slagen, òf men zal mij vierendeelen; maar wees verzekerd, dat er geen stuk van mij zal spreken.”
Het was bepaald, dat Planchet den volgenden dag, des morgens te acht uur, zou vertrekken, ten einde, zooals hij had gezegd, des nachts den brief van buiten te kunnen leeren. Hij won juist twaalf uren bij die schikking, immers hij moest den zestienden dag daarna, des avonds te acht uur, terug zijn.
Des morgens, toen hij wilde te paard stijgen, nam d’Artagnan, die in zijn hart een zwak voor den hertog van Buckingham gevoelde, hem ter zijde en zeide hem: „Luister! Zoodra gij den brief aan lord de Winter zult hebben ter hand gesteld en hij dien gelezen heeft, zult gij hem nog zeggen: ‚Waak over Zijne Genade, lord Buckingham! want men wil hem vermoorden.’ Maar dat, Planchet, hoort gij, is van een zoo ernstigen, gevaarlijken aard, dat ik niet eens aan mijn vrienden heb willen bekennen, dat ik u dat geheim zou toevertrouwen, en al bood men mij een kapiteinsplaats, zou ik u dit niet eens willen opschrijven.”--„Wees gerust, mijnheer!” zeide Planchet, „gij zult ondervinden of men op mij kan rekenen.”--En op een kostelijk paard gezeten, dat hij twintig mijlen verder voor de post moest verwisselen, vertrok Planchet in galop, wel eenigszins inwendig angstig voor de akelige beloften, die de musketiers hem hadden gedaan, maar overigens in de beste gezindheid der wereld.
Bazijn vertrok den volgenden dag naar _Tours_ en verkreeg acht dagen om zijn boodschap te verrichten.
De vier vrienden waren, gedurende al den tijd dat beiden afwezig waren, meer dan ooit werkzaam en scherpten hiertoe al hun zintuigen. Zij brachten den dag door in pogingen om te beluisteren wat er rondom hen gesproken werd, in het nagaan der gangen van den kardinaal en het uithooren der koeriers, die aankwamen. Meer dan eens overviel hen een onwillekeurige rilling, wanneer zij geroepen werden ter uitvoering van een onverwachten dienst. Zij waren buitendien genoodzaakt voor hun eigene zekerheid te waken; immers milady was een spookgedaante die, wanneer zij eenmaal aan de lieden was verschenen, hun een gerusten slaap niet meer vergunde.
Op den ochtend van den achtsten dag trad Bazijn, als naar gewoonte frisch en glimlachende, de herberg _het Geuzennest_ binnen, terwijl de vier vrienden zaten te ontbijten, en volgens afspraak zich tot Aramis wendende, zeide hij: „Ziedaar, mijnheer! het antwoord van uw nicht.”
De vier vrienden wisselden een verheugden blik met elkander; de helft van het werk was verricht; het is waar, dat het de gemakkelijkste en kortste helft was. Aramis nam onwillekeurig blozende den brief, die zeer slecht geschreven en zonder de minste taalkennis was.
„Goede God!” riep hij lachend uit, „nu wanhoop ik er voor altijd aan, dat die arme Michon ooit als de Heer Voiture zal schrijven.”--„_Was sagst du doch, die arme Migeon_?” vroeg de Zwitser, die met de vier vrienden in gesprek was, toen de brief kwam.--„Ach, mijn God! iets minder dan niets,” zeide Aramis, „het betreft een allerliefst linnenkoopstertje, die ik veel liefde toedraag en die mij ter gedachtenis eenige regels heeft gezonden.”--„_Teufel_!” zeide de Zwitser, „_wenn sie eine ebengrosse_ Tame _als ihr Schrift ist, dann bist du mein Freund ein glücklicher Mann_.”--„Zie eens wat zij mij schrijft, Athos!”--Athos wierp een blik op den brief en om alle vermoedens te doen verdwijnen, die zouden hebben kunnen ontstaan, las hij luid:
„Neef! mijn zuster en ik kunnen zeer goed droomen uitleggen en zijn er vreeselijk benauwd voor, maar van den uwen zal men hoop ik kunnen zeggen: droomen is bedrog.... Vaarwel, houd u goed en tracht ons van tijd tot tijd eenige tijding van u te doen geworden.
Aglaé Michon.”
„En van welken droom spreekt zij?” vroeg de dragonder, die onder het lezen was genaderd.--„_Ja, was träumte sie_?” hernam de Zwitser.--„Wel, _pardieu_!” zeide Aramis, „van den droom, dien ik heb verhaald.”--„_Ach ja! es ist ganz natürlich von sein Traum zu sprechen, aber ich träume nie._”--„Gij zijt wel gelukkig,” zeide Athos opstaande, „en ik zou gaarne zulks met u willen zeggen.”--„_Nie_!” hernam de Zwitser, verheugd dat een man als Athos hem iets benijdde, „_nie! nie_!”
D’Artagnan, ziende dat Athos opstond, deed evenzoo, nam zijn arm en vertrok. Porthos en Aramis bleven, om op de kwinkslagen van den dragonder en den Zwitser te kunnen antwoorden. Intusschen ging Bazijn op een bos stroo liggen slapen, en daar zijn verbeelding waakzamer was dan die van den Zwitser, droomde hij, dat de heer Aramis, paus geworden zijnde, hem den kardinaalshoed opzette.
Maar, zooals wij zeiden, had Bazijn, door zijn gelukkige terugkomst, slechts een gedeelte der ongerustheid, die de vier vrienden prikkelde, weggenomen. Het wachten valt lang; en vooral d’Artagnan zou gezworen hebben, dat de dagen acht en veertig uren hadden. Hij vergat de noodwendige langzaamheid der scheepvaart, hij overdreef de macht van milady en schreef aan die vrouw, welke hem een helsche geest scheen, bovennatuurlijke bondgenooten toe, aan haar gelijk; hij verbeeldde zich bij het minste gerucht, dat men hem kwam halen en Planchet terugbracht, om dezen met hem en zijn vrienden te confronteeren. En wat meer is, zijn vertrouwen in den waardigen Picardiër verminderde dagelijks. Die ongerustheid was zoo sterk, dat zij ook Porthos en Aramis overviel; alleen Athos bleef zich zelven gelijk, alsof geen enkel gevaar hem dreigde en hij in zijn gewone sfeer verkeerde.
Vooral waren die teekenen van onrust den zestienden dag zoo zichtbaar bij d’Artagnan en zijn twee vrienden, dat zij niet stil konden blijven en steeds als schimmen op den weg dwaalden, langs welken Planchet moest terugkomen.