De Drie Musketiers dl. I en II

Part 39

Chapter 393,748 wordsPublic domain

D’Artagnan vertrok, maar aan de deur begon zijn moed hem te verlaten, en hij was gereed naar binnen terug te keeren. Onderwijl verscheen hem het ernstige en strenge gelaat van Athos voor den geest. Indien hij met den kardinaal het verbond aanging, dat deze hem voorstelde, zou Athos hem de hand niet meer toereiken, Athos zou hem als zijn vriend verloochenen.

Deze vrees weerhield hem. Zoo vermogend is de invloed van een waarlijk groot karakter op alles, wat het omringt.

D’Artagnan ging dezelfde trap af, langs welke hij was opgekomen; voor de deur vond hij Athos en de vier musketiers, die zijn terugkomst wachtten en ongerust begonnen te worden. Met een enkel woord stelde d’Artagnan hen gerust, terwijl Planchet de anderen ging berichten, dat het niet meer noodig was langer de wacht te houden, daar zijn meester gezond en wel uit het kardinaals-paleis was teruggekomen.

Bij Athos teruggekeerd, vroegen Aramis en Porthos naar de reden van die zonderlinge uitnoodiging; maar d’Artagnan bepaalde zich er toe hun te zeggen, dat Richelieu hem ontboden en hem een vaandrigsplaats in zijn garde had willen geven, maar dat hij had geweigerd.

„En gij hebt gelijk!” riepen eenparig Porthos en Aramis.

Athos verzonk in een diepe mijmering en antwoordde niet. Maar toen hij alleen met d’Artagnan was, zeide hij hem: „Gij hebt gedaan, wat gij moest doen; doch wellicht hebt ge ongelijk gehad.”

D’Artagnan slaakte een zucht; want die stem paarde zich aan een geheime stem zijner ziel, die hem toefluisterde, dat hij aan groote ongelukken was blootgesteld.... De volgende dag ging voorbij in het maken van toebereidselen voor het vertrek. D’Artagnan ging naar den heer de Tréville, om afscheid te nemen. Op dat oogenblik meende men nog, dat de scheiding der gardes en der musketiers slechts kortstondig zou zijn, daar de koning denzelfden dag het parlement zou voorzitten en den volgenden dag vertrekken. De heer de Tréville bepaalde zich dus, aan d’Artagnan te vragen, of hij hem ook van dienst kon zijn; maar d’Artagnan antwoordde fier, dat hij van alles was voorzien, wat hij noodig had. Des nachts vereenigden zich al de krijgsmakkers van de kompagnie der gardes van den heer des Essarts, en der kompagnie musketiers van den heer de Tréville, die met elkander vriendschap hielden. Men verliet elkander tot weerziens, wanneer en als het Gode behaagde.

Het was dan ook, zooals men kan denken, een vrij ruwe nacht; want in dergelijke omstandigheden kan men slechts de uiterste bezorgdheid door een uiterste onverschilligheid verdringen. Den volgenden dag verlieten de vrienden elkander op het eerste trompetgeschal; de musketiers begaven zich naar het hotel van den heer de Tréville; de gardes naar dat van den heer des Essarts. Elk der kapiteins voerde onmiddellijk hierop zijn kompagnie naar het Louvre, waar de koning hen in oogenschouw zou nemen.

De koning was droefgeestig en scheen ongesteld te zijn, hetgeen hem in gestalte kleiner deed schijnen. En inderdaad, den vorigen dag was hem de koorts, te midden der zitting van het parlement dat hij voorzat, overvallen. Hij had desniettemin besloten dienzelfden avond te vertrekken, en ondanks de aanmerkingen, welke men had gedaan, had hij het leger willen in oogenschouw nemen, in de hoop door een dadelijke krachtsontwikkeling de ziekte te overwinnen, die zich van hem meester maakte.

Toen de revue geëindigd was, namen de gardes alleen den tocht aan, daar de musketiers met den koning zouden vertrekken, hetgeen Porthos veroorloofde in zijn schitterende uitrusting een wandeling te paard naar de Berenstraat te doen.

De procureursvrouw zag hem voorbijrijden in zijn nieuwe uniform en op zijn fraai paard gezeten. Zij beminde Porthos te veel, om hem zóó te laten vertrekken, en wenkte hem af te stijgen en in huis te komen. Porthos was prachtig: zijn sporen klonken, zijn harnas blonk, en zijn zwaard sloeg kletterend tegen zijn beenen. Nu hadden de klerken niet den minsten lachlust, zoozeer zag Porthos er als een koppenhakker uit.

De musketier werd bij den heer Coquenard binnengeleid, wiens kleine oogen van woede fonkelden, zijn gewaanden neef zoo blinkend te zien; echter troostte hem iets inwendigs: immers men zeide algemeen, dat de veldtocht ruw zou zijn, hij hoopte derhalve van harte, dat Porthos mocht sneuvelen.

Porthos maakte meester Coquenard zijn kompliment en nam van hem afscheid. Meester Coquenard wenschte hem allerlei soort van voorspoed. Wat mevrouw Coquenard betrof, deze kon haar tranen niet weerhouden, maar men gaf niet de minste kwade uitlegging aan haar smart, men wist, dat zij aan haar bloedverwanten zeer was gehecht, welke teergevoeligheid de aanleiding was tot voortdurenden twist met haar echtgenoot. Zoo lang de procureursvrouw haar schoonen neef met haar oogen kon volgen, wuifde zij met een zakdoek, zich uit het venster zoover voorover buigende, dat zij gevaar liep er uit te vallen. Porthos ontving al haar bewijzen van teederheid als iemand, die aan dergelijke betuigingen gewoon is. Alleen toen hij om den hoek der straat verdween, lichtte hij den hoed op en wuifde er mede ten teeken van afscheid.

Aramis schreef een langen brief. Aan wien? Niemand wist het. In de aangrenzende kamer wachtte Ketty, die nog dienzelfden dag naar _Tours_ moest vertrekken, op dien geheimzinnigen brief. Athos dronk met kleine teugen de laatste flesch van zijn Spaanschen wijn.

Onderwijl toog d’Artagnan met zijn kompagnie voort. In de voorstad _Saint Antoine_ gekomen, wendde hij het hoofd om, lachend de Bastille beschouwende, die hij tot hiertoe ontkomen was. Daar het alleen de Bastille was, waarop hij zijn oog vestigde, zag hij milady niet, die, op een Isabelkleurig paard gezeten, hem aan twee mannen van een zeer slecht voorkomen aanwees, welke mannen onmiddellijk de gelederen naderden, om hem van dichtbij te zien. Op een vragenden blik, dien zij op milady wierpen, antwoordde deze met een bevestigend knikje, dat hij het was. Toen, verzekerd dat er geen vergissing in de uitvoering harer bevelen kon plaats hebben, reed zij spoorslags heen.

Beide mannen volgden toen de kompagnie, en de voorstad _St. Antoine_ verlatende, sprongen zij op twee gezadelde paarden, welke een hen wachtende knecht zonder livrei bij den toom hield.

HOOFDSTUK X.

Het beleg van la Rochelle.

Het beleg van la Rochelle was een der gewichtigste gebeurtenissen tijdens de regeering van Lodewijk XIII. De staatkundige inzichten van den kardinaal, bij het ondernemen der belegering, waren zeer uitgebreid. Van de door Hendrik IV aan de Hugenooten afgestane steden bleef slechts _la Rochelle_ over. De kardinaal wilde dat laatste toevluchtsoord van het _Calvinisme_ vernietigen. _La Rochelle_, dat door de verdelging der andere Calvinistische steden een nieuwe belangrijkheid verkregen had, was buitendien de laatste ingangspoort der Engelschen in _Frankrijk_, en door die poort voor _Engeland_, _Frankrijks_ eeuwigen vijand, te sluiten, voltooide de kardinaal het werk, door Jeanne d’Arc en den hertog de Guise begonnen.

Ook Bassompierre, die tegelijk protestant en katholiek was: protestant uit overtuiging en katholiek als commandeur der Orde van den H. Geest; Bassompierre, Duitscher van geboorte, maar Franschman van harte, Bassompierre eindelijk, die een bijzonder commando bij de belegering van _la Rochelle_ had, zeide, toen hij aan het hoofd van eenige andere edellieden, evenals hij protestant, een aanval deed: „Gij zult zien, heeren, dat wij dom genoeg zijn _la Rochelle_ in te nemen.”

En Bassompierre had gelijk. De kanonnade van het eiland _Ré_ voorspelde hem de dragonnades der Cévennes; de inneming van _la Rochelle_ was het voorspel van de herroeping van het Edict van _Nantes_. Maar bij dat algemeen overzicht van den gelijkmakenden en vereenvoudigenden minister, dat tot de geschiedenis behoort, is de kroniekschrijver wel verplicht de kleine oogmerken van den verliefden en ijverzuchtigen medeminnaar aan te stippen.

Richelieu, zooals algemeen is bekend, was op de koningin verliefd geweest; was die liefde bij hem slechts staatkunde, of wel een dier hartstochten, welke Anna van Oostenrijk diegenen wist in te boezemen, die haar omringden? Dat kunnen wij niet bepalen, maar men heeft in alle geval door de voorafgaande bijzonderheden dezer geschiedenis gezien, dat Buckingham op hem de overwinning had behaald, en in twee of drie omstandigheden en vooral bij gelegenheid der diamanten haken, dank zij de toewijding der drie musketiers en den moed van d’Artagnan, hem bitter had misleid. Richelieu had dus niet alleen belang _Frankrijk_ van een vijand te bevrijden, maar zich ook op een medeminnaar te wreken. Overigens, de wraak moet groot en schitterend zijn, waardig een man, die al de krachten eens koninkrijks als een degen in zijn hand heeft.

Richelieu wist, dat door _Engeland_ te bestrijden, hij over Buckingham zoude zegevieren; immers, door _Engeland_ voor het oog van geheel _Europa_ te vernederen, vernederde hij Buckingham in de oogen der koningin.

Van zijn kant werd Buckingham, tegelijk de eer van _Engeland_ op den voorgrond stellende, door volkomen dezelfde belangen gedreven als de kardinaal; ook Buckingham streefde naar de vervulling eener persoonlijke wraak. Onder geen voorwendsel hoegenaamd had Buckingham als ambassadeur naar _Frankrijk_ kunnen terugkeeren; nu wilde hij er als overwinnaar binnendringen. Hieruit volgde, dat de inzet van dit spel, hetwelk de twee machtige staten ten pleziere van twee verliefde mannen speelden, niets meer dan eenvoudig een blik van Anna van Oostenrijk was.

Het eerste voordeel was voor den hertog van Buckingham geweest; onverwachts in het gezicht van het eiland _Ré_ met negentig schepen en ongeveer twintig duizend man gekomen zijnde, had hij den graaf de Toiras overvallen, die op het eiland in naam des konings het bevel voerde, en na een bloedig gevecht had hij zijn ontscheping bewerkstelligd. Melden wij in het voorbijgaan, dat in dat gevecht de baron Chantal sneuvelde. De baron Chantal liet als wees een jong meisje van achttien maanden na. Dat meisje was later mevrouw de Sévigné. De graaf de Toiras trok zich met het garnizoen terug in de citadel _St. Martijn_ en bemande een klein fort, dat men het fort _de la Prée_ noemde, met een honderdtal soldaten. Die gebeurtenis deed den kardinaal zijn plan bespoedigen, en in afwachting dat de koning en hij het opperbevel der belegering van _la Rochelle_, waartoe besloten was, op zich zouden nemen, had hij reeds _Monsieur_ doen vertrekken, om de eerste werkzaamheden te besturen, en naar het tooneel des oorlogs al de troepen gezonden, over welke hij had kunnen beschikken. Het was bij deze afdeeling, die de voorhoede uitmaakte, dat onze vriend d’Artagnan zich bevond.

De koning, zooals wij hebben gezegd, zou volgen, zoodra hij zijn parlement had gehouden. Van de zitting opstaande had hij de koorts gevoeld, doch niettemin willen vertrekken; intusschen verergerde zijn toestand en was hij genoodzaakt te _Villeroy_ te blijven. En dewijl de musketiers bleven, waar de koning zich ophield, was hiervan het gevolg, dat d’Artagnan, die eenvoudig bij de garde behoorde, zich voor een oogenblik van zijn goede vrienden, Athos, Porthos en Aramis, vond gescheiden. Die scheiding, welke voor hem slechts een onaangenaamheid was, zou hem zeker grootelijks hebben verontrust, indien hij de onbekende gevaren had kunnen raden, welke hem omgaven. Hij kwam desniettemin behouden in het legerkamp voor _la Rochelle_ aan.

Alles was in denzelfden toestand. De hertog van Buckingham en zijn Engelschen, meester van het eiland _Ré_, gingen voort, maar zonder voordeel, de citadel _St. Martijn_ en het fort _la Prée_ te belegeren, en de vijandelijkheden met _la Rochelle_ waren sedert twee of drie dagen begonnen, bij gelegenheid van het opwerpen van een fort in de nabijheid der stad, door den hertog d’Angoulême.

De gardes, onder bevel van den heer des Essarts, waren in het klooster der Minderbroeders gelegd. Maar zooals ons bekend is, had d’Artagnan, steeds vervuld met het denkbeeld om tot de musketiers over te gaan, weinig vriendschap met zijn krijgsmakkers onderhouden; hij vond zich dan ook alleen aan zijn denkbeelden overgegeven. Zijn beschouwingen waren van geen aangenamen aard. Sedert een jaar, dat hij te _Parijs_ was gekomen, had hij zich met de openbare zaken bezig gehouden, terwijl zijn eigen zaken niet zeer waren vooruitgegaan, evenmin wat liefde als wat fortuin betrof. Immers de eenige vrouw, die hij waarlijk had bemind, was juffrouw Bonacieux, en zij was verdwenen, zonder dat het hem mocht gelukken te ontdekken, wat er van haar geworden was. En wat zijn fortuin betreft, had hij, een zoo nietig wezen, zich den kardinaal tot vijand gemaakt, den man, voor wien de aanzienlijksten van het koninkrijk, te beginnen met den koning, beefden. Die man had hem kunnen vernietigen, en toch had hij het niet gedaan. Voor een zoo vooruitzienden geest als d’Artagnan was die goede gezindheid hem als een licht, dat hem een betere toekomst deed zien. Vervolgens had hij zich nog een vijand gemaakt, wel minder te vreezen, dacht hij, maar die echter niet te verachten was. Die vijand was milady. Daar tegenover stond, dat hij de bescherming en de gunst der koningin genoot; maar de gunst der koningin was in die oogenblikken een reden te meer om vervolgd te worden, en haar bescherming, zooals men weet, beschermde zeer slecht, getuige hiervan Chalais en juffrouw Bonacieux. Wat hij eigenlijk bij dat alles gewonnen had, was de diamant van vijf of zes duizend franken, dien hij aan den vinger had; maar in de veronderstelling dat d’Artagnan dien diamant voor zijn eerzuchtige plannen wilde bewaren, om er zich den een of anderen dag als herkenningsteeken bij de koningin van te bedienen, had die intusschen voor het oogenblik even weinig waarde als de keisteenen, welke hij betrad.

Wij zeggen als de keisteenen, die hij betrad; want d’Artagnan maakte deze opmerking, terwijl hij een fraaien kleinen weg bewandelde, die van het legerkamp naar een naastbijgelegen dorp leidde. Maar die beschouwingen hadden hem verder gebracht dan hij dacht, de dag begon te tanen, toen hij in de laatste zonnestralen achter een heg den loop van een musket meende te zien blinken.

D’Artagnan bezat een vluggen blik en ging steeds spoedig tot een besluit over; hij begreep, dat het musket daar niet alleen was gekomen, en hij, die het droeg, zich niet achter een heg had verscholen met vredelievende bedoelingen. Hij besloot zich uit de voeten te maken, toen hij aan de andere zijde achter een rots den loop van een tweede musket bespeurde. Hij was ongetwijfeld in een hinderlaag gevallen. De jongeling wierp een blik op het eerste musket en zag met zekeren angst, dat het in de richting waar hij was nederdaalde; maar zoodra hij bemerkte, dat de opening van den loop onbeweeglijk bleef, wierp hij zich voorover op den grond. Tegelijkertijd ging het schot af, en hij hoorde het fluiten van den kogel, die hem over het hoofd vloog. Er was geen tijd te verliezen, d’Artagnan was in één sprong overeind, toen op hetzelfde oogenblik de kogel van het andere musket de keisteenen deed opspringen, juist op de plek waar hij zich met het gezicht ter aarde had geworpen.

D’Artagnan was niet een dier onzinnige dapperen, die een dwazen dood tegemoet gaan, opdat men van hen kunne zeggen, dat zij geen schrede achteruit zijn gegaan; bovendien was hier geen moed te toonen, d’Artagnan was in een moordkuil gevallen.

„Indien het derde schot afgaat, ben ik dood,” dacht hij. En onmiddellijk vlood hij, met de snelheid zijner wegens hun vlugheid beroemde landslieden, in de richting van het legerkamp, maar hoe snel zijn vlucht ook was, had hij, die het eerst zijn musket had afgeschoten, den tijd gehad het weder te laden en zoo juist te mikken, dat de kogel d’Artagnan’s hoed doorboorde en hem tien schreden ver deed wegvliegen. D’Artagnan, geen anderen hoed hebbende, raapte hem al loopende op, kwam hijgende en bleek te huis, zette zich zonder aan iemand iets te zeggen neder en begon na te denken.

Dat voorval kon drieërlei oorzaken hebben: de eerste, meest waarschijnlijke, kon een hinderlaag der vijanden uit _la Rochelle_ zijn, aan wie het niet onaangenaam zou zijn geweest een der gardes Zijner Majesteit neer te schieten, daar zulks een vijand minder ware geweest en die vijand een goed gevulde beurs in zijn zak had kunnen hebben. D’Artagnan bekeek zijn hoed, beschouwde het door den kogel gemaakte gat en schudde het hoofd. De kogel was niet van een musket, het was die van een bus: de juistheid van het schot had hem reeds doen vermoeden, dat het door een bijzonder geweer gelost was geworden; bijgevolg kon het geen krijgsaanval geweest zijn, daar de kogel niet van het gewone kaliber was.

Het kon ook een herinnering aan den kardinaal zijn. Men weet, dat op hetzelfde oogenblik, toen die heilrijke zonnestraal hem den loop des geweers deed bemerken, hij zich verwonderde over de goede gezindheid van Zijne Eminentie jegens hem. Maar d’Artagnan schudde twijfelachtig het hoofd. Jegens lieden, voor welke hij slechts den arm behoefde uit te strekken, ging de kardinaal zelden tot dergelijke middelen over.

Het kon ook een wraakoefening van milady zijn geweest. Die veronderstelling was waarschijnlijker. Hij trachtte zich tevergeefs de gelaatstrekken of de kleeding der moordenaars te herinneren; zijn haastige vlucht had hem in de onmogelijkheid gesteld iets op te merken.

„Ach, mijn arme vrienden!” zuchtte d’Artagnan, „waar zijt gij? O! hoe ontbeer ik u!”

D’Artagnan bracht een zeer slechten nacht door. Drie of vier malen ontwaakte hij verschrikt, zich verbeeldende dat iemand zijn bed naderde om hem met een dolk te doorsteken. Intusschen daagde de ochtend, zonder dat de duisternis iets bijzonders had aangebracht. Doch d’Artagnan was verzekerd dat, wat was uitgesteld, daarom niet was opgegeven. Hij bleef den geheelen dag te huis; het slechte weer strekte hem voor zich zelven ter verontschuldiging.

Den daaropvolgenden dag werd te negen uur de ban geslagen. De hertog van Orleans inspecteerde de wachtposten. De gardes stelden zich in slagorde; en d’Artagnan nam in hun gelederen plaats. _Monsieur_ ging het front voorbij; vervolgens naderden hem al de hoofdofficieren om hem te complimenteeren. De heer des Essarts, kapitein der gardes, naderde gelijk de overigen. Na verloop van een oogenblik meende d’Artagnan, dat de heer des Essarts hem wenkte; hij wachtte een nieuwen blik van zijn bevelhebber, en toen de wenk hernieuwd werd, trad hij uit de gelederen en naderde om de bevelen te ontvangen.

„_Monsieur_,” zeide de heer des Essarts, „verlangt eenige vrijwilligers ter uitvoering eener gevaarlijke onderneming, maar die tot eer zal verstrekken aan diegenen, welke haar zullen vervuld hebben; ik heb u daarom een wenk gegeven, ten einde u gereed te houden.”--„Ik dank u, kapitein!” zeide d’Artagnan, die niets liever wenschte dan zich voor het oog van den luitenant-opperbevelhebber te onderscheiden.

Het was dan ook tengevolge van een uitval der bezetting van _la Rochelle_, die het bolwerk had hernomen van hetwelk het koninklijke leger zich twee dagen te voren meester maakte, dat tot het doen van een looze verkenning, om te zien op welke wijze dat bolwerk bewaard werd, moest worden overgegaan. Eenige oogenblikken daarna verhief _Monsieur_ de stem en zeide: „Ik heb voor die onderneming drie of vier vrijwilligers noodig, aangevoerd door iemand, waarop men kan rekenen.”--„Wat den laatsten betreft, Uwe Excellentie! dezen heb ik bij de hand,” zeide de heer des Essarts, d’Artagnan aanwijzende; „en wat de vier of vijf vrijwilligers aangaat, Uwe Excellentie heeft slechts zijn bedoeling te doen kennen, en er zullen hem geen manschappen ontbreken.”--„Vier vrijwilligers om met mij den dood te trotseeren?” riep d’Artagnan, zijn degen omhoog stekende. Twee zijner krijgsmakkers traden onmiddellijk voor en twee soldaten voegden zich bij hen, zoodat het vereischte getal aanwezig was. D’Artagnan wees dan ook al die zich nog aanboden af, hen niet voorbij willende gaan, die de eersten waren geweest.

Men was niet zeker, of na de herneming van het bolwerk de belegerden het verlaten of er een bezetting in gelegd hadden; de plaats moest dus tamelijk van nabij onderzocht worden om zich van de zaak te verzekeren. D’Artagnan vertrok met zijn vier manschappen en volgde de loopgraaf; de twee gardes gingen naast hem, terwijl de twee soldaten volgden. Zij waren tot op ongeveer een honderdtal schreden het bolwerk genaderd, gedekt door de bemanteling, toen d’Artagnan, omziende, bemerkte, dat de twee soldaten verdwenen waren. Hij meende, dat zij uit vrees waren achtergebleven, en hij vervolgde zijn weg. Aan den hoek der loopgraaf bevond men zich op zestig schreden van het bolwerk. Men bespeurde niemand en het bolwerk scheen verlaten te zijn. De drie waaghalzen raadpleegden met elkander of zij nog verder zouden gaan, toen eensklaps een wolk van rook den reusachtigen steenhoop omringde en een twaalftal kogels rondom d’Artagnan en zijn makkers vlogen. Zij wisten nu wat zij wilden weten: het bolwerk werd bewaakt; een langer oponthoud op die gevaarlijke plek zou een nuttelooze onvoorzichtigheid zijn geweest.

D’Artagnan en de twee gardes keerden terug en begonnen een aftocht, die veel naar een vlucht geleek. Aan den hoek der loopgraaf gekomen, die hun tot verschansing zou strekken, viel een der gardes, door een kogel in de borst getroffen; de andere, wien niets deerde, zette zijn loop naar het legerkamp voort.

D’Artagnan wilde op die wijze zijn krijgsmakker niet verlaten en boog zich over hem om hem in het opstaan behulpzaam te zijn en hem naar het legerkamp terug te voeren; maar op dat oogenblik werden er twee schoten gelost; een kogel verbrijzelde het hoofd van den gekwetste, terwijl de andere tegen de rots vloog, na twee duim bezijden d’Artagnan te zijn voorbijgesnord. De jongeling wendde zich haastig om, want die aanval kon niet van het bolwerk komen, wijl hij door den hoek der loopgraaf gedekt was.

De twee soldaten, die hem verlaten hadden, kwamen hem voor den geest en herinnerden hem de twee moordenaars van twee dagen te voren; hij besloot dus nu te onderzoeken, waaraan hij zich te houden had, en liet zich op het lichaam van zijn makker vallen, alsof hij dood ware geweest. Hij zag toen onmiddellijk twee hoofden boven een verlaten verschansing uitkomen, die op dertig schreden afstands was. Het waren die van onze twee soldaten.

D’Artagnan had zich niet bedrogen; die mannen waren hem slechts gevolgd om hem te vermoorden, in de hoop dat de dood des jongelings op rekening van de vijanden zou worden gesteld. Daar het echter kon zijn, dat hij enkel gekwetst was, en derhalve hun misdaad kon openbaren, naderden zij om hem af te maken. Gelukkig werden zij door de list van d’Artagnan misleid en zij verzuimden hun geweren weer te laden.

Toen zij op tien schreden afstands van hem waren, stond d’Artagnan, die vallende gezorgd had zijn degen niet los te laten, eensklaps overeind en was in één sprong hen genaderd. De moordenaars begrepen dat, indien zij naar het legerkamp vloden zonder hun man te hebben gedood, zij door hem zouden worden aangeklaagd; daarom was hun eerste denkbeeld tot den vijand over te loopen. Een hunner nam het geweer bij den loop en bediende er zich van als een knots, d’Artagnan een geweldigen slag toebrengende; doch deze ontweek hem door op zijde te springen; maar tengevolge dezer beweging liet hij den bandiet een vrijen doorgang, die hiervan gebruik maakte om naar het bolwerk te vlieden.

Daar de belegerden van _la Rochelle_, die het bolwerk bewaakten, niet bekend waren met het oogmerk van hem, die naderde, gaven zij vuur, en hij viel door een kogel in de borst getroffen.