De Drie Musketiers dl. I en II
Part 44
„Wacht een oogenblikje,” zeide d’Artagnan, „ik verlaat Buckingham niet op deze wijze; hij heeft ons zeer fraaie paarden geschonken.”--„En vooral zeer fraaie zadels,” zeide Porthos, die op dat oogenblik de franje van het zijne aan zijn mantel had.--„En daarbij,” zeide Aramis, „God wil de bekeering en niet den dood des zondaars.”--„Amen,” zeide Athos, „en wij zullen hierop later terugkomen, indien u zulks aangenaam is; maar wat op dat oogenblik mijn eerste zorg was, en gij, d’Artagnan! hiervan ben ik zeker, zult het begrijpen, was, van die vrouw een soort van volmacht af te persen, die zij den kardinaal had weten te ontwringen, en waarmede zij ongestraft u en misschien ons uit den weg zou hebben geruimd.”--„Maar dat schepsel is dan de duivel,” riep Porthos, zijn bord aan Aramis aanbiedende, die bezig was een hoen voor te snijden.--„En die volmacht,” vroeg d’Artagnan, „is die in haar handen gebleven?”--„Neen, ze is in de mijne overgegaan; ik zal niet zeggen zeer gemakkelijk, dan voorzeker zou ik liegen.”--„Mijn waarde Athos,” zeide d’Artagnan, „ik kan niet meer tellen, hoe dikwijls ik u het leven te danken heb.”--„Het was dus om tot haar terug te keeren, dat gij ons verliet?” vroeg Aramis.--„Zeker.”--„En hebt gij dat briefje van den kardinaal?” vroeg d’Artagnan.--„Hier is het,” antwoordde Athos. En hij haalde het kostbaar papier uit den zak van zijn gewaad.
D’Artagnan vouwde het open met een hand, van welke hij niet eens het beven wilde verbergen; en hij las op zijn beurt:
„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder dezes deed, wat hij heeft gedaan.
Richelieu.”
3 Augustus 1628.
„Inderdaad,” zeide Aramis, „dat is een absolutie in den volsten zin.”--„Dit papier moet verscheurd worden,” zeide d’Artagnan, die zijn doodvonnis meende te lezen.--„Volstrekt niet,” hernam Athos, „het moet zorgvuldig worden bewaard, en ik zou dat papier niet geven, al wilde men het met goudstukken bedekken.”--„En wat zal zij nu gaan doen?” vroeg de jongeling.--„Wel,” zeide Athos losweg, „zij zal waarschijnlijk den kardinaal schrijven, dat een vervloekte musketier, Athos genaamd, haar gewelddadig de volmacht heeft ontweldigd; zij zal bij die gelegenheid hem tevens aanraden, zich zoowel van dezen als van diens twee vrienden, Porthos en Aramis, te ontdoen. De kardinaal zal zich dan herinneren, dat het altijd mannen zijn, welke hij op zijn weg ontmoet; en op zekeren schoonen morgen zal hij d’Artagnan in hechtenis laten nemen, en opdat deze zich niet geheel alleen vervele, zal hij ons hem in de Bastille doen gezelschap houden.”--„Wel zoo! maar het schijnt mij, dat uw scherts niet om te lachen is, mijn waarde!” zeide Porthos.--„Ik scherts niet,” zeide Athos.--„Weet gij wel,” hernam Porthos, „dat het minder kwaad zou zijn die vervloekte milady den hals om te draaien, dan die arme duivels van Hugenooten, die nooit een andere misdaad hebben bedreven dan in het Fransch de Psalmen te zingen, die wij in het Latijn zingen.”--„Wat zegt hiervan de abt?” vroeg Athos bedaard.--„Ik zeg, dat ik met Porthos van dezelfde denkwijze ben,” antwoordde Aramis.--„En ik!” riep d’Artagnan.--„Gelukkig dat zij veraf is, want ik beken, dat zij mij hier vreeselijk zou hinderen,” hernam Porthos.--„Zij hindert mij in _Engeland_ evenveel als in _Frankrijk_,” zeide Athos.--„Zij hindert mij overal,” zeide d’Artagnan.--„Maar dewijl gij haar in uw macht hadt,” zeide Porthos, „waarom hebt gij haar dan niet verzopen, verworgd, gehangen? Alleen de dooden komen niet terug.”--„Meent gij dat, Porthos?” antwoordde de musketier met een somberen glimlach, dien d’Artagnan alleen begreep.--„Ik bedenk iets,” zeide d’Artagnan.--„Laat hooren!” riepen de musketiers.
„Te wapen!” riep Grimaud. De jongelieden stonden haastig op en grepen hun geweren. Nu naderde een kleine krijgsbende van twintig of vijf en twintig man; doch het waren nu geen schansgravers, maar soldaten van het garnizoen.
„Willen wij naar het kamp terugkeeren?” zeide Porthos, „ik geloof, dat de partij niet gelijk staat.”--„Onmogelijk! om drie redenen,” antwoordde Athos. „Vooreerst hebben wij nog niet gedaan met ontbijten, ten tweede hebben wij elkander nog veel belangrijks te zeggen, ten derde moeten er nog tien minuten verloopen, alvorens het uur voorbij is.”--„Welaan!” zeide Aramis, „maar wij dienen van te voren een verdedigingsplan te maken.”--„Dat is zeer eenvoudig,” zeide Athos. „Zoodra de vijand onder het bereik van ons schot zal zijn gekomen, geven wij vuur; wanneer hij blijft voortgaan, geven wij nogmaals vuur, en dat zoo lang als er nog geladen geweren overblijven; indien dan, hetgeen van den troep overblijft, mocht willen stormloopen, laten wij de belegeraars tot in de gracht dalen, en dan begraven wij hen onder een brok van dien muur, die slechts door een wonder van evenwicht is staande gebleven.”--„Bravo!” riep Porthos, „waarachtig, Athos! gij zijt tot generaal geboren, en de kardinaal, die zich een groot veldheer waant, is niets bij u vergeleken.”--„Mijne heeren!” zeide Athos, „mikt op twee voorwerpen tegelijk, dat verzoek ik u, dat elk schot slechts voor één man zij.”--„Ik heb den mijnen al,” zeide d’Artagnan.--„En ik den mijnen.”--„En ik idem,” zeide Aramis.--„Vuur!” riep Athos.
De vier geweerschoten vormden slechts één losbranding en vier mannen vielen. Dadelijk hierop werd de trom geroerd en de kleine bende naderde in den stormpas. Toen volgden de geweerschoten elkander onregelmatig op, maar steeds troffen die der vrienden met juistheid het doel; intusschen bleef de vijand, alsof hij het zwakke getal der vrienden gekend had, stormloopend naderen. Drie andere geweerschoten troffen weder twee mannen, de nadering der ongekwetsten werd daarom niet langzamer.
Aan den voet van het bolwerk gekomen, was de vijand nog twaalf of vijftien in getal, een laatste losbranding begroette hen, maar hield hen niet staande; zij sprongen in de gracht en beproefden de bres te beklimmen.
„Welaan, vrienden!” zeide Athos, „maken wij er een einde aan. Naar den muur!”--En de vier vrienden, door Grimaud bijgestaan, begonnen met de loopen hunner geweren tegen een ontzaglijk grooten brok van den muur te duwen, die zich boog, alsof hij door den wind bewogen werd, en van deszelfs voetstuk losrakende met een vreeselijk geraas in de gracht viel; daarop hoorde men een hard geschreeuw, een stofwolk rees ten hemel en alles was gedaan.
„Zouden wij hen van den eersten tot den laatsten verplet hebben?” vroeg Athos.--„Op mijn woord,” zeide d’Artagnan, „het schijnt wel zoo.”--„Neen,” zeide Porthos, „zie, daar vluchten er twee of drie, geheel verminkt.”--En waarlijk, een viertal dier rampzaligen, met bloed en slijk bedekt, vloden langs den hollen weg stadwaarts; dat was alles, wat van de kleine bende overbleef.
Athos zag op zijn horloge.--„Mijne heeren!” zeide hij, „het is nu een uur, dat wij hier zijn, en de weddenschap is gewonnen; maar wij moeten toonen wat spelers wij zijn, en daarenboven heeft d’Artagnan ons nog zijn denkbeeld mede te deelen.”--En met zijn gewone koelbloedigheid zette zich de musketier voor het overschot van het ontbijt neder.
„Gij wilt mijn plan kennen?” zeide d’Artagnan tot zijn drie vrienden, toen, na de schermutseling, welke voor die kleine bende een zoo rampzalig einde had genomen, zij aan het ontbijt hun plaatsen hadden hernomen.--„Ja,” hernam Athos, „gij zeidet een denkbeeld te hebben.”--„O ja, ik herinner mij,” zeide d’Artagnan, „welnu, ik ga voor de tweede maal naar _Engeland_, bezoek den hertog van Buckingham en waarschuw hem voor den aanslag tegen zijn leven.”--„Gij zult dat niet doen, d’Artagnan!” zeide Athos koel.--„En waarom niet, heb ik het niet reeds gedaan?”--„Ja, maar destijds waren wij niet in oorlog, de hertog van Buckingham was toen een bondgenoot en geen vijand, wat gij wilt doen, zou als verraad worden beschouwd.”
D’Artagnan gevoelde de gegrondheid dier redeneering en zweeg.--„Maar,” zeide Porthos, „ik geloof, dat ik ook een denkbeeld heb.”--„Stilte voor het denkbeeld van den heer Porthos!” riep Aramis.--„Ik vraag verlof aan den heer de Tréville, onder een of ander voorwendsel, dat gij wel zult vinden; ik ben in het vinden van voorwendsels niet zeer handig. Milady kent mij niet, ik nader haar, zonder dat zij voor mij de minste vrees koestert, en wanneer ik haar onder mijn bereik heb, draai ik haar den hals om.”--„Wel,” zeide Athos, die voor den jongen musketier zeer veel onderscheiding koesterde. „Men moet de koningin verwittigen.”--„Inderdaad, dat is waar ook!” riepen eenparig Porthos en d’Artagnan; „ik geloof, dat wij bijna het middel raken. De koningin verwittigen, en op wat wijze? Staan wij in de minste aanraking met het hof? Kunnen wij iemand naar _Parijs_ zenden, zonder dat het in het legerkamp bekend wordt? Van hier naar Parijs is een afstand van honderd veertig mijlen; en voor onze brief te _Angers_ zou wezen, zouden wij reeds in de gevangenis zijn.”--„Wat betreft aan Hare Majesteit met zekerheid een brief te doen geworden,” zeide Aramis blozende, „hiermede zal ik mij belasten; ik ken te _Tours_ een zeer behendig persoon.”
Aramis zweeg, Athos ziende glimlachen.--„Wel, vindt gij dat middel niet doelmatig, Athos?” vroeg d’Artagnan.--„Ik verwerp het niet geheel,” zeide Athos, „maar ik wilde alleen aan Aramis doen opmerken, dat hij het legerkamp niet kan verlaten, en elk ander dan wij niet zeker is, dat twee uren, nadat onze bode zal zijn vertrokken, al de Kapucijners, al de gerechtsdienaars, al de zwartmutsen van den kardinaal uw brief van buiten zullen kennen, en men u en uw behendigen vriend in hechtenis zal nemen.”--„Zonder daarbij te rekenen,” zeide Porthos, „dat de koningin wel den hertog van Buckingham, maar volstrekt ons niet zal redden.”--„Mijne heeren,” zeide d’Artagnan, „de tegenwerping van Porthos is zeer juist.”
„Maar luistert eens: wat gebeurt er in de stad?” riep Athos.--„Men slaat alarm.”--De vier vrienden luisterden, en het tromgeroffel bereikte werkelijk hun oor.--„Gij wilt toch niet een geheel regiment weerstand bieden?” vroeg Porthos.--„Waarom niet?” antwoordde Athos; „ik ben aan den gang, en ik zou mij tegen een geheel leger verzetten, indien wij slechts de voorzorg hadden genomen een dozijn flesschen meer mede te nemen.”--„Op mijn woord, de trom nadert,” zeide d’Artagnan.--„Laat ze naderen,” zeide Athos, „een kwartier zijn wij hier van de stad verwijderd, en bijgevolg ligt de stad een kwartier van hier; wij hebben dus genoegzaam tijd om ons plan te beramen; eenmaal van hier vertrokken, zullen wij nooit gunstiger plek vinden. En zie, daar komt juist het rechte denkbeeld in mij op.”--„Spreek dan.”--„Veroorloof mij eerst eenige onvermijdelijke bevelen aan Grimaud te geven.”
Athos wenkte zijn knecht te naderen.--„Grimaud!” zeide hij, op de dooden wijzende, die in het bolwerk lagen, „gij zult die heeren opnemen en tegen den muur zetten, met de hoeden op het hoofd en het geweer in de hand.”--„O, groote man!” riep d’Artagnan, „nu begrijp ik u!”--„Gij begrijpt?” vroeg Porthos.--„En gij, Grimaud! hebt gij mij verstaan?” vroeg Athos.--Grimaud knikte van ja.--„Dan is het wel,” zeide Athos. „Keeren wij tot mijn denkbeeld terug.”--„Ik wilde toch wel eerst begrijpen,” zeide Porthos.--„Dat is niet noodig.”--„Neen, eerst het denkbeeld van Athos!” riepen gelijktijdig d’Artagnan en Aramis.--„Die milady, die vrouw, dat schepsel, die duivelin heeft, zooals gij mij hebt gezegd, d’Artagnan! een schoonbroeder, niet waar?”--„Ja, dezen ken ik zeer goed, en ik geloof zelfs, dat hij zijn schoonzuster ook niet zeer genegen is.”--„Dat kan geen kwaad,” zeide Athos, „en al verfoeide hij haar, dat zou er niet te slechter om zijn.”--„In dat geval zijn wij naar wensch bediend.”--„Maar,” hernam Porthos, „ik wilde toch wel eens weten, wat Grimaud uitvoert.”--„Stil, Porthos,” zeide Aramis.--„Hoe heet die schoonbroeder?”--„Lord de Winter.”--„Waar is hij thans?”--„Op het eerste oorlogsgerucht is hij naar _Londen_ teruggekeerd.”--„Welnu,” zeide Athos, „dat is juist de man, die ons lijkt. Hij is het, dien wij moeten waarschuwen. Wij laten hem weten, dat zijn schoonzuster op het punt is iemand te vermoorden, en wij verzoeken hem haar niet uit het oog te verliezen. Er zal te _Londen_ wel een inrichting zijn, zooals die der _Madelonnettes_ en der _boetvaardige zusters_,[12] daarin laat hij zijn schoonzuster plakken en wij zijn gerust.”--„Ja, zoo lang tot zij er weer uitkomt,” zeide d’Artagnan.--„Op mijn woord,” hernam Athos, „gij vergt te veel van mij, d’Artagnan! ik heb u gegeven, wat ik had, en ik verzeker u, dat het alles is, wat mij overblijft.”--„Het komt mij voor, dat zulks het beste is,” zeide Aramis. „Wij zullen tegelijkertijd de koningin en lord de Winter verwittigen.”--„Ja, maar door wien zullen wij den brief naar _Tours_ en naar _Londen_ doen bezorgen?”--„Ik ben voor Bazijn verantwoordelijk,” zeide Aramis.--„En ik voor Planchet,” zeide d’Artagnan.--„Inderdaad,” zeide Porthos, „indien wij het legerkamp niet mogen verlaten, kunnen het onze knechts.”--„Zeker,” zeide Aramis, „en nog heden schrijven wij de brieven en geven hun reisgeld.”--„Hebt gij dan geld?” hernam Athos.
[12] Twee kloosters, waarin de politie vrouwen van slecht gedrag opsluit, en waarin toen ter tijd ook wel eens verdachte of politieke misdadigers werden gevoerd.
De vier vrienden zagen elkander aan, een wolk verdreef den glans, die een oogenblik te voren op hun aangezicht blonk.--„Opgepast!” riep d’Artagnan, „ik zie in de verte roode en zwarte stippen, die zich bewegen. Wat zeidet gij toch van een regiment, Athos? het is een leger!”--„Het is op mijn eer waar!” hernam Athos, „daar zijn ze. Ziet eens, die veinzaards! zij naderen met stille trom en trompet. Ha! ha! zijt gij gereed, Grimaud?”
Grimaud knikte van ja en toonde een twaalftal lijken, die hij in de bevalligste houdingen tegen den muur had geplaatst, eenige met het geweer op den schouder, hun geweer aanleggende en wederom andere met den degen in de hand.
„Bravo!” zeide Athos, „dat doet uw vindingrijkheid eer aan.”--„Wat er van zij, ik wenschte toch wel te begrijpen.”--„Vertrekken wij eerst, daarna zult gij begrijpen.”--„Een oogenblikje, mijne heeren, een oogenblikje; geven wij Grimaud den tijd om de tafel af te nemen.”--„Ha! de roode stippen beginnen goed zichtbaar te worden,” zeide Aramis, „en ik vereenig mij met den raad van d’Artagnan, ik geloof, dat er ons maar weinig tijd meer overblijft, om het legerkamp te bereiken.”--„Welnu!” zeide Athos, „ik ben er volstrekt niet tegen, dat wij heengaan, wij hebben gewed een uur hier te zullen blijven, en het is nu reeds anderhalf uur, er valt dus niets op aan te merken; vertrekken wij dus, heeren! vertrekken wij.”
Grimaud had zich reeds met de mand en het overige tafelgoed vooruitgespoed. De vier vrienden vertrokken achter hem en deden een tiental schreden.
„Wel!” riep Athos, „duivelsch! wat gaan wij doen, heeren?”--„Hebt gij iets vergeten?” vroeg Aramis.--„En de vlag, _morbleu_! men mag geen vlag in de macht des vijands laten, al is die vlag slechts een servet.”--En Athos snelde in het bolwerk terug, klom op den wal en nam de vlag; intusschen waren de aanvallers tot op een geweerschot het bolwerk genaderd en gaven een geweldig vuur op dien man, die als uit vermaak er zich aan ging blootstellen. Maar het was, alsof Athos kogelvrij was; de kogels snorden fluitend rondom hem; doch niet één enkele raakte hem.
Athos zwaaide met zijn vlag, den lieden der stad den rug keerende, en die van het legerkamp begroetende. Van weerszijden verhief zich een luid geschreeuw; van den eenen kant een kreet van woede, van den anderen kant een kreet van verwondering.--Een tweede losbranding volgde op de eerste, en drie kogels, die het servet doorboorden, maakten er een wezenlijke vlag van.
Men hoorde door het gansche legerkamp den kreet van: „Klim af! klim af!” aanheffen.--Athos klom af, en zijn vrienden, die hem met angst wachtten, zagen hem met vreugd verschijnen.
„Kom, Athos! kom,” zeide d’Artagnan, „maken wij van onze beenen gebruik, spoeden wij ons; thans, nu wij alles, behalve geld hebben gevonden, zou het dom zijn ons te laten doodschieten.”
Maar Athos bleef majestueus voortwandelen, en zijn vrienden, ziende dat alle aanmaningen vruchteloos waren, regelden hun schreden naar de zijne. Grimaud en zijn mand waren vooruit en beiden schotvrij. Na een kort oogenblik hoorde men geweerschoten.
„Wat is dat?” vroeg Porthos, „en waarop schieten zij? Ik hoor de kogels niet fluiten, en ik zie niemand.”--„Zij schieten op de gesneuvelden,” zeide Athos.--„Maar onze dooden zullen niet antwoorden?”--„Neen, en daarom zullen zij een hinderlaag vermoeden en met elkander raadplegen; zij zullen een parlementair zenden, en wanneer zij de grap zullen hebben bemerkt, zijn wij buiten bereik. Ziedaar, waarom het onnoodig is, ons een pleuris op den hals te halen door overhaasting.”--„Ha, nu begrijp ik,” zeide Porthos vol bewondering.--„Dat is wel gelukkig,” hernam Athos, de schouders ophalende.
Toen de Franschen nu de vier vrienden bedaard zagen aankomen, hieven zij een luid vreugdegejuich aan.--Eindelijk werd er een nieuw geweervuur gehoord, en de kogels pletten zich tegen de keisteenen van den weg, rondom de vier vrienden, en floten akelig langs hun ooren. De belegerden hadden zich eindelijk van het bolwerk meester gemaakt.
„Dat zijn toch zeer onhandige lieden,” zeide Athos. „Hoeveel hebben wij er doen sneuvelen?”--„Twaalf tot vijftien.”--„Hoeveel hebben wij er verplet?”--„Acht of tien.”--„En daarentegen geen schram. Maar ja, wat deert u toch aan de hand, d’Artagnan? zij bloedt, geloof ik?”--„Het is niets,” antwoordde d’Artagnan.--„Een schampschot?”--„Niet eens.”--„Wat dan?”--Wij hebben gezegd, dat Athos d’Artagnan als zijn zoon beminde, en hoewel somber en onwrikbaar van aard, was hij vaak voor den jongeling goed als een vader.--„Een schram,” hernam d’Artagnan: „mijn vingers zijn tusschen twee steenen beklemd geraakt, tusschen dien van den muur en dien van mijn ring, zoodat het vel opengescheurd is.”--„Ziedaar de gevolgen van diamanten te dragen,” zeide Athos verachtelijk.--„Maar het is waar ook!” riep Porthos, „er is inderdaad een diamant; en wat duivel! klagen wij dan geen geld te hebben, wijl er een diamant is.”--„Wel, inderdaad,” zeide Aramis, „gij oppert daar waarlijk een goed denkbeeld, Porthos!”--„Zeker,” hernam Porthos, trotsch op het kompliment van Aramis, „dewijl er een diamant is, verkoopen wij hem.”--„Maar,” zeide d’Artagnan, „die diamant komt van de koningin!”--„Een reden te meer,” hernam Athos. „Niets billijker, dan dat de koningin den hertog van Buckingham, haar minnaar, redt, niets redelijker, dan dat de koningin ons, haar vrienden, redt. Verkoopen wij den diamant. Wat denkt mijnheer de abt er van? Ik vraag niet naar de denkwijze van Porthos, hij heeft ze medegedeeld.”--„Wel, ik denk,” zeide Aramis, „dat, wijl zijn ring niet van een minnares afkomstig en bijgevolg geen liefdepand is, d’Artagnan hem mag verkoopen.”--„Mijn waarde! gij spreekt als de levende Theologie.... Dus gij besluit?”--„Den diamant te verkoopen,” antwoordde Aramis.--„Welnu, verkoopen wij den diamant, en laat ons er niet meer over spreken.”
Het geweervuur bleef aanhouden, maar de vrienden waren buiten schot, en de lieden van _la Rochelle_ schoten alleen ter voldoening van hun geweten.
„Op mijn woord,” hernam Athos, „het was tijd, dat Porthos dat denkbeeld kreeg, wij zijn het kamp genaderd.... Dus, heeren! geen enkel woord meer over die zaak. Men slaat ons gade, men komt ons tegemoet, en wij zullen in zegepraal worden rondgevoerd.”
En waarlijk, zooals wij zeiden, het geheele kamp was in opschudding. Meer dan twee duizend personen hadden, als bij een tooneelvoorstelling, het goed afgeloopen waagstuk der vier vrienden bewonderd, een snoeverij, van welke men verre was het eigenlijke oogmerk te vermoeden. Men hoorde niets anders dan het geroep van: „Leven de gardes! leven de musketiers!”
De heer de Busigny was het eerst genaderd, om Athos de hand te drukken en te erkennen, dat hij de weddenschap had verloren. De dragonder en de Zwitser hadden zijn voorbeeld gevolgd en de overige krijgsmakkers dat van deze. Het was een oneindige reeks van gelukwenschingen, handdrukken en omhelzingen, een onuitputtelijk gelach, ten koste van de lieden van _la Rochelle_, kortom, een zoo geweldig leven, dat de kardinaal in de meening verkeerde, dat er een oproer plaats had, zoodat hij la Houdinière, kapitein zijner gardes, zond, ten einde te vernemen, wat er gaande was. De zaak werd den afgezondene met de meeste geestvervoering verhaald.
„Wel?” vroeg de kardinaal, la Houdinière ziende.--„Wel, Uwe Eminentie! het zijn drie musketiers en een garde, die met den heer de Busigny een weddenschap hadden aangegaan om in het bolwerk _Saint Gervais_ te gaan ontbijten, en die gedurende hun ontbijt twee uren lang de vijanden uit _la Rochelle_ tegengehouden en ik weet niet hoeveel hunner gedood hebben.”--„Hebt gij naar de namen der drie musketiers onderzoek gedaan?”--„Ja, Uwe Eminentie!”--„Wie zijn zij?”--„De heeren Athos, Porthos en Aramis.”--„Altijd mijn drie dapperen,” mompelde de kardinaal. „En de garde?”--„De heer d’Artagnan.”--„Altijd mijn jonge knaap! Het is besloten; die vier mannen moeten mij behooren.”
Dienzelfden avond sprak de kardinaal den heer de Tréville over de heldendaad van dien ochtend, welke het onderwerp van al de gesprekken in het legerkamp was; de heer de Tréville, die het verhaal van dat avontuur uit den mond der uitvoerders zelf had gehoord, deelde het in al zijn bijzonderheden den kardinaal mede, zonder de episode van het servet te vergeten.
„Het is wel, mijnheer de Tréville!” zeide de kardinaal, „bezorg mij dat servet, als het u belieft, ik zal er drie gouden leliën in doen borduren en het als standaard aan uw kompagnie geven.”--„Uwe Eminentie!” zeide de heer de Tréville, „men zou onbillijk jegens de garde zijn. De heer d’Artagnan behoort niet mij, maar den heer des Essarts.”--„Welnu, neem hem!” zeide de kardinaal; „dewijl de vier dappere krijgslieden elkander zoo liefhebben, is het billijk, dat hij in dezelfde kompagnie wordt ingelijfd.”
Dienzelfden avond berichtte de heer de Tréville dat goede nieuws aan de drie musketiers en aan d’Artagnan, hen alle vier voor den volgenden ochtend aan het ontbijt noodigende.
D’Artagnan was zich van blijdschap geen meester meer. Immers men weet, dat de droom zijns levens was eenmaal musketier te worden. De drie vrienden waren ook zeer verblijd.
„Op mijn woord,” zeide d’Artagnan tot Athos, „gij hebt daar een zeer gelukkigen inval gehad, en zooals ge zeidet, hebben wij roem behaald en een allerbelangrijkst gesprek kunnen houden.”--„Dat wij thans kunnen hervatten, zonder dat iemand eenig kwaad vermoeden op ons zal hebben, want met Gods hulp zullen wij voortaan voor kardinalisten worden gehouden.”
Dienzelfden avond ging d’Artagnan den heer des Essarts begroeten en hem zijn bevordering mededeelen. De heer des Essarts, die d’Artagnan zeer genegen was, bood hem zijn goede diensten aan, ter tegemoetkoming in de onkosten, welke die verandering van korps na zich sleepte. D’Artagnan weigerde, maar de gelegenheid gunstig vindende, verzocht hij hem de waarde van den diamant te bepalen, dien hij hem ter hand stelde, en welken hij te gelde wilde maken. Den volgenden morgen te acht uur trad de knecht van den heer des Essarts bij d’Artagnan binnen en stelde hem een zak met zeven duizend franken ter hand. Dat was de som, die de diamant der koningin had opgebracht.
HOOFDSTUK XVII.
Familiezaken.