De Drie Musketiers dl. I en II
Part 28
„Thans blijft ons nog over, eenig nieuws van Athos te vernemen,” zeide d’Artagnan tot den lustigen Aramis, na hem te hebben verhaald, wat er in de hoofdstad was voorgevallen sedert hun vertrek, en een voortreffelijk maal den eenen zijn thesis, den anderen zijn vermoeidheid had doen vergeten.--„Gelooft gij dan, dat hem een ongeluk is overkomen?” vroeg Aramis; „Athos is zoo koelbloedig, zoo dapper, gaat zoo behendig met den degen om.”--„O ja! zonder twijfel, en niemand erkent meer den moed en de behendigheid van Athos dan ik; maar ik voel liever op mijn degen den stoot eener lans dan dien van stokken: ik vrees, dat Athos door de knechts is afgerost geworden; knechts zijn lieden, die er hard op slaan en niet gauw uitscheiden. Ziedaar, waarom ik, om het u te zeggen, zoo spoedig mogelijk wilde vertrekken.”--„Ik zal trachten u te vergezellen,” zeide Aramis, „hoewel ik mij nog niet sterk genoeg gevoel te paard te rijden. Gisteren beproefde ik de roede, die gij daar ziet hangen, maar de smart dwong mij, die vrome oefening af te breken.”--„Stil, mijn vriend! men heeft immers nooit gehoord, dat men geweerschoten met roedeslagen geneest; maar gij waart ziek en de ziekte verzwakt, zoodat ik u verontschuldig.”--„En wanneer vertrekt gij?”--„Morgen, zoodra de dag aan den hemel is; rust van nacht goed uit, en morgen, indien gij kunt, zullen wij samen vertrekken.”--„Tot morgen,” zeide Aramis, „want hoe ijzersterk gij ook moogt zijn, moet gij rust hebben.”
Den volgenden dag, toen d’Artagnan de kamer van Aramis binnentrad, vond hij dezen voor het venster.--„Wat beschouwt gij toch?” vroeg d’Artagnan.--„Wel, ik bewonder die drie kostelijke paarden, welke de staljongen bij den toom houdt: dat is een vorstelijk vermaak, op dergelijke paarden te reizen.”--„Welnu, mijn waarde Aramis! gij kunt u dat vermaak verschaffen, want een dier paarden behoort u.”--„Och kom! En welk?”--„Dat van de drie wat gij verkiest, ik heb geen verkiezing.”--„En behoort dat rijke dekkleed mij ook?”--„Wel zeker.”--„Gij schertst, d’Artagnan!”--„Ik scherts niet meer, sedert gij Fransch spreekt.”--„En die vergulde pistoolholsters, dat fluweelen schabrak en dat met zilveren spijkers beslagen zadel behooren mij?”--„Aan u, zoowel als dat brieschende paard aan mij, en dat steigerende paard aan Athos.”--„Duivelsch! dat zijn schoone, drie schoone paarden.”--„Het is mij aangenaam, dat zij naar uw zin zijn.”--„Heeft de koning ze u ten geschenke gegeven?”--„De kardinaal althans niet; maar bekommer er u niet over van wien zij afkomstig zijn, en wees slechts indachtig, dat een der drie u behoort.”--„Ik houd dat, hetwelk door dien rossen staljongen wordt vastgehouden.”--„Best!”
„Lieve God,” riep Aramis, „dat verdrijft het overblijfsel van al mijn pijn; ik zou dat paard berijden met dertig kogels in het lijf. O, bij mijn ziel! wat heerlijke stijgbeugels! Hier, Bazijn! rep u, kom oogenblikkelijk!”--Bazijn verscheen zwijgend en stil op den drempel der deur.--„Scherp mijn degen, maak mijn hoed in orde, klop mijn mantel uit en laad mijn pistolen!” beval Aramis.--„Die laatste aanbeveling is overbodig,” viel d’Artagnan hem hierop in de rede, „er zijn geladen pistolen in de holsters.”--Bazijn zuchtte.--„Welaan, meester Bazijn! stel u gerust,” zeide d’Artagnan, „men verdient het koninkrijk des Hemels in alle betrekkingen.”--„Mijnheer was reeds een zoo goed theologant,” zeide Bazijn, bijna huilende, „hij zou bisschop, misschien kardinaal zijn geworden.”--„Maar, mijn arme Bazijn! komaan, overweeg eens: waartoe dient het een geestelijke te zijn, bid ik u; men vermijdt hierdoor toch niet ten oorlog te gaan; gij ziet wel, dat de kardinaal den eersten veldtocht mede zal maken, met den helm op het hoofd en den degen in de vuist; en wat zegt gij van den heer Nogaret de la Valette? Ook deze is kardinaal, maar vraag eens aan zijn lakei, hoe dikwijls hij pluksel voor hem heeft gereed gemaakt.”--„Helaas!” zuchtte Bazijn, „ik weet het, mijnheer! alles is tegenwoordig in de wereld omgekeerd.”
Onderwijl waren beide jongelieden en de lakei naar beneden gegaan.--„Houd mij den stijgbeugel, Bazijn!” zeide Aramis en sprong in den zadel met zijn gewone vlugheid en bevalligheid; maar na eenige wendingen en steigeringen van het edele dier gevoelde zijn berijder zulke hevige smarten, dat hij verbleekte en wankelde. D’Artagnan, die, zulks voorziende, hem niet uit het oog had verloren, ijlde naar hem toe, ondersteunde hem in zijn armen en geleidde hem naar zijn kamer.
„Het is wèl, mijn waarde Aramis! verzorg u nog eenigen tijd, ik zal Athos alleen zoeken.”--„Gij zijt een stalen mensch!” zeide Aramis.--„Neen, ik ben gelukkig, dat is al; maar op wat wijze zult gij, mij wachtende, den tijd verdrijven? daar gij nu geen thesis, geen uitleggingen der vingers en zegeningen te maken hebt, wel!”--Aramis glimlachte.--„Ik zal verzen maken,” zeide hij.--„Ja, welriekende verzen, van denzelfden geur als het briefje der kamenier van mevrouw de Chevreuse. Leer Bazijn ook rijmen, dat zal hem volmaken; en berijd alle dagen eenige oogenblikken het paard, dat zal u weder aan het rijden gewennen.”--„O! wees gerust,” zeide Aramis, „gij zult mij bereid vinden u te volgen.”
Zij namen van elkander afscheid, en tien minuten later draafde d’Artagnan, na zijn vriend aan Bazijn en aan de herbergierster te hebben aanbevolen, den weg naar _Amiëns_ op.
Op wat wijze wilde hij Athos wedervinden, en zou hij hem wel vinden?--De toestand, waarin d’Artagnan Athos had gelaten, was slecht, en deze laatste kon wel bezweken zijn. Die gedachte verduisterde het voorhoofd van d’Artagnan en deed hem bij zich zelven eenige wraakgeloften prevelen. Van al zijn vrienden was Athos de oudste, en ook oogenschijnlijk het minst met zijn smaak en neigingen in overeenstemming. Echter schonk hij dien edelman boven allen de voorkeur.
Het edel en voornaam voorkomen van Athos, de weerlichten van grootheid, die bijwijlen de duisternis doorkliefden, waarmede hij zich vrijwillig omringde, die onafgebroken gelijkheid van karakter, die zijn omgang tot den gemakkelijksten van de wereld maakte, die gedwongen, bijtende scherts, die moed, welken men blind zou hebben genoemd, indien hij niet het gevolg van de zeldzaamste koelbloedigheid ware geweest; al die hoedanigheden wekten bij d’Artagnan meer achting, meer dan vriendschap op, zij wekten zijn bewondering.
En waarlijk, zelfs bij den heer de Tréville vergeleken, stak de edele en smaakvolle hoveling, Athos, in zijn oogenblikken van goede luim, voordeelig uit; hij was van middelmatige grootte, maar die gestalte was zoo verwonderlijk fier, zoo wel geëvenredigd, dat hij meer dan eens, in zijn worstelingen met Porthos, den reus had doen bukken, wiens kracht tot een spreekwoord onder de musketiers was geworden; zijn hoofd, met zijn doordringende oogen, zijn gebogen neus, en de kin als die van Brutus gesneden, hadden een onbeschrijfelijke uitdrukking van grootheid en bevalligheid; zijn handen, voor welke hij niet de minste zorg droeg, maakten Aramis wanhopig, die de zijne met amandelzalf en welriekende oliën fraai hield; de klank zijner stem was krachtig en tevens welluidend; en verder, wat in Athos het onbegrijpelijkste was, was die fijne kennis van de wereld en der gewoonten van de hoogste rangen, die welopgevoedheid, die als buiten zijn weten in zijn minste handelingen doorstraalde.
Betrof het een gastmaal, dan wist Athos het beter dan iemand te regelen, elken genoodigde de plaats en den rang gevende, welke hem zijn voorouders nagelaten of hij zich zelven bezorgd had. Betrof het de geslacht-wapenkunde, dan was het wederom Athos, die al de adellijke familiën des koninkrijks kende, zoowel als hun oorsprong, hun verbintenissen, hun wapenschilden en den oorsprong er van. Er was niets, wat de welgemanierdheid betrof, of hij kende het in de minste bijzonderheden, hij kende de rechten der groote grondeigenaars en was doorkneed in de wild- en valkenjacht; zelfs op zekeren dag, dat hij over die groote kunst sprak, verbaasde hij koning Lodewijk XIII, die er toch een meester in was.
Zooals al de voorname lieden van dien tijd, verstond hij de rij- en de schermkunst in de volmaaktheid. Wat meer is, zijn opvoeding was zoo weinig veronachtzaamd, zelfs ten aanzien der schoolstudiën, welke zoo zelden bij de edellieden van dien tijd beoefend werden, dat hij glimlachte bij de brokken latijn van Aramis, welke Porthos den schijn aannam te begrijpen; twee of drie malen zelfs was het hem, tot groote verwondering zijner vrienden, gebeurd, Aramis terecht te helpen, wanneer deze aan een werkwoord een verkeerden tijd en aan een naamwoord een verkeerden naamval gaf; daarenboven was zijn eer onkreukbaar, en dit in een eeuw, waarin de krijgsman zoo gereedelijk zijn geloof en zijn geweten verzaakte, de minnaars met de strenge kieschheid onzer dagen en de armen met het zevende gebod spotten. Athos was dus een buitengewoon mensch.
En nochtans zag men die uitstekende natuur, dat zoo welgevormd schepsel, die zoo reine ziel van lieverlede tot het stoffelijke leven overhellen, zooals de grijsaard naar de zoowel lichamelijke als zedelijke verstomping. Athos, in zijn oogenblikken van afzondering, en die oogenblikken waren veelvuldig, was als uitgedoofd in hetgeen zijn glans daarstelde, en zijn schitterende hoedanigheden verdwenen als in een diepen nacht. Athos, die meer dan mensch scheen, half-God, was in die oogenblikken nauwelijks mensch. Zijn hoofd hing hem op de borst, zijn oog was dof, zijn spraak zwaar en moeilijk. Athos hield dan, gedurende een uur achter elkander, zijn oog hetzij op zijn flesch en zijn glas gevestigd, hetzij op Grimaud, die gewoon op zijn wenken te gehoorzamen, in den starren blik zijns meester tot zelfs de minste begeerte las, die hij oogenblikkelijk vervulde. Waren de vier vrienden in die oogenblikken vereenigd, dan was een enkel, met geweldige moeite uitgebracht woord het eenige deel, dat Athos in het gesprek nam. Maar daarentegen dronk Athos alleen meer dan vier, zonder dat men zulks aan hem kon bespeuren, dan alleen door een meerder fronsen der wenkbrauwen en een diepere droefgeestigheid.
D’Artagnan, wiens doordringenden en onderzoekenden aard wij kennen, had, welk belang hij er ook in stelde om zijn nieuwsgierigheid te dien aanzien te voldoen, tot hiertoe de oorzaak dier wezenloosheid niet kunnen ontdekken. Nooit ontving Athos brieven, nooit deed Athos iets, dat niet al zijn vrienden wisten. Men kon niet zeggen, dat het de wijn was, welke hem die droefgeestigheid veroorzaakte; want, integendeel, hij dronk slechts, om ze te bestrijden, maar dit middel deed hem nog somberder worden. Men kon die verregaande zwartgalligheid ook aan het spel niet wijten; want Porthos, integendeel, vergezelde met gezang of gevloek al de wisselingen der fortuin, terwijl Athos even onverschillig bleef, of hij won of verloor.... Men had hem eens op zekeren avond in een gezelschap van musketiers drie duizend pistolen zien winnen, verliezen, vervolgens zijn paard verliezen, zijn wapens, zelfs den met goud geborduurden galabandelier; dit alles wederom herwinnen en daarenboven nog honderd louis d’or, zonder dat zijn fraaie, zwarte wenkbrauwen een lijn hooger of lager zich vertrokken, zonder dat zijn handen haar parelachtigen weerschijn hadden verloren, zonder dat zijn gesprekken, die dien avond zeer aangenaam waren, opgehouden hadden kalm en vroolijk te zijn. Het was ook niet, zooals bij onze naburen de Engelschen, de invloed van de weersgesteldheid, die hem somber stemde, want zijn droefgeestigheid was gewoonlijk grooter in het schoonste jaargetijde: Juni en Juli waren voor Athos verschrikkelijke maanden. Voor het tegenwoordige was hij niet verdrietig, hij haalde de schouders op, wanneer men hem over de toekomst sprak; zijn geheim was in het verledene, zooals men het bedenkelijk aan d’Artagnan had te kennen gegeven. Dat geheimzinnige waas, dat over geheel zijn wezen lag verspreid, maakte den man nog belangrijker, wiens oogen noch mond, zelfs in de verregaandste dronkenschap, iets hadden laten ontglippen, hoe behendig de vragen ook waren geweest, die men tot hem richtte.
„Ach!” dacht d’Artagnan, „de arme Athos is misschien dood en door mijn schuld gestorven; want ik was het, die hem in de zaak heb betrokken, van welke hij de oorzaak niet kende, van welke hij de gevolgen niet zal kennen en welke hem geen het minste voordeel kon opleveren.”--„Zonder daarbij te rekenen,” antwoordde Planchet, „dat wij hem waarschijnlijk het leven zijn verschuldigd. Herinnert gij u nog, hoe hij ons toeriep: ‚Voort, d’Artagnan, ik ben gevangen.’--En na zijn twee pistolen te hebben gelost, wat vreeselijk geweld hij met zijn degen maakte! Men zou gemeend hebben, dat er twintig mannen, of liever twintig razende duivels aan den gang waren.”--Daar deze woorden de vurigheid van d’Artagnan nog meer aanprikkelden, spoorde hij zijn paard aan, dat, niet noodig hebbende te worden aangespoord, zijn ruiter in galop meevoerde.
Tegen elf uur bespeurde men _Amiëns_; te half twaalf was men voor de deur der vervloekte herberg. D’Artagnan had dikwijls bij zich zelven overlegd, op welke wijze hij op den verraderlijken waard een dier goede wraaknemingen zou nemen, welke reeds bij voorbaat troosten. Hij trad dan de herberg binnen, met den vilten hoed op de oogen gedrukt, de linkerhand op de greep van zijn degen latende rusten, en zijn karwats in zijn rechterhand zweepende.
„Herkent gij mij?” vroeg hij den herbergier, die naderde om hem te groeten.--„Ik heb niet de eer, Excellentie!” antwoordde deze, nog verblind door de schitterende vertooning, die d’Artagnan maakte.--„Ha! gij kent mij niet?”--„Neen, edele heer!”--„Nu, dan zullen twee woorden mij u wel doen herinneren. Wat hebt gij met den edelman uitgevoerd, dien gij de stoutheid hadt, ongeveer veertien dagen geleden, als een valschen munter te behandelen?”--De herbergier verbleekte, want d’Artagnan had een dreigende houding aangenomen en Planchet volgde het voorbeeld zijns meesters.--„Ach, edele heer! spreek er mij niet van!” riep de herbergier op een huilenden toon, „ach, edele heer! hoe zwaar heb ik dien misslag geboet. Ach, ongelukkige die ik ben!”--„Ik vraag u, wat er van dien edelman is geworden?”--„Gelieve mij aan te hooren, edele heer! en wees barmhartig. In Godsnaam, ga zitten.”--D’Artagnan, stom van woede en ongerustheid, zette zich dreigend als een rechter. Planchet leunde trotsch tegen den rug van d’Artagnan’s stoel.
„Ziehier hoe het zich heeft toegedragen, edele heer!” hernam de herbergier bevende, „want nu herken ik u, gij waart het, die u verwijderde, toen ik met den edelman, van wien gij spreekt, dien rampzaligen twist had.”--„Ja, dat ben ik, gij hebt dus geen genade te wachten, indien gij niet volkomen de waarheid zegt.”--„Gelieve mij aan te hooren en gij zult alles weten.”--„Ik luister.”
„Ik was door de overheid verwittigd, dat een befaamde valsche munter, in gezelschap van eenige zijner makkers, in mijn herberg zou aankomen, allen vermomd in het gewaad der gardes, of in dat der musketiers. Uw paarden, uw lakeien, uw gelaat, edele heer! was mij aangeduid.”--„Vervolgens, vervolgens?” zeide d’Artagnan, die dadelijk begreep, vanwaar het zoo nauwkeurig opgegeven signalement kwam.--„Ik nam derhalve, volgens de bevelen der overheid, die mij een versterking van zes mannen zond, de noodige maatregelen, ten einde mij van de personen der gewaande valsche munters meester te maken.”--„Al weer!” riep d’Artagnan, wien dat woord van valsche munters vreeselijk het oor kittelde.--„Vergeef mij, mijnheer! zoo ik dat woord uitspreek; maar hierin bestaat juist mijn verontschuldiging. Voor de overheid was ik bevreesd, en gij weet, dat een herbergier haar moet ontzien.”--„Maar nog eens, waar is die edelman? wat is er van hem geworden? Is hij dood? Is hij levend?”--„Geduld, mijnheer! wij zijn er.”
„Er gebeurde dan wat gij weet, en hetgeen uw overhaast vertrek,” voegde de herbergier er bij met een geslepenheid, die d’Artagnan niet ontging, „scheen te wettigen. Die edelman, uw vriend, verdedigde zich wanhopend. Zijn knecht, die door een onvoorzien toeval twist met de als staljongens verkleede gerechtslieden gezocht had....”--„O, ellendeling!” riep d’Artagnan, „gij waart het allen eens, en ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik u niet allen vermorzel!”--„Helaas! neen, edele heer! wij waren het allen niet eens, en gij zult het hooren. Mijnheer uw vriend! (vergeef mij, dat ik hem niet bij zijn edelen naam noem, dien hij zeker bezit, maar wij kennen hem niet), mijnheer uw vriend, na met twee pistoolschoten twee mannen buiten gevecht te hebben gesteld, week achteruit, terwijl hij zich met zijn degen verdedigde, met welken hij nog een mijner mannen kwetste, en met het plat er van mij buiten kennis deed neertuimelen.”--„Maar, beul! zult gij eindigen,” riep d’Artagnan, „Athos! hoe is het met Athos afgeloopen?”--„Terwijl hij dan achteruit deinsde, zooals ik aan Uwe Excellentie heb gezegd, ontmoette hij achter zich de trap van den kelder, en daar de deur open stond, sprong hij er in. Eenmaal in den kelder, maakte hij zich van den sleutel meester en versperde de deur van binnen.... Dewijl men zeker was hem daar weer te vinden, liet men hem met rust.”--„Ja,” zeide d’Artagnan, „men wilde hem niet zoozeer het leven ontnemen dan wel gevangen nemen.”
„Gerechte God! hem gevangen nemen, edele heer! hij heeft zich zelven gevangen genomen, dat zweer ik u. Vooreerst had hij een zwaar werk verricht; een man was onder zijn slagen bezweken, en twee anderen gevaarlijk gekwetst. De doode en de beide gekwetsten werden door hun makkers weggevoerd, en nooit heb ik weer van den een, noch van den ander hooren spreken. Toen ik weder tot bewustzijn kwam, ging ik den heer gouverneur bezoeken, aan wien ik al het voorgevallene verhaalde, hem vragende wat ik met den gevangene moest doen; maar de heer gouverneur was alsof hij uit de wolken viel; hij zeide mij, dat hij volstrekt niet wist, wat ik zeggen wilde, dat de bevelen, die mij gegeven waren, volstrekt niet van hem kwamen, en dat, indien ik het ongeluk had, aan wien het ook ware, te zeggen, dat hij het minste deel in die opschudding had gehad, hij mij zou doen hangen. Het schijnt, dat ik mij bedrogen had, mijnheer! en den een voor den ander had aangehouden, zoodat degene, dien men had moeten aanhouden, zich gered heeft.”
„Maar Athos?” riep d’Artagnan, wiens ongeduld ten top steeg, hoorende hoe de overheid de zaak aan zich zelve had overgelaten. „Wat is er van Athos geworden?”--„Daar ik nu verlangend was zoo spoedig mogelijk het ongelijk den gevangene aangedaan te herstellen,” hernam de herbergier, „begaf ik mij naar den kelder, ten einde hem de vrijheid terug te geven. Doch, helaas! mijnheer! het was geen man meer, maar een duivel. Op het voorstel, hem zijn vrijheid terug te geven, zeide hij, dat zulks een valstrik was, dien men hem legde, en dat hij, alvorens er uit te komen, de voorwaarden wenschte te bepalen. Ik antwoordde hem nederig, want ik ontveinsde mij den neteligen toestand niet, waarin ik mij had geplaatst, door een musketier des konings aan te randen; ik zeide hem dan, dat ik bereid was mij aan zijn voorwaarden te onderwerpen.
„‚Vooreerst,’ zeide hij, ‚verlang ik, dat men mij mijn lakei met al zijn wapens teruggeve.’
„Men haastte zich aan dat bevel te gehoorzamen; want gij begrijpt wel, mijnheer! dat wij bereid waren alles te doen, wat uw vriend verlangde. De heer Grimaud, deze heeft zijn naam gezegd, ofschoon hij ook niet veel spreekt, de heer Grimaud werd dan in den kelder gelaten, hoe gekwetst hij ook was; nadat hij bij zijn meester gekomen was, versperde deze opnieuw de deur en beval ons in onzen winkel te blijven.”--„Maar zeg dan toch,” riep d’Artagnan, „waar is hij? waar is Athos?”--„In den kelder, mijnheer!”--„Wat, ellendige! hebt gij hem al dien tijd in den kelder gehouden?”--„Hemelsche goedheid! wel neen, mijnheer! zouden wij hem in den kelder houden! Gij weet niet wat hij in den kelder doet? Ach! indien gij hem dien kondt doen verlaten, mijnheer! ik zou er u mijn geheele leven dankbaar voor zijn; ik zou u als mijn beschermheilige vereeren.”--„Dus is hij dáár, en ik zal hem dáár vinden?”--„Wel zeker, mijnheer! hij is er halsstarrig in gebleven. Dagelijks steekt men hem door het luchtgat brood aan een hooivork toe en vleesch, wanneer hij er om vraagt; maar, helaas! het is geen vleesch of brood, dat hij het meest gebruikt. Eenmaal heb ik met twee knechts getracht naar beneden te gaan; maar toen ontstak hij in een hevigen toorn. Ik hoorde het gerucht zijner pistolen, van welke hij de hanen spande, en ook dat van het musket van zijn knecht. Vervolgens antwoordde de meester, toen wij vroegen, wat hun voornemens waren, dat hij en zijn lakei veertig schoten konden doen en hij ze zou afschieten tot het laatste, liever dan te veroorloven dat een onzer in den kelder kwam. Toen, mijnheer! ging ik den gouverneur mijn klachten doen, doch deze antwoordde mij, dat ik had wat ik verdiende en mij zulks zou leeren achtenswaardige edellieden te beleedigen, die hun verblijf in mijn herberg namen.”
„Zoodat, sedert dien tijd....” hernam d’Artagnan, zich niet kunnende weerhouden om het armzalig gelaat van zijn gastheer te lachen.--„Zoodat, sedert dien tijd, mijnheer!” ging deze voort, „wij het treurigste leven leiden, dat men zich kan verbeelden; want mijnheer! gij moet weten, dat al onze voorraad mondbehoeften in den kelder is; zoowel onze gebottelde wijn als de wijn op het stuk ligt er, het bier, de olie en de specerijen, het spek en de worst, en dewijl het ons verboden is er binnen te gaan, zijn wij genoodzaakt aan de reizigers, die bij ons aankomen, eten en drinken te weigeren, tengevolge waarvan onze herberg dagelijks achteruitgaat; wanneer uw vriend nog acht dagen in den kelder blijft, zijn wij arm.”--„Dan hebt gij wat gij verdient, snaak! Zag men niet aan ons voorkomen, dat wij voorname lieden en geen valsche munters waren, zeg?”--„Ja, mijnheer! ja, gij hebt gelijk,” zeide de herbergier. „Maar luister, luister, daar begint hij weer kwaad te worden.”--„Men zal hem zeker gestoord hebben,” zeide d’Artagnan.--„Maar wij moeten hem wel storen!” riep de waard; „er zijn twee Engelsche edellieden aangekomen.”--„Welnu?”--„Welnu, de Engelschen houden van goeden wijn, zooals gij weet, mijnheer! en deze hebben den besten gevraagd. Mijn vrouw zal nu aan uw vriend verzocht hebben naar beneden te mogen gaan, om dien heeren het verlangde te kunnen geven; maar hij zal, als naar gewoonte, hebben geweigerd. Ach, goede God! daar begint de Sabbath weer.”
D’Artagnan hoorde inderdaad een groot geweld in de richting van den kelder; hij stond op, en door den herbergier voorafgegaan, die zich de handen wrong, en gevolgd van Planchet, met zijn geladen musket, naderde hij de plaats des schouwspels.
Beide edellieden waren buiten zich zelven van toorn; zij hadden een langen tocht gemaakt en stierven van honger en dorst.
„Maar dat is dwingelandij!” riepen zij in zeer goed Fransch, hoewel met een vreemden tongval, „dat die aartsgek die goede lieden het gebruik van hun wijn niet toestaat. Welaan, wij zullen de deur intrappen en indien hij razend is, zullen wij hem dooden.”--„Zacht wat, heeren!” zeide d’Artagnan, zijn pistolen uit zijn gordelriem halende, „gij zult zoo goed zijn niemand te dooden.”--„Goed, goed!” riep de kalme stem van Athos achter de deur, „laten zij maar binnenkomen, die kindervreters, en wij zullen eens zien.”
Hoe dapper ook, zagen beide Engelsche edellieden elkander aan en aarzelden; het was alsof in dien kelder een hongerig gedrocht zich ophield, een dier reusachtige helden der volkssprookjes, wier hol niemand ongestraft binnentrad. Er heerschte een oogenblik stilte; eindelijk schaamden zich echter beide Engelschen achteruit te gaan en de kwaadaardigste van beiden ging de vijf of zes treden af, uit welke de trap bestond, en gaf tegen de deur een schop als om een muur te splijten.