De Drie Musketiers dl. I en II
Part 3
Tréville kende het zwak zijns meesters; hieraan was de zoo langdurige en onafgebroken gunst des konings toe te schrijven, die den naam niet had een zeer getrouw vriend te zijn. Hij liet zijn musketiers voor den kardinaal Armand du Plessis paradeeren op een zoo tergende wijze, dat de grijze knevels van Zijne Eminentie van toorn opkrulden. Tréville verstond den oorlog van dien tijd wonderlijk wel, in welken men, wanneer men niet ten koste van zijn vijand leefde, zulks ten koste zijner medeburgers deed: immers zijn krijgslieden vormden een bende _geweldenaars_, die niet anders dan door hem tot hun plicht konden gebracht worden. Losbandig, dronken, gehavend verspreidden zich de musketiers des konings, of liever die van den heer de Tréville, in de kroegen, op de wandelingen, in de openbare speelhuizen, groot geweld makende, hun knevels opstrijkende en met hun degens kletterende, terwijl zij er een wellust in vonden de lijfwacht des kardinaals, wanneer zij eenigen er van op straat ontmoetten, tegen het lijf te loopen en dan schertsende den degen te trekken; somwijlen verloren zij bij die gelegenheid het leven, maar in dat geval waren zij zeker beweend en gewroken te zullen worden; ook vaak hun vijanden het leven ontnemende, waren zij verzekerd niet in de gevangenis te zullen beschimmelen; want de heer de Tréville was steeds dáár, om hen terug te eischen. Ook werd de heer de Tréville op allerlei wijzen door die lieden, welke hem aanbaden, geprezen en bezongen, en hoezeer mannen van moord en doodslag, stonden zij voor hem als scholieren voor den meester, bevend en het minste bevel gehoorzamend; gereed in den dood te ijlen, om de minste smet, die op hen mocht kleven, uit te wisschen.
De heer de Tréville had vooreerst van dien machtigen hefboom voor den koning en van de vrienden des konings gebruik gemaakt, en vervolgens voor zich zelven en zijn vrienden.--Trouwens, in geen enkel der gedenkschriften dier tijden, die zoovele gedenkschriften hebben nagelaten, ontwaart men, dat die eerzame edelman zelfs door zijn vijanden is beschuldigd geworden--en hij had veel vijanden, zoowel onder hen die de pen, als onder hen die den degen voerden--nergens ontwaart men, zeggen wij, dat die waardige edelman beschuldigd is geworden, zich voor de hulp, door zijn _Seïden_ verleend, te hebben laten betalen. Met den zeldzaamsten aanleg voor intrigues, waardoor hij zich met de grootste intriganten kon gelijk stellen, was hij echter eerlijk man gebleven. En, wat meer zegt, ondanks de geweldige degenstooten, die de ledematen verstijven, en de meest afmattende krijgsoefeningen, was hij een der beminnelijkste losbollen, een der netste modepoppen, een der geestigste zoete-woordjes-zeggers van zijn tijd geworden: men sprak van de verliefde avonturen van de Tréville, zooals men twintig jaren te voren van die van Bassompierre had gesproken, en dat beteekende nog al iets. Alzoo was de kapitein der musketiers bewonderd, gevreesd en bemind, hetgeen den hoogsten trap van menschelijk geluk daarstelt.
Lodewijk XIV verdoofde al de kleine sterren van zijn hof door zijn zich wijd uitspreidenden stralenglans; maar zijn vader, een zon _pluribus impar_[2], liet aan elk zijner gunstelingen zijn persoonlijken glans behouden, en aan elk zijner hovelingen zijn eigen waarde. Behalve de ochtendbezoeken bij den koning en den kardinaal, telde men toen te _Parijs_ meer dan tweehonderd huizen, waar men dergelijke bezoeken, die zeer in de mode waren, ontving, en onder deze waren die van de Tréville de talrijkste.--De binnenplaats van zijn hotel, in de straat de Oude Duiventil, geleek een legerkamp, zoodra het des zomers zes en des winters acht uur had geslagen; vijftig tot zestig musketiers, die zich daar schenen af te lossen, om steeds een ontzagwekkend getal te vormen, wandelden er op en neer, steeds in volle krijgstoerusting en op alles voorbereid. Langs een dier groote trappen, op welks grond onze tegenwoordige beschaving een geheel huis zou bouwen, gingen de Parijsche jagers naar een of anderen voordeeligen post, de landedellieden, begeerig in dienst te treden, en de met allerlei kleuren opgesmukte lakeien, die den heer de Tréville de boodschappen hunner meesters kwamen brengen, op en af. In de voorkamer zaten de uitverkorenen, dat is te zeggen, zij die genoodigd waren, op lange banken, die een halven cirkel vormden. Van des morgens tot des avonds hoorde men dáár een onafgebroken gemompel, terwijl de heer de Tréville in zijn aangrenzend kabinet bezoeken ontving, klachten aanhoorde, bevelen gaf, en, evenals de koning op zijn balkon van het Louvre, zich slechts voor het venster behoefde te plaatsen, om zijn manschappen en hun wapens in oogenschouw te nemen.
[2] De schrijver doelt op de spreuk van Lodewijk XIV, die tot wapen had aangenomen een zon met dit devies: „_nec pluribus impar_”; d. i. voor zeer vele dingen ben ik genoegzaam; dit kenschetst geheel den trotschen aard van Lodewijk XIV en ook den meer zedigen aard van Lodewijk XIII, dien de schrijver tot spreuk schijnt te geven: „_pluribus impar_”; d. i. voor de meeste dingen ben ik niet berekend.
Op den dag, toen d’Artagnan zich dáár vertoonde, maakte het gezelschap, vooral op een bewoner der provincie, die voor het eerst in de hoofdstad komt, niet weinig indruk; het is waar, dat die buitenman een Gaskonjer was, en dat toen de landgenooten van d’Artagnan den naam hadden niet erg vatbaar voor blooheid te zijn: en waarlijk, zoodra men de zware, met groote, vierkante spijkers beslagene deur door was gegaan, bevond men zich te midden van een troep krijgslieden, die op de binnenplaats op en neer wandelden, elkander toeriepen, met elkander twistten of zich vermaakten. Om zich door dit als bruisende baren woelend gedrang een weg te banen, moest men officier, voornaam heer, of schoone dame zijn. Het was dan te midden van dat gedrang en dien bajert, dat onze jongeling met een kloppend hart voorttrad, zijn langen degen met de eene hand tegen zijn mager been, en met de andere zijn vilten hoed bij den rand houdende, op zijn gelaat den flauwen, verlegen en boerschen glimlach vertoonende van hem, die zijn verlegenheid tracht te verbergen. Zoodra hij een groep voorbij was, schepte hij weder adem, hoewel hij begreep, dat men zich omkeerde om hem na te zien; en voor het eerst van zijn leven vond d’Artagnan, die tot hiertoe van zich zelven een vrij goed denkbeeld had gekoesterd, zich belachelijk. Voor de trap gekomen, was hij in nog grootere verlegenheid; er stonden namelijk op de eerste treden een viertal musketiers, die zich met de volgende uitspanning verlustigden, terwijl tien of twaalf hunner wapenbroeders in het portaal hun beurt afwachtten, om aan het spel deel te nemen. Een hunner, eenige treden hooger staande, belette, of trachtte althans, met den degen in de vuist, de drie anderen het opklimmen van de trap te beletten. De degens van deze drie kliefden als weerlichten de lucht. D’Artagnan hield die klingen aanvankelijk voor schermdegens, welker punten waren verstompt, maar hij bespeurde dra aan eenige schrammen, dat elks wapen integendeel naar eisch was gescherpt en gepunt, en dat bij het toebrengen dier schrammen, niet alleen de toeschouwers, maar ook de strijders een woest gejuich aanhieven. Degene, die op dit oogenblik de trap verdedigde, hield op verwonderlijke wijs de aanvallers tegen. Een drom van toeschouwers omringde de strijders. De voorwaarden van dit spel waren: hij, die geraakt werd, moest zich verwijderen, terwijl ten voordeele van dengene, door wien hij was geraakt, zijn beurt om ter audiëntie te gaan verloren was. In vijf minuten tijds werden er drie licht gekwetst; een aan de hand, de andere aan de kin, de derde aan het oor; alle door den verdediger van de trap, die zelve ongedeerd bleef, welke behendigheid, volgens de bepaalde voorwaarden, hem drie audiëntie-beurten verschafte. Deze uitspanning, inderdaad zoo moeilijk niet als zij verwonderlijk zijn wilde, verbaasde niet weinig onzen jongen reiziger, die in zijn land, waar trouwens de driften zoo spoedig ontvlammen, wat meer voorbereidselen tot een tweegevecht had zien nemen, zoodat de Gaskonjische bluf dezer vier strijders hem alles scheen te overtreffen, wat hij tot hiertoe daarvan, zelfs in _Gaskonje_, had gezien of gehoord. Hij waande zich in dat vermaarde reuzenland, werwaarts in lateren tijd zich Gulliver begaf, en zooveel angst doorstond.
Intusschen bleef er voor d’Artagnan nog veel te zien en te ondervinden over; hij moest nog het portaal over en de antichambre binnen. Op het portaal vocht men niet; men sprak er over liefdes-histories, en in de antichambre over hof-intrigues. Op het portaal bloosde d’Artagnan, in de voorkamer beefde hij; zijn opgewekte en ijlende verbeelding, die hem in _Gaskonje_ voor de jeugdige kameniers niet alleen, maar ook voor hun mevrouwen gevaarlijk maakte, had nooit, zelfs niet in haar oogenblikken van geestvervoering, de helft der liefdewonderen, noch het vierde gedeelte der galante heldendaden gedroomd, welke de beroemdste namen en de minst omsluierde bijzonderheden zoozeer deden uitkomen. En, werd op het portaal zijn zedelijkheid gekwetst, niet minder werd in de voorkamer zijn eerbied voor den kardinaal gekrenkt. Dáár hoorde d’Artagnan tot zijn groote verbazing de staatkunde, welke _Europa_ deed beven, luide gispen, zoowel als de bijzondere leefwijze van den kardinaal, van welke poging ze te doorgronden, zoo vele voorname en machtige edellieden geboet hadden; die groote, door den ouden heer d’Artagnan zoo hoog geschatte man strekte hier ten spot aan de musketiers des heeren de Tréville, en dezen schertsten met zijn kromme beenen en zijn hoogen rug; enkelen zongen schimpliedjes op mevrouw d’Aiguillon, zijn minnares, en mevrouw de Combalet, zijn nicht, en anderen smeedden plannen tegen de pages en de lijfwacht van den hertog-kardinaal; welk een en ander d’Artagnan voor de ongerijmdste dolligheid hield. Intusschen hoorde men bijwijlen den naam des konings onder het geschimp op den kardinaal uitkomen, doch dan was het, alsof een prop eensklaps, voor een poos, al die spottende monden stopte; en men zag schroomvallig rond, den muur van het kabinet des heeren de Tréville wantrouwende. Dra echter deed opnieuw een toespeling het gesprek op Zijne Eminentie neerkomen; het gelach werd dan oorverdoovend, terwijl alle handelingen van den kardinaal zooveel mogelijk toegelicht werden.
„Op mijn woord, al die lieden staan op het punt geëmbastilleerd of gehangen te worden,” dacht d’Artagnan „en ik zonder twijfel met hen; want zoodra ik naar hen luister en hun gesprekken bijwoon, zal ik als hun medeplichtige worden beschouwd. Wat zou mijn vader wel zeggen, hij, die mij den eerbied voor den kardinaal zoo ernstig heeft aanbevolen, indien hij wist in wat heidensch gezelschap ik ben?”--Het behoeft trouwens niet gezegd te worden, dat d’Artagnan zich in het gesprek niet durfde mengen; hij bepaalde zich dus er toe uit al zijn vermogen te luisteren en alles gade te slaan, wat er rondom hem gebeurde, hiertoe van zijn zintuigen met inspanning gebruik makende om vooral niets te laten verloren gaan, zoodat, ondanks de vaderlijke vermaning, hij zich door zijn geaardheid gedreven voelde en door zijn neigingen overgehaald, om hetgeen er plaats had eer te roemen dan te laken. Ondertusschen, volkomen onbekend aan de vele bezoekers van den heer de Tréville, die hem voor het eerst daar zagen, kwam men hem dra vragen wat hij begeerde. Op deze vraag noemde zich d’Artagnan met veel ootmoed, drukte op zijn hoedanigheid van landgenoot en verzocht den kamerdienaar, die hem deze vraag was komen doen, den heer de Tréville voor hem een oogenblik gehoor te verzoeken, welke bede deze op aanmatigenden toon beloofde te zullen overbrengen, wanneer tijd en gelegenheid zulks toelieten.
D’Artagnan, een weinig van zijn eerste verlegenheid hersteld, had nu den tijd, eenigszins de gebruiken gade te slaan en de aangezichten der aanwezenden te beschouwen. Het middelpunt van de luidruchtige groep was een musketier van een zeer hooge gestalte, met trotsche gelaatstrekken, en op een zoo zonderlinge wijze gekleed, dat hij de algemeene aandacht trok. Hij droeg voor het oogenblik niet het uniformbuis, hetwelk in dien minder vrijen doch meer onafhankelijken tijd niet volstrekt verplichtend was, maar een hemelsblauw buis, min of meer kaal en verschoten, en op dat gewaad een prachtigen bandelier met gouden borduursels, schitterende als een kabbelende vliet bij zonneschijn. Een lange, karmozijnroode, fluweelen mantel viel bevallig over zijn schouders, alleen van voren den schitterenden bandelier bloot latende, waaraan een reusachtig rapier hing.
Die musketier kwam juist van de wacht en klaagde over verkoudheid, terwijl hij van tijd tot tijd kuchte. Ook had hij zich daarom met zijn mantel bedekt, zooals hij aan de omstanders zeide. En terwijl hij met opgeheven hoofd sprak en trotsch zijn knevels opstreek, werd zijn geborduurde bandelier met niet weinig geestdrift bewonderd, en wel het meest door d’Artagnan.
„Wat zal ik u zeggen,” riep de musketier, „het wordt de mode; het is een dwaasheid, dat weet ik wel, maar het is niet anders. Buitendien, men mag zich ook wel iets voor het geld der ouderlijke erfenis aanschaffen.”--„O, Porthos!” riep een der omstanders, „tracht ons niet te doen gelooven, dat gij dien bandelier van de ouderlijke gulheid hebt verkregen: eerder van de gesluierde dame, met welke ik u voorgaanden Zondag in den omtrek der poort _St. Honoré_ ontmoette.”--„Neen, ik verzeker u op mijn eer en op mijn woord van edelman, ik heb hem in persoon gekocht, en voor mijn eigen geld,” antwoordde degene, dien men onder den naam Porthos aanduidde.--„Ja, zooals ik die nieuwe beurs heb gekocht,” zeide een andere musketier, „met hetgeen mijn minnares in de oude beurs had gedaan.”--„Neen waarlijk,” hernam Porthos, „en tot bewijs, ik heb er twaalf pistolen voor betaald.”--De bewondering steeg nog, hoezeer de twijfel bleef bestaan.--„Is het niet waar, Aramis?” vroeg Porthos, zich tot een anderen musketier wendende.
Die musketier vormde een buitengewoon kontrast met dengene, die hem ondervroeg, en hem bij den naam van Aramis toeriep. Het was een jongeling van nauwelijks twee of drie en twintig jaar, met een onschuldig en zachtmoedig gelaat, zwarte, kwijnende oogen en rooskleurige, fluweelzachte wangen, als een perzik in den herfst; zijn fijne knevel vormde op zijn bovenlip een volkomen rechte lijn; zijn handen schenen zich niet te durven neerlaten, uit vrees dat hun aderen mochten opzwellen, en bijwijlen kneep hij zich de ooren, om hen een zachte, doorschijnende karmijnkleur te doen behouden. Gewoonlijk sprak hij weinig en langzaam; dikwerf groette hij met een zachten glimlach, terwijl hij zijn tanden liet zien, die zeer fraai waren en voor welke hij groote zorg scheen te dragen, zooals voor het overige van geheel zijn lichaam. Hij beantwoordde de vraag zijns vriends met een hoofdknik.--Dit bevestigend teeken scheen al de twijfelingen ten aanzien van den bandelier te hebben doen ophouden; men ging voort hem te bewonderen, doch men sprak er niet meer over, en door een dier snelle overgangen van denkbeelden veranderde het gesprek eensklaps van onderwerp.
„Wat denkt gij van hetgeen de schildknaap van Chalais verhaalt?” vroeg een ander musketier, zonder zich tot iemand in het bijzonder te richten, maar integendeel deze vraag aan het geheele gezelschap doende.--„En wat verhaalt hij?” vroeg Porthos op hoogen toon.--„Hij verhaalt, dat men Rochefort, den vertrouweling des kardinaals, in het gewaad eens kapucijners te _Brussel_ heeft gezien; die vervloekte Rochefort heeft den heer de Laigues, als een ezel die hij is, fraai om den tuin geleid.”--„Als een waren ezel! maar is de zaak waar?”--„Ik heb het van Aramis gehoord,” antwoordde de musketier.--„Wel zoo!”--„Och! gij weet het immers wel, Porthos!” zeide Aramis. „Ik heb het u immers gisteren verteld, spreken wij er dus niet meer over.”--„Er niet meer over spreken, ziedaar uw gevoelen,” hernam Porthos. „Er niet meer van te spreken! Duivelsch! wat neemt gij spoedig zulk een besluit. Hoe! de kardinaal laat een edelman bespieden, hem zijn brieven ontstelen door een verrader, een gauwdief, een galgenaas; en met behulp van dien verrader, en ten gevolge dezer brieven, Chalais den hals afsnijden, onder het domme voorwendsel dat hij den koning het leven ontnemen en _Monsieur_[3] met de koningin in het huwelijk wilde doen treden! Niemand wist een woord van dat raadsel, en tot onzer aller verbazing deeldet gij het ons gisteren mede, en nu, terwijl wij door die tijding geheel terneergeslagen zijn, komt gij ons aanraden er niet meer van te spreken.”--„Welnu, laat ons er dan over spreken, daar gij het begeert,” hernam Aramis geduldig.--„Indien ik de schildknaap van den armen Chalais ware,” riep Porthos, „dan zou ik dien Rochefort een leelijk oogenblik doen doorbrengen!”--„En gij zoudt een leelijk kwartiertje met den rooden hertog doorbrengen,” hernam Aramis geduldig.--„Ha! ha! de roode hertog! bravo! bravo! de roode hertog!” antwoordde Porthos, in de handen klappende en goedkeurend met het hoofd knikkende. „Roode hertog! een allerliefste naam! Wees gerust, mijn waarde! die aardigheid zal opgang maken. Wat heeft die Aramis toch een vernuft! En hoe ongelukkig, dat gij uw roeping niet hebt kunnen volgen, mijn waarde! wat een lief abtje zou er van u geworden zijn.”--„O! het is slechts een kort uitstel,” antwoordde Aramis, „den een of anderen dag word ik het; gij weet wel, Porthos! dat ik mij daarom in de godgeleerdheid blijf oefenen.”--„Hij zal doen, zooals hij zegt,” hernam Porthos, „vroeg of laat gebeurt het.”--„Vroeg,” zeide Aramis.--„Hij wacht slechts op iets anders, om zijn voornemen te volvoeren en zijn priesterkleed weder aan te trekken, dat nu achter zijn uniformrok hangt!” riep een ander musketier.--„En wat is dat, waarop hij wacht?” vroeg een derde.--„Hij wacht, totdat de koningin de kroon van _Frankrijk_ een erfgenaam zal geschonken hebben.”--„Schertsen wij hierover niet, mijne heeren!” zeide Porthos; „Goddank! de koningin is nog jong genoeg hiervoor.”--„Men zegt, dat de heer de Buckingham in _Frankrijk_ is,” hernam Aramis met een schalkschen lach, die aan deze zoo schijnbaar onnoozele woorden een tamelijk schampere beteekenis gaf.
[3] Dit was de titel van den oudsten broeder des Franschen konings.
„Aramis! mijn vriend! voor dezen keer gaat gij te ver,” viel Porthos hem hierop in de rede, „en uw geestigheid overschrijdt reeds de grenzen; indien de heer de Tréville u hoorde, zouden uw woorden u slecht bekomen.”--„Wilt gij mij een les geven, Porthos!” riep Aramis, in wiens oogen men iets als een bliksemschicht zag flikkeren.--„Mijn waarde! wees musketier of abt, het een of ander; maar niet beiden gelijk,” hernam Porthos. „Zie, Athos zeide het u nog, een paar dagen geleden, dat gij van alle markten te huis zijt! O, vertoorn u niet, bid ik u, dat dient tot niets; gij weet immers, wat tusschen ons is overeengekomen, tusschen u, Athos en mij. En al bezoekt gij mevrouw d’Aiguillon en maakt haar het hof, of mevrouw de Bois-Tracy, de nicht van mevrouw de Chevreuse, van welke dame, zooals men zegt, gij de gunst in zoo hooge mate geniet, daarom, mijn God! behoeft gij uw geluk niet te openbaren, men verlangt uw geheimen niet te doorgronden; men kent uw bescheidenheid. Maar, dewijl gij die deugd bezit, wat duivel, waarom beoefent gij die dan niet ten aanzien Harer Majesteit. Iedereen mag zich, zoo hij wil, met den koning en den kardinaal bezig houden; maar de koningin is heilig, en, wanneer men van haar spreekt, dat het dan ten goede zij.”--„Porthos, gij zijt verwaand als Narcissus. Ik waarschuw u,” antwoordde Aramis, „gij weet, ik haat het zedenpreeken, behalve als Athos zulks doet. Wat u betreft, mijn waarde! gij bezit een al te fraaien bandelier, om hierin uit te munten. Ik zal abt worden, wanneer mij zulks bevalt, intusschen ben ik musketier; en in deze hoedanigheid zeg ik, wat mij in den mond komt, en thans behaagt het mij u te zeggen, dat gij mij verveelt.”--„Aramis!”--„Porthos!”--„Hola! mijne heeren!” riepen de omstanders.
„De heer de Tréville wacht den heer d’Artagnan.”--Dit kwam, het rumoer afbrekende, de lakei berichten, die de deur opende. Op deze aankondiging bewaarden allen het stilzwijgen, terwijl de deur open bleef, en te midden dier algemeene stilte ging de Gaskonjer de antichambre in een gedeelte van haar lengte door, en trad hij bij den kapitein der musketiers binnen, zich van harte geluk wenschende zoo te stade deze zonderlinge twistpartij verlaten te hebben.
HOOFDSTUK III.
De audiëntie.
De heer de Tréville was op dat oogenblik in een zeer kwade luim; echter groette hij zeer beleefd den jongeling, die een zeer diepe buiging maakte, en glimlachte hij, toen hij zich in den Bearneeschen tongval hoorde aanspreken, die hem èn zijn jeugd èn zijn geboorteland herinnerde; een tweevoudige herinnering, die altijd bij den mensch, in welken leeftijd ook, een glimlach op het gelaat brengt. Maar bijna tegelijkertijd de voorkamer naderende, en d’Artagnan een teeken met de hand gevende, als om hem verlof te verzoeken met de anderen te eindigen alvorens met hem te beginnen, riep hij tot driemalen, bij elken uitroep de stem verheffende, zoodat hij al de tusschentonen doorliep van den gebiedenden tot den vergramden: „Athos! Porthos! Aramis!”
De twee musketiers, met wie wij reeds hebben kennis gemaakt, en die op de beide laatste dezer drie namen antwoordden, verlieten onmiddellijk hierop de groep, waartoe zij behoorden, en traden het kabinet binnen, welks deur achter hen toeviel, zoodra zij over den drempel waren. Hun houding, hoewel niet volkomen gerust, wekte echter, door de even waardige als onderworpen ongedwongenheid, de bewondering van d’Artagnan, die in hen halve goden, en in hun opperhoofd een Olympischen Jupiter, zijn bliksems zwaaiende, zag.
Toen beide musketiers de kamer waren binnengetreden, en de deur achter hen was dichtgevallen, toen het gonzend gemompel in de antichambre, hetwelk door de plaats gehad hebbende oproeping nog meer voedsel had verkregen, opnieuw begonnen was, toen eindelijk de heer de Tréville drie of vier malen zijn kabinet in de geheele lengte, in stilte en met gefronste wenkbrauwen, had doorgewandeld, telkens voorbij Porthos en Aramis gaande, die onbeweeglijk en stom als op de parade, en als vastgeworteld stonden, bleef hij eensklaps voor hen staan en hen met zijn vergramden blik van het hoofd tot de voeten metende, riep hij uit: „Weet gij wel, wat mij de koning heeft gezegd, en dat niet later dan gisteren avond, weet gij ’t, mijne heeren?”--„Neen,” antwoordden na een oogenblik zwijgens beide musketiers; „neen, mijnheer, wij weten het niet.”--„Maar wij hopen, dat gij ons de eer zult aandoen, het ons te zeggen,” voegde Aramis er bij op den beminnelijksten toon en met de bevalligste buiging, die hem mogelijk was.--„Hij heeft mij gezegd, dat hij in het vervolg zijn musketiers onder de lijfwachten van den kardinaal zal zoeken.”--„Onder de lijfwachten van den kardinaal, en waarom dat?” vroeg Porthos driftig.--„Omdat hij wel ziet, dat zijn krachtelooze wijn door een vermenging met goeden verbeterd moet worden.”