De Drie Musketiers dl. I en II
Part 43
„_Pardieu_!” riep d’Artagnan, „ik hoop, mijne heeren! dat hetgeen gij mij te zeggen hebt de moeite waard is, ik zou u anders nooit vergeven mij alleen een bolwerk te hebben laten verdedigen, het was er heet!”--„Wij waren ook ergens, waar het niet koud was,” antwoordde Porthos, aan zijn knevel een hem bijzondere krulling gevende.--„Stil!” zeide Athos.--„Oh! oh!” riep d’Artagnan, het licht fronsen der wenkbrauwen van Athos begrijpende, „er schijnt hier iets nieuws te zijn gebeurd?”--„Aramis!” zeide Athos, „gij hebt gisteren in de herberg _het Geuzennest_ ontbeten, geloof ik?”--„Ja.”--„Wel, hoe is het daar?”--„Ik heb er wat mij betreft zeer slecht gegeten, want eergisteren was het vastendag en er was niets dan vleesch voorhanden.”--„Wat!” riep Athos, „hebben zij in een zeehaven geen visch?”--„Zij zeggen,” hernam Aramis, zijn vrome lectuur hervattende, „dat de dijk, dien de kardinaal laat maken, al de visch in zee jaagt.”--„Maar dat is het niet, wat ik u vraag, Aramis!” hernam Athos, „ik wenschte te weten of gij alleen waart en niemand u is komen hinderen?”--„Wel, ik geloof, dat wij over te veel nieuwsgierigen niet te klagen hebben gehad. Wel ja, voor hetgeen gij bedoelt, Athos, zullen wij tamelijk wel in _het Geuzennest_ zijn.”--„Gaan wij dan naar _het Geuzennest_,” zeide Athos, „want hier zijn de muren zoo dik als papier.”
D’Artagnan, die aan de handelwijze van zijn vriend gewoon was en dadelijk aan één woord, aan één gebaar, aan één teeken van hem begreep, dat de omstandigheden netelig waren, nam Athos bij den arm en vertrok met hem zonder iets te zeggen. Porthos volgde al pratende met Aramis.
Op weg ontmoette men Grimaud; Athos wenkte hem, dat hij zou volgen. Grimaud gehoorzaamde, volgens gewoonte zonder te spreken; de arme jongen had bijna het spreken verleerd. Men bereikte de herberg _het Geuzennest_. Het was zeven uur des ochtends en het werd licht; de vier vrienden bestelden een ontbijt en traden een kamer binnen, waar zij, volgens zeggen van den herbergier, niet zouden gehinderd worden.
Ongelukkig was het oogenblik voor een geheim gesprek zeer slecht gekozen. Men had juist de réveille geslagen en overal wreef men den slaap uit de oogen, en voor de vochtigheid van de ochtendlucht ging men naar de herberg een slokje drinken; dragonders, Zwitsers, gardes, musketiers en lichte kavalleristen volgden elkander onophoudelijk en moesten den waard niet weinig voordeel aanbrengen; maar dat strookte zeer slecht met de oogmerken der vier vrienden, ook beantwoordden zij op zeer onvergenoegden toon de begroetingen, de gezondheidsdronken en de kwinkslagen hunner krijgsmakkers.
„Zoo,” zeide Athos, „zullen wij ons een twist op den hals halen, en dit zou ons voor het oogenblik zeer ongelegen komen. D’Artagnan! verhaal ons eens, wat u hedennacht is overkomen, daarna zullen wij u vertellen, hoe onze nacht is afgeloopen.”--„Inderdaad,” zeide een ruiter, die geen oogenblik stilstond, terwijl hij langzaam een glas brandewijn opslurpte, „inderdaad, gij waart in de loopgraven, heeren gardes! en ik geloof, dat gij met de belegerden van _la Rochelle_ iets te doen hebt gehad.”
D’Artagnan wierp een vragenden blik op Athos om te weten, of hij dien indringer, die zich in het gesprek mengde, moest antwoorden.--„Wel!” riep Athos, „verstaat gij den heer de Busigny niet, die u de eer aandoet u toe te spreken? Vertel wat er dezen nacht is voorgevallen, daar die heeren verlangend zijn het te weten.”
„_Haben Sie kein Bollwerk genommen?_” vroeg een Zwitser, die uit een bierglas rum dronk.--„Ja, mijnheer!” antwoordde d’Artagnan buigende, „wij hebben die eer gehad, wij hebben zelfs, zooals ge hebt kunnen hooren, onder een der hoeken een ton buskruit gelegd, die, losbarstende, een fraaie bres heeft gemaakt, zoodat het geheele bolwerk, dat niet van gisteren meer was, deerlijk is geschud geworden.”--„En welk bolwerk is dat?” vroeg een dragonder, die aan zijn sabel een gans had gestoken, welke hij had meegebracht om te braden.--„Het bolwerk _St. Gervais_,” antwoordde d’Artagnan, „van waaruit de belegerden onze werklieden verontrusten.”--„En is het er heet toegegaan?”--„Welzeker! wij hebben vijf en de belegerden acht of tien man verloren.”--„_Palsambleu_!” riep de Zwitser, die, ondanks de bewonderenswaardige verzameling van vloeken, welke de Duitsche taal bezit, echter de gewoonte had aangenomen in het Fransch te vloeken.--„Maar waarschijnlijk zullen zij hedenochtend schansgravers afzenden om het bolwerk weder in goeden staat te brengen.”--„Ja, dat is waarschijnlijk,” zeide d’Artagnan.
„Mijne heeren!” zeide Athos, „ik stel u een weddenschap voor.”--„_Ah ja, ein barie_,” herhaalde de Zwitser.--„Welke?” vroeg de ruiter.--„Wacht,” zeide de dragonder, die zijn sabel als een spit op de twee haardijzers legde, tusschen welke het vuur brandde, „ik wed mede. Ellendige kastelein, geef mij dadelijk een braadpan, opdat er geen droppel vet van dat achtenswaardige gevogelte verloren ga....”--„_Er hat recht, Gänsefett ist ganz gut mit Confituren._”--„Welnu? laat hooren de weddenschap. Wij luisteren, mijnheer Athos!”--„Ja, zeg ons de weddenschap,” zeide de lichte kavallerist.
„Luister, mijnheer de Busigny! ik wed met u,” zeide Athos, „dat mijn drie vrienden, de heeren Porthos, Aramis, d’Artagnan en ik, in het bolwerk _Saint Gervais_ zullen ontbijten en er één uur in blijven, op klokslag af, wat de vijand ook moge doen om ons er uit te drijven.”--Porthos en Aramis keken elkander aan, zij begonnen te begrijpen.--„Maar,” fluisterde d’Artagnan Athos in het oor, „gij zult ons zonder genade doen om hals brengen?”--„Men zal ons wel op een andere wijze om hals brengen!”--„Wel, heeren!” zeide Porthos, zich achterover op zijn stoel werpende en zijn knevel opstrijkende, „ik meen, dat dit een fraaie weddenschap is?”--„Ik neem ze dan ook aan,” zeide de heer de Busigny. „Wij moeten nu slechts weten, waarom wij wedden.”--„Gij zijt met u vieren, mijne heeren!” zeide Athos, „wij ook, een nader te bepalen diner voor acht personen, wat denkt gij daarvan?”--„Kostelijk!” hernam de Busigny.--„Best,” zeide de dragonder.--„_Das geht_,” zeide de Zwitser. De vierde, die gedurende dat gansche gesprek geen woord had gesproken, knikte met het hoofd, ten teeken dat hij met het voorstel genoegen nam.
„Het ontbijt der heeren is gereed,” kwam de kastelein berichten.--„Welnu, breng het dan,” zeide Athos. De herbergier gehoorzaamde. Athos riep Grimaud, toonde hem een groote mand, die in een hoek stond en gaf hem een teeken de gebrachte vleeschspijzen in een servet te wikkelen. Grimaud, begrijpende dat men in het gras wilde ontbijten, nam de mand, pakte het vleesch er in, voegde de flesschen er bij en hing de mand aan zijn arm.
„Maar waar gaat gij ontbijten?” vroeg de kastelein.--„Wat raakt u dat, als gij betaald wordt?”--En hij wierp trots twee pistolen op tafel.--„Moet ik u teruggeven, mijn officier?” vroeg de kastelein.--„Neen voeg er slechts twee flesschen Champagne bij, het overschot is voor de servetten.”
De kastelein maakte een minder goede zaak dan hij aanvankelijk meende; maar hij stelde zich schadeloos, door de vier gasten twee flesschen Anjou-wijn in plaats van Champagne in de hand te stoppen.
„Mijnheer de Busigny!” zeide Athos, „wilt gij wel zoo goed zijn uw horloge naar het mijne te regelen, of mij veroorloven het mijne naar het uwe te zetten?”--„Met plezier, mijnheer!” zeide de ruiter, uit zijn zak een zeer fraai, met diamanten omzet horloge halende; „half acht,” zeide hij.--„Vijf minuten over half acht, wij weten nu, dat ik vijf minuten vóór ben, mijnheer!”--En de verbaasde omstanders groetende, sloegen de vier jongelieden den weg naar het bolwerk _Saint Gervais_ in, door Grimaud gevolgd, die de mand droeg, niet wetende werwaarts men ging; maar aan lijdelijke gehoorzaamheid gewoon, dacht hij er niet eens aan er naar te vragen.
Zoo lang zij zich nog binnen de grenzen van het legerkamp bevonden, wisselden de vrienden met elkander geen enkel woord; te meer daar zij gevolgd werden door de nieuwsgierigen, die van de weddenschap kennis droegen en wilden weten, hoe zij er zich zouden uitredden; maar eenmaal de grenslijn over en zich in de vrije lucht bevindende, meende d’Artagnan, die volstrekt niet wist waarvan er sprake was, dat het nu tijd was een nadere verklaring te vragen.
„En nu, mijn waarde Athos! doe mij nu eens het genoegen mij te zeggen, werwaarts wij gaan?”--„Gij ziet het,” zeide Athos, „wij gaan naar het bolwerk.”--„Maar wat gaan wij er doen?”--„Gij weet het immers, wij gaan er ontbijten.”--„Maar waarom niet in _het Geuzennest_ ontbeten?”--„Omdat wij elkander belangrijke zaken hebben te zeggen, en het onmogelijk was in die herberg vijf minuten vertrouwelijk te spreken in tegenwoordigheid van al die nieuwsgierigen, die heen en weer gingen, ons groetten en aanspraken. Hier ten minste,” ging Athos voort, het bolwerk aanwijzende, „zal men ons niet komen storen.”--„Het komt mij voor,” hernam d’Artagnan met die voorzichtigheid, welke zich bij hem zoo wèl en zoo natuurlijk aan een uitstekenden moed paarde, „het komt mij voor, dat wij een afgelegene plek in de duinen of aan den oever der zee hadden kunnen vinden.”--„Waar men ons alle vier had kunnen in gesprek zien, zoodat na verloop van een kwartier de kardinaal door zijn spionnen verwittigd zou zijn geweest, dat wij met elkander raad hielden.”--„Ja,” zeide Aramis, „Athos heeft gelijk: _Animadvertunt in desertis_.”--„Een woestijn zou zoo kwaad niet zijn geweest,” zeide Porthos, „maar waar die te vinden?”--„Er is geen woestijn, of een vogel kan er ons over het hoofd vliegen, een visch er uit het water springen, een konijn er uit zijn leger komen; en ik geloof, dat vogels, visschen, konijnen, zich allen tot spionnen van den kardinaal hebben gemaakt. Het is daarom beter, dat wij onze onderneming ten uitvoer brengen, van welke wij zonder schande toch niet meer kunnen afzien. Wij hebben een weddenschap aangegaan, een onmogelijk te voorziene weddenschap, van welke ik iedereen tart de ware beweegreden te doorgronden. Wij zullen, om haar te winnen, één uur in het bolwerk blijven. Of wij zullen worden aangevallen, òf wij zullen het niet worden. Indien wij niet worden aangevallen, zullen wij genoeg tijd hebben om te praten, en niemand zal ons hooren; want ik verzeker u, dat de muren van deze sterkte geen ooren hebben; indien wij worden aangevallen, zullen wij toch nog over zaken spreken en bovendien door ons te verdedigen ons met roem bedekken; gij ziet wel, dat alles winst is.”--„Maar,” zeide d’Artagnan, „wij zullen ongetwijfeld getroffen worden.”--„Ja, mijn waarde!” hernam Athos, „maar gij weet wel, dat de gevaarlijkste kogels niet die des vijands zijn.”--„Ik meen echter,” zeide Porthos, „dat wij voor een dergelijke onderneming onze musketten hadden moeten medenemen.”--„Gij zijt een onnoozele, vriend Porthos! waarom ons met een nuttelooze vracht te belasten?”--„Ik vind tegenover den vijand een goed musket met twaalf patronen en een kruithoorn geen onnoodige zaken.”--„Welnu,” hernam Athos, „hebt gij dan niet gehoord, wat d’Artagnan heeft gezegd?”--„Wat heeft d’Artagnan gezegd?” vroeg Porthos.--„D’Artagnan heeft gezegd, dat bij den aanval van heden nacht acht of tien Franschen en evenveel vijanden waren gesneuveld.”--„En verder?”--„Men heeft den tijd niet gehad hen uit te kleeden, niet waar? dewijl men voor het oogenblik iets meer gewichtigs te doen had.”--„Welnu?”--„Welnu, wij zullen hun kruithoorns en patronen gaan zoeken, en in plaats van vier musketten en twaalf kogels zullen wij vijftien stuks geweren en een honderdtal patronen hebben.”--„O, Athos!” zeide Aramis, „waarlijk, gij zijt een groot man!”
Porthos boog het hoofd, ten teeken van toestemming. D’Artagnan was de eenige, die nog niet volkomen overtuigd scheen. Grimaud deelde ongetwijfeld in de onzekerheid van den jongeling; want toen hij bemerkte, dat men op den weg van het bolwerk bleef voortgaan, iets waarvan hij tot hiertoe niet zeker was geweest, trok hij zijn meester bij de slip van zijn kleed.--„Waarheen gaan wij?” vroeg hij met een gebaar.--Athos toonde hem het bolwerk.--„Maar,” zeide in dezelfde taal de zwijgende Grimaud, „wij zullen er ons vel laten.”
Athos hief de oogen en den vinger hemelwaarts, Grimaud zette zijn mand op den grond en ging, zwijgend het hoofd schuddende, er bij zitten. Athos haalde een pistool uit zijn gordel, onderzocht de pan, haalde den haan over en zette den loop tegen het oor van Grimaud. Grimaud stond op zijn voeten, als door een springveer bewogen. Athos beduidde hem toen met een wenk, dat hij de mand zou opnemen en vooruitgaan. Grimaud gehoorzaamde. Al wat de arme jongen bij die kortstondige pantomime had gewonnen was, van de achterhoede naar de voorhoede te zijn verplaatst.
Aan het bolwerk gekomen, keerden de vier vrienden zich om. Meer dan driehonderd soldaten van allerlei wapen stonden voor den ingang van het legerkamp, en in een afgezonderde groep bespeurde men den heer de Busigny, den dragonder, den Zwitser en den vierden wedder. Athos nam zijn hoed af, zette hem op de punt van zijn degen en wuifde er mede. Al de aanschouwers beantwoordden zijn groet, deze beleefdheid aan een luid hoera parende, dat hun ooren bereikte; waarna zij alle vier in het bolwerk verdwenen, waarin Grimaud hen was voorgegaan.
HOOFDSTUK XVI.
De vergadering der musketiers.
Zooals Athos het had voorzien, was het bolwerk slechts bevolkt door een twaalftal gesneuvelden, zoowel eigen volk als vijanden.
„Mijne heeren!” zeide Athos, die het bevel der onderneming op zich had genomen, „terwijl Grimaud de tafel zal dekken, zullen wij beginnen de geweren en patronen bij elkander te zoeken. Wij kunnen tegelijkertijd onder dat werk over onze zaken spreken. Die heeren,” vervolgde hij, de gesneuvelden aanwijzende, „zullen ons niet beluisteren.”--„Maar wij zouden hen toch in de gracht kunnen werpen,” zeide Porthos, „na ons vooraf verzekerd te hebben, dat hun zakken niets bevatten.”--„Ja,” hernam Athos, „dat is de zaak van Grimaud.”--„Welnu dan,” zeide d’Artagnan, „laat Grimaud hen onderzoeken en ze daarna over den muur werpen.”--„Wachten wij er ons wel voor,” zeide Athos, „zij kunnen ons nog dienen.”--„Kunnen die dooden ons nog dienen?” vroeg Porthos. „Maar waarlijk, gij wordt gek, beste vriend!”--„Oordeel niet lichtzinnig, zegt het Evangelie en de kardinaal,” antwoordde Athos. „Hoeveel geweren zijn er, heeren?”--„Twaalf,” antwoordde Aramis.--„Dat is juist zooveel als wij noodig hebben; laden wij de geweren.”
De vier musketiers begonnen met dat werk. Toen het laatste geweer geladen was, gaf Grimaud door een wenk te kennen, dat het ontbijt gereed was. Athos antwoordde, zooals altijd, met een gebaar, dat het goed was, en wees Grimaud een soort van schilderhuis aan, waarin deze begreep, dat hij op den uitkijk moest gaan staan. Maar om de verveling zijner wacht te verzachten, veroorloofde Athos hem een brood, twee koteletten en een flesch wijn mede te nemen.
„En nu aan tafel, heeren!” riep Athos.
De vier vrienden zetten zich met over elkaar geslagen beenen, als Turken of kleermakers, op den grond.
„Maar thans,” zeide d’Artagnan, „nu gij niet meer behoeft te vreezen gehoord te worden, vertrouw ik, dat ge ons uw geheim zult mededeelen!”--„Ik hoop u tevens vermaak en glorie te bezorgen, mijne heeren!” zeide Athos. „Ik heb u een aangename wandeling bezorgd, ziedaar nu een zeer smakelijk ontbijt, en vijf personen daarginder, zooals gij door de schietgaten kunt zien, die ons voor dwazen of helden houden, en een paar soorten van krankzinnigen, die elkander tamelijk gelijken.”--„Maar het geheim?” vroeg d’Artagnan.--„Het geheim,” antwoordde Athos, „is, dat ik gisterenavond milady heb gesproken.”
D’Artagnan bracht het glas aan zijn lippen, maar bij den naam van milady begon hij zoo geweldig te beven, dat hij het weer op den grond zette, om den inhoud niet te storten.
„Gij hebt uw vr....”--„Stil toch!” viel Athos hem in de rede, „gij vergeet, mijn waarde! dat die heeren niet, zooals gij, met mijn huiselijke geheimen zijn bekend. Ik heb milady gesproken.”--„En waar dat?” vroeg d’Artagnan.--„Ongeveer twee uren van hier, in de herberg _de Roode Duiventoren_.”--„In dat geval ben ik verloren,” zeide d’Artagnan.--„Neen, nog niet geheel,” hernam Athos, „want op dit uur moet zij de kust van _Frankrijk_ hebben verlaten.”--D’Artagnan haalde adem.--„Maar bij slot van rekening,” vroeg Porthos, „wat is toch die milady?”--„Een zeer lieve vrouw,” antwoordde Athos, terwijl hij een glas schuimenden wijn ledigde.
„Schurkachtige hospes!” riep hij, „hij heeft ons wijn van _Anjou_ in plaats van _Champagne_ gegeven, in de meening dat wij het niet zouden bemerken.”
„Ja,” hernam hij, „een zeer lieve vrouw, jegens welke onze vriend d’Artagnan ik weet niet welke boosaardigheden heeft bedreven, waarover zij, een maand geleden, getracht heeft zich te wreken, door hem te willen doodschieten, en nu, acht dagen geleden, pogingen heeft aangewend om hem te vergiftigen, terwijl zij gisteren den kardinaal zijn hoofd vroeg.”--„Wat! den kardinaal mijn hoofd vragen?” riep d’Artagnan, bleek van schrik.--„Ja,” zeide Porthos, „zoo waar als het evangelie! ik heb het met mijn beide ooren gehoord.”--„Ik ook,” zeide Aramis.--„Dan,” zeide d’Artagnan, zijn armen moedeloos langs zijn zijden latende vallen, „is het vruchteloos langer te worstelen, het is het beste, dat ik mij voor het hoofd schiet, dan is alles geëindigd.”--„Dat is de laatste dwaasheid, waartoe men kan overgaan,” zeide Athos, „en wel eene, waaraan niets meer te veranderen is.”--„Maar ik zal nooit de handen van dergelijke vijanden ontkomen,” zeide d’Artagnan. „Vooreerst, mijn onbekende van _Meung_, vervolgens de Wardes, dien ik vier degensteken heb toegebracht, daarna milady, wier geheim ik heb ontdekt, en eindelijk de kardinaal, wiens wraak ik heb doen mislukken.”--„Welnu! dat zijn er niet meer dan vier, en wij zijn met ons vieren, één tegen één, _pardieu_! Als ik de teekens versta, die Grimaud ons maakt, dan zullen wij met eenige lieden meer te doen krijgen. Wat is er, Grimaud? Uit hoofde van het gewicht der omstandigheden veroorloof ik u te spreken, mijn vriend! maar wees kort en zakelijk, als ’t u blieft. Wat ziet gij?”--„Een bende.”--„Van hoeveel personen?”--„Van twintig mannen.”--„Welke mannen?”--„Zestien schansgravers en vier soldaten.”--„Op hoeveel schreden afstands zijn zij?”--„Op vijfhonderd schreden.”--„Goed, wij hebben den tijd nog dat hoen af te kluiven en een glas wijn te drinken. Op uw gezondheid, d’Artagnan!”--„Op uw gezondheid!” herhaalden Porthos en Aramis.--„Het zij dan zoo, op mijn gezondheid, hoewel ik niet geloof, dat uw wenschen mij veel zullen baten.”--„Och!” zeide Athos, „God is groot, zooals de belijders van Mahomeds leer zeggen, en de toekomst is in zijn handen.”
En daarop den inhoud van zijn glas geledigd hebbende, dat hij naast zich neerzette, stond Athos bedaard op, nam het eerste het beste geweer en naderde een schietgat. Porthos, Aramis en d’Artagnan volgden zijn voorbeeld. Wat Grimaud betreft, dezen werd bevolen zich achter de vier vrienden te plaatsen, ten einde de geweren te laden.
Kort daarna zag men den troep verschijnen, die een soort van loopgraaf volgde, welke de stad met het bolwerk vereenigde.
„_Pardieu_!” zeide Athos, „het is wel de moeite waard ons voor een twintigtal kinkels, met schoppen, spaden en houweelen gewapend, te vertoonen! Grimaud had hun slechts een wenk behoeven te geven, dat zij zich moesten verwijderen, en ik ben verzekerd, dat zij ons met rust hadden gelaten.”--„Ik twijfel er toch aan, want zij naderen stoutmoedig. Daarenboven worden zij beschermd door vier soldaten en een brigadier, met musketten gewapend.”--„Zij hebben ons ook niet gezien,” zeide Athos.--„Op mijn woord,” zeide Aramis, „ik schiet ongaarne op die arme duivels van burgers.”--„Een slecht priester,” zeide Porthos, „die met ketters medelijden heeft.”--„Het is waar,” zeide Athos, „Aramis heeft gelijk, en ik zal hen waarschuwen.”--„Wat duivel gaat gij doen?” riep d’Artagnan. „Gij zult u laten doodschieten, mijn waarde!”
Maar Athos stoorde zich niet aan de waarschuwing, en op de bres klimmende, in de eene hand zijn geweer en in de andere zijn hoed houdende, riep hij, beleefd groetende, tot de naderende werklieden en soldaten, die, verwonderd over deze verschijning, op vijftig schreden van het bolwerk waren blijven staan: „Mijne heeren! ik en eenige mijner vrienden zijn op dit oogenblik in dit bolwerk bezig met te ontbijten. En dewijl gij weet, dat er niets onaangenamers is dan gedurende het ontbijt gestoord te worden, verzoeken wij u, indien gij hier volstrekt iets te doen mocht hebben, zoo lang te wachten, totdat de maaltijd geëindigd zal zijn, of later terug te keeren, althans indien gij het heilrijke voornemen niet hebt de partij des oproers te verlaten en met ons op de gezondheid van den koning van _Frankrijk_ te komen drinken.”
„Wees op uw hoede, Athos!” zeide d’Artagnan, „ziet gij niet, dat zij op u aanleggen?”--„Jawel, jawel,” zeide Athos, „maar het zijn burgers, die zeer slecht mikken en er zich wel voor zullen wachten mij te raken.”
En werkelijk werden er vier geweerschoten gelost, zoodat de kogels rondom Athos neervielen, zonder dat hij door één geraakt werd. Vier geweerschoten beantwoordden dezelve bijna gelijktijdig, maar zij waren beter dan die van de aanvallers gericht: drie soldaten vielen dood neder en een der werklieden werd gekwetst.
„Grimaud! geef mij een ander musket,” riep Athos, op de bres blijvende.
Grimaud gehoorzaamde dadelijk. Ook de drie vrienden hadden wederom hun geweren geladen. Een tweede losbarsting volgde de eerste; de brigadier en twee schansgravers vielen dood; de overigen der bende namen de vlucht.
„Welaan, heeren! doen wij een uitval!” zeide Athos.
En de vier vrienden het fort verlatende, bereikten het slagveld, raapten de vier musketten der soldaten en de piek van den brigadier op, en verzekerd, dat de vluchtelingen niet eer met loopen zouden ophouden dan bij de stad, keerden zij naar het bolwerk terug, de zegeteekenen hunner overwinning medevoerende.
„Laad opnieuw de geweren, Grimaud!” beval Athos, „terwijl wij, heeren! met ontbijten zullen voortgaan en ons gesprek vervolgen. Hoe ver waren wij gekomen?”--„Ik herinner het mij,” zeide d’Artagnan, „gij zeidet, dat, toen milady mijn hoofd aan den kardinaal had gevraagd, zij de kust van _Frankrijk_ ging verlaten.--En werwaarts begeeft zij zich?” voegde d’Artagnan er bij, die zeer ongerust was over den weg, dien milady moest volgen.--„Zij steekt naar _Engeland_ over,” antwoordde Athos.--„En met welk oogmerk?”--„Met het oogmerk Buckingham te vermoorden, of te doen vermoorden.”
Aan d’Artagnan ontglipte een uitroep van verbazing en verontwaardiging.--„Maar dat is allerschandelijkst!” riep hij.--„Och! wat dat betreft,” zeide Athos, „ik verzoek u te gelooven, dat ik er mij weinig om bekommer. Thans, nu gij gedaan hebt, Grimaud! moet gij de piek van onzen brigadier nemen, een servet er aan vastmaken en haar dan boven op het bolwerk planten, opdat die oproerige burgers van _la Rochelle_ kunnen zien, dat zij met brave en moedige soldaten des konings te doen hebben.”
Grimaud gehoorzaamde zonder te antwoorden; een oogenblik daarna woei de vlag boven de hoofden der vier vrienden. Een vreugdekreet, met een donderend gejuich gepaard, begroette haar verschijning. De helft van het legerkamp stond voor den ingang.
„Wat!” hernam d’Artagnan, „gij bekommert u er zoo weinig om, dat zij Buckingham vermoordt, of laat vermoorden, terwijl de hertog onze vriend is?”--„De hertog is Engelschman, de hertog strijdt tegen ons, laat zij dus met den hertog doen, wat zij wil, ik geef er evenmin om, als om die ledige flesch.”
En Athos wierp een flesch, die hij in de hand had, en uit welke hij de laatste bloeddroppels in zijn glas had geschonken, een vijftiental passen ver.