De Drie Musketiers dl. I en II
Part 34
„Ketty?” zeide hij, „ik zal in het diepst van uw hart lezen, laat u dat niet weerhouden, mijn lief kind! maar spreek.”--„O, neen!” riep Ketty, „gij bemint mij niet, gij bemint alleen mijn meesteres, gij zeidet mij zulks nog zooeven.”--„En belet u dat, mij de tweede reden te zeggen?”--„De tweede reden, mijnheer de ridder!” hernam Ketty, bemoedigd door de uitdrukking van des jongelings oogen, „is, dat in de liefde iedereen voor zich zelven handelt.”
Toen eerst herinnerde zich d’Artagnan de smachtende lonken van Ketty, haar glimlach en haar gesmoorde zuchten, telkens wanneer zij hem ontmoette; maar alleen vervuld met de begeerte aan de groote dame te behagen, had hij de kamenier voorbijgezien: die op den arend jacht maakt, let niet op de musch.
Maar nu bemerkte de Gaskonjer in één oogopslag al de voordeelen, die hij uit een liefde kon trekken, welke Ketty hem zoo onnoozel had te kennen gegeven: onderschepping der brieven voor den graaf de Wardes bestemd; bekendheid in de vesting; en alle oogenblikken vrijen toegang in de kamer van Ketty, welke aan die van haar meesteres grensde. De valschaard, zooals men ziet, offerde reeds bij zich zelven het arme, jonge meisje aan de groote dame op.
Het sloeg middernacht, en men hoorde bijna tegelijkertijd de schel in de kamer van milady klinken.--„Groote God!” riep Ketty, „het is mijn meesteres, die mij roept; vertrek, vertrek spoedig!”
D’Artagnan stond op, nam zijn hoed, alsof hij voornemens was te gehoorzamen; vervolgens haastig de deur van een groote kast openende, verborg hij er zich in achter de kleederen en ochtendjaponnen van milady.
„Wat doet gij toch?” riep Ketty.--D’Artagnan, die vooraf den sleutel had genomen, sloot zich in de kast zonder te antwoorden.--„Hoe is het?” riep milady met scherpe stem; „slaapt gij, dat gij niet komt, wanneer ik schel?”--En d’Artagnan hoorde met hevigheid de gemeenschapsdeur openen.--„Hier ben ik, milady, hier ben ik!” riep Ketty, haar meesteres tegemoet ijlende. Beiden traden de slaapkamer binnen, en daar de deur open bleef, kon d’Artagnan nog gedurende eenigen tijd milady haar kamenier hooren beknorren; eindelijk bedaarde zij, en het gesprek viel op hem, terwijl Ketty haar meesteres uitkleedde.
„Welzoo!” zeide milady, „ik heb onzen Gaskonjer heden avond niet gezien.”--„Hoe, mevrouw!” zeide Ketty, „is hij niet hier geweest? Zou hij reeds veranderlijk zijn geworden, alvorens gelukkig te zijn gemaakt?”--„Och, neen! hij zal door den heer de Tréville of den heer des Essarts verhinderd zijn geworden. Ik ken ze, Ketty, en dezen heb ik beet.”--„Wat zal mevrouw er mede beginnen?”--„Wat ik met hem zal doen? wees gerust, Ketty! er is tusschen dien man en mij iets, dat hij niet weet. Hij heeft mij bijna mijn krediet bij Zijne Eminentie doen verliezen. O! ik zal mij wreken.”--„Ik dacht, dat mevrouw hem beminde?”--„Ik hem beminnen! ik verfoei hem. Een ezel, die het leven van lord de Winter in zijn handen heeft en het hem niet ontneemt en mij driemaal honderd duizend pond rente doet verliezen.”--„Dat is waar,” zeide Ketty, „uw zoon is de eenige erfgenaam van zijn oom, en tot zijn meerderjarigheid zoudt gij de vruchten van zijn vermogen hebben genoten.”
D’Artagnan rilde tot in het merg van zijn gebeente, toen hij dat heerlijke schepsel hem hoorde verwijten, met die snijdende stem, welke zij zooveel moeite had in het gemeenzaam verkeer te verbergen, een man niet om het leven te hebben gebracht, dien hij haar met zooveel vriendschap had zien behandelen.
„Ook,” ging milady voort, „zou ik mij reeds op hem gewroken hebben, indien, ik weet niet waarom, de kardinaal mij niet had aanbevolen hem te sparen.”--„O, ja! maar mevrouw heeft dat jonge vrouwtje niet gespaard, welke hij beminde.”--„O, de winkeliersvrouw der Doodgraversstraat. Heeft hij niet reeds vergeten, dat zij bestaat? waarlijk een fraaie wraak!”
Een koud zweet besproeide het voorhoofd van d’Artagnan. Die vrouw was dus een monster?--Hij maakte zich weder gereed om te luisteren, maar ongelukkiglijk was het toilet geëindigd.
„Het is wel,” zeide milady, „ga naar uw kamer en tracht morgen een antwoord te krijgen op den brief, dien ik u heb gegeven.”--„Voor den heer de Wardes?” vroeg Ketty.--„Zeker, voor den heer de Wardes.”--„Dat is iemand, die er mij geheel anders uitziet, dan die arme d’Artagnan.”--„Vertrek, juffer!” zeide milady, „ik houd niet van aanmerkingen.”
D’Artagnan hoorde de deur sluiten, vervolgens de twee grendels, die milady er op schoof, ten einde niet gestoord te worden. Van haar kant, maar zoo zachtjes mogelijk, draaide Ketty de deur op het nachtslot. Toen opende d’Artagnan de deur der kast.
„Ach, mijn God!” zeide Ketty zacht, „wat deert u? hoe bleek zijt gij?”--„Dat afschuwelijk schepsel!” mompelde d’Artagnan.--„Stil, stil, vertrek!” zeide Ketty: „één enkel beschot scheidt slechts mijn kamer van die mijner meesteres; men hoort van de eene, al wat er in de andere gesproken wordt.”--„Om het even; maar ik wil niet vertrekken, alvorens gij mij zult gezegd hebben, wat er van juffrouw Bonacieux is geworden.”
Het arme meisje zwoer op het kruisbeeld aan d’Artagnan, dat zij er volstrekt niets van wist, daar haar meesteres nooit, dan ten halve, haar geheimen liet doorgronden. Alleen meende zij te kunnen verzekeren, dat zij nog in leven was.
Wat de oorzaak betrof, die aan milady haar krediet bij den kardinaal bijna had doen verliezen, hiervan wist Ketty nog minder. Maar omtrent deze aangelegenheid was d’Artagnan beter op de hoogte dan zij; daar hij milady op een der schepen had gezien, welke de haven niet mochten verlaten op het oogenblik, dat hij _Engeland_ verliet, twijfelde hij er niet aan, of het betrof de diamanten haken. Het duidelijkste in dat alles was, dat de wezenlijke haat, de diepe, ingekankerde haat van milady voor hem daaruit voortsproot, dat hij haar schoonbroeder niet had gedood.
D’Artagnan keerde den volgenden dag naar milady terug. Zij was in een zeer kwade luim; d’Artagnan begreep, dat het niet antwoorden des heeren de Wardes haar zoo boos maakte. Ketty trad binnen; maar milady ontving haar zeer ruw. Een blik, dien zij op d’Artagnan sloeg, wilde zeggen: „Gij ziet, wat ik om uwentwil lijd.”
Intusschen bedaarde de schoone leeuwin tegen het einde des avonds; zij luisterde glimlachend naar het zoet gekout van d’Artagnan; zij gaf hem zelfs haar hand te kussen.
D’Artagnan vertrok, niet meer wetende wat te denken; maar een Gaskonjer zijnde, dien men niet gemakkelijk het hoofd deed verliezen, had hij bij zich zelven een zeker plan gevormd. Hij vond Ketty aan de deur, en gelijk den vorigen avond, begaf hij zich in haar kamer, om iets nieuws te vernemen. Ketty was erg beknord en van onoplettendheden beschuldigd geworden. Milady begreep niets van het zwijgen van graaf de Wardes; zij had Ketty bevolen zich te negen uur den volgenden ochtend te vertoonen, ten einde haar bevelen te ontvangen.
D’Artagnan deed aan Ketty beloven, den volgenden morgen bij hem te komen, om hem van den aard dier bevelen kennis te geven. Het arme meisje beloofde d’Artagnan alles, wat hij wilde: zij was verliefd!
Te elf uur zag hij Ketty naderen; zij had wederom een briefje van milady in de hand. Nu trachtte het arme kind niet eens het aan d’Artagnan te betwisten, zij liet hem begaan; want zij behoorde met ziel en lichaam aan haar schoonen soldaat.
D’Artagnan opende het tweede briefje, dat evenmin naam of opschrift droeg, en las het volgende:
„Ziedaar de derde maal dat ik u schrijf, om u te zeggen, dat ik u bemin; zorg, dat ik u niet voor de vierde maal schrijve, om u te zeggen, dat ik u verfoei.”
D’Artagnan werd beurtelings rood en bleek, terwijl hij het briefje las.--„O, gij bemint haar steeds?” zeide Ketty, die geen oogenblik haar blik van het gelaat des jongelings had afgewend.--„Neen, Ketty! gij bedriegt u, ik bemin haar niet meer, maar ik wil mij over haar verachting wreken.”
Ketty zuchtte.--D’Artagnan nam een pen en schreef:
„Mevrouw! tot hiertoe twijfelde ik, of het wel aan mij was, dat uw beide briefjes gericht waren, daar ik mij voor een dergelijke eer onwaardig vond. Maar thans moet ik wel aan de grootheid uwer gunst gelooven, omdat niet alleen uw brief maar ook uw kamenier mij bevestigen, dat ik het geluk heb door u bemind te worden. Ik zal mijn vergiffenis te elf uur heden avond komen afsmeeken.... Dit nog één dag uit te stellen zou in mijn oogen zijn u een nieuwe beleediging doen.--Hij, dien gij den gelukkigsten der menschen maakt.”
Dat briefje was geen werkelijke valschheid. D’Artagnan teekende het niet; maar het was een onkieschheid, en zelfs lijnrecht in strijd met de hedendaagsche zeden; het was iets, dat naar het schandelijke zweemde; doch men spaarde elkander in dien tijd minder dan men heden doet. Bovendien wist d’Artagnan, door haar eigen bekentenis, dat zij zich aan hoogverraad had schuldig gemaakt, terwijl hij voor haar slechts zeer weinig achting koesterde. Eindelijk wilde hij haar, wegens haar koketterie jegens hem, en haar gedrag ten aanzien van juffrouw Bonacieux, straffen.
Het plan van d’Artagnan was zeer eenvoudig: uit de kamer van Ketty kwam hij in het vertrek harer meesteres; hij zou de trouwelooze beschaamd maken, hij zou haar dreigen ruchtbaarheid aan de zaak te geven, om van haar, door vreesaanjaging, al datgene te vernemen, wat betrekking op het lot van juffrouw Bonacieux had. Misschien zou wellicht de vrijheid der lieve winkeliersvrouw de uitslag dezer samenkomst zijn.
„Ziedaar,” zeide de jongeling, aan Ketty het briefje verzegeld ter hand stellende, „geef dien brief aan milady; het is het antwoord van den heer de Wardes.”
De arme Ketty werd bleek als een doode; zij raadde den inhoud van het briefje.--„Luister, mijn lief kind!” zeide haar d’Artagnan, „gij begrijpt, dat dit op de eene of andere wijze een einde moet nemen: milady kan ontdekken, dat gij het eerste briefje aan mijn knecht hebt gegeven in plaats van aan den knecht van den graaf; dat ik het andere heb geopend, dat de heer de Wardes had moeten openen. Dan zal zij u wegjagen, en gij kent haar, het is geen vrouw, om daarbij haar wraak te laten.”--„Helaas!” zuchtte Ketty, „waarom mij aan dat alles blootgesteld?”--„Voor mij, dat weet ik wel, mijn allerschoonste!” zeide de jongeling, „ik ben u daarom zeer dankbaar, dat zweer ik u.”--„Maar wat behelst uw briefje eigenlijk?”--„Milady zal het u zeggen.”--„Ach, gij bemint mij niet!” riep Ketty, „en ik ben wel ongelukkig.”
Ketty weende lang, alvorens te kunnen besluiten den brief aan milady te brengen; maar eindelijk gaf zij, uit vriendschap voor den jongeling, toe: dit was alles, wat d’Artagnan begeerde.
HOOFDSTUK III.
Waarin wordt gehandeld over de uitrusting van Aramis en Porthos.
Sedert de vier vrienden, elk voor zich, op hun uitrusting jacht maakten, bestond er geen bepaalde samenkomst meer tusschen hen: men nam het middagmaal afzonderlijk, waar men zich bevond, of liever, men ontmoette elkander, waar men kon. Ook de dienst verslond een gedeelte van den kostbaren tijd, die zoo spoedig vervloog.
Men had alleen bepaald, eenmaal in de week bij elkander te komen, en wel te één uur in het huis van Athos, aangezien deze, volgens zijn eed, den drempel zijner deur niet wilde overschrijden.
Het was juist de dag der samenkomst, dat Ketty bij d’Artagnan was geweest. Nauwelijks was Ketty vertrokken, of d’Artagnan begaf zich naar de straat Férou. Hij vond Athos en Aramis philosofeerende; Aramis was eenigszins geneigd om het priesterkleed weer aan te trekken. Athos, volgens gewoonte, raadde hem dit niet aan of af. Athos wilde aan iedereen zijn vrijen wil laten. Hij gaf nooit een raad, dan wanneer men hem dien vroeg, en dan moest men dit nog wel tweemaal doen.--Gewoonlijk vraagt men alleen raad om dien niet te volgen, of om, indien men hem heeft gevolgd, aan iemand te kunnen verwijten, dien te hebben gegeven.
Porthos trad een oogenblik na d’Artagnan binnen. De vier vrienden waren dus voltallig. De vier gezichten drukten vier verschillende gevoelens uit: dat van Porthos gerustheid, dat van d’Artagnan hoop, dat van Aramis bekommering, dat van Athos onverschilligheid.
Nadat het gesprek eenige oogenblikken had geduurd, en Porthos te kennen had gegeven, dat een hooggeplaatste dame zich wel had willen belasten hem uit zijn verlegenheid te redden, trad Mousqueton binnen. Hij kwam Porthos verzoeken naar huis te komen, waar, zeide hij met een allerbedroefdst gezicht, zijn tegenwoordigheid werd vereischt.
„Is het mijn uitrusting?” vroeg Porthos.--„Ja en neen,” antwoordde Mousqueton.--„Maar wat wilt gij dan zeggen?”--„Kom, mijnheer!”
Porthos stond op, groette zijn vrienden en volgde Mousqueton.
Een oogenblik later verscheen Bazijn voor de deur.
„Wat wilt gij, mijn vriend?” zeide Aramis op dien zachten toon, welken hij aannam, telkens wanneer zijn denkbeelden hem tot de kerk trokken.--„Een man wacht mijnheer te huis,” antwoordde Bazijn.--„Een man, wat voor een man?”--„Een bedelaar.”--„Geef hem een aalmoes, Bazijn! en zeg hem, voor een armen zondaar te bidden.”--„Die bedelaar wil u met alle geweld spreken en gelooft, dat gij zeer verheugd zult zijn hem te zien.”--„Heeft hij iets bijzonders voor mij?”--„Ja wel: ‚indien de heer Aramis mocht aarzelen zich bij mij te vervoegen, zult gij hem zeggen, dat ik van _Tours_ kom.’”--„Van _Tours_? Ik kom!” riep Aramis. „Duizendmaal verschooning, heeren! maar die man brengt mij ongetwijfeld het nieuws, waarop ik wacht.”--En opstaande verwijderde hij zich haastig.
Nu bleven Athos en d’Artagnan alleen.
„Ik geloof, dat die snaken hun zaak hebben gevonden.... Wat denkt gij er van, d’Artagnan?” vroeg Athos.--„Ik weet, dat Porthos op den goeden weg is,” zeide d’Artagnan, „en wat Aramis betreft, om u de waarheid te zeggen, ik ben omtrent hem nooit ernstig ongerust geweest. Maar gij, mijn waarde Athos! gij, die zoo edelmoedig de pistolen van den Engelschman hebt uitgedeeld, die uw rechtmatig eigendom waren, wat zult gij doen?”--„Ik ben zeer tevreden dien snaak gedood te hebben, aangezien hij de dwaze nieuwsgierigheid had, mijn waren naam te willen kennen; maar indien ik mij van zijn pistolen had meester gemaakt, zouden zij mij als een wroeging op de ziel drukken.”--„Och kom, mijn waarde Athos! gij hebt waarlijk een te ver gaande kieschheid.”--„Spreken wij over iets anders. Wat zeide mijnheer de Tréville, die mij gisteren de eer deed mij te komen bezoeken, over uw verdachte verkeering met die Engelschen, die door den kardinaal worden beschermd.”--„Dat is te zeggen, dat ik een Engelsche vrouw bezoek, dezelfde van wie ik u heb gesproken.”--„O ja, die blonde vrouw, omtrent welke ik u een raad gegeven heb, dien gij u natuurlijk wel gewacht zult hebben te volgen.”--„Ik heb u mijn redenen gezegd. Ik heb de zekerheid verkregen, dat die vrouw betrokken is in de ontvoering van juffrouw Bonacieux.”--„Ja, ik begrijp, dat gij, om de eene vrouw terug te vinden, aan de andere het hof maakt. Dat is de langste maar de vermakelijkste weg.”
Wij zullen de twee vrienden verlaten, die elkander weinig bijzonders hadden te zeggen, om Aramis te volgen.
Op het bericht, dat de man, die hem wilde spreken, van _Tours_ kwam, zagen wij, met welke haast de jongeling Bazijn gevolgd, of liever vooruit was gesneld; hij deed op die wijze slechts één sprong van de straat Férou in de straat van Vaugirard. Te huis komende, vond hij werkelijk een man van een kleine gestalte, met geestige oogen, doch overigens in lompen gekleed.
„Zijt gij het, die naar mij hebt gevraagd?” vroeg de musketier.--„Dat is te zeggen, dat ik den heer Aramis wensch te spreken; zijt gij het, die dus heet?”--„Ik zelf, hebt gij mij iets ter hand te stellen?”--„Ja, indien gij mij zekeren geborduurden zakdoek vertoont.”--„Hier is hij,” zeide Aramis, een sleutel uit zijn borst halende en daarmede een klein ebbenhouten, met paarlemoer ingelegd kistje openende. „Hier is hij, ziedaar.”--„Goed,” zeide de bedelaar, „verwijder uw lakei.”
Want Bazijn, nieuwsgierig te weten wat de bedelaar van zijn meester verlangde, had zijn schreden naar die van hem geregeld en was bijna even spoedig als zijn meester aangekomen. Maar deze haast baatte hem niet veel. Op het verzoek van den bedelaar gaf zijn meester hem een wenk te vertrekken, en hij was wel genoodzaakt te gehoorzamen.
Toen Bazijn vertrokken was, wierp de bedelaar een snellen blik rondom zich, ten einde zeker te zijn, dat niemand hem zien of hooren kon, en toen zijn gescheurd buis openende, dat door een lederen riem kwalijk werd toegehouden, begon hij het bovenste van zijn gewaad los te tornen, waaruit hij een brief haalde. Aramis slaakte een kreet van vreugde op het zien van het zegel, kuste het schrift en met een bijna godsdienstigen eerbied opende hij den brief, die het volgende behelsde:
„Vriend, het lot wil, dat wij voor een zekeren tijd nog gescheiden blijven; maar de schoone dagen der jeugd zijn niet voor altijd verloren.... Doe uw plicht in het leger, ik doe den mijne elders. Neem, hetgeen brenger dezes u zal ter hand stellen; ga ten oorlog als een schoon en goed edelman, en denk aan mij. Vaarwel! of liever tot weerziens.”
De bedelaar bleef steeds voortgaan met zijn buis los te tornen; hij haalde een voor een uit zijn kleederen honderd vijftig dubbele Spaansche pistolen, welke hij op tafel telde; vervolgens opende hij de deur, groette en vertrok, zonder dat de verbaasde jongeling hem een woord had durven toespreken.--Toen herlas Aramis den brief en bemerkte, dat dezelve een postscriptum had:
„P.S. Gij kunt den brenger met alle onderscheiding ontvangen; hij is graaf en grande van _Spanje_.”
„O, gouden droomen!” riep Aramis, „o, wat heerlijk leven. Ja, wij zijn nog jong! Ja, wij zullen nog gelukkige dagen genieten.... O, voor u! voor u mijn liefde, mijn bloed, mijn leven! Alles, alles, alles voor mijn schoone minnares!”--En hij kuste den brief hartstochtelijk, zonder zelfs eens naar het goud te zien, dat op tafel blonk.
Bazijn krabde aan de deur; Aramis had geen reden meer hem op een afstand te houden, hij veroorloofde hem dus binnen te komen. Bazijn ontstelde op het gezicht van al dat goud en vergat, dat hij d’Artagnan moest aandienen, die, nieuwsgierig te weten wie de bedelaar was, na Athos verlaten te hebben, naar Aramis was gegaan. En dewijl d’Artagnan geen plichtplegingen met Aramis maakte, diende hij zich zelven aan, daar Bazijn zulks scheen te vergeten.
„Wel duivelsch, mijn waarde Aramis!” zeide d’Artagnan, „indien dat de pruimen zijn, die men u van _Tours_ zendt, moet gij den tuinier, die ze plukt, mijn compliment maken.”--„Gij bedriegt u, mijn waarde!” zeide Aramis, steeds even geheimhoudend, „ze zijn van mijn boekverkooper, die mij den prijs zendt van dat éénlettergrepig dichtstuk, dat ik ginds begonnen was.”--„Waarlijk?” zeide d’Artagnan, „inderdaad, uw boekverkooper is gul, mijn waarde Aramis! dat is al wat ik u kan zeggen.”
„Hoe is het mogelijk, heeren!” riep Bazijn, „brengt een dichtstuk zooveel geld op! Ach, mijnheer! gij doet al wat gij wilt; gij zult de heeren Voiture en de Benserade op zijde streven.... O, ik houd veel van dichtkunde. Een dichter is bijna een priester.... Ach, mijnheer Aramis! wordt toch poëet, ik bid u.”--„Bazijn, mijn vriend, ik geloof, dat gij u in het gesprek mengt.”--Bazijn begreep, dat hij ongelijk had, hij boog het hoofd en vertrok.
„Zoo,” zeide d’Artagnan, „het schijnt dat gij uw voortbrengselen tegen hun gewicht aan goud verkoopt? Gij zijt wel gelukkig, mijn vriend! maar wees voorzichtig, gij zult den brief verliezen, die uit uw buis steekt en die zeker ook van uw boekverkooper is.”
Aramis bloosde tot in het wit der oogen, stak den brief dieper in zijn buis en knoopte het dicht.
„Mijn waarde d’Artagnan!” zeide hij. „Als gij wilt, zullen wij onze vrienden gaan bezoeken, en dewijl ik rijk ben, zullen wij, heden te beginnen, weer samen het middagmaal nemen, in afwachting dat gij op uw beurt rijk zult worden.”--„Waarlijk,” zeide d’Artagnan, „dat is niet te weigeren. Het is lang geleden, dat wij een behoorlijk middagmaal hebben genoten, en daar ik heden avond een min of meer gewaagde onderneming moet ten uitvoer brengen, zou het mij niet onaangenaam zijn, dat beken ik, mij met eenige flesschen ouden Bourgogne het hoofd wat op te winden.”--„Goed, het zal oude Bourgogne zijn, ik verfoei ze ook niet,” zeide Aramis, die, op het gezicht van goud, elke gedachte aan afzondering liet varen. En na drie of vier dubbele pistolen in zijn zak te hebben gestoken, om in de dadelijke behoeften te voorzien, sloot hij de overige in het met paarlemoer ingelegde ebbenhouten kistje, waarin reeds de bewuste zakdoek lag, die hem tot talisman had gediend.
Beide vrienden begaven zich eerst naar Athos, die, getrouw aan zijn eed van niet uit te gaan, zich belastte ten zijnent het middagmaal te doen bezorgen. Daar hij zich wonderwel verstond op het aanrechten van een gastmaal, maakten d’Artagnan en Aramis geen de minste moeilijkheid, om hem dien gewichtigen last op te dragen. Vervolgens begaven zij zich naar Porthos, toen zij aan den hoek der straat du Bac Mousqueton ontmoetten, die in bedroefde houding een muilezel en een paard voor zich uitdreef.
D’Artagnan slaakte een kreet van verwondering, waaraan eenig gevoel van blijdschap niet te miskennen was.--„Wel, daar is mijn geel paard!” riep hij, „bezie eens dat paard.”--„O, wat leelijke vos!” zeide Aramis.--„Welnu, mijn waarde!” hernam d’Artagnan, „dat is het paard, waarop ik te _Parijs_ ben gekomen.”--„Wat, kent mijnheer dat paard?” vroeg Mousqueton.--„Het heeft al een zeer vreemde kleur,” zeide Aramis; „van mijn leven heb ik zulk haar niet gezien.”--„Dat geloof ik wel,” zeide d’Artagnan; „ik heb er daarom ook drie kronen voor gekregen, en zulks moet wel voor het haar geweest zijn, want het rif is waarachtig geen achttien franken waard. Maar hoe komt dat paard in uw bezit, Mousqueton?”--„Ach!” zeide de knecht, „spreek er mij niet van, mijnheer! dat is een afschuwelijke trek van den man onzer hertogin.”--„Hoe dat, Mousqueton?”--„Wel ja, een zeer voorname dame, de hertogin, heeft op ons een zeer goed oog.... maar ik vraag u om verschooning; mijn meester heeft mij geheimhouding bevolen. Zij had ons gedwongen, een kleine gedachtenis aan te nemen: een voortreffelijken Spaanschen hengst en een Andalusischen muilezel; wonderen om te zien. Maar de echtgenoot is er achter gekomen; hij heeft in het voorbijgaan de beide heerlijke dieren, die men ons zond, in beslag genomen, en in de plaats er van die afschuwelijke dieren gegeven.”--„Die gij hem terugbrengt?” vroeg d’Artagnan.--„Ja,” antwoordde Mousqueton. „Gij begrijpt, dat we dergelijke dieren niet kunnen aannemen voor die, welke men ons beloofd heeft.”--„Volstrekt niet. _Pardieu_! hoewel ik gaarne Porthos op mijn geel paard had gezien. Dat zou mij een denkbeeld hebben gegeven, hoe ik, te _Parijs_ komende, er uitzag. Maar houden wij u niet op, Mousqueton! ga de boodschap uws meesters doen, ga. Is hij te huis?”--„Ja, mijnheer!” zeide Mousqueton, „maar ik verzeker u, hij is in een zeer slechte luim.”
En hij vervolgde zijn weg in de richting der kade van de Grands Augustins, terwijl beide vrienden aan de deur van den rampzaligen Porthos schelden. Deze had hen de plaats zien overgaan, maar hij wachtte er zich wel voor, hun te openen. Zij schelden dus tevergeefs.
Intusschen vervolgde Mousqueton zijn weg; de Pont Neuf overgaande en steeds de twee bonken voor zich uitdrijvende, bereikte hij de Berenstraat. Daar gekomen bond hij, ingevolge het bevel zijns meesters, het paard en den muilezel aan den klopper der deur van den procureur; vervolgens, zonder zich over hun toekomstig lot te bekreunen, keerde hij naar Porthos terug en gaf dezen kennis van de volvoering zijner opdracht.