De Drie Musketiers dl. I en II
Part 40
Intusschen had d’Artagnan zich tot den tweeden soldaat gewend en hem met den degen aangevallen. De strijd was van geen langen duur; de ellendeling had te zijner verdediging niets dan het afgeschoten vuurroer. De degen van den garde gleed langs den loop van het nutteloos geworden wapen en doorstak de dij van den moordenaar, die ter aarde viel.
D’Artagnan zette hem onmiddellijk de punt van het staal op de keel.--„Ach! dood mij niet!” riep de bandiet. „Genade, genade! mijn officier! en ik zal u alles zeggen.”--„Is uw geheim waard dat ik u het leven laat?” vroeg de jongeling.--„Ja, indien gij het leven van eenige waarde beschouwt voor iemand, die, zooals gij, twee en twintig jaar oud is, en die tot alles kan geraken, daar hij schoon en dapper is.”--„Ellendeling!” zeide d’Artagnan; „welaan, spreek; haast u! Wie heeft u den last gegeven mij te vermoorden?”--„Een vrouw, die ik niet ken, maar welke men milady noemt.”--„Maar indien gij die vrouw niet kent, hoe weet gij dan haar naam?”--„Mijn makker kent haar en noemt haar zoo; zij heeft met hem en niet met mij onderhandeld. Hij heeft bovendien in zijn zak een brief van die vrouw, welke voor u van het grootste belang moet zijn, naar hetgeen ik hem heb hooren zeggen.”--„Maar hoe komt gij dan deelgenoot te zijn in dien sluipmoord?”--„Hij heeft mij voorgeslagen gezamenlijk den slag te doen, en ik heb aangenomen.”--„En hoeveel heeft zij u voor die fraaie onderneming gegeven?”--„Honderd louis d’or.”--„Welzoo! dat is vrij wat,” zeide de jongeling glimlachende; „zij schat mij toch iets waard te zijn. Honderd louis d’or! dat is een goede som voor twee ellendelingen, zooals gij. Ik begrijp daarom, dat gij hebt aangenomen, en ik schenk u genade op één voorwaarde.”--„Welke?” vroeg de soldaat angstig, ziende dat alles nog niet geëindigd was.--„Dat is, mij den brief te halen, dien uw makker in zijn zak heeft.”--„Maar!” riep de bandiet, „dat is een ander middel om mij het leven te ontnemen. Hoe wilt gij, dat ik den brief krijg onder het vuur van het bolwerk?”--„Gij moet er echter toe besluiten hem te gaan halen, of ik zweer u, dat gij door mijn hand zult sterven.”--„Genade! mijnheer! barmhartigheid! in naam dier jonge vrouw, welke gij bemint, die gij misschien dood waant, doch die nog leeft!” riep de bandiet, knielende en zich met zijn hand ondersteunende; want hij begon met zijn bloed zijn krachten te verliezen.--„En hoe weet gij, dat ik een jonge vrouw bemin, en dat ik geloofde, dat die vrouw dood was?” vroeg d’Artagnan.--„Door dien brief, dien mijn makker in zijn zak heeft.”--„Gij ziet dus wel, dat ik dien brief moet hebben,” hernam d’Artagnan. „Derhalve geen langer uitstel, geen aarzeling meer, of, hoe groot mijn afkeer ook zij om ten tweeden male mijn degen in het bloed van een ellendeling als gij te doopen, ik zweer u op mijn woord van eerlijk man....”--En bij die woorden maakte d’Artagnan een zoo dreigend gebaar, dat de gekwetste opstond en, door angst gedreven, zijn moed verzamelende uitriep: „Wacht!.... wacht!.... ik zal gaan!.... ik zal gaan!....”
D’Artagnan nam het vuurroer van den soldaat, liet hem voorgaan en duwde hem naar zijn makker, door hem met zijn degen in de zijde te prikken.
Het was vreeselijk om te zien, hoe de rampzalige op den weg, langs welken hij ging, een lange streep bloed achterliet; bleek door den hem naderenden dood, trachtte hij zich, zonder gezien te worden, tot aan het lichaam van zijn medeplichtige te sleepen, die op twintig schreden afstands van daar lag. De vrees was zoo akelig op zijn aangezicht, waarlangs een koud zweet vloeide, uitgedrukt, dat d’Artagnan medelijden met hem had en hem met verachting beschouwde.
„Welaan!” zeide hij, „ik zal u het onderscheid toonen, dat er tusschen een moedige en een lafaard, zooals gij, bestaat. Blijf, ik zal gaan!”--En met snelle schreden, met een waakzaam oog de bewegingen des vijands gade slaande en van de gesteldheid van den weg voordeelig gebruik makende, naderde d’Artagnan den tweeden soldaat.
Er bleven hem twee middelen over om zijn doel te bereiken: hem te onderzoeken ter plaatse waar hij was, of hem weg te dragen en zich van zijn lichaam als van een schild te bedienen, om hem daarna in de loopgraaf te onderzoeken. D’Artagnan ging tot het tweede middel over en laadde den moordenaar op zijn schouder, op hetzelfde oogenblik dat de vijand vuur gaf. Een lichte schok, een laatste snik, het sidderen van den doodsstrijd, dat alles bewees aan d’Artagnan, dat hij, die hem had willen vermoorden, hem het leven had gered.
D’Artagnan trad weder de loopgraaf in en wierp het lijk naast den als den doode zoo bleeken gekwetste. Onmiddellijk deed hij onderzoek en vond een lederen brieventasch, een beurs, waarin blijkbaar een gedeelte der som was, die de bandiet had ontvangen, een dobbelkoker en dobbelsteenen; dat was alles, waaruit de erfenis van den gesneuvelde bestond. Hij liet den dobbelkoker en de dobbelsteenen liggen, waar zij gevallen waren, wierp de beurs den gekwetste toe en opende begeerig de brieventasch. Onder eenige niets beteekenende papieren vond hij den volgenden brief, welken hij met gevaar zijns levens had gehaald.
„Dewijl gij het spoor dezer vrouw hebt verloren en zij thans in zekerheid in dat klooster is, waarin gij haar nooit hadt moeten doen binnengaan, tracht nu ten minste den man niet te missen; zoo ja, dan weet gij dat ik lange armen heb, en dat u de honderd louis d’or, die gij van mij hebt ontvangen, duur te staan zullen komen.”
Geen onderteekening. Nochtans was het blijkbaar, dat de brief van milady was. Hij bewaarde dien bijgevolg als een bewijsstuk, en daar hij zich veilig achter den hoek der loopgraaf bevond, begon hij den gekwetste te ondervragen. Deze beleed, dat hij zich met zijn makker had verbonden een jonge vrouw te ontvoeren, die _Parijs_ door de poort van la Villette moest verlaten; maar dewijl zij zich te lang in een herberg met drinken hadden opgehouden, was het rijtuig hen tien minuten vóór geweest.
„En wat zoudt gij met die vrouw gedaan hebben?” vroeg d’Artagnan in doodsangst.--„Wij moesten haar naar een hotel op het Koningsplein voeren,” antwoordde de gekwetste.--„Ja, ja,” mompelde d’Artagnan, „zoo is het wel, ten huize van milady zelve.”
Toen dacht de jongeling bevende aan de vreeselijke wraakzucht, welke die vrouw aanspoorde hem niet alleen, maar al degenen, die hem beminden, in het verderf te storten, en hoe goed zij met de hofzaken moest bekend zijn, daar zij alles had ontdekt. Zonder twijfel had zij deze mededeelingen aan den kardinaal te danken. Maar daarentegen begreep hij ook met een innig gevoel van blijdschap, dat het der koningin eindelijk was gelukt de gevangenis te ontdekken, waar de ongelukkige juffrouw Bonacieux haar toewijding boette, doch waaruit zij haar had bevrijd.
Toen werd de brief hem duidelijk, dien hij van de jonge vrouw had ontvangen, en ook haar voorbijrijden op den weg van _Chaillot_, dat veel van een geestverschijning had.--Van dat oogenblik af, zooals Athos had gezegd, was het mogelijk juffrouw Bonacieux weer te vinden, en een klooster was niet ondoordringbaar. Dat denkbeeld voltooide zijn stemming tot barmhartigheid, en hij wendde zich tot den gekwetste, die angstig al de veranderingen volgde, welke zich op zijn gelaat vertoonden.
„Welaan,” dacht hij, „ik wil hem op die wijze niet verlaten. Steun op mij en keeren wij naar het legerkamp terug.”--„Ja,” zeide de gewonde, die aan zooveel edelmoedigheid niet kon gelooven, „maar is het niet om mij te doen hangen?”--„Gij hebt mijn woord,” zeide hij, „en voor de tweede maal schenk ik u het leven.”
De gewonde liet zich op zijn knieën glijden en kuste opnieuw de voeten van zijn redder; maar d’Artagnan, die hoegenaamd geen reden meer had zoo dicht in de nabijheid des vijands te blijven, brak dadelijk die betuigingen van dankbaarheid af.
De garde, die bij het eerste vuur was teruggekeerd, had het sneuvelen zijner vier makkers aangekondigd; men was derhalve zeer verwonderd en tevens verheugd bij het regiment, toen men den jongeling springlevend zag terugkeeren. D’Artagnan verklaarde den degensteek het gevolg van een uitval, dien hij verzon. Hij verhaalde den dood van den anderen soldaat en de gevaren, die zij hadden geloopen. Het gevolg van dat verhaal was voor hem een wezenlijke zegepraal.
Geheel het leger sprak over deze onderneming gedurende een geheelen dag, en _Monsieur_ liet hem van zijnentwege geluk wenschen. Overigens, daar elke goede daad haar belooning medebrengt, had de schoone daad van d’Artagnan het gevolg hem de rust weder te geven, die hij verloren had. Inderdaad, de jongeling meende nu gerust te kunnen zijn, dewijl van zijn twee vijanden de eene gedood, de andere aan zijn belangen was verbonden. Die gerustheid bewees, dat d’Artagnan milady volstrekt nog niet kende.
HOOFDSTUK XI.
De Anjou-wijn.
Na eenige zeer verontrustende tijdingen nopens de gezondheid des konings, begon eindelijk het gerucht zijner beterschap zich in het legerkamp te verspreiden, en daar hij zeer ongeduldig was het beleg bij te wonen, zeide men, dat, zoodra hij te paard kon stijgen, hij de reis zou aanvaarden. Onderwijl voerde _Monsieur_, die wist, dat hij alle oogenblikken in zijn bevelhebberschap zou kunnen vervangen worden, hetzij door den hertog van Angoulême, hetzij door Bassompierre of Schomberg, die het elkander betwistten, weinig of niets uit en verloor den tijd in verkenningen, niet een enkele groote onderneming durvende wagen, om de Engelschen van het eiland _Ré_, uit hetwelk zij de citadel _St. Martijn_ bestookten, en uit het fort _de la Prée_ te verjagen, terwijl de Franschen van hun kant _la Rochelle_ belegerden. D’Artagnan, zooals wij zeiden, was geruster geworden, zooals steeds het geval is, wanneer men een gevaar ontsnapt, en dat gevaar schijnt verdwenen te zijn.
Er bleef hem slechts een bekommering over, namelijk die, hoegenaamd geen tijding van zijn vrienden te ontvangen. Maar op zekeren ochtend werd hem alles opgehelderd door den volgenden brief, gedagteekend uit _Villeroy_.
„Mijnheer d’Artagnan!
De heeren Athos, Porthos en Aramis, na een groot feest bij mij gegeven en zich zeer vermaakt te hebben, zijn echter zoo luidruchtig geweest, dat de provoost van het kasteel, een zeer streng man, hen voor eenige dagen huis-arrest heeft gegeven. Ik vervul de bevelen, die zij mij hebben opgedragen, u een dozijn flesschen van mijn wijn van _Anjou_ te zenden, waarvan zij groote liefhebbers schijnen te zijn; zij verlangen, dat gij hun geliefkoosden wijn op hun gezondheid drinkt.
Ik ben, mijnheer! met diepen eerbied, Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,
Godeau,
Kastelein der H.H. Musketiers.”
„Bravo!” riep d’Artagnan, „zij herinneren zich mijner in hun vermaken, zooals ik aan hen in mijn verdriet denk; welzeker zal ik op hun gezondheid drinken, met veel pleizier, maar niet alleen.”--En d’Artagnan begaf zich tot twee gardes, met wie hij meer vriendschap dan met de overige onderhield, om hen uit te noodigen bij hem den heerlijken wijn van _Anjou_ te komen drinken, dien hij van _Villeroy_ had ontvangen.
Een der gardes was voor dienzelfden avond elders genoodigd, en de andere voor den volgenden dag, de samenkomst werd dus op twee dagen later bepaald.
D’Artagnan zond zijn twaalf flesschen naar de gelagkamer der gardes, met aanbeveling er goede zorg voor te dragen. Vervolgens, toen de dag van het feest dáár was, terwijl het maal tegen twaalf uur des middags was bepaald, zond d’Artagnan reeds te negen uur Planchet, om alles in orde te brengen.
Planchet, trotsch tot de waardigheid van hofmeester te zijn verheven, peinsde er over, hoe zijn last op een waardige wijze te vervullen. Tot dat einde vereenigde hij zich met den knecht van een der genoodigden zijns meesters, Fourreau genaamd, en ook met Brisemont, dien gewaanden soldaat, welke onzen held had willen vermoorden, maar die, tot geen corps behoorende, in dienst van d’Artagnan was gegaan, of liever in dien van Planchet, sedert d’Artagnan hem het leven had gered.
Toen het uur van den maaltijd had geslagen, verschenen beide genoodigden, die plaats namen, terwijl de gerechten op tafel werden gerangschikt; Planchet bediende, met het servet onder den arm, Fourreau trok de flesschen open, en Brisemont, bijna hersteld, goot in kristallen karaffen den wijn over, die, naar het scheen, door het hotsen op den weg troebel was geworden. Uit de eerste flesch van dien wijn goot Brisemont het bezinksel in een glas, hetwelk d’Artagnan hem veroorloofde te ledigen, want de arme duivel had al zijn krachten nog niet terug.
Na de soep te hebben gebruikt, wilden de genoodigden het eerste glas wijn aan hun lippen zetten, toen eensklaps kanonschoten van het fort Louis en het nieuwe fort weergalmden. Onmiddellijk grepen de gardes, meenende dat het een onverwachte aanval der belegerden of der Engelschen betrof, hun degens; d’Artagnan deed evenzoo, en alle drie verwijderden zich al loopende, om zich op hun posten te begeven. Maar nauwelijks waren zij uit de gelagkamer, of zij vernamen de oorzaak van dat gerucht. Het geroep „leve de koning! leve de kardinaal!” weergalmde van alle zijden, en de trommels roffelden in alle richtingen. En inderdaad, in zijn ongeduld had de koning twee pleisterplaatsen overgeslagen en kwam op dat oogenblik met geheel zijn huis en een versterking van tien duizend man aan.
Zijn musketiers gingen hem voor en volgden hem. D’Artagnan, met zijn kompagnie langs den weg geschaard, groette met een uitdrukkelijk gebaar zijn vrienden en den heer de Tréville, dien hij dadelijk ontwaarde. Nadat de plechtigheid der ontvangst afgeloopen was, waren de vier vrienden spoedig vereenigd.
„_Pardieu_!” riep d’Artagnan, „gij kondt op geen beter oogenblik gekomen zijn, en het eten heeft den tijd nog niet gehad, koud te worden. Niet waar, heeren!” voegde de jongeling er bij, zich tot de beide gardes wendende, die hij aan zijn vrienden voorstelde.--„Ha! ha! het schijnt dat wij smullen,” zeide Porthos.--„Ik hoop,” zeide Aramis, „dat er geen vrouw aan tafel is?”--„Is er gebottelde wijn in uw kroeg?” vroeg Athos.--„Wel, de uwe, _pardieu_! beste vriend!” antwoordde d’Artagnan.--„Onze wijn?” liet Athos verwonderd hooren.--„Ja, dien gij mij gezonden hebt.”--„Hebben wij u wijn gezonden?”--„Wel ja, gij weet immers wel, dien lichten wijn van _Anjou_?”--„Ja, ik ken den wijn heel wel, dien gij bedoelt.”--„Het is die wijn, van welken gij zooveel houdt.”--„Zeker, als ik geen Chambertin of Champagne heb.”--„Welnu, bij gebrek aan Chambertin of Champagne zult gij u met dezen moeten tevreden stellen.”--„Gij hebt dus wijn van _Anjou_ laten komen, gij lekkerbek?” vroeg Porthos.--„Wel neen, het is de wijn, die mij van uwentwege is gezonden.”--„Van onzentwege?” riepen de musketiers.--„Zijt gij het, Aramis,” vroeg Athos, „die wijn hebt gezonden?”--„Neen.”--„Indien gij het niet zijt, dan is het uw kastelein,” zeide d’Artagnan.--„Onze kastelein?”--„Wel zeker, uw kastelein: Godeau, kastelein der musketiers.”--„Zoo! laat hij zijn van wien hij wil, het doet er niet toe,” zeide Porthos, „proeven wij hem, en als hij goed is, laat ons hem drinken.”--„Neen,” zeide Athos, „drinken wij geen wijn van welken wij den oorsprong niet kennen.”--„Gij hebt gelijk, Athos,” zeide d’Artagnan. „Heeft niemand uwer den kastelein Godeau gelast mij wijn te zenden?”--„Neen, en heeft hij u nochtans uit onzen naam gezonden?”--„Ziehier den brief,” zeide d’Artagnan, en hij toonde het biljet aan zijn vrienden.--„Dat is zijn schrift niet,” zeide Athos. „Ik ken het, want ik ben het geweest, die voor ons vertrek de rekening der gemeenschappelijke vertering met hem heb vereffend.”--„Het is een valsche brief,” zeide Porthos, „wij hebben geen huis-arrest gehad.”--„D’Artagnan!” zeide Aramis op berispenden toon, „hoe hebt gij kunnen gelooven, dat wij gerucht zouden hebben gemaakt?”
D’Artagnan verbleekte, een stuipachtige beving schudde al zijn leden.--„Gij verschrikt mij,” zeide Athos, „wat is u toch gebeurd?”--„Haasten wij ons, mijn vrienden!” riep d’Artagnan, „een vreeselijk vermoeden verheft zich in mijn ziel; zou het wederom de wraak dier vrouw zijn?”--Nu verbleekte Athos op zijn beurt.
D’Artagnan snelde naar de gelagkamer, de drie musketiers en de twee gardes volgden hem. Het eerste voorwerp, dat den blik van d’Artagnan trof, toen hij de eetzaal binnentrad, was Brisemont, die zich in vreeselijke stuiptrekkingen op den grond wentelde. Planchet en Fourreau, bleek als lijken, waren bezig hem hulp te verleenen, maar het was blijkbaar, dat alle hulp vruchteloos was, het aangezicht van den stervende was door den doodsstrijd akelig misvormd.
„Ha!” riep hij, toen hij d’Artagnan bespeurde, „ha! dat is afgrijselijk, gij houdt u, alsof gij mij vergiffenis schenkt, en gij vergiftigt mij!”--„Ik?” riep d’Artagnan, „ik, rampzalige! maar wat durft gij zeggen?”--„Ik zeg, dat gij het zijt, die mij hebt gezegd, dien te willen drinken; ik zeg, dat gij u op mij hebt willen wreken; ik zeg, dat het afgrijselijk is.”--„Geloof dat niet, Brisemont!” zeide d’Artagnan. „Geloof het niet, ik bezweer u.”--„O! maar God is daar! God zal u straffen! Mijn God! dat hij eenmaal lijde, wat ik lijd.”--„Op het evangelie zweer ik u!” riep d’Artagnan, zich naast den stervende werpende, „dat ik niet wist, dat die wijn vergiftigd was, en ik zooals gij hem zou gedronken hebben.”--„Ik geloof u niet,” zeide de soldaat, en hij gaf den geest in een nieuwen, meer hevigen aanval van smarten.--„IJselijk! ijselijk!” mompelde Athos, terwijl Porthos de flesschen verbrak en Aramis, hoewel wat laat, het bevel gaf een biechtvader te gaan halen.
„Ach, mijn vrienden,” zeide d’Artagnan, „gij hebt mij wederom het leven gered; niet alleen het mijne, maar ook dat van die heeren. Mijne heeren!” ging hij voort, zich tot de gardes wendende, „ik verzoek u geheimhouding over het gebeurde: groote personages mochten in hetgeen gij hebt gezien betrokken zijn, en de kwade gevolgen er van zouden op ons neerkomen.”--„Ach, mijnheer!” stamelde Planchet, meer dood dan levend, „ach, mijnheer! wat ben ik het aardig ontsnapt.”--„Ha, knaap!” riep d’Artagnan, „gij wildet dus van mijn wijn drinken!”--„Op de gezondheid van den koning, mijnheer! was ik gereed een glas te ledigen, indien Fourreau mij niet had gezegd, dat ik geroepen werd.”--„Helaas!” zeide Fourreau, die van angst klappertandde, „ik wilde hem verwijderen om alleen te drinken.”--„Mijne heeren!” zeide d’Artagnan, zich tot de gardes wendende, „gij begrijpt, dat een dergelijk feestmaal, na hetgeen er gebeurd is, niet dan zeer treurig kan zijn, ik verzoek u dus mijn verontschuldigingen wel te willen aannemen, en bid u de partij tot een anderen dag uit te stellen.”
De twee gardes namen beleefdelijk deze verontschuldiging aan, en begrijpende dat de vier vrienden wenschten alleen te blijven, vertrokken zij.
Toen de jonge garde en de drie musketiers zonder getuigen waren, beschouwden zij elkander met een gebaar, dat te kennen gaf, dat zij het gevaarlijke van hun toestand beseften.
„Vooreerst,” zeide Athos, „verlaten wij dit vertrek, het gezelschap van een lijk is niet zeer aangenaam.”--„Planchet!” zeide d’Artagnan, „ik gelast u het lijk van dien armen duivel te bewaken en te zorgen, dat hij in gewijde aarde begraven wordt. Het is waar, hij heeft een misdaad bedreven, maar hij heeft er berouw over getoond.”--En de vier vrienden verlieten de kamer, Planchet en Fourreau de zorg overlatende aan Brisemont de laatste eer te bewijzen.
De kastelein gaf hun een andere kamer, waar men hun eieren in den dop voorzette, en bronwater, dat Athos in persoon ging putten. Eenige woorden waren genoeg om Porthos en Aramis met de gesteldheid van zaken bekend te maken.
„Ziet gij wel,” zeide d’Artagnan tot Athos, „mijn waarde vriend! dat het een strijd op leven en dood is.”--Athos schudde het hoofd.--„Ja, ik zie het wel, maar gelooft gij dat zij het is?”--„Ik ben er zeker van.”--„Ik moet u echter bekennen, dat ik nog twijfel.”--„Maar die lelie op den schouder?”--„Zij zal een Engelsche wezen, die men in Frankrijk wegens een door haar gepleegde misdaad zal hebben gebrandmerkt.”--„Athos! het is uw vrouw, zeg ik u,” antwoordde d’Artagnan, „herinnert gij u dan niet, hoe beide signalementen overeenkomen?”--„Ik meende echter, dat de andere dood was; ik had haar zoo goed opgehangen.”
Nu was het d’Artagnan, die op zijn beurt het hoofd schudde.--„Maar wat zullen wij eigenlijk beginnen?” vroeg hij.--„Inderdaad, wij kunnen niet eeuwig met het zwaard boven ons hoofd blijven,” zeide Athos, „wij moeten uit dien toestand zien te geraken. Maar hoe?”
„Luister,” antwoordde d’Artagnan, „tracht haar te ontmoeten, om een verklaring met haar te hebben. Zeg haar: ‚Oorlog of vrede. Ik geef u mijn woord van eer, nooit over u te spreken, nooit iets tegen u te doen. Zweer mij van uw kant plechtig, onzijdig jegens mij te blijven; zoo niet, dan vervoeg ik mij tot den kanselier, ik wend mij tot den koning, ik ga den beul een bezoek brengen; ik zal het hof tegen u ophitsen en u als een gebrandmerkte tentoonstellen; ik zal u doen veroordeelen; en mocht men u vrijspreken, dan, dat zweer ik u op mijn woord van edelman, dan zal ik u, achter den een of anderen straatpaal, als een razenden hond doodschieten.’”
„Dat middel bevalt mij tamelijk wel, maar hoe haar te ontmoeten?”--„De tijd, mijn waarde vriend, zal de gelegenheid medebrengen; de gelegenheid is het geluk van den speler, hoe meer men heeft verloren, des te meer wint men, wanneer men weet te wachten, omringd van moordenaars en giftmengers....”--„Och!” zeide Athos, „God heeft ons tot heden behoed, God zal ons nog langer behoeden.”--„Ja, wij, wij zijn in elk geval mannen, en alles wel beschouwd, is het ons beroep ons leven te wagen; maar zij....” voegde hij er half luid bij.--„Wie zij?” vroeg Athos.--„Constance.”--„Juffrouw Bonacieux? O! het is waar ook,” zeide Athos. „Arme vriend! ik vergat, dat gij verliefd zijt.”
„Wel, vrienden!” zeide Aramis; „hebt gij dan niet in den brief, die bij den gesneuvelden ellendeling is gevonden, gezien, dat zij zich in een klooster bevond? Men is zeer goed in een klooster, en zoodra het beleg van _la Rochelle_ zal geëindigd zijn, beloof ik u, wat mij betreft....”--„Goed,” zeide Athos, „goed. Ja, wij weten, goede Aramis! wij weten, dat uw begeerten naar het godsdienstige haken.”--„Ik ben slechts musketier _ad interim_,” zeide Aramis nederig.--„Het schijnt, dat hij in langen tijd geen tijding van zijn minnares heeft ontvangen,” zeide Athos zacht; „maar let er niet op, wij kennen dat.”--„Welnu,” zeide Porthos, „ik geloof, dat er een zeer eenvoudig middel is.”--„Welk?” vroeg d’Artagnan.--„Zij is in een klooster, zooals gij zegt?” hernam Porthos.--„Ja.”--„Welnu, zoodra het beleg zal geëindigd zijn, zullen wij haar uit dat klooster ontvoeren.”--„Maar men moet eerst weten in welk klooster zij is.”--„Dat is waar,” zeide Porthos.--„Maar ik herinner mij,” zeide Athos, „meent gij niet, waarde d’Artagnan, dat het de koningin is, die dat klooster voor haar heeft gekozen?”--„Ja, ik geloof het althans.”--„Wel, dan zal Porthos ons hierin kunnen helpen.”--„Hoe dat, als ik u mag verzoeken?”--„Wel, door uw markiezin, uw hertogin, uw prinses; deze moet lange armen hebben.”--„Stil!” zeide Porthos, den vinger op zijn mond leggende; „ik geloof, dat zij kardinaalsgezind is, zij mag niets weten.”--„Dan,” zeide Aramis, „belast ik mij haar te vinden.”--„Gij, Aramis!” riepen de drie vrienden, „gij, en hoe dat?”--„Door den aalmoezenier der koningin, van wien ik een zeer goed vriend ben,” zeide Aramis blozende.
En op die verzekering scheidden de vier vrienden, die, na hun soberen maaltijd geëindigd te hebben, afspraken elkander denzelfden avond weer te zien. D’Artagnan keerde naar het Minderbroederklooster terug, en de drie musketiers naar het hoofdkwartier des konings, waar zij hun kwartieren hadden doen gereed maken.
HOOFDSTUK XII.
De herberg De Roode Duiventoren.