De Drie Musketiers dl. I en II

Part 29

Chapter 293,605 wordsPublic domain

„Planchet!” zeide d’Artagnan, zijn pistolen overhalende, „ik belast mij met dengene, die boven is; belast gij u met hem, die beneden is. Ha, heeren, gij wilt het gevecht? Welnu, men zal u een gevecht geven!”--„Mijn God!” riep de holle stem van Athos, „ik hoor d’Artagnan, geloof ik.”--„Waarlijk,” zeide d’Artagnan op zijn beurt de stem verheffende, „ik ben het zelf, mijn vriend!”--„Zooveel te beter,” zeide Athos: „wij zullen hun een lesje geven, die deuren-opentrappers.”

De edellieden hadden den degen getrokken; maar zij stonden als tusschen twee vuren; zij aarzelden een oogenblik, maar de hoogmoed hield de overhand en een tweede schop deed de deur in haar lengte kraken.

„Ga op zijde, d’Artagnan! ga op zijde!” riep Athos, „ga op zijde, ik ga schieten.”--„Heeren!” riep d’Artagnan, wien de bezadigdheid nooit verliet; „heeren! weest er op bedacht!.... Geduld, Athos!.... Gij mengt u daar in een slechte zaak, en gij zult u laten doodschieten. Ziehier mijn knecht en ik, die drie schoten op u zullen lossen, terwijl gij uit den kelder evenveel te wachten hebt; vervolgens hebben wij nog onze degens, met welke, dat verzeker ik u, mijn vriend en ik tamelijk handig zijn. Laat mij de bereddering uwer en mijner zaken over. Zoo aanstonds zult gij te drinken hebben, daar geef ik u mijn woord op.”--„Als er overblijft....” bromde de stem van Athos spottend.

De waard voelde het koude zweet langs zijn ruggegraat loopen.--„Wat? als er nog overblijft,” mompelde hij.--„Wat duivel! er moet immers overblijven; wees dus gerust, zij zullen met hun tweeën uw geheelen kelder niet hebben leeggedronken. Mijne heeren! steekt uw degens in de scheede.”--„Welnu, steek gij uw pistolen in uw gordelriem.”--„Gaarne.”--En d’Artagnan gaf het voorbeeld.

Toen zich tot Planchet wendende, gaf hij dezen een wenk, zijn musket bij den voet te zetten. De Engelschen, nu overtuigd, staken al grommende hun degens in de scheede. Men verhaalde hun de geschiedenis der gevangenneming van Athos, en daar het echte edellieden waren, gaven zij den herbergier ongelijk.

„Thans, mijne heeren!” zeide d’Artagnan, „gaat naar uw kamers en binnen tien minuten, verzeker ik u, zal men u alles bezorgen, wat gij kunt verlangen.”--De Engelschen groetten en verwijderden zich.--„Thans, nu ik alleen ben, verzoek ik u, mijn waarde Athos! mij de deur te openen.”--„Onmiddellijk,” zeide Athos.

Daarop hoorde men een groot gerucht van op elkander vallende takkebossen en stommelende balken; het waren de verschansingen en de bolwerken van Athos, die de belegerde zelf omwierp.

Een oogenblik daarna bewoog zich de deur, en men zag het bleeke hoofd van Athos verschijnen, die met een snellen blik de gesteldheid van zaken opnam. D’Artagnan wierp zich aan zijn hals en omhelsde hem teederlijk; toen hem uit dat vochtige verblijf willende trekken, bespeurde hij eerst dat Athos wankelde.--„Zijt gij gewond?” vroeg hij.--„Ik? volstrekt niet: ik ben smoordronken, anders niet, en nooit heeft iemand zooveel gedaan om het te worden. Lieve God! mijn gastheer! ik moet ten minste voor mijn hoofd honderdvijftig flesschen hebben leeggedronken.”--„Barmhartigheid!” riep de herbergier, „als de knecht slechts half zooveel als zijn meester heeft gedronken, ben ik verloren.”--„Grimaud is een lakei van goeden huize, die zich niet zou veroorloven datgene te gebruiken, wat ik gebruik, hij heeft dus alleen uit het stuk gedronken; maar zie eens, ik geloof, dat hij vergeten heeft de kraan te sluiten. Hoort gij het wel loopen?”

D’Artagnan barstte in een luid gelach uit, dat de rilling van den herbergier in een heete koorts veranderde. Tegelijkertijd verscheen Grimaud achter zijn meester, met het musket op den schouder en met een knikkend hoofd, zooals de dronken saters op de schilderijen van Rubens. Hij was van voren en van achteren besproeid met een vette vloeistof, die de herbergier erkende voor zijn beste olijfolie.

De stoet ging de gelagkamer door en nam bezit van de fraaiste kamer der herberg, die d’Artagnan zich eigendunkelijk toeëigende. Onderwijl snelden de herbergier en zijn vrouw met lampen den kelder binnen, die hun zoolang was ontzegd geworden, en waar een akelig schouwspel hen wachtte. Achter de verschansing, waarin Athos een bres had gemaakt om er uit te komen en die uit takkebossen, planken en ledig vaatwerk bestond, alles volgens de vestingbouwkunde op elkander gestapeld, bespeurde men hier en daar, in plassen van olie en wijn zwemmende, de afgekloven beenderen van hammen, terwijl een hoop gebroken flesschen den geheelen linkerhoek van den kelder vulde en een vat, welks kraan was open gebleven, door die opening de laatste druppels van zijn bloed verloor.

Het beeld van verwoesting en dood heerschte daar, zooals de dichter der oudheid zegt, als op een slagveld. Van de vijftig worsten, die aan de balken hadden gehangen, bleven er nauwelijks tien over. Toen drong het gehuil van den herbergier en diens vrouw het gewelf des kelders door; zelfs d’Artagnan werd er door bewogen. Athos verroerde zich niet eens. Maar op de smart volgde de woede. De herbergier wapende zich met een braadspit en stormde het vertrek binnen.

„Wijn!” riep Athos, den herbergier ziende.--„Wijn!” herhaalde de ontstelde waard, „wijn! maar gij hebt voor meer dan honderd pistolen gedronken; ik ben een bedorven, verloren, arm gemaakt man!”--„Och!” zeide Athos, „wij zijn steeds dorstig gebleven.”--„Indien gij u slechts vergenoegd hadt den wijn uit te drinken, maar gij hebt al de flesschen gebroken.”--„Gij hebt mij op een hoop gestooten, die in elkander is gevallen; dit is uw schuld.”--„Al mijn olie is verloren!”--„Olie is de beste balsem voor wonden, en Grimaud moest de wonden wel verbinden, die gij hem hadt toegebracht.”--„Al mijn worsten verslonden.”--„Er zijn ontzettend veel ratten in dien kelder.”--„Gij zult mij alles betalen,” riep de waard, buiten zich zelven.--„Drievoudige kinkel!” zeide Athos, zich oprichtende, maar hij viel oogenblikkelijk weer neder; hij had het overblijfsel zijner krachten vertoond.

D’Artagnan kwam hem te hulp door zijn karwats op te heffen. De herbergier deinsde een schrede achteruit en barstte in geween los.--„Dat zal u leeren,” zeide d’Artagnan, „de gasten, die God u zendt, beleefder te behandelen.”--„God! zeg liever de duivel!”--„Mijn beste vriend! indien gij voortgaat ons de ooren te verscheuren, zullen wij ons alle vier in uw kelder sluiten, om te zien of werkelijk de schade zoo groot is als gij zegt.”--„Welnu dan, edele heeren!” zeide de herbergier, „ik heb ongelijk, ik beken het; maar voor alle zonden is barmhartigheid; gij zijt groote heeren! en ik ben slechts een arm herbergier; gij zult medelijden met mij hebben.”--„O! als gij zoo spreekt,” zeide Athos, „dan breekt gij mij het hart, en de tranen zullen mij de oogen gaan uitloopen, zooals de wijn uit uw vaten. Men is zoo kwaad niet als men er uit ziet. Welaan! kom hier en praten wij eens.”

De herbergier naderde vreesachtig.--„Kom, zeg ik en vrees niet,” ging Athos voort. „Op het oogenblik, dat ik u wilde betalen, had ik mijn beurs op tafel gelegd.”--„Ja, edele heer!”--„Die beurs bevatte zestig pistolen; waar is zij?”--„Ter Griffie neergelegd, edele heer! men zeide, dat het valsch geld was.”--„Welnu, laat u de beurs teruggeven en behoud de zestig pistolen.”--„Maar Uwe Excellentie weet wel, dat de Griffie niets loslaat, wat zij eenmaal in handen heeft; indien het valsch geld ware, was er nog hoop, maar ongelukkig is het goede munt.”--„Schik het met de Griffie, mijn beste man! het raakt mij niet, te meer, daar mij geen frank overblijft.”--„Laat zien,” zeide d’Artagnan, „waar is het oude paard van Athos?”--„In den stal.”--„Hoeveel is het waard?”--„Op zijn hoogst vijftig pistolen.”--„Het is tachtig waard, neem het en wees tevreden.”--„Wat! verkoopt gij mijn paard?” zeide Athos, „verkoopt gij mijn Bajazet? En waarop zal ik te velde trekken? op Grimaud?”--„Ik heb u een ander paard medegebracht,” zeide d’Artagnan.--„Een ander?”--„Een heerlijk!” riep de herbergier.--„Welaan! indien er een ander fraaier en jonger paard is, neem dan het oude en geef te drinken.”--„Wat?” vroeg de volkomen gerustgestelde waard.--„Van den wijn, die achter op de stelling ligt; er zijn nog vijf en twintig flesschen; al de andere zijn door mijn val gebroken. Breng er zes.”--„Maar dat is een bliksemsche kerel!” zeide de herbergier bij zich zelven: „als hij nog slechts veertien dagen blijft en alles betaalt wat hij drinkt, ben ik gered.”--„En vergeet niet,” ging d’Artagnan voort, „vier flesschen van denzelfden aan die Engelsche edellieden te bezorgen.”

„Thans,” zeide Athos, in afwachting van den wijn, „moest gij mij eens verhalen, d’Artagnan, wat er van de anderen is geworden; laat hooren.”

D’Artagnan verhaalde hem, hoe hij Porthos had aangetroffen met een ontwricht been, en Aramis aan tafel, tusschen twee theologanten. Terwijl hij eindigde, trad de herbergier met de gevraagde flesschen binnen en een ham, die gelukkig buiten den kelder was gebleven.

„Het is wel,” zeide Athos, zijn glas en dat van d’Artagnan vullende; „ziedaar wat Porthos en Aramis betreft, maar gij, mijn vriend! wat deert u en wat is u persoonlijk wedervaren? Gij ziet er mij zoo treurig uit.”--„Helaas,” zeide d’Artagnan, „het is omdat ik de ongelukkigste van allen ben!”--„Gij, ongelukkig, d’Artagnan!” riep Athos. „Laat hooren, op wat wijze zijt gij ongelukkig, zeg mij dat eens!”--„Later,” antwoordde d’Artagnan.--„Later! en waarom later? omdat gij gelooft, dat ik te veel gedronken heb, d’Artagnan? Onthoud dit wel: nooit heb ik meer heldere denkbeelden, dan wanneer de wijn in mij is. Spreek dus, ik ben geheel oor.”

D’Artagnan verhaalde zijn avontuur met juffrouw Bonacieux. Athos luisterde naar hem zonder zijn gelaat te vertrekken en toen hij geëindigd had, zeide hij: „Altemaal niets! altemaal niets!” dat was de gewone uitroep van Athos.--„Gij zegt altijd altemaal niets! mijn waarde Athos!” zeide d’Artagnan; „dat past u in het geheel niet, u, die nooit bemind hebt.”--Het doffe oog van Athos schoot eensklaps vuur; maar het was slechts een weerlicht en het werd wederom dof en strak als vroeger.--„Het is waar,” zeide hij bedaard, „ik, ik heb nooit bemind.”--„Gij ziet dan ook wel, ongevoelig hart!” zeide d’Artagnan, „dat gij ongelijk hebt, streng jegens meer teedere harten te zijn.”--„Teedere harten, doorboorde harten!” zeide Athos.--„Wat zegt gij?”--„Ik zeg, dat de liefde een loterij is, in welke hij, die wint, den dood wint. Gij zijt wel gelukkig verloren te hebben, geloof mij, waarde d’Artagnan! En als ik u een raad mag geven, verlies dan altijd.”--„Zij scheen mij zoo oprecht te beminnen.”--„Zij scheen!”--„O! zij beminde mij!”--„Kind! geen mensch of hij heeft, evenals gij, geloofd, dat zijn minnares hem beminde, en geen mensch of hij is door zijn minnares bedrogen geworden.”--„Behalve gij, Athos! die er nooit een hebt gehad.”--„Dat is waar,” zeide Athos na een oogenblik zwijgens, „ik heb er nooit een gehad. Laat ons drinken.”

„Maar dan, groote wijsgeer!” zeide d’Artagnan, „onderwijs mij, ondersteun mij; ik heb noodig te leeren en getroost te worden.”--„Waarover u te troosten?”--„Over mijn ongeluk.”--„Uw ongeluk is belachenswaard,” zeide Athos, de schouders ophalende; „ik zou wel willen weten, wat gij zeggen zoudt, indien ik u een zekere liefdesgeschiedenis verhaalde.”--„Die u is gebeurd?”--„Of een mijner vrienden, dat doet er niet toe.”--„Verhaal, Athos! verhaal!”--„Drinken is beter.”--„Drink en verhaal.”--„Nu, dat kan,” zeide Athos, zijn glas ledigende en weder vullende: „die beide dingen gaan heerlijk samen.”--„Ik luister,” zeide d’Artagnan.

Athos overpeinsde en intusschen zag d’Artagnan hem verbleeken; hij was op die hoogte der gewone drinkers, wanneer deze neervallen en slapen. Hij droomde luide, zonder te slapen. Dat somnambulisme der dronkenschap had iets verschrikkelijks.--„Wilt gij het volstrekt?” vroeg hij.--„Ja, ik verzoek er u om.”--„Dan zal ik doen, wat gij verlangt. Een mijner vrienden,--een mijner vrienden, hoort gij wel? niet ik,” zeide Athos, zijn rede met een somberen glimlach afbrekende, „een der graven mijner provincie,--dat is van _Berry_, edel als een Dandolo of een Montmorency, verliefde, vijf en twintig jaar oud zijnde, op een meisje van zestien jaar, schoon als de liefde. Boven de onschuld van haar ouderdom blonk uit: een vurige geest, een niet vrouwelijke, maar dichterlijke geest. Zij behaagde niet, zij bedwelmde; zij woonde in een klein gehucht, bij haar broeder, die pastoor was. Beiden waren als vreemden in de provincie gekomen. Men wist niet, van waar zij kwamen en aangezien men haar zoo schoon en haar broeder zoo vroom vond, dacht men er niet eens aan hun te vragen, van waar zij kwamen. Overigens hield men het er voor, dat zij van goede afkomst waren. Mijn vriend, die landheer was, zou haar hebben kunnen verleiden, of naar willekeur met haar handelen; want hij was de meester; immers, wie zou twee vreemdelingen, twee onbekenden te hulp zijn gekomen; maar helaas, hij was een eerlijk man; hij huwde haar. De dwaas, de gek, de dommerik!”--„En waarom? hij beminde haar immers?” zeide d’Artagnan.--„Wacht een oogenblik!” zeide Athos. „Hij geleidde haar in zijn kasteel en maakte van haar de eerste dame der provincie; en het moet gezegd worden, zij deed volkomen haar rang eer aan.”--„En verder,” vroeg d’Artagnan.

„Welnu! op zekeren dag, dat zij met haar man op jacht was,” ging Athos met gesmoorde stem en zeer haastig sprekende voort, „viel zij bewusteloos van het paard. De graaf snelde te harer hulp en daar zij in haar kleederen als verstikte, sneed hij ze met zijn dolk los en ontblootte haar den schouder. Raad eens, wat zij op den schouder had, d’Artagnan?” vroeg Athos, in luid gelach uitbarstende.--„Kan ik het weten?” zeide d’Artagnan.--„Een lelie,”[9] hernam Athos, „zij was gebrandmerkt!”--En hij ledigde in één teug het glas, dat hij in de hand hield.

[9] Voor 1789 geschiedde in Frankrijk het brandmerken door dit teeken, gelijk later door de letters T. F. (travaux forcés).

„Wat afschuwelijkheid verhaalt gij mij daar!” riep d’Artagnan.--„De waarheid, mijn waarde! de engel was een duivelin. Het arme kind had gestolen.”--„En wat deed de graaf?”--„De graaf was een groot heer en oppermachtig rechter op zijn landgoederen; hij ging voort met de kleederen der gravin te verscheuren, bond haar de armen op den rug en hing haar op aan een boom.”--„Hemel! Athos! een moord!” riep d’Artagnan.--„Ja, een moord!” zeide Athos, bleek als een lijk; „maar men laat ons wijn ontbreken, geloof ik.”

En Athos greep de laatste flesch, die overbleef, bij den hals, zette die aan den mond en dronk ze in één teug leeg, alsof het een gewoon glas ware geweest. Vervolgens liet hij zijn hoofd in beide handen zinken; d’Artagnan bleef voor hem zitten, van ontzetting vervuld.

„Dat heeft mij van den hartstocht voor schoone, dichterlijke en verliefde vrouwen genezen,” zeide Athos, zich opheffende, zonder er aan te denken het verhaal van den graaf te vervolgen; „dat God evenzoo met u handele. Drinken wij nog eens.”--„Dus zij is dood?” stamelde d’Artagnan.--„_Parbleu_!” antwoordde Athos. „Maar reik uw glas toe.--Ham! snaak!” riep Athos, „wij kunnen niet meer drinken.”--„Maar haar broeder?” vroeg d’Artagnan verder schroomvallig.--„Haar broeder!” hernam Athos.--„Ja, de priester.”--„O! ik deed onderzoek naar hem, om ook hem te doen ophangen; maar hij was mij vóór geweest; hij had zijn standplaats den vorigen dag verlaten.”--„En heeft men vernomen, wat die ellendeling eigenlijk was?”--„Het was de eerste minnaar en de medeplichtige der schoone, een achtenswaardig man, die zich als priester voordeed, om zijn minnares een huwelijk te bezorgen en haar lot te verzekeren. Hij zal gevierendeeld zijn, hoop ik.”--„Ach, mijn God! mijn God!” zuchtte d’Artagnan, geheel ontroerd door deze akelige geschiedenis.--„Eet toch van die ham, d’Artagnan! zij is overheerlijk,” zeide Athos, een snede afsnijdende, die hij op het bord des jongelings legde. „Hoe jammer dat er niet vier zoodanige in den kelder zijn geweest, ik zou vijftig flesschen meer hebben gedronken.”

D’Artagnan vermocht niet langer een gesprek vol te houden, dat hem krankzinnig zou hebben gemaakt; hij liet zijn hoofd in beide handen vallen en hield zich, alsof hij in slaap viel.

„Het jonge geslacht kan niet meer drinken,” zeide Athos, hem medelijdend beschouwende; „en toch is hij nog de beste.”

HOOFDSTUK XXVIII.

Terugkomst.

D’Artagnan was als verpletterd door de vreeselijke mededeeling van Athos. Veel duisters was er nog voor hem in die halve vertrouwelijkheid. Vooreerst was dat verhaal gedaan door een volkomen beschonken man aan een half dronken man; en echter, ondanks die ledigheid, welke twee of drie flesschen krachtige Bourgognewijn in de hersens doet ontstaan, herinnerde zich d’Artagnan, toen hij des morgens ontwaakte, al de woorden van Athos even goed, alsof ze, naar gelang zij uit den mond van den eenen vielen, in den geest des anderen waren ingedrukt geworden. Die twijfel wekte te grootere begeerte in hem om tot zekerheid te geraken, en hij begaf zich tot zijn vriend, met het vaste besluit het gesprek van den vorigen dag weder aan te knoopen; maar hij vond Athos geheel van zin veranderd, dat is, de slimste en geheimhoudendste man der wereld.

Overigens kwam de musketier, na een handdruk en een glimlach met hem te hebben gewisseld, hem het eerst tegemoet, alsof hij hem begrepen had.--„Ik was gisteren erg dronken, mijn waarde d’Artagnan!” riep hij; „ik voelde dit hedenmorgen aan mijn tong, die nog zeer zwaar, en aan mijn pols, die erg driftig was. Ik wed, dat ik duizenderlei dwaasheden heb uitgekraamd.”--En deze woorden zeggende, beschouwde hij zijn vriend met een zoo strakken blik, dat deze verlegen werd.

„Wel neen,” zeide d’Artagnan, „en indien ik mij wèl herinner, hebt gij niets dan over gewone zaken gesproken.”--„Wel! gij verbaast mij, ik meende u een allerakeligste geschiedenis te hebben verhaald.”--En hij beschouwde den jongeling, alsof hij in het diepste zijner ziel had willen lezen.

„Waarachtig!” zeide d’Artagnan, „het schijnt, dat ik nog erger beschonken ben geweest dan gij, dewijl ik mij volstrekt niets herinner.”

Athos rekende zich niet voldaan door dat antwoord en hernam: „Het kan niet anders, of gij moet hebben opgemerkt, mijn waarde vriend, dat iedereen een eigenaardige dronkenschap bezit: treurig of blijde. Ik heb een droefgeestige dronkenschap over mij en eenmaal te veel gedronken hebbende, voel ik mij gedreven al de akelige histories te verhalen, die mijn zotte voedster mij in de hersens heeft geprent. Dat gebrek heb ik; waarlijk een groot gebrek, dat beken ik; maar overigens ben ik een goed drinker.”--Athos zeide dit op een zoo natuurlijken toon, dat d’Artagnan in zijn overtuiging wankelde.

„Ei, is het dan dat, wat ik mij herinner,” hernam de jongeling, trachtende achter de waarheid te komen, „maar ik herinner het mij trouwens als een droom, dat wij over gehangenen hebben gesproken.”--„Ha! ziet gij wel,” zeide Athos verbleekende, doch trachtende te glimlachen; „ik was er zeker van; gehangenen zijn voor mij als de nachtmerrie.”--„Ja, ja,” hernam d’Artagnan, „ziedaar, ik begin het mij te herinneren; het betrof.... wacht eens, het betrof een vrouw.”--„Ziet gij wel,” antwoordde Athos, bijna lijkkleurig wordende, „dat is mijn stokpaardje, de geschiedenis dier blonde vrouw, en wanneer ik die verhaal, ben ik smoordronken.”--„Ja, dat is zoo,” zeide d’Artagnan, „de geschiedenis der groote, schoone blonde vrouw, met blauwe oogen.”--„Ja, en gehangen.”--„Door haar man, die een groot heer, een uwer vrienden was,” ging d’Artagnan voort, Athos scherp aanziende.--„Zie nu eens hoe men iemand zou kunnen benadeelen, wanneer men niet meer weet wat men zegt,” hernam Athos, de schouders ophalende, alsof hij over zich zelven medelijden gevoelde. „Het is uit, ik wil mij geen roes meer drinken, d’Artagnan! het is een al te slechte gewoonte.”

„A propos!” zeide Athos, „ik dank u voor het paard, dat gij voor mij hebt medegebracht.”--„Is het naar uw zin?”--„Ja, maar het is geen paard, dat veel vermoeienissen kan doorstaan.”--„Dat hebt ge mis, ik heb er tien mijlen in anderhalf uur mede afgelegd, en men werd hiervan evenmin iets gewaar, alsof het het plein St. Sulpice had omgereden.”--„Zoo, zoo! maar gij zult maken dat ik berouw krijg.”--„Berouw?”--„Ja, ik heb er mij van ontdaan.”--„Hoedat?”--„Ziehier de toedracht der zaak: heden ochtend ontwaakte ik om zes uur. Gij sliept als een roos; ik wist niet, waarmede den tijd te verdrijven en was nog geheel bedwelmd ten gevolge onzer drinkpartij van gisteren. Ik begaf mij in de gelagkamer, waar ik een van onze Engelschen aantrof, die met een paardenkooper in onderhandeling was over den aankoop van een paard, daar het zijne gisteren door een bloedstorting gestorven was. Ik naderde en hem honderd pistolen hoorende bieden voor een rosachtig paard, zeide ik hem:

„‚_Pardieu_! edele heer! ik heb ook een paard te koop.’--‚En zelfs een zeer fraai,’ zeide deze, ‚ik heb het gisteren gezien, toen de knecht van uw vriend het bij den toom hield.’--‚Vindt gij, dat het honderd pistolen waard is?’--‚Ja, wilt gij het mij voor dien prijs geven?’--‚Neen, maar ik wil er om spelen.’--‚Waarmede?’--‚Met dobbelsteenen.’

„Zoo gezegd, zoo gedaan en ik verloor het paard; maar, het is waar,” ging Athos voort, „ik heb het dekkleed teruggewonnen.”

D’Artagnan maakte een tamelijk onvriendelijk gebaar.

„Is u dat onaangenaam?” vroeg Athos.--„Ja, ik beken het,” hernam d’Artagnan, „dat paard moest dienen om ons op het slagveld te doen herkennen; het was een onderpand, een gedachtenis. Athos! gij hebt niet wel gedaan.”--„Wel, mijn beste vriend! stel u in mijn plaats,” hernam de musketier; „ik verveelde mij doodelijk, en dan, op mijn eer, ik houd niet van Engelsche paarden. En daarbij, wanneer het alleen moest dienen om ons te doen herkennen, dan is het dekkleed hiertoe voldoende; het is merkwaardig genoeg. Wat het paard betreft, wij zullen wel een of andere verontschuldiging vinden om zijn verdwijning te verklaren. Wat duivel! een paard is sterfelijk; stellen wij, dat het mijne de snot of het schurft heeft gehad.”

D’Artagnan keek er niet vroolijker om.