De Drie Musketiers dl. I en II

Part 35

Chapter 353,877 wordsPublic domain

Na verloop van eenigen tijd begonnen de twee ongelukkige dieren, die sedert des ochtends niet meer hadden gegeten, een zoo verschrikkelijk geweld te maken, door den klopper op te heffen en dan weer te laten vallen, dat de procureur aan zijn loopjongen het bevel gaf, in de buurt te gaan onderzoeken, aan wien dat paard en die muilezel behoorden. Mevrouw Coquenard herkende haar geschenk, begreep aanvankelijk niets van deze terugbezorging; maar dra verklaarde het bezoek van Porthos haar zulks. De gramschap, die in de oogen des musketiers blonk, ondanks de moeite die hij deed zich in te houden, beangstigde de gevoelige minnares. En inderdaad, Mousqueton had zijn meester niet verheeld, dat hij d’Artagnan en Aramis had ontmoet, en dat d’Artagnan in het gele paard den Bearneeschen hit had herkend, op welken hij te _Parijs_ was gekomen, en dien hij voor drie kronen had verkocht.

Porthos vertrok, na met de procureursvrouw een samenkomst in het klooster van St. Magloire te hebben afgesproken. De procureur, ziende dat Porthos zich verwijderde, verzocht hem ten eten, welke uitnoodiging Porthos met een majestueuze houding van de hand wees.

Mevrouw Coquenard begaf zich bevende naar het klooster St. Magloire, want zij voorzag de verwijtingen, die haar wachtten; maar zij was als betooverd door de goede manieren van Porthos. Al wat een in zijn eigenliefde gekwetste man van vervloekingen en verwijtingen op het hoofd eener vrouw kan doen neervallen, liet Porthos op het gebogen hoofd der procureursvrouw neerkomen.--„Helaas!” zeide zij, „ik heb ten beste gehandeld. Een onzer klanten is paardenkooper; hij was aan het kantoor geld schuldig, maar toonde zich onwillig; ik heb toen dat paard en dien muilezel genomen voor hetgeen hij ons schuldig was. Hij had mij twee koninklijke dieren beloofd.”--„Welnu, mevrouw!” zeide Porthos, „indien hij u meer dan vijf kronen schuldig was, dan is uw paardenkoopman een dief.”--„Het is niet verboden, zoo goedkoop mogelijk te koopen, mijnheer Porthos!” zeide de procureursvrouw, zich trachtende te verontschuldigen.--„Neen, mevrouw! maar zij, die zoo goedkoop trachten te koopen, moeten anderen veroorloven, edelmoediger vrienden te zoeken.”--En Porthos, zich op zijn hiel omdraaiende, deed een stap om zich te verwijderen.

„Mijnheer Porthos! mijnheer Porthos!” riep de procureursvrouw, „ik heb ongelijk, ik beken het: ik had niet moeten dingen, waar het de uitrusting van een edelman zooals gij zijt gold.”

Porthos, zonder te antwoorden, deed een tweeden stap. De procureursvrouw verbeeldde zich hem te zien in een schitterende wolk, omringd van hertoginnen en markiezinnen, die zakken vol goud voor zijn voeten wierpen.

„Wacht toch in ’s hemels naam, mijnheer Porthos?” riep zij, „wacht toch, en spreken wij eerst te zamen.”--„Met u te spreken brengt mij ongeluk aan.” zeide Porthos.--„Maar zeg mij dan, wat verlangt gij?”--„Niets; want dat is hetzelfde, alsof ik u om iets vraag.”

De procureursvrouw hing aan den arm van Porthos, en in de hevigheid harer smart riep zij: „Mijnheer Porthos! ik weet volstrekt niets van het gebeurde; weet ik iets van het paard! heb ik kennis van het tuig!”--„Gij moest het aan mij hebben overgelaten, die er mede bekend ben, mevrouw! maar gij hebt willen bezuinigen en derhalve op woekerwinst willen leenen.”--„Hierin heb ik ongelijk gehad, mijnheer Porthos! maar ik zal het herstellen, op mijn woord van eer.”--„En op wat wijze?” vroeg de musketier.--„Luister! heden avond gaat mijnheer Coquenard den hertog de Chanlais spreken, die hem heeft doen roepen. Die samenkomst zal ten minste twee uur duren; kom dus, wij zullen alleen zijn en kunnen dan onze rekening opmaken.”--„Zoo is het goed, dat heet ik spreken, mijn lieve.”--„Zult gij mij vergiffenis schenken?”--„Wij zullen zien,” antwoordde Porthos majestueus.--En scheidende herhaalden beiden: „Tot van avond?”

„Duivelsch!” dacht Porthos, zich verwijderende, „het schijnt, dat ik de geldkist van den heer Coquenard begin te naderen.”

HOOFDSTUK IV.

Des nachts zijn alle katten grijs.

De door Porthos en d’Artagnan zoo ongeduldig verwachte avond genaakte eindelijk.--D’Artagnan vertoonde zich als gewoonlijk tegen negen uur ten huize van milady. Hij vond haar in een heerlijke luim; nooit had zij hem zoo goed ontvangen. Onze Gaskonjer bespeurde bij den eersten aanblik, dat het voorgewende briefje van den graaf de Wardes door Ketty aan haar meesteres was bezorgd geworden en zijn uitwerking had gedaan. Ketty trad met eenige sorbets binnen. Haar meesteres glimlachte haar met een allerbekoorlijkst gelaat allervriendelijkst toe; maar het arme meisje was zoo treurig over d’Artagnan’s tegenwoordigheid bij milady, dat zij niet eens de goedheid van deze bemerkte.

D’Artagnan beschouwde beurtelings die twee vrouwen, en hij was gedwongen zich zelven te bekennen, dat de natuur, haar vormende, zich bedrogen had: aan de voorname dame had zij een lage, valsche ziel gegeven; aan de kamenier daarentegen een beminnend en trouw hart geschonken.

Te tien uur begon milady eenige ongerustheid te doen blijken; d’Artagnan raadde zeer goed, wat zulks beteekende, zij zag op de pendule, stond op, ging weer zitten en glimlachte d’Artagnan toe op een wijze, die te kennen gaf: „Gij zijt zeer beminnelijk, maar gij zoudt nog beminnelijker zijn, indien gij u verwijderdet.”

D’Artagnan stond op en nam zijn hoed; milady gaf hem haar hand te kussen. De jongeling bespeurde, dat zij die drukte en begreep, dat zulks ontstond uit een gewaarwording, niet van koketterie, maar van erkentelijkheid wegens zijn vertrek.--„Zij bemint hem tot dolwordens toe!” mompelde hij.

Ketty wachtte hem niet in de voorkamer, noch in de gang, noch aan de koetspoort. D’Artagnan moest zich alleen naar de trap en de kleine kamer begeven. Ketty zat met haar handen voor de oogen en weende. Zij hoorde d’Artagnan binnenkomen, maar zij richtte het hoofd niet op. De jongeling trad naar haar toe en nam haar handen; toen barstte zij in gesnik uit.

Zooals d’Artagnan vermoedde, had milady, toen zij den brief ontving, dien zij meende het antwoord van den graaf de Wardes te zijn, in de dronkenschap harer vreugd alles aan de kamenier verhaald; vervolgens had zij haar, ter belooning voor de wijze op welke zij dezen keer haar boodschap had verricht, een beurs gegeven. Ketty, in haar kamer komende, had de beurs in een hoek geworpen, waar ze geheel open was blijven liggen, terwijl er drie of vier goudstukken op het vloerkleed waren uitgevallen. Het arme meisje, de stem van d’Artagnan hoorende, richtte eindelijk het hoofd op.

D’Artagnan schrikte over de verandering van haar gelaat. Zij vouwde de handen op een smeekende wijze, maar zonder één woord te durven spreken. Hoe weinig gevoelig d’Artagnan’s hart ook was, voelde hij zich verteederd door deze stomme smart; doch hij was te zeer gehecht aan zijn plannen, en vooral aan het laatste, om iets in zijn voornemens te veranderen; hij gaf aan Ketty niet de minste hoop van zijn roekelooze onderneming te zullen afzien, die hij besloten had ten uitvoer te brengen; alleen stelde hij haar die voor zooals zij werkelijk was, namelijk: als een eenvoudige wraakneming op milady voor haar koketterie en als het eenige middel, dat hem overbleef, om van haar, door vrees voor schande, de verlangde bekentenissen nopens juffrouw Bonacieux te verkrijgen. Dit plan was overigens te gemakkelijker uit te voeren, daar milady, uit hoofde van redenen welke men zich niet kon verklaren, maar die van veel gewicht schenen, Ketty had aanbevolen al de lichten van haar vertrek, zelfs die in de kamer der kamenier, uit te dooven.

Na verloop van een oogenblik hoorde men milady zich in haar slaapkamer begeven. D’Artagnan verborg zich daarop haastig in zijn kast. Nauwelijks was hij er in, of de schel klonk. Ketty keerde tot haar meesteres terug, maar liet de deur niet open; het beschot was echter zoo dun, dat men bijna alles hoorde, wat er tusschen beide vrouwen werd gezegd.

Milady scheen dronken van vreugd; zij liet zich door Ketty de minste bijzonderheden der vermeende samenkomst van de kamenier met den graaf de Wardes herhalen; op welke wijze hij den brief had ontvangen, hoe hij had geantwoord, hoe de uitdrukking van zijn gezicht was geweest, of hij verliefd scheen; en bij al die vragen was de arme Ketty genoodzaakt zich goed te houden en antwoordde met een gesmoorde stem, van welke haar meesteres zelfs niet den toon opmerkte. Zoo zelfzuchtig is het geluk.

Dewijl eindelijk het uur harer samenkomst met den graaf naderde, deed milady inderdaad al het licht in haar kamer uitdooven en gelastte Ketty naar haar kamer terug te keeren en den heer de Wardes, zoodra deze zou komen, binnen te leiden.

Het wachten van Ketty was van geen langen duur. Nauwelijks had d’Artagnan door het sleutelgat der deur de donkerheid bespeurd, waarin de kamer was gedompeld, of hij trad uit zijn schuilplaats op hetzelfde oogenblik dat Ketty de gemeenschapsdeur sloot.

„Wat beteekent dat leven?” vroeg milady.--„Ik ben het,” zeide d’Artagnan half zacht, „ik, graaf de Wardes.”--„O, mijn God! mijn God!” lispte Ketty, „hij heeft niet eens het door hem zelf bepaalde uur kunnen afwachten.”--„Welnu,” zeide milady met een bevende stem, „waarom komt hij niet binnen? Graaf! graaf!” voegde zij er bij, „gij weet wel, dat ik u wacht.”

Op dezen roep verwijderde d’Artagnan zachtjes Ketty en trad de kamer van milady binnen.

Indien woede en smart een ziel kunnen folteren, dan is het die van den minnaar, die onder een vreemden naam liefdesbetuigingen ontvangt, welke voor zijn begunstigden mededinger zijn bestemd. D’Artagnan was in een door hem niet voorzienen, smartelijken toestand; de jaloezie knaagde hem aan het hart, en hij leed bijna evenveel als de arme Ketty, die op dat oogenblik in de aangrenzende kamer weende.

„Ja, graaf!” zeide milady, zoo zacht mogelijk een zijner handen in de hare drukkende; „ja, ik ben gelukkig door de liefde, welke uw blikken en uw woorden mij telkens uitdrukten, wanneer wij elkander ontmoetten. Ook ik bemin u. O! morgen, morgen wil ik een pand van u, dat mij ten bewijze zal strekken, dat gij aan mij denkt;--en daar gij mij zoudt kunnen vergeten, ziedaar.”--En zij stak een ring aan den vinger van d’Artagnan, dien zij van den hare nam. Het was een prachtige saffier, omringd van brillanten.

De eerste beweging van d’Artagnan was, haar dien terug te geven; maar milady voegde er bij: „Neen, neen, bewaar dien ring ter liefde van mij. Gij bewijst mij daarenboven, door dien aan te nemen,” ging zij met een bewogene stem voort, „een grooteren dienst dan gij u kunt verbeelden.”

„Die vrouw is vol geheimen,” dacht d’Artagnan.--Op dat oogenblik was hij op het punt alles te openbaren. Hij opende den mond, om milady te zeggen wie hij was, en met welk een wraakzuchtig doel hij was gekomen, maar zij hernam: „Arme engel! dien dat monster van een Gaskonjer bijna het leven heeft ontnomen.”--Hij was dat monster.--„Ach!” vervolgde milady, „lijdt gij nog aan uw wonde?”--„Ja, nog zeer veel,” zeide d’Artagnan, die niet wist wat te antwoorden.--„Wees gerust,” lispte milady op een niet zeer geruststellenden toon voor haar hoorder, „ik, ik zal u wreken, en gruwelijk wreken.”

„Duivelsch,” dacht d’Artagnan bij zich zelven, „het oogenblik mijner bekentenis is nog niet gekomen.”

D’Artagnan had eenige oogenblikken noodig om zich van die korte samenspraak te herstellen; al de denkbeelden van wraak, die hij had medegebracht, waren volkomen vervlogen. Die vrouw oefende op hem een ongelooflijke macht uit: hij haatte en aanbad haar tevens; hij had nooit gedacht, dat twee zoo tegenstrijdige gevoelens in hetzelfde hart konden wonen en, met elkander vereenigd, een zonderlinge, in zeker opzicht duivelachtige liefde konden vormen.

Intusschen was het reeds één uur geworden; het was tijd te scheiden. D’Artagnan, op het oogenblik van milady te verlaten, voelde niets anders meer dan een hevig leedwezen zich van haar te moeten verwijderen, en onder het hartstochtelijkst vaarwel, dat men elkander van weerszijden deed, werd er nog voor de volgende week een nieuwe samenkomst bepaald.

De arme Ketty hoopte eenige woorden aan d’Artagnan te kunnen zeggen, wanneer hij door haar kamer zou gaan; maar milady geleidde hem zelve in de duisternis en verliet hem eerst op de trap.

Den volgenden dag begaf d’Artagnan zich naar Athos. Het avontuur, waarin hij was betrokken, was zoo zonderling, dat hij hem om raad wilde vragen. Hij verhaalde hem alles. Athos fronste eenige keeren de wenkbrauwen.

„Uw milady schijnt mij een allerlaagst schepsel te zijn; maar gij hebt niettemin ongelijk gehad, haar te misleiden. Gij hebt u hierdoor op de een of andere wijze een vijand gemaakt.”--Ondertusschen beschouwde Athos met aandacht den saffier met diamanten omzet, die aan den vinger van d’Artagnan de plaats van den ring der koningin had ingenomen, welken laatste hij zorgvuldig in een kistje had geborgen.--„Gij beziet dien ring?” zeide de Gaskonjer, trotsch, voor de blikken zijner vrienden een zoo rijk geschenk ten toon te kunnen spreiden.--„Ja,” zeide Athos, „hij herinnert mij een familie-juweel.”--„Hij is fraai, niet waar?” vroeg d’Artagnan.--„Heerlijk!” antwoordde Athos; „ik wist niet, dat er twee saffieren van die fraaiheid bestonden. Hebt gij dien voor uw diamant verruild.”--„Neen, het is een geschenk van mijn schoone Engelsche, of liever, van mijn schoone Fransche; want, hoewel ik het haar niet heb gevraagd, ben ik zeker, dat zij in _Frankrijk_ is geboren.”--„Hebt gij dien ring van milady?” riep Athos met een stem, in welke het gemakkelijk was een diepe ontroering te bemerken.--„Uit eigen beweging heeft zij mij dien hedennacht gegeven.”--„Laat mij dien ring eens zien?” zeide Athos.--„Hier is hij,” antwoordde d’Artagnan, hem van zijn vinger nemende.

Athos beschouwde hem met nog meer aandacht en werd zeer bleek: vervolgens paste hij hem aan den ringvinger van zijn linkerhand; hij paste aan dien vinger, alsof hij er voor gemaakt was. Een wolk van toorn en wraak vertoonde zich op het gewoonlijk zoo kalme voorhoofd van den edelman.

„Het is niet mogelijk, dat het dezelfde is,” hernam hij. „Hoe zou die ring in het bezit van milady Clarick gekomen zijn? En echter is het bijna niet mogelijk, dat er tusschen twee juweelen een zoo groote gelijkenis bestaat.”--„Kent gij dien ring?” vroeg d’Artagnan.--„Ik meende hem te herkennen,” zeide Athos, „maar ik heb mij vergist.”--En hij gaf hem aan d’Artagnan terug, zonder echter zijn oog er van af te wenden.

„Wees zoo goed, d’Artagnan!” zeide hij na een kort oogenblik, „doe dien ring van uw vinger, of keer den steen naar binnen; hij herinnert mij zooveel vreeselijks, dat mijn hoofd er niet toe zoude staan om met u te spreken.... Kwaamt gij mij niet om raad vragen, en zeidet gij mij niet, dat gij in verlegenheid waart omtrent hetgeen gij doen moet? maar wacht eens, geef mij dien saffier nog eens; degene, welken ik bedoel, moet aan een der zijden door een of ander toeval beschadigd zijn.”

D’Artagnan trok opnieuw den ring van zijn vinger en gaf dien aan Athos weder. Athos ontroerde.

„Zie, zie,” zeide hij, „is het niet zonderling?”--En hij toonde d’Artagnan den schrap, welken hij zich herinnerde te bestaan.--„En van wien hadt gij dien saffier, Athos?”--„Van mijn moeder, die hem van haar moeder had gekregen. Zooals ik u zeide, is het een oud juweel, dat nooit uit de familie moest gaan.”--„En gij hebt het.... verkocht?” vroeg d’Artagnan aarzelende.--„Neen,” hernam Athos met een zonderlingen glimlach; „in een verliefd oogenblik gaf ik den ring, zooals hij u is gegeven.”

D’Artagnan bleef op zijn beurt in gedachten verzonken. Hij meende in het leven van milady afgronden te zien, welker diepten donker en vreeselijk waren. Hij stak den ring niet aan zijn vinger, maar in zijn zak.

„Luister!” zeide Athos, zijn hand vattende, „gij kent de vriendschap, die ik u toedraag, d’Artagnan! indien ik een zoon had, zou ik hem niet meer beminnen dan u; welnu, geloof mij, zie af van die vrouw; ik ken haar niet, maar een soort van ingeving zegt mij, dat het een verloren schepsel, en er iets noodlottigs in haar is.”--„Gij hebt gelijk,” zeide d’Artagnan, „ook zal ik daarom van haar scheiden. Ik beken u, dat die vrouw mij zelven schrik aanjaagt.”--„Zult gij dien moed hebben?” vroeg Athos.--„Ik zal dien hebben,” antwoordde d’Artagnan, „en wel oogenblikkelijk.”--„Welnu, mijn kind! gij hebt gelijk,” zeide de edelman, de hand des Gaskonjers drukkende met een bijna vaderlijke teederheid. „En God geve, dat deze vrouw, die nauwelijks in uw levensloop is getreden, er geen noodlottig spoor in achterlate.”

En Athos groette d’Artagnan met een hoofdknik, als iemand die wil te kennen geven, dat het hem niet onaangenaam zou zijn, alleen met zijn gedachten te blijven.

Te huis komende, vond d’Artagnan Ketty, die hem wachtte. De koorts gedurende een maand kon het arme kind niet meer hebben veranderd dan één uur van jaloezie en smart had gedaan. Zij was door haar meesteres naar den graaf de Wardes gezonden. Haar meesteres was krankzinnig van liefde en dronken van vreugd; zij wilde weten, wanneer de graaf haar een nieuw bezoek zou komen brengen. En de arme Ketty, bleek en bevende, wachtte op het antwoord van d’Artagnan.

Athos had een grooten invloed op den jongeling. De raad van zijn vriend, gevoegd bij de gevoelens van zijn eigen hart en de herinnering aan juffrouw Bonacieux, die hem slechts zelden verliet, hadden hem doen besluiten, thans, nu zijn hoogmoed was voldaan, milady niet weer te zien. Zijn antwoord bestond eenvoudig in een pen te nemen en den volgenden brief te schrijven, dien hij evenmin teekende als den vorigen:

„Reken niet op mij, mevrouw! sedert ik hersteld ben, heb ik aan zoovele afspraken van dien aard te voldoen, dat ik genoodzaakt ben er zekere orde in te stellen. Als het uw beurt is, zal ik de eer hebben u er kennis van te geven. Ik kus u de hand.”

Van den saffier geen enkel woord: de Gaskonjer wilde hem tot nader orde behouden en hem tot een wapen tegen milady doen strekken. Men zou overigens ongelijk hebben, de daden van een vroeger tijdvak in vergelijking te stellen met die van thans. Hetgeen thans als een schande voor een fatsoenlijken man zou worden beschouwd, was in dien tijd zeer eenvoudig en natuurlijk.

D’Artagnan gaf den open brief aan Ketty, die hem aanvankelijk las zonder dien te begrijpen, en bijna het verstand verloor bij het herlezen er van. Ketty kon aan dat geluk niet gelooven; d’Artagnan was verplicht haar mondeling de verzekering te geven, welke de brief haar in geschrift gaf. Welk gevaar, met het oog op het driftige karakter van milady, het arme kind ook liep, door haar meesteres dat briefje ter hand te stellen, snelde zij desniettemin zoo hard zij kon naar het Koningsplein.

Het hart der goedaardigste vrouw is onmeedoogend voor de smart eener medeminnares. Milady opende den brief met een overhaasting, gelijk die van Ketty, om haar denzelven te bezorgen; maar bij de eerste woorden die zij las, verbleekte zij, en zij verkreukte het papier; vervolgens wendde zij zich met bliksemende oogen tot Ketty.

„Wat beteekent die brief?” vroeg zij.--„Wel, dat is het antwoord op dien van mevrouw,” antwoordde Ketty bevende.--„Onmogelijk!” hernam milady, „onmogelijk, dat een edelman een dergelijken brief aan een vrouw kan schrijven.”--Vervolgens riep zij eensklaps uit:--„Mijn God! zou hij weten....”--En zij zweeg al bevende. Haar tanden knarsten; zij was lijkkleurig. Zij wilde een schrede naar het venster doen om lucht te scheppen, maar zij kon slechts den arm uitstrekken, de krachten ontbraken haar en zij viel op een leuningstoel.

Ketty meende, dat zij in onmacht viel, en snelde toe om haar corset los te maken. Maar milady stond haastig op.--„Wat wilt gij?” zeide zij, „en waarom slaat gij de hand aan mij?”--„Ik meende, dat mevrouw zich niet wel bevond en wilde haar te hulp komen,” antwoordde de kamenier, geheel verschrikt door de vreeselijke uitdrukking, welke het gezicht harer meesteres had aangenomen.--„Mij niet wel bevinden! ik! ziet gij mij voor een zoo teergevoelige vrouw aan? Wanneer men mij beleedigt, val ik niet van mij zelve, ik wreek mij. Verstaat gij mij?”--En door een wenk met de hand gebood zij Ketty zich te verwijderen.

HOOFDSTUK V.

Wraakzucht.

Des avonds gaf milady het bevel, d’Artagnan onmiddellijk binnen te geleiden, zoodra hij volgens gewoonte zou gekomen zijn. Maar hij kwam niet. Den volgenden dag ging Ketty opnieuw den jongeling bezoeken en verhaalde hem alles, wat er den vorigen avond was voorgevallen. D’Artagnan glimlachte. Die grimmige jaloerschheid van milady was zijn wraak. Des avonds was milady nog ongeduldiger dan den vorigen dag. Zij hernieuwde het bevel nopens den Gaskonjer; maar, zooals den vorigen dag, wachtte zij hem tevergeefs. Den daarop volgenden dag vertoonde zich Ketty bij d’Artagnan, niet meer vroolijk en levendig, gelijk de twee vorige dagen, maar integendeel treurig en neerslachtig als de dood.

D’Artagnan vroeg het arme meisje, wat haar deerde; maar deze, in plaats van te antwoorden, haalde een brief uit haar zak en stelde hem dien ter hand. Die brief was door milady eigenhandig geschreven, maar nu was hij niet aan den heer de Wardes, maar wel degelijk aan d’Artagnan gericht. Hij opende en las:

„Waarde Heer d’Artagnan!

Het is niet fraai, zijn vrienden zoo te veronachtzamen, vooral op het oogenblik, dat men hen voor een geruime poos verlaat. Mijn schoonbroeder en ik hebben gisteren en eergisteren tevergeefs op u gewacht. Zal het evenzoo van avond wezen?

Uw zeer erkentelijke,

Lady de Winter.”

„Dat is zeer natuurlijk, en ik wachtte zoodanigen brief,” zeide d’Artagnan; „mijn krediet vermeerdert door de vermindering van dat van den heer de Wardes.”--„Zult gij gaan?” vroeg Ketty.--„Luister, mijn lief kind!” zeide de Gaskonjer, die trachtte zich in zijn eigen oogen te verontschuldigen, dat hij de belofte verbrak, die hij Athos had gedaan; „gij begrijpt, dat het onstaatkundig zou zijn, een zoo uitdrukkelijk gedane uitnoodiging niet te beantwoorden; als milady mij niet ziet terugkeeren, zou zij niet weten, waaraan mijn wegblijven toe te schrijven; zij zou iets kunnen vermoeden, en wie weet, hoe ver de wraakzucht eener vrouw van dat karakter gaan zou.”--„Ach, mijn God! gij weet de dingen op zoodanige wijze voor te stellen, dat gij steeds gelijk hebt. Gij zult haar weder het hof maken, en indien gij haar nu onder uw waren naam en met uw wezenlijk gezicht gaat bezoeken, dan zal het nog erger zijn dan de eerste maal.”--Een inwendige stem deed het arme meisje een gedeelte van wat er gebeuren zou, raden.

D’Artagnan stelde haar zooveel mogelijk gerust en beloofde haar ongevoelig te blijven voor de verleidingsmiddelen van milady. Hij verzocht haar milady te verzekeren, dat hij vol dankbaarheid was voor haar goedheid en zich aan haar verlangen zou onderwerpen. Hij durfde niet schrijven, uit vrees van zijn geschrift voor zulke geoefende oogen, als die van milady, niet genoegzaam te kunnen veranderen.

Toen het negen uur sloeg, was d’Artagnan op het Koningsplein. Het was blijkbaar, dat de dienaars in de voorkamer verwittigd waren; want zoodra hij verscheen, en zelfs alvorens gevraagd te hebben of milady te huis was, diende een hunner hem al aan.

„Laat binnenkomen,” zeide milady kortaf, maar zoo luid, dat d’Artagnan het in de voorkamer hoorde. Men geleidde hem binnen.--„Ik ben voor niemand thuis,” zeide milady, „hoort gij? Voor niemand.”--De lakei vertrok.

D’Artagnan wierp een nieuwsgierigen blik op milady; zij was bleek en haar oogen waren vermoeid, hetzij van tranen te storten, of van niet geslapen te hebben. Men had met opzet het gewone getal lichten verminderd, en toch vermocht de jonge vrouw niet de kenteekenen der koorts te verbergen, die haar sedert twee dagen verteerde.