De Drie Musketiers dl. I en II
Part 41
Nauwelijks in het legerkamp gekomen, wilde de koning, in zijn ongeduld om zich in de tegenwoordigheid des vijands te bevinden, en den haat van den kardinaal tegen Buckingham deelende, al het vereischte aanwenden, vooreerst om de Engelschen van het eiland _Ré_ te verjagen, en ten tweede om het beleg van _la Rochelle_ te bespoedigen, maar ondanks zich zelven werd hij hierin opgehouden door de oneenigheden, die er tusschen de heeren Bassompierre en Schomberg aan de eene en den hertog d’Angoulême aan de andere zijde uitbraken....
De heeren Bassompierre en Schomberg, als maarschalken van _Frankrijk_, eischten het recht, om onder het oog des konings het opperbevel des legers te voeren, maar de kardinaal, vreezende dat Bassompierre, die inwendig Hugenoot was, slechts flauwelijk de Engelschen en de inwoners van _la Rochelle_, zijn geloofsgenooten, zou bestoken, droeg daarentegen den hertog d’Angoulême voor, dien de koning, op zijn inblazing, tot luitenant-generaal had benoemd. Hieruit volgde, dat, wilde men de heeren Bassompierre en Schomberg het leger niet zien verlaten, men verplicht was, aan elk hunner een bijzonder bevelhebberschap te geven.
Bassompierre vestigde zijn hoofdkwartier ten noorden der stad, van af _Laleu_ tot aan _Dompierre_, de hertog van Angoulême het zijne ten oosten van _Dompierre_ tot aan _Périgny_, en de heer Schomberg ten zuiden van _Périgny_ tot aan _Angoulin_.
Het kwartier van _Monsieur_ was te _Dompierre_. Dat van den koning nu eens te _Estré_ dan weer te _la Jarrie_. Eindelijk was het hoofdkwartier van den kardinaal op de duinen, bij de brug _de la Pierre_, in een eenvoudig huis zonder eenige verschansingen. Zoo was het, dat _Monsieur_ Bassompierre gadesloeg, de koning den hertog d’Angoulême en de kardinaal den heer Schomberg. Eenmaal dit bepaald zijnde, hield men zich bezig de Engelschen van het eiland _Ré_ te verjagen.
De gelegenheid hiervoor was gunstig. De Engelschen, die vooral, om goede soldaten te zijn, goede levensmiddelen behoeven, aten niets dan pekelvleesch en slechte beschuit en hadden in hun legerkamp een aantal zieken; daarenboven vergingen dagelijks op zee--in dat jaargetijde langs geheel de westelijke kust zeer gevaarlijk--vele kleine vaartuigen, zoodat de kust, van de punt _de l’Aiguillon_ tot aan de loopgraven, letterlijk bij elken vloed overdekt was met verbrijzelde pinken en andere kleine schepen. Het gevolg hiervan moest noodwendig zijn, dat, al hielden des konings troepen zich rustig in hun legerkamp, Buckingham, die slechts uit stijfhoofdigheid op het eiland _Ré_ bleef, genoodzaakt zou zijn het beleg op te breken.
Maar dewijl de heer de Toiras liet zeggen, dat in het vijandelijk legerkamp aanstalten tot een nieuwen aanval werden bespeurd, oordeelde de koning dat er een einde aan moest worden gemaakt, en hij gaf de noodige bevelen tot een beslissenden slag.
Daar het ons voornemen niet is een dagboek van de belegering te schrijven, maar integendeel slechts die gebeurtenissen aan te halen, welke in verband met ons verhaal staan, zullen wij ons bepalen met een paar woorden te zeggen, dat de onderneming tot groot genoegen van den koning en tot den meest mogelijken roem van den kardinaal gelukte. De Engelschen, voet voor voet teruggedreven, in al de gevechten geslagen, verplet bij den overgang van het eiland, werden genoodzaakt zich in te schepen, op het slagveld twee duizend man latende, waaronder vijf kolonels, drie luitenant-kolonels, tweehonderd vijftig kapiteins en twintig voorname edellieden, vier stukken geschut en zestig vlaggen, die door Claude de Saint Simon naar _Parijs_ gebracht, met groote praal aan de gewelven van de Onze Lieve Vrouwekerk werden opgehangen. _Te Deums_ werden gezongen en vonden weerklank door geheel _Frankrijk_. De kardinaal was dus in staat de belegering voort te zetten, zonder althans voor het oogenblik iets van de Engelschen te vreezen te hebben. Maar, zooals wij zeggen, die rust was slechts kortstondig.
Een zendeling van den hertog van Buckingham, genaamd Montaigu, was gevangen genomen, en men had het bewijs in handen van bondgenootschap tusschen _Duitschland_, _Spanje_, _Engeland_ en _Lotharingen_ tegen _Frankrijk_. Vervolgens had men in het hoofdkwartier van Buckingham, hetwelk hij genoodzaakt was geweest plotseling te verlaten, papieren gevonden, die dat bondgenootschap bevestigden en, naar hetgeen de kardinaal in zijn Gedenkschriften verklaart, mevrouw de Chevreuse, en bijgevolg de koningin, zeer verdacht maakten. Het was op den kardinaal dat de geheele verantwoordelijkheid rustte; want men is niet oppermachtig minister zonder verantwoordelijk te zijn.
De hulpmiddelen van zijn veelomvattenden geest waren dan ook dag en nacht werkzaam, en hij luisterde met inspanning naar de minste beweging, welke zich in een of ander der groote rijken van _Europa_ verhief. De kardinaal kende de bedrijvigheid en den haat van Buckingham: indien het bondgenootschap, dat _Frankrijk_ bedreigde, zegevierde, was Richelieu’s invloed vernietigd.
De Spaansche en Oostenrijksche staatkunde had haar vertegenwoordigers in het kabinet van het Louvre, waar zij tot hiertoe slechts partijgangers had gehad. Hij, Richelieu, de Fransche, de bij uitnemendheid nationale minister, was verloren; de koning, die, hem als een kind gehoorzamende, hem als een kind dat zijn meester verfoeit haatte, gaf hem aan de dubbele wraak van _Monsieur_ en de koningin over. Hij was verloren, en misschien _Frankrijk_ met hem; en dat alles moest worden voorkomen.
Men zag dan ook de koeriers alle oogenblikken talrijker worden en elkander dag en nacht in dat kleine huis aan de brug _de la Pierre_, waar de kardinaal zijn kwartier had gevestigd, opvolgen. Nu eens waren het monniken, die hun pij zoo slecht droegen, dat men gemakkelijk kon zien, dat zij vooral tot de _strijdende kerk_ behoorden; dan weder vrouwen, min of meer gedwongen haar pagegewaad dragende, van hetwelk de breede poffen niet volkomen de fraaie ronding harer gestalte konden verbergen; eindelijk boeren met vuile handen, maar met welgevormde beenen, waaraan men den edelman op een uur afstands kon herkennen. Vervolgens nog andere, minder aangename bezoekers; want twee of drie malen verspreidde zich het gerucht, dat de kardinaal op het punt was geweest vermoord te worden. Het is waar, de vijanden Zijner Eminentie zeiden, dat de kardinaal op zich zelven onhandige moordenaars afzond, ten einde bij voorkomende gelegenheid het recht van wedervergelding te kunnen uitoefenen; maar men moet geen geloof slaan noch aan de gezegden der ministers, noch aan hetgeen hun vijanden zeggen.
Dit alles echter belette den kardinaal niet, aan wien zijn hevigste tegenstanders nooit persoonlijken moed hebben kunnen betwisten, nachtelijke tochten te doen; nu eens om den hertog van Angoulême gewichtige bevelen over te brengen, dan weder om zich met den koning te verstaan, een andermaal om zich met een of anderen bode, dien hij niet verkoos bij zich te ontvangen, te onderhouden.
Van hun kant leidden de musketiers, die bij de belegering niet veel te doen hadden en aan geen strenge krijgstucht onderworpen waren, een vroolijk leven. Dat was vooral voor onze drie vrienden des te gemakkelijker, daar zij, tot de vrienden van den heer de Tréville behoorende, zonder veel moeite van hem de vergunning verkregen, om na het sluiten van het legerkamp met bijzondere verlofpassen uit te blijven.
Op zekeren avond, dat d’Artagnan, die de wacht bij de loopgraven had, hen niet had kunnen vergezellen, kwamen Athos, Porthos en Aramis, op hun strijdpaarden gezeten en in hun krijgsmantels gewikkeld, een hand op den knop van hun pistool latende rusten, van een herberg terug, die Athos een paar dagen te voren had ontdekt op den weg van _la Jarrie_ en die _de Roode Duiventoren_ heette. Zij volgden den weg naar het legerkamp, zooals wij zeiden, met behoedzaamheid voortrijdende, uit vrees in een hinderlaag te vallen, toen zij op ongeveer een kwartieruurs afstands van het dorp _Boisneau_ paardengetrappel hoorden, dat hen naderde. Dadelijk bleven alle drie, zich naast elkander scharende, op het midden van den weg staan. Na eenige oogenblikken, terwijl de maan van achter een wolk te voorschijn kwam, zagen zij om den hoek van een weg twee ruiters verschijnen, die, hen ontwarende, op hun beurt bleven staan en met elkander schenen te raadplegen, of zij hun weg zouden vervolgen of terugkeeren. Die aarzeling deed de drie vrienden iets kwaads vermoeden, en Athos, eenige schreden vooruitgaande, riep met vaste stem: „Werda!”--„Werda? vragen wij u,” antwoordde een der twee ruiters.--„Dat is geen antwoord,” hernam Athos. „Werda! antwoord, of wij vallen aan!”--„Wees er op bedacht wat gij wilt doen, mijne heeren!” zeide daarop een helderklinkende stem, die gewoon scheen het commando te voeren.
„Het is een of ander hoofdofficier, die zijn nachtronde doet,” zeide Athos, tot zijn vrienden terugkeerende. „Wat wilt gij doen, heeren?”
„Wie zijt gij?” vroeg dezelfde stem op denzelfden gebiedenden toon; „antwoord op uw beurt, of uw ongehoorzaamheid zou u kwalijk kunnen bekomen.”--„Musketiers des konings!” riep Athos, meer en meer overtuigd dat hij, die hem dit vroeg, er recht toe had.--„Welke kompagnie?”--„Kompagnie van Tréville.”--„Treedt voorwaarts en geeft rekenschap van wat gij hier ter plaatse zoo laat doet.”
De drie musketiers naderden, nu een weinig ootmoediger, want zij waren nu alle drie overtuigd, dat zij met machtiger dan zij waren te doen hadden. Men liet overigens aan Athos het woord over. Een der twee ruiters, hij die na den eersten het woord had opgenomen, was ongeveer tien schreden van zijn tochtgenoot verwijderd. Athos gaf aan Porthos en Aramis een teeken om ook achter te blijven en naderde alleen.
„Verontschuldig mij, mijn officier!” zeide Athos, „wij wisten niet met wien wij te doen hadden, en gij kunt zien, dat wij waakzaam zijn.”--„Uw naam!” zeide de officier, die met zijn mantel een gedeelte van zijn aangezicht bedekte.--„Maar, mijnheer!” hernam Athos, die zich tegen die soort van inquisitoriale ondervraging begon te verzetten, „ik verzoek eerst mij het bewijs te geven, dat gij het recht hebt mij te ondervragen.”--„Uw naam!” hernam voor de tweede, maal de ruiter, terwijl hij zijn mantel liet vallen, waardoor zijn gelaat werd ontbloot.--„Zijne Eminentie de kardinaal!” riep de musketier ontsteld.--„Uw naam!” herhaalde voor de derde maal Zijne Eminentie.--„Athos,” antwoordde de musketier.
De kardinaal wenkte zijn stalmeester, die nader trad.--„Die drie musketiers zullen ons volgen,” zeide hij zacht tot hem, „ik wil niet, dat men wete, dat ik het legerkamp heb verlaten, en ons volgende, zijn wij zeker dat zij het aan niemand zullen zeggen.”
„Wij zijn edellieden, Uwe Eminentie!” zeide Athos, „eisch dus ons woord van eer, en verontrust u over niets. Goddank! wij weten een geheim te bewaren.”
De kardinaal vestigde zijn doordringenden blik op den stoutmoedigen spreker.--„Gij hebt een scherp gehoor, mijnheer Athos!” zeide de kardinaal, „maar luister, het is niet uit wantrouwen, dat ik u verzoek mij te volgen, het is voor mijn zekerheid; zonder twijfel zijn uw twee gezellen de heeren Porthos en Aramis?”--„Ja, Uwe Eminentie!” zeide Athos, terwijl de twee musketiers, die waren achtergebleven, met den hoed in de hand naderden.--„Ik ken u, heeren! ik ken u! ik weet wel, dat gij juist niet tot mijn vrienden behoort, en dat doet mij leed; doch ik weet, dat gij moedige, trouwe edellieden zijt, en men zijn vertrouwen in u kan stellen. Mijnheer Athos! bewijs mij dus de eer mij te vergezellen, gij en uw twee vrienden, en ik zal een geleide hebben, waarop Zijne Majesteit zou afgunstig zijn, indien wij hem mochten ontmoeten.”
De drie musketiers bogen tot op den hals van hun paarden.--„Op mijn eer,” zeide Athos, „Uwe Eminentie heeft gelijk ons mede te nemen: wij hebben op den weg al zeer afzichtelijke lieden ontmoet, en zelfs met vier er van in _de Roode Duiventoren_ twist gehad.”--„Twist! en waarom, mijne heeren?” zeide de kardinaal, „gij weet wel, dat ik van geen twistzoeken houd.”--„Het is juist uit dien hoofde dat ik de eer heb Uwe Eminentie van het gebeurde kennis te geven, want zij zou het door anderen dan door ons kunnen vernemen, en tengevolge van een kwalijk overgebracht verslag ons als de schuldigen beschouwen.”--„En wat zijn de gevolgen van dezen twist geweest?” vroeg de kardinaal, de wenkbrauwen fronsende.--„Wel, mijn vriend Aramis, die hier is, heeft een lichten degensteek in den arm ontvangen, hetgeen hem niet zal beletten, zooals Uwe Eminentie zal zien, morgen bij de bestorming tegenwoordig te zijn, indien Uwe Eminentie dit beveelt.”--„Maar gij zijt niet van die lieden, welke zich zoo gemakkelijk degensteken laten toebrengen,” zeide de kardinaal. „Spreekt! weest oprecht, heeren! gij hebt er wel eenige teruggegeven; biecht op, gij weet, dat ik de macht heb absolutie te geven.”
„Ik, Uwe Eminentie!” zeide Athos, „heb niet eens den degen in de hand gehad, maar hem, met wien ik te doen had, in mijn armen genomen en uit het venster geworpen; hij schijnt in zijn val,” ging Athos met eenige aarzeling voort, „het dijbeen te hebben gebroken.”--„Zoo, zoo!” riep de kardinaal, „en gij, mijnheer Porthos?”
„Ik, Uwe Eminentie! wetende dat het tweegevecht verboden is, heb een bank opgenomen en een dier bandieten daarmede een slag gegeven, die hem, geloof ik, den schouder heeft verbrijzeld.”--„Fraai!” zeide de kardinaal, „en gij, mijnheer Aramis?”
„Ik, Uwe Eminentie, die van een zeer vredelievenden en zachten aard ben, en bovendien, hetgeen Uwe Eminentie misschien niet weet, op het punt sta tot den geestelijken stand over te gaan, ik wilde mijn vrienden van die ellendelingen scheiden, toen een hunner mij verraderlijk in den linkerarm een degensteek toebracht; toen was mijn geduld ten einde en ik trok op mijn beurt den degen, en daar hij opnieuw mij aanviel, meende ik te voelen, dat hij zich zelven aan mijn degen reeg, alleen weet ik zeer goed dat hij gevallen is en men hem met zijn makkers heeft weggedragen.”
„Duivelsch, mijne heeren!” zeide de kardinaal, „drie mannen in een herbergtwist neervellen! dat is de handen roeren. Maar uit wat oorzaak ontstond die twist?”--„Die ellendelingen waren dronken,” zeide Athos.... „bekend met de aankomst eener vrouw in die herberg, wilden zij de deuren openbreken.”--„En was die jonge vrouw jong en fraai?” vroeg de kardinaal met zekere ongerustheid.--„Wij hebben haar niet gezien, Uwe Eminentie!” antwoordde Athos.--„Hebt gij haar niet gezien? Ha! zeer goed!” hernam de kardinaal levendig; „gij hebt wèl gedaan de eer eener vrouw te verdedigen, en dewijl het naar _de Roode Duiventoren_ is, dat ik mij begeef, zal ik dra weten of gij mij de waarheid hebt gezegd.”
„Mijnheer!” antwoordde Athos trotsch, „wij zijn edellieden, en al konden wij er ons hoofd door redden, zouden wij niet liegen.”--„Ook twijfel ik geen oogenblik aan hetgeen ge zegt, mijnheer Athos! geen oogenblik, maar,” ging hij voort, aan het gesprek een andere wending gevende, „was die dame dan alleen?”--„Die dame had zich met een cavalier in haar kamer opgesloten, maar dewijl die cavalier, ondanks het geweld, niet te voorschijn kwam, is het te veronderstellen dat hij een lafaard is.”--„Oordeel niet vermetel, zegt het Evangelie,” hernam de kardinaal.--Aramis boog het hoofd.--„En thans, mijne heeren, is het wel, ik weet, wat ik verlangde te weten,” ging Zijne Eminentie voort, „volgt mij nu.”
De drie musketiers plaatsten zich achter den kardinaal, die opnieuw zijn aangezicht met den mantel bedekte en zijn paard aansporende, acht of tien schreden voor zijn vier geleiders voortreed.
Men bereikte spoedig de stille, eenzame herberg. Zonder twijfel wist de kastelein, welken doorluchtigen bezoeker hij zoude ontvangen; bijgevolg had hij de nieuwsgierigen verwijderd. Op drie schreden van de deur gaf de kardinaal aan zijn stalmeester en aan de drie musketiers een wenk te blijven staan. Een gezadeld paard was aan den ring van een vensterluik vastgemaakt; de kardinaal klopte drie malen op een bijzondere wijze. Een man in een mantel gewikkeld kwam onmiddellijk buiten en wisselde haastig eenige woorden met den kardinaal, waarna hij te paard steeg en in de richting van _Surgères_ op den weg naar _Parijs_ verdween.
„Nadert, heeren!” riep de kardinaal. „Gij hebt de waarheid gezegd, edellieden!” zeide hij, zich tot de drie musketiers wendende, „en het zal aan mij niet liggen, dat onze ontmoeting van heden u niet tot voordeel strekke.... Intusschen volgt mij.”
De kardinaal steeg af, de drie musketiers deden evenzoo, toen wierp de kardinaal den toom van zijn paard aan zijn stalmeester toe, terwijl de drie musketiers hun paarden aan de vensterluiken vastmaakten.
De kastelein bleef voor de deur staan, voor hem was de kardinaal niets meer dan een officier, die een dame kwam bezoeken.
„Hebt gij ook een benedenkamer, waar de heeren mij bij een goed vuur kunnen wachten?” vroeg de kardinaal.--De kastelein opende de deur van een groot vertrek, in hetwelk men juist een slechte kachel door een grooten flinken schoorsteen had vervangen.--„Deze is beschikbaar.”--„Dat is goed,” zeide de kardinaal. „Gaat daar binnen, heeren, en wacht mij, ik zal niet langer dan een half uurtje wegblijven.”
En terwijl de drie musketiers het benedenvertrek binnentraden, ging de kardinaal, zonder iets verder te vragen, de trap op, als iemand dien men den weg niet behoeft te wijzen.
HOOFDSTUK XIII.
Het nut der kachelpijpen.
Het is blijkbaar, dat, zonder het te weten en alleen gedreven door hun ridderlijken en avontuurlijken aard, onze drie vrienden een dienst hadden bewezen aan iemand, die door den kardinaal met zijn bijzondere bescherming werd vereerd. Maar wie was die iemand?
Het was deze vraag, die de musketiers elkander het eerst deden, vervolgens, toen zij zagen dat geen der antwoorden, welke hun verstand hun ingaf, voldoende was, riep Porthos den kastelein en vroeg om dobbelsteenen. Porthos en Aramis zetten zich aan tafel en begonnen te spelen. Athos wandelde, al peinzende, heen en weer. Alzoo peinzende en wandelende, ging Athos telkens de half afgebroken kachelpijp voorbij, van welke het andere einde in de bovenkamer uitkwam, en telkens als hij er voor heen en weer ging, hoorde hij een fluisterend gesprek, dat eindelijk zijn aandacht wekte. Athos naderde en onderscheidde eenige woorden, die hem ongetwijfeld zoo belangrijk schenen, dat hij zijn vrienden een wenk gaf stil te houden, terwijl hij, zijn oor voor de opening der pijp houdende, luisterend bleef staan.
„Luister, milady!” zeide de kardinaal, „de zaak is van het grootste belang. Ga zitten en praten wij eens....”
„Milady!” mompelde Athos.
„Ik luister naar Uwe Eminentie met de grootste aandacht,” antwoordde een vrouwenstem, die den musketier deed ontroeren.--„Een klein vaartuig, met Engelschen bemand en welks kapitein tot mijn orders is, wacht u aan den mond der _Charente_, nabij het fort _la Pointe_; het zal morgenochtend onder zeil gaan.”--„Ik moet dus nog hedennacht mij derwaarts begeven?”--„Oogenblikkelijk, dat is, na mijn voorschriften te hebben ontvangen. Twee mannen, die gij, hier uitgaande, voor de deur zult vinden, zullen u tot geleide verstrekken; ik zal het eerst vertrekken, vervolgens zult gij u een half uur daarna op uw beurt verwijderen.”--„Goed, Uwe Eminentie! Gelieve mij de zending mede te deelen, waarmede gij mij wilt belasten, en daar ik er prijs op stel, voortdurend met het vertrouwen van Uwe Eminentie vereerd te worden, zoo zou ik ze gaarne duidelijk, in bepaalde woorden van Uwe Eminentie vernemen, opdat er geen vergissing kan plaats hebben.”
Er ontstond voor eenige oogenblikken een diepe stilte tusschen de beide sprekers; blijkbaar overdacht de kardinaal de woorden, welke hij zou bezigen, terwijl milady al haar verstandvermogens inspande, om de zaken te begrijpen, die hij gereed was haar toe te vertrouwen, en na die gehoord te hebben, in haar geheugen te prenten.
Athos nam deze gelegenheid waar, om zijn vrienden te verzoeken de deur van binnen te sluiten, waarna hij hun een teeken gaf met hem te komen luisteren. De twee musketiers, die van hun gemak hielden, namen elk een stoel en een voor Athos. Alle drie zetten zich neder, de hoofden luisterend bij elkander stekende.
„Gij moet naar _Londen_ vertrekken,” hernam de kardinaal; „daar gekomen zult gij Buckingham een bezoek brengen.”--„Ik moet Uwe Eminentie doen opmerken,” zeide milady, „dat sedert de zaak der diamanten haken, welke des hertogs vermoeden op mij heeft doen vallen, Zijne Genade mij wantrouwt.”--„Ook betreft het niet meer zijn vertrouwen te winnen, maar eerlijk en rondborstig in onderhandeling te treden.”--„Eerlijk en rondborstig?” herhaalde milady op een toon van onuitsprekelijke valschheid.--„Ja, rondborstig,” hernam de kardinaal op denzelfden toon; „die geheele zaak moet openlijk worden behandeld.”--„Ik zal letterlijk de voorschriften van Zijne Eminentie nakomen en wacht ze te ontvangen.”--„Gij zult Buckingham een bezoek brengen en hem van mijnentwege zeggen, dat ik al de toebereidselen ken, welke hij maakt, dat ik er mij evenwel weinig om bekommer, dewijl ik bij de eerste daad, die hij zal wagen, de koningin in het verderf stort.”--„Gelooft Uwe Eminentie, dat zij in staat is die bedreiging te vervullen?”--„Ja, want ik heb bewijzen.”--„Ik moet hem die bewijzen kunnen blootleggen.”--„En gij zult hem zeggen, dat ik het verslag van Bois Robert en van den markies de Beautru zal openbaar maken over de samenkomst, welke de hertog bij de vrouw van den konnetabel met de koningin heeft gehad, op den avond dat die dame een gemaskerd bal gaf; gij zult hem zeggen, opdat hij aan niets twijfele, dat hij er zich begeven heeft in het kostuum van den _Grooten Mogol_, dat de ridder de Guise moest hebben aan gehad, en hij het voor een som van drie duizend pistolen heeft gekocht.”--„Goed, Uwe Eminentie!”--„Al de bijzonderheden van zijn intrede en zijn uitgang des nachts, toen hij zich in het gewaad van een Italiaanschen waarzegger had verkleed, zijn mij bekend; gij zult hem zeggen, opdat hij wederom niet twijfele aan de echtheid mijner narichten, dat hij onder zijn mantel een ruim wit kleed aan had, bezaaid met zwarte tranen en doodshoofden op kruiselings gelegde doodsbeenderen, ten einde in geval van verrassing als de geest der Witte Dame te verschijnen, die, zooals algemeen bekend is, in het _Louvre_ terugkeert, telkens wanneer een groote gebeurtenis ophanden is.”--„Is dat alles, Uwe Eminentie?”
„Zeg hem, dat ik al de bijzonderheden ken van zijn avontuur te _Amiëns_, dat ik er een kleinen, geestigen roman van zal doen schrijven met een platten grond van den tuin en de portretten der voornaamste acteurs van dat nachtelijk tooneel.”--„Ik zal het hem zeggen.”--„Zeg hem nog, dat Montaigu in mijn macht en in de Bastille is, dat men wel geen brieven bij hem heeft gevonden, maar dat de pijnbank hem alles zal doen zeggen wat hij weet, en zelfs.... wat hij niet weet.”--„Zeer goed.”--„Voeg er eindelijk bij, dat Zijne Genade, in de overhaasting waarmede hij het eiland _Ré_ heeft verlaten, zekeren brief van mevrouw de Chevreuse in zijn kwartier heeft laten liggen, die op zonderlinge wijze de koningin verdacht maakt, daar hij niet alleen bewijst, dat Hare Majesteit de vijanden des konings kan beminnen, maar tevens dat zij met de vijanden van _Frankrijk_ samenspant. Gij hebt alles, wat ik u gezegd heb, goed onthouden, niet waar?”