De Drie Musketiers dl. I en II
Part 38
„Dat is niet noodig,” hernam Aramis, „gij kunt een der mijne krijgen.”--„Hoeveel hebt gij er dan?” vroeg d’Artagnan.--„Drie,” antwoordde Aramis glimlachende.--„Mijn waarde!” zeide Athos, „gij zijt waarschijnlijk de best betaalde dichter van geheel _Frankrijk_ en _Navarre_. Luister, Aramis! gij weet zeker niet, wat gij met drie paarden zult uitvoeren, niet waar? Ik begrijp zelfs niet eens om welke reden gij drie paarden hebt gekocht?”--„Ik heb er slechts twee gekocht.”--„Is dan het derde uit de wolken gevallen?”--„Neen; het derde is mij heden morgen gebracht geworden door een knecht zonder livrei, die mij niet wilde zeggen, van wien het kwam, maar mij verzekerde, het bevel van zijn meester ontvangen te hebben....”--„Of van zijn meesteres,” viel d’Artagnan in de rede.--„Dat doet niets ter zake,” zeide Aramis blozende; „en die mij verzekerde, zeg ik, het bevel van zijn meester of van zijn meesteres te hebben ontvangen, om dat paard in mijn stal te brengen, zonder mij te zeggen van wien het kwam.”--„Alleen aan poëten gebeuren dergelijke zaken,” hernam Athos ernstig.--„Welnu, dan zullen wij iets beters doen,” zeide d’Artagnan. „Welk der twee paarden wilt gij berijden? dat, wat gij gekocht, of dat, wat men u gegeven heeft?”--„Wel, zonder twijfel dat, wat men mij heeft gegeven. Gij begrijpt wel, d’Artagnan! dat ik zoo onbeleefd niet kan zijn....”--„Jegens den onbekenden gever,” hernam d’Artagnan.--„Of jegens de geheimzinnige geefster,” zeide Athos.--„Dat wat gij hebt gekocht wordt u dus tot last?”--„Ten naasten bij.”--„Gij hebt het zelf gekozen?”--„En met de meeste zorg; want gij weet, de zekerheid van den ruiter hangt bijna altijd van zijn paard af.”--„Welnu, sta het mij dan af voor den prijs, dien het u kost.”--„Ik wilde het u juist aanbieden, mijn waarde d’Artagnan! u al den tijd latende, dien gij mocht noodig hebben, om mij die kleinigheid terug te geven.”--„En hoeveel kost het u?”--„Achthonderd franken.”--„Ziedaar veertig dubbele pistolen, mijn waarde vriend!” zeide d’Artagnan, die som uit zijn zak halende; „ik weet, dat het de munt is, waarmede men u uw dichtwerken betaalt.”--„Gij hebt dus geld?” vroeg Aramis.--„Rijk, schatrijk, beste vriend!”--En d’Artagnan liet het overschot van het geld in zijn zak klinken.--„Zend uw zadel naar het hotel der musketiers, en men zal u uw paard met de onze hier brengen.”--„Best, maar het is dra vijf uur.”--„Haasten wij ons.”
Een kwartieruurs later verscheen Porthos aan het einde der straat Férou op een prachtigen hengst. Mousqueton volgde hem op een Auvergneesch paard, klein, maar sterk. Porthos blonk van vreugd.
Tegelijkertijd verscheen Aramis aan het andere einde der straat op een kostelijk Engelsch paard. Bazijn volgde hem op een Rouaansch paard en hield bij den toom een sterken Mecklenburger, die voor d’Artagnan was bestemd. Beide musketiers ontmoetten elkander voor de deur. Athos en d’Artagnan zagen hen van uit het venster.
„Duivelsch!” zeide Aramis, „gij hebt daar een prachtig paard, mijn waarde.”--„Ja,” antwoordde Porthos, „dat is dat, wat men mij dadelijk had moeten zenden. Een ellendige grap van den echtgenoot had het andere er voor in de plaats gesteld; maar de echtgenoot is er voor gestraft; ik heb een volkomen genoegdoening verkregen.”
Nu verscheen Grimaud, bij den toom het paard van zijn meester leidende; d’Artagnan en Athos gingen naar beneden, sprongen in den zadel, en de vier vrienden begaven zich naar de kade; Athos op het paard, dat hij aan zijn vrouw had te danken; Aramis op het paard, dat hij van zijn minnares had ontvangen; Porthos op het paard, dat hij van de procureursvrouw had gekregen; en d’Artagnan op het paard, dat hem zijn fortuin had bezorgd, de beste van alle minnaressen. De lakeien volgden.
Zooals Porthos had gedacht, maakte de stoet een grootsche vertooning, en indien mevrouw Coquenard op den weg van Porthos ware geweest, dan zou zij hebben kunnen zien, hoe trotsch hij op zijn heerlijken Spaanschen hengst zat, en zich niet hebben beklaagd over de bres in de geldkist van haar man gemaakt.
Nabij het Louvre ontmoetten de vier vrienden den heer de Tréville, die van _St. Germain_ terugkwam; hij hield hen staande, om hen over hun uitrusting zijn kompliment te maken, hetgeen in een oogenblik eenige honderden ledigloopers rondom hen lokte. D’Artagnan nam deze gelegenheid waar, om den heer de Tréville over den brief met het roode hertogelijke zegel te spreken. Het spreekt vanzelf, dat hij van het briefje niet repte.
De heer de Tréville keurde het door hem genomen besluit goed en verzekerde hem dat, indien hij den volgenden morgen niet zou zijn teruggekomen, hij hem wel zou vinden, waar hij ook mocht wezen. Op dit oogenblik sloeg het uurwerk der Samaritaine zes uur. De vier vrienden verontschuldigden zich wegens een af te leggen bezoek en namen van den heer de Tréville afscheid.
Een korte galop bracht hen op den weg van _Chaillot_. De avond begon te vallen en rijtuigen reden heen en weer. D’Artagnan, op eenigen afstand van zijn vrienden en door deze bewaakt, wierp zijn blikken in de koetsen, maar bespeurde daarin niet één gezicht, dat hij kende.
Eindelijk, na een kwartieruurs wachten, en terwijl de avondschemering al meer en meer zich uitbreidde, naderde een rijtuig in vollen galop, op den weg van _Sèvres_. Een voorgevoel fluisterde d’Artagnan dadelijk in, dat dit het rijtuig was, hetwelk de persoon bevatte, die hem een samenkomst had bepaald. De jongeling verwonderde zich over het hevig kloppen van zijn hart. Bijna onmiddellijk stak een vrouw het hoofd uit het portier en legde twee vingers op haar mond, als om voorzichtigheid aan te bevelen en tevens een kus te zenden.
D’Artagnan slaakte een flauwen vreugdekreet. Die vrouw, of liever die verschijning,--want het rijtuig vloog als een schaduw voorbij,--was juffrouw Bonacieux....
Door een onwillekeurige beweging en ondanks de hem gedane aanbeveling, zette d’Artagnan zijn paard in galop, en in weinig sprongen bereikte hij het rijtuig; maar de opening van het portier was geheel gesloten en de verschijning verdwenen.
Toen eerst herinnerde zich d’Artagnan die aanbeveling: „Indien gij uw leven en dat van hen, die u beminnen, liefhebt, blijf dan onbeweeglijk alsof gij niets gezien hadt.” Hij bleef dus staan, bevende, niet voor zich zelven, maar voor de arme vrouw, die blijkbaar aan een groot gevaar was blootgesteld, door met hem een samenkomst af te spreken. Het rijtuig vervolgde zijn weg met dezelfde snelheid, reed _Parijs_ in en verdween.
D’Artagnan was als vastgenageld op dezelfde plaats blijven staan, niet wetende wat te denken. Indien het juffrouw Bonacieux was geweest en zij naar _Parijs_ terugkeerde, waartoe dan die vluchtige samenkomst, die eenvoudige oogwenk, die verloren kus? Indien, van den anderen kant, zij het niet was geweest,--hetgeen ook mogelijk kon zijn, want de avondschemering maakte een vergissing gemakkelijk;--indien zij het niet was geweest, zou het dan niet het begin van een aanslag op zijn persoon kunnen zijn, door de vrouw, voor welke men zijn liefde kende, als een lokaas te doen dienen?
De drie vrienden naderden hem. Alle drie hadden duidelijk een vrouwenhoofd door het portier zien verschijnen, maar geen hunner, behalve Athos, kende juffrouw Bonacieux. De meening van Athos was trouwens, dat zij het was geweest; maar minder dan d’Artagnan door dat fraaie gezicht afgetrokken, had hij zich verbeeld een tweede hoofd, een mannenhoofd in het rijtuig te zien.
„Als dat zoo is,” zeide d’Artagnan, „dan voeren zij haar van de eene naar de andere gevangenis. Maar wat wil men dan toch van dat ongelukkige schepsel, en hoe zal ik ooit mij met haar kunnen vereenigen?”--„Vriend!” zeide Athos ernstig, „herinner u, dat de dooden de eenigen zijn, die men niet is blootgesteld op aarde te ontmoeten. Gij weet hiervan zoowel als ik te spreken, niet waar? Derhalve, is uw minnares niet dood, en is zij het geweest, die wij hebben gezien, dan zult gij haar den een of anderen dag wedervinden. En misschien, mijn God!” voegde hij er bij op dien menschenhatenden toon, die hem eigen was, „misschien eer dan het u lief is.”
Het sloeg half acht; ingevolge de afspraak had het rijtuig nu reeds een twintigtal minuten daar moeten zijn. D’Artagnan’s vrienden herinnerden hem, dat hij nog een bezoek had af te leggen, hem tevens doende opmerken, dat het nog tijd was er van af te zien. Maar d’Artagnan was stijfhoofdig en nieuwsgierig. Hij had eenmaal besloten, dat hij naar het kardinaals-paleis zou gaan en weten, wat Zijne Eminentie hem te zeggen had. Niets kon hem van besluit doen veranderen.
Men bereikte de straat St. Honoré en het kardinaals-paleis; men vond daar de twaalf genoodigde musketiers die, al wandelende, hun krijgsmakkers verbeidden. Slechts dáár gaf men hun kennis van hetgeen er te doen was.
D’Artagnan was zeer goed bekend in het eervol korps van ’s konings musketiers, waarin men wist, dat hij eenmaal een plaats zou vervullen, zoodat men hem reeds als een kameraad beschouwde. Hiervan was het gevolg, dat allen volkomen bereid waren den last te vervullen, waartoe zij waren uitgenoodigd. Buitendien, het betrof, volgens alle waarschijnlijkheid, den kardinaal en den zijnen een leelijken trek te spelen, en voor dergelijke ondernemingen waren die waardige edellieden steeds gereed.
Athos verdeelde hen in drie troepen, nam het bevel van den eenen troep op zich en stelde Aramis en Porthos aan het hoofd van de beide andere, en elke troep stelde zich in hinderlaag voor een der uitgangen. D’Artagnan trad van zijn kant moedig den hoofdingang binnen.
Hoewel hij op de krachtdadige ondersteuning zijner vrienden vertrouwde, was de jongeling echter niet zonder bekommering, toen hij voet voor voet de breede trap opging. Zijn gedrag jegens milady had wel iets van verraad, en hij geloofde bijna met zekerheid aan een staatkundige gemeenzaamheid tusschen die vrouw en den kardinaal; te meer, de Wardes, dien hij zoo deerlijk had gewond, was een der vertrouwelingen van den kardinaal, en d’Artagnan wist dat, indien Zijne Eminentie vreeselijk voor haar vijanden was, zij zeer aan haar vrienden was gehecht.
„Indien de Wardes de geheele toedracht onzer ontmoeting aan den kardinaal heeft verhaald, waaraan niet te twijfelen is, en hij mij herkend heeft, hetgeen waarschijnlijk is, moet ik mij zoo goed als voor veroordeeld beschouwen,” zeide d’Artagnan bij zich zelven, het hoofd schuddende. „Maar waarom heeft hij tot vandaag gewacht? Wel, dat is zeer eenvoudig: milady zal zich over mij hebben beklaagd met die huichelachtige smart, die haar zoo belangwekkend maakt, en die laatste misdaad zal den kelk hebben doen overloopen. Gelukkig zijn mijn goede vrienden waakzaam, en deze zullen niet, zonder mij te hulp te komen, mij gevankelijk laten wegvoeren. Maar de kompagnie der musketiers van den heer de Tréville kan niet alleen den oorlog tegen den kardinaal volhouden, die over al de machten van _Frankrijk_ beschikt en voor wien de koningin zonder macht, de koning zonder wil is. D’Artagnan! mijn vriend! gij zijt dapper, gij zijt voorzichtig, gij bezit voortreffelijke hoedanigheden, maar de vrouwen zullen u ten verderve strekken!”
Hij kwam tot dat treurig besluit, toen hij de voorkamer binnentrad.
Hij stelde zijn brief den dienstdoenden kamerbewaarder ter hand, die hem in de receptiezaal geleidde en toen dieper het paleis binnenging. In de zaal bevonden zich vijf of zes gardes van den kardinaal, die, d’Artagnan herkennende en wetende dat hij het was, die Jussac had gekwetst, hem met een zonderlingen glimlach beschouwden. Die glimlach was voor d’Artagnan een slecht voorteeken; maar dewijl onzen Gaskonjer niet gemakkelijk vrees aan te jagen was, of liever, dewijl hij, dank zij den nationalen hoogmoed, zoo eigen aan zijn landslieden, niet spoedig liet zien wat er in zijn ziel omging, vooral wanneer zulks naar vrees zweemde, bleef hij trotsch voor de heeren gardes staan en wachtte met de hand op de heup en in een houding, die van fierheid niet was ontbloot.
De kamerdienaar kwam weder binnen en wenkte d’Artagnan hem te volgen. De jongeling meende, dat de gardes, toen zij hem zagen vertrekken, onder elkander fluisterden. Hij ging door een gang, trad een zaal en vervolgens de bibliotheek binnen, waar hij voor zich een man zag, die aan een tafel zat te schrijven. De kamerbewaarder leidde hem binnen en verwijderde zich zonder één woord te spreken.
D’Artagnan bleef staan en beschouwde dien man. Hij meende aanvankelijk in hem een rechter te zien, die processtukken onderzocht; maar hij bespeurde dra, dat de man schreef, of liever, regels van verschillende lengte verbeterde, terwijl hij lettergrepen op zijn vingers telde; nu zag hij, dat hij zich in de tegenwoordigheid eens dichters bevond.
Na verloop van een oogenblik sloeg de poëet zijn manuscript, op welks omslag MIRAME, _Treurspel in vijf bedrijven_, stond geschreven, toe en richtte het hoofd op.
D’Artagnan herkende den kardinaal.
HOOFDSTUK IX.
Een vreeselijke gebeurtenis.
Richelieu zette den elleboog op zijn manuscript en liet de wang op zijn hand rusten, terwijl hij d’Artagnan een oogenblik beschouwde. Geen oog was doordringender dan dat van den kardinaal, en de jongeling voelde zijn blik als een koortsachtige rilling door zijn aderen loopen. Nochtans hield hij zich goed, en met den hoed in de hand wachtte hij, zonder te veel trotschheid, ook niet met te veel nederigheid, de bevelen van Zijne Eminentie.
„Mijnheer!” vroeg hem de kardinaal, „zijt gij zekere d’Artagnan, uit _Bearn_?”--„Ja, Uwe Eminentie.”--„Er zijn verschillende geslachten van d’Artagnans te _Tarbes_ en in de omstreken; tot welk behoort gij?”--„Ik ben de zoon van hem, die met den grooten koning Hendrik, den vader Zijner Genadige Majesteit, de godsdienst-oorlogen heeft medegemaakt.”--„Dien bedoel ik.... Gij zijt, zeven of acht maanden geleden, uit uw land vertrokken, om in de hoofdstad fortuin te zoeken?”--„Ja, Uwe Eminentie!”--„Gij zijt langs _Meung_ gekomen, waar u iets is overkomen; ik weet niet juist wat, maar er heeft toch iets plaats gehad?”--„Eminentie! zie hier wat mij is overkomen....”--„Onnoodig, onnoodig!” hernam de kardinaal met een glimlach, die bewees, dat hem de geschiedenis even goed bekend was als hem, die ze wilde verhalen. „Gij waart den heer de Tréville aanbevolen, niet waar?”--„Ja Eminentie! maar juist bij die ongelukkige ontmoeting te _Meung_....”--„Is de aanbevelingsbrief verloren geraakt,” hernam Zijne Eminentie; „ja, dat is mij bekend. De heer de Tréville is een goed gelaatkundige, die de menschen op het eerste gezicht weet te schatten; hij heeft u in de kompagnie van zijn schoonbroeder, den heer des Essarts, doen aannemen, u de hoop gevende, vroeg of laat bij de musketiers te worden ingelijfd?”--„Uwe Eminentie is volkomen goed onderricht.”--„Sedert dien tijd is u nog al wat gebeurd. Gij zijt op zekeren dag achter het Karthuiser-klooster gaan wandelen, terwijl het beter ware geweest elders te zijn; vervolgens hebt gij met uw vrienden een reisje naar de baden te _Forges_ gedaan. Zij zijn op weg achtergebleven, maar gij hebt uw reis voortgezet. Dat is zeer natuurlijk, want gij hadt in _Engeland_ zaken te doen.”--„Eminentie!” zeide d’Artagnan, geheel ontroerd, „ik ging....”--„naar de jacht te _Windsor_ of elders, dat raakt niemand. Ik weet het, omdat het mijn beroep is, alles te weten. Bij uw terugkomst werdt gij door een doorluchtig persoon ontvangen; en ik zie met genoegen, dat gij het aandenken, hetwelk zij u heeft gegeven, bewaard hebt.”
D’Artagnan bracht de hand aan den diamant, dien hij van de koningin had gekregen, en keerde haastig den steen naar binnen; maar het was te laat.
„Den dag daarna hebt gij het bezoek van den heer de Cavois ontvangen, die u kwam verzoeken, aan het paleis te komen. Aan die uitnoodiging hebt gij niet beantwoord, en gij hebt niet wel gedaan.”--„Ik vreesde mij het ongenoegen Uwer Eminentie op den hals te hebben gehaald.”--„En waarom dat, mijnheer? Omdat gij de bevelen uwer meerderen met meer moed en beleid hadt uitgevoerd, dan een ander zou hebben gedaan? Mijn ongenade op den hals halen, wanneer gij lof verdient? Het zijn de lieden, die niet gehoorzamen, welke ik straf, en niet hen, die, zooals gij, te goed.... gehoorzamen.... En om u te bewijzen, dat gij niet wel hebt gedaan, behoeft gij u slechts den dag te herinneren, dat ik u liet noodigen; herinner u, wat dienzelfden avond is voorgevallen.”
Het was op dienzelfden avond, dat juffrouw Bonacieux was ontvoerd geworden. D’Artagnan beefde, en hij herinnerde zich, dat een half uur te voren de arme vrouw hem was voorbijgereden, waarschijnlijk nog door dezelfde macht voortgesleept, die haar had doen verdwijnen.
„Kortom,” ging de kardinaal voort, „dewijl ik sedert eenigen tijd niet meer van u hoorde spreken, wilde ik weten, wat gij uitvoerdet. Bovendien, gij zijt mij nog wel eenigen dank verschuldigd; immers, gij moet gezien hebben, hoe men u bij alle gelegenheden heeft gespaard.”
D’Artagnan maakte een eerbiedige buiging.
„Zulks,” vervolgde de kardinaal, „ontsproot niet alleen uit een gevoel van billijke rechtvaardigheid, maar nog meer ten gevolge van een plan, dat ik te uwen aanzien had beraamd.”--D’Artagnan was al meer en meer verwonderd.--„Ik wilde,” hernam de kardinaal, „u dat plan voorleggen op den dag, toen gij mijn eerste uitnoodiging ontvingt; maar gij kwaamt niet. Gelukkig is nog niets door dat uitstel verloren, en heden zult gij mijn plan vernemen. Ga daar zitten, mijnheer d’Artagnan! gij zijt een te goed edelman om staande naar mij te luisteren.”
En de kardinaal wees een stoel aan den jongeling, die zoozeer verwonderd was over hetgeen er voorviel, dat hij, alvorens te gehoorzamen, een tweeden wenk van Zijne Eminentie wachtte.
„Gij zijt moedig, mijnheer d’Artagnan!” ging de kardinaal voort, „en daarbij voorzichtig, dat nog beter is. Ik, ik houd veel van stoutmoedige en verstandige lieden. Wees niet bevreesd,” zeide hij glimlachende, „onder stoutmoedige mannen versta ik mannen zooals gij; intusschen hebt gij, hoe jong ook, en hoe kort geleden gij in de wereld verkeert, vermogende vijanden. Indien gij niet voorzichtig zijt, zullen zij u ten verderve brengen.”--„Helaas, Uwe Excellentie,” hernam de jongeling, „zij zullen dit voorwaar gemakkelijk ten uitvoer kunnen brengen; want zij zijn sterk en goed ondersteund, terwijl ik alleen ben.”--„Dat is waar; maar alleen hebt gij echter reeds veel verricht, en gij zoudt nog meer doen, hieraan twijfel ik niet. Echter geloof ik, dat gij een gids noodig hebt in deze avontuurlijke loopbaan, die gij u gekozen hebt; want, indien ik mij niet vergis, zijt gij te _Parijs_ gekomen met het eerzuchtig oogmerk om fortuin te maken.”--„Ik ben in den ouderdom der dwaze hoop, Excellentie!” zeide d’Artagnan.--„Alleen voor de dwazen bestaat er een dwaze hoop, mijnheer! en gij zijt verstandig. Wel, wat zoudt gij zeggen, indien ik u een vaandrigsplaats bij mijn gardes aanbood, en een kompagnie na den veldtocht?”
„O, Excellentie!”--„Gij neemt aan, niet waar?”--„Eminentie!” hernam d’Artagnan met een verlegene houding.--„Hoe, gij weigert?” riep de kardinaal verwonderd.--„Ik behoor bij de gardes Zijner Majesteit, Eminentie! en heb geen reden ontevreden te zijn.”--„Maar ik meen,” zeide de kardinaal, „dat mijn garde ook die Zijner Majesteit is, en dat, in welk corps men diene, men den koning dient.”--„Uwe Eminentie heeft mijn woorden kwalijk verstaan.”--„Gij verlangt een voorwendsel, niet waar? Ik begrijp zulks; maar gij hebt een voorwendsel. Het avancement, de aanstaande veldtocht, de gelegenheid, die ik u aanbied, dat is voldoende voor het oog der wereld; en wat u betreft, gij hebt een zekere bescherming noodig. Want gij moet weten, mijnheer d’Artagnan! dat mij ernstige klachten tegen u zijn ingebracht. Gij wijdt uw dagen en nachten niet uitsluitend den dienst des konings.”--D’Artagnan bloosde.
„Overigens,” vervolgde de kardinaal, de hand op een pak papieren leggende, „hier heb ik een verzameling van stukken, u betreffende. Maar alvorens ze te lezen, heb ik met u eens willen praten. Ik weet, dat gij iemand van een vasten wil zijt, terwijl uw diensten, goed geleid, u, in plaats van tot nadeel, tot groot voordeel zouden strekken. Kom! overweeg en neem een besluit.”--„Uw goedheid, Excellentie! maakt mij beschaamd,” antwoordde d’Artagnan, „en ik erken in Uwe Eminentie een grootheid van ziel, die mij als een aardworm zoo klein maakt; maar dewijl Uwe Eminentie mij in ieder geval veroorlooft mij rondborstig te verklaren....”--D’Artagnan zweeg.
„Ja, spreek!”--„Welnu, dan moet ik aan Uwe Eminentie zeggen, dat al mijn vrienden tot de musketiers en de garde des konings behooren, en mijn vijanden, door een onbegrijpelijke noodlottigheid, in den dienst Uwer Eminentie zijn.... Ik zou dus hier zeer slecht ontvangen worden, indien ik het aanbod Uwer Eminentie aannam.”--„Zoudt gij u reeds trotschelijk verbeelden, dat ik u niet aanbied, wat gij waard zijt, mijnheer?” vroeg de kardinaal met een verachtelijken glimlach.--„Uwe Eminentie is honderdmaal te goed jegens mij, en integendeel, ik geloof nog niet genoeg gedaan te hebben, om die goedheid te verdienen. Het beleg van _la Rochelle_ is aanstaande, Excellentie! ik zal onder uw oogen dienen, en indien ik het geluk heb, mij bij dat beleg derwijze te gedragen, van door u te worden onderscheiden, welnu, dan zal ik ten minste de een of andere kloekmoedige daad hebben verricht, de bescherming waardig, waarmede gij mij wel wilt vereeren. Alles heeft zijn tijd. Later zal ik misschien het recht hebben mij te geven, terwijl ik op dit oogenblik den indruk zou wekken mij te verkoopen.”--„Hetgeen wil zeggen, dat gij weigert in mijn dienst te gaan, mijnheer!” zeide de kardinaal spijtig, hoewel eenig blijk van achting in zijn woorden doorstraalde. „Blijf dan vrij, en getrouw aan uw haat en uw vriendschap.”--„Eminentie!....”--„Het is wel,” zeide de kardinaal, „ik ben u niet vijandig, maar gij begrijpt: men heeft genoeg te doen met zijn vrienden te verdedigen en te beloonen; en aan zijn vijanden is men niets verschuldigd. En nochtans wil ik u een raad geven: wees op uw hoede, d’Artagnan! want van het oogenblik, dat ik mijn hand van u heb afgetrokken, geef ik geen oortje meer voor uw leven.”--„Ik zal trachten, Eminentie!” antwoordde de Gaskonjer met nederig zelfvertrouwen.--„Herinner u later, en op zeker oogenblik, indien u een ongeluk mocht overkomen,” zeide Richelieu met opzet, „dat ik het ben geweest, die u heb doen halen, en dat ik al het mogelijke heb gedaan, om u voor dat ongeluk te behoeden.”--„Ik zal, wat er ook gebeure,” zeide d’Artagnan, de hand op zijn hart leggende en zich buigende, „steeds een eeuwige dankbaarheid voor Uwe Eminentie bewaren, voor hetgeen zij op dit oogenblik wel jegens mij wil doen.”--„Welnu, zooals gezegd is, wij zullen ons na den veldtocht weer ontmoeten. Mijn blik zal op u gevestigd zijn, want ook ik zal daar wezen,” vervolgde de kardinaal, terwijl hij met zijn vinger aan d’Artagnan een prachtige wapenrusting toonde, die voor hem was bestemd. „En na onze terugkomst, welnu, dan zullen wij afrekenen.”--„Ach, Eminentie!” riep d’Artagnan, „spaar mij voor het gewicht uwer ongenade, blijf onpartijdig, Uwe Excellentie! indien gij ziet, dat ik als een edelman handel.”--„Jongeling!” zeide Richelieu, „indien ik u nogmaals datgene kan zeggen, wat ik u heden zeide, dan beloof ik u zulks te doen.”
Die laatste woorden van Richelieu drukten een vreeselijken twijfel uit; zij verschrikten d’Artagnan meer dan een bedreiging had kunnen doen, want zij bevatten een waarschuwing. De kardinaal trachtte hem dus voor een ongeluk te behoeden, dat hem bedreigde? Hij opende den mond, om te antwoorden, maar met een trotschen wenk gaf de kardinaal hem zijn afscheid.