De Drie Musketiers dl. I en II
Part 27
D’Artagnan, wiens geleerdheid wij kennen, gaf evenmin eenig teeken deze aanhaling te verstaan, als toen de heer de Tréville er hem eene deed bij het zien van den ring, welken hij meende, dat d’Artagnan van Buckingham had ontvangen.--„Hetgeen wil zeggen,” hernam Aramis, om het hem gemakkelijk te maken, „beide handen zijn onontbeerlijk aan den priester van minderen rang, wanneer hij den zegen geeft.”--„Een heerlijk onderwerp!” riep de jezuïet.--„Fraai en leerrijk,” herhaalde de pastoor, die, bijna even goed het latijn verstaande als d’Artagnan, aandachtig naar den jezuïet luisterde, om met dezen gelijk te blijven en dan zijn woorden als een echo herhaalde.--Wat d’Artagnan betreft, deze bleef geheel koel bij de geestdrift der beide zwarte mannen.--„Ja, voortreffelijk, _prorsus admirabile_!” vervolgde Aramis, „maar het vereischt een grondige studie der kerkvaders en der H. Schrift. Ik heb dan ook, met alle nederigheid, aan die geleerde heeren geestelijken verklaard, dat de nachtwachten en de dienst des konings mij de studie een weinig hadden doen verzuimen. Het zou derhalve voor mij gemakkelijker zijn een onderwerp mijner eigen keuze te bewerken: _facilius natans_, dat, ten aanzien der moeilijke godgeleerde vraagpunten, zou wezen hetgeen de zedekunde, ten aanzien van de bovennatuurkunde, in de wijsbegeerte is.”
D’Artagnan verveelde zich doodelijk; de pastoor ook.
„Zie eens wat _exordium_!” riep de jezuïet.--„_Exordium_!” herhaalde de pastoor, om ook iets te zeggen.--„_Quem ad modum inter coelorum immensitatem._”--Aramis wierp een schuinschen blik op d’Artagnan en hij zag, dat zijn vriend geeuwde als om zijn kaakbeenderen te ontwrichten.--„Laat ons Fransch spreken, eerwaarde vader!” zeide hij tot den jezuïet, „de heer d’Artagnan zal des te meer van onze woorden vrucht hebben.”--„Ja, ik ben vermoeid van de reis,” zeide d’Artagnan, „en al dat latijn ontgaat mij.”
„Vooreerst,” zeide de jezuïet met zekere teleurstelling, terwijl de vergenoegde pastoor oogen vol dankbaarheid op d’Artagnan sloeg: „zie het voordeel, dat er uit deze verklaring te trekken is. Mozes, Gods dienaar, hij is niets meer als dienaar, verstaat gij? Mozes geeft met de handen den zegen; hij laat zich beide armen ondersteunen, terwijl de Hebreërs hun vijanden verslaan; bijgevolg zegent hij met beide handen. Bovendien, wat zegt het Evangelie? _Imposuite manus_ en niet _manum_, leg de handen op en niet de hand.”--„Leg de handen op,” herhaalde de pastoor, die beweging makende.--„Tot den heiligen Petrus integendeel, van wien de pausen de opvolgers zijn,” ging de jezuïet voort: „_Porrige digitos_, hef de vingers op; begrijpt gij het nu?”--„Zeker,” antwoordde Aramis met zekere zelfvoldoening, „maar het is iets zeer scherpzinnigs.”--„De vingers,” hernam de jezuïet, „de heilige Petrus zegent met de vingers, de paus geeft dus ook zijn zegen met de vingers. En met hoeveel vingers geeft hij dien? met drie vingers, één voor den Vader, één voor den Zoon en één voor den Heiligen Geest.”--Alle aanwezigen kruisten zich; d’Artagnan meende dit voorbeeld te moeten volgen.--„De paus is de opvolger van den heiligen Petrus en vertegenwoordigt de drie Goddelijke machten; de overige _ordines inferiores_[5] der kerkelijke hiërarchie zegenen door den naam der heilige aartsengelen en engelen. De minste klerken, zooals onze diakens en kosters, zegenen met den wijwaterskwast, die een oneindig getal zegenende vingers voorstelt. Ziedaar het onderwerp vereenvoudigd: _Argumentum omni denudatum ornamento_. Ik zou hierover twee boekdeelen van de dikte als dit kunnen schrijven,” eindigde de jezuïet, en in zijn geestverrukking sloeg hij op den H. Chrysostomus in folio, dat de tafel onder dat gewicht boog.--D’Artagnan rilde.
[5] De lagere graden.
--„Het is waar,” zeide Aramis, „ik ben overtuigd van de schoonheden dezer thesis; maar tegelijk moet ik bekennen, dat ze voor mij te zwaar is. Ik had dezen tekst gekozen: zeg mij eens, waarde d’Artagnan, of hij niet naar uw zin is? _Non inutile est desiderium in oblatione_, of liever: Een weinig leedwezen misvoegt niet bij een offerande aan den Heere.”--„Ho!” riep de jezuïet, „die tekst riekt naar den brandstapel; een dergelijk voorstel vindt men in den Augustinus van den ketter Jansenius, wiens boek vroeg of laat door de handen des beuls zal worden verbrand. Wees op uw hoede, mijn jonge vriend! gij helt over tot valsche grondstellingen; gij zult verloren gaan, mijn jonge vriend!”--„Gij zult verloren gaan,” herhaalde de pastoor, smartelijk het hoofd schuddende.--„Gij raakt die vermaarde leerstelling aangaande den vrijen wil, die doodelijke klip. Gij geeft u onbesuisd over aan de overtuigingsmiddelen der Pelasgisten en der half-Pelasgisten.”--„Volstrekt niet, eerwaarde!” hernam Aramis, min of meer onthutst door de hagelbui van tegenwerpingen, die op hem neervielen.--„Hoe zult gij bewijzen,” vervolgde de jezuïet, zonder hem den tijd te laten één woord te spreken, „dat men de wereld moet betreuren, wanneer men zich Gode toewijdt. Luister naar deze tweeledige bewijsrede: God is God en de wereld is de duivel. De wereld betreuren is den duivel betreuren; ziedaar mijn denkwijze.”--„Dat is ook de mijne,” zeide de pastoor.--„Maar een oogenblikje,” hernam Aramis.--„_Desideras diabolum_,[6] rampzalige!” riep de jezuïet.--„Betreurt hij den duivel? Ach! mijn jonge vriend!” hernam de pastoor zuchtende: „betreur den duivel niet, ik smeek het u.”
[6] Gij begeert den duivel terug.
D’Artagnan begon half mal te worden; hij meende in een gekkenhuis te zijn en even gek te worden als degenen, die hij zag. Maar hij was genoodzaakt te zwijgen, volstrekt de taal niet verstaande, welke in zijn tegenwoordigheid gesproken werd.
„Maar luister dan toch,” hernam Aramis met een beleefdheid, onder welke men een weinig ongeduld bemerkte, „ik zeg niet dat ik betreur; neen, nooit zal ik dat woord uitspreken, dat niet rechtzinnig is.”--De jezuïet hief de handen ten hemel; de pastoor deed evenzoo.--„Neen, maar ik beken, dat het niet fraai is, den Heere datgene aan te bieden, waarvan men volkomen afkeerig is geworden. Heb ik gelijk, d’Artagnan?”--„Ik geloof het wel, _pardieu_!” riep deze.--De pastoor en de jezuïet deden een sprong op hun stoelen.--„Ziehier van waar ik uitga; het is een sluitrede; der wereld ontbreekt het niet aan bekoorlijkheden: ik verlaat de wereld, derhalve offer ik iets op; en de H. Schrift zegt uitdrukkelijk: Offert den Heere!”--„Dat is waar,” zeiden de tegenstrevers.--„En vervolgens,” ging Aramis voort, zijn oor knijpende om het rood te doen worden, zooals hij zijn handen bewoog om ze wit te doen blijven; „en vervolgens heb ik een _rondeau_[7] hierop gemaakt, dat ik verleden jaar aan den heer Voiture heb laten lezen, en waarmee die groote man mij heeft geluk gewenscht.”--„Een _rondeau_!” zeide de pastoor werktuigelijk.--„Zeg op, zeg op!” riep d’Artagnan, „dat zal min of meer het gesprek veranderen.”--„Neen, want het is godsdienstig,” antwoordde Aramis; „het is berijmde godgeleerdheid.”--„Duivelsch!” liet d’Artagnan hooren.--„Hier is het,” zeide Aramis, op min of meer nederigen toon, die echter niet vrij was van huichelarij:
„Gij! die beweent een vreugdevol verleden, In treurigheid uw dagen thans verslijt; Van uwe ramp zult gij dra zijn bevrijd, Indien gij Gode wijdt uw tranen en gebeden. Gij! die beweent enz.”
[7] Oud soort van vers, waarvan de eerste en de vierde regel rijmen, zoo ook de tweede en de derde, de vijfde bestaat uit de eerste helft van den eerste.
D’Artagnan en de pastoor schenen tevreden. De jezuïet bleef in zijn denkwijze volharden.--„Hoed u voor een ongewijden stijl in godgeleerde voorstellingen. Wat zegt dan ook de H. Augustinus? _Severus sit clericorum sermo._”[8]--„Ja, dat het _Sermoen_ duidelijk zij,” zeide de pastoor.--„Derhalve,” haastte zich de jezuïet hierop in te vallen, ziende dat zijn helper in de war was; „derhalve zal uw thesis aan niemand dan aan de dames behagen, zij zal geschat worden als een pleidooi van meester Patru.”--„Dat geve God!” riep Aramis verheugd.--„Gij ziet,” riep de jezuïet, „de wereld verheft in u nog luide haar stem: _Altissima voce_. Gij volgt de wereld, mijn jonge vriend! en ik vrees, dat de genade niet krachtig genoeg zij.”--„Stel u gerust, eerwaarde heer! ik stel mij zelven verantwoordelijk.”--„Dat is wereldsche verwatenheid.”--„Ik ken mij zelven, eerwaarde vader! mijn besluit is onherroepelijk.”--„Dan wilt gij volstrekt die thesis uitwerken?”--„Ik voel mij geroepen die te behandelen, en morgen hoop ik, dat gij zult tevreden zijn over de verbeteringen, die ik er op uw raad in heb gemaakt.”--„Werk langzaam,” zeide de pastoor; „wij verlaten u in de heerlijkste gesteldheid.”--„Ja, de grond is reeds genoeg bezaaid,” zeide de jezuïet, „en wij behoeven niet te vreezen, dat een gedeelte van het zaad op de rots is gevallen, het andere langs den weg verloren gaat en dat de vogels des hemels het overige hebben verslonden. _Aves coeli comoederunt illam._”--„Dat de pest u verstikke met uw latijn,” dacht d’Artagnan, wiens geduld ten einde raakte.--„Vaarwel, mijn zoon! tot morgen.”--„Vaarwel, jonge roekelooze!” zeide de jezuïet; „gij belooft een der lichten van de kerk te worden; de hemel geve, dat dit licht geen verslindend vuur worde!”--D’Artagnan, die gedurende een uur zijn nagels van ongeduld had afgeknaagd, was aan het vleesch begonnen.
[8] De priesters moeten een deftige taal voeren.
De beide zwarte mannen stonden op, groetten Aramis en d’Artagnan en naderden de deur. Bazijn, die er voor was blijven staan en die dezen godgeleerden twist in vrome verheffing des harten had aangehoord, ijlde naar hen toe, nam den pastoor het getijdeboek en den jezuïet het misboek af, waarop hij, eerbiedig vooruit gaande, hun den weg baande. Aramis vergezelde hen tot beneden aan de trap en keerde toen dadelijk naar d’Artagnan terug, die nog in zijn overwegingen verzonken was.
Nu alleen zijnde, bewaarden beide vrienden aanvankelijk een onaangename stilte; echter moest een van beiden die het eerst verbreken, en daar d’Artagnan scheen besloten te hebben die eer aan zijn vriend te laten, zeide Aramis:
„Zooals gij ziet, mijn vriend! ik ben weder tot mijn oorspronkelijke denkbeelden teruggekomen.”--„Ja, de uitwerkende genade heeft u getroffen, zooals die heer van daareven zeide.”--„Ach! dat voornemen, mij der wereld ontrukken, heeft reeds sedert lang vastgestaan en gij hebt er mij reeds van hooren spreken, niet waar mijn vriend?”--„Zonder twijfel; maar ik beken, ik meende, dat gij schertstet.”--„Met die soort van zaken? O, d’Artagnan!”--„Wat duivel! men schertst wel met den dood.”--„En men doet niet wel, d’Artagnan! want de dood is immers de poort, welke tot de verdoemenis of tot de zaligheid leidt?”--„Dat stem ik toe; maar, als het u belieft, spreken wij over geen godgeleerdheid, Aramis! gij moet er voor den geheelen dag van verzadigd zijn; wat mij betreft, ik heb bijna het weinige latijn vergeten, dat ik trouwens nooit gekend heb; vervolgens moet ik u bekennen, dat ik sedert heden ochtend niet gegeten en een duivelschen honger heb.”--„Wij zullen zoo aanstonds samen het middagmaal nemen, waarde vriend! maar herinner u, dat het heden vrijdag is; bijgevolg kan ik op zoodanigen dag noch vleesch eten noch het zien eten. Wilt gij u met mijn maal vergenoegen, dan krijgt gij _tetragones_ en vruchten.”--„Wat verstaat gij onder _tetragones_?” vroeg d’Artagnan ongerust.--„Hieronder versta ik spinazie,” hernam Aramis, „maar ik zal er voor u eieren bij laten voegen, hoewel dit een geweldige inbreuk op de voorschriften is; want eieren is vleesch, omdat zij het hoen voortbrengen.”--„Dat maal is niet zeer smakelijk; maar om bij u te blijven, zal ik mij er aan onderwerpen.”--„Ik ben u voor de opoffering erkentelijk,” zeide Aramis; „en mocht het u al niet lichamelijk tot nut zijn, het zal echter, dit verzeker ik u, uw ziel voordeelig zijn.”
„Dus hebt gij waarlijk besloten, Aramis! tot den geestelijken stand over te gaan? Wat zullen onze vrienden zeggen! wat zal de heer de Tréville denken! zij zullen u als een deserteur behandelen, dat verzeker ik u.”--„Ik ga niet tot den geestelijken stand over, ik keer er toe terug. Het was de kerk, die ik voor de wereld verliet, want gij weet, dat ik mij geweld heb aangedaan, om mij in het musketiersgewaad te steken.”--„Ik! ik weet er niets van.”--„Weet gij niet, waarom ik het seminarie heb verlaten?”--„Volstrekt niet.”--„Nu, luister dan; de H. Schrift zegt: Belijdt u aan elkander, en ik belijd mij aan u, d’Artagnan!”--„En ik geef u vooraf de absolutie; gij weet, ik ben een goede jongen.”--„Spot niet met de heilige zaken, mijn vriend!”--„Nu, verhaal dan, ik luister.”
„Ik was dan van af mijn negende jaar in het seminarie en een en twintig jaar oud; nog drie dagen en ik zou tot priester worden gewijd, en alles ware gedaan geweest. Op zekeren avond, dat ik mij volgens gewoonte naar een huis begaf, waar ik mij steeds naar genoegen bevond--men is jong, wat zal ik zeggen, men is zwak--trad een officier, die mij met een afgunstig oog het leven der Heiligen aan de meesteres des huizes zag voorlezen, eensklaps en zonder aangediend te zijn binnen. Juist had ik dien avond de episode van Judith in verzen overgebracht en herhaalde ze aan de dame, die mij allerhande soort van komplimenten maakte en op mijn arm geleund ze met mij opnieuw overlas. De houding, die, ik beken het, wel wat los was, kwetste dien officier; hij zeide niets, maar toen ik heenging, volgde hij mij en sprak mij aan:
„‚Mijnheer de abt! houdt gij van rottingolie?’--‚Ik kan het u niet zeggen, mijnheer!’ antwoordde ik, ‚want niemand heeft mij die ooit durven geven.’--‚Welnu, luister dan, mijnheer de abt, indien gij in het huis terugkeert, waar ik u heden avond heb ontmoet, dan zal ik het durven.’
„Ik geloof, dat ik bevreesd werd; ik werd zeer bleek, ik voelde mijn knieën knikken; ik trachtte een antwoord te geven, dat ik niet vond en zweeg. De officier wachtte een antwoord, maar ziende dat het weg bleef, lachte hij mij uit, keerde mij den rug toe en trad het huis weder binnen. Ik keerde naar het seminarie terug.
„Ik ben een echt edelman, zooals gij hebt kunnen bemerken en heb tamelijk driftig bloed, mijn waarde d’Artagnan. De beleediging was vreeselijk, en hoewel ze volstrekt der wereld onbekend was gebleven, voelde ik ze als leven en diep in mijn hart zich bewegen. Ik verklaarde aan mijn oversten, dat ik mij niet genoegzaam voorbereid vond om de wijding te ontvangen, en op mijn verzoek stelde men de plechtigheid een jaar uit. Ik ging den behendigsten schermmeester van _Parijs_ bezoeken en trof met hem een overeenkomst, dat hij mij dagelijks een les zoude geven, en alle dagen, gedurende een jaar, nam ik die. Vervolgens hing ik, juist op den verjaardag dat ik beleedigd was geworden, mijn geestelijk gewaad aan een spijker, kleedde mij volkomen in een edelmans kleeding en begaf mij naar een bal, dat een dame mijner kennis gaf, waar ik wist, dat mijn man zich zou bevinden. Het was in de straat der Trouwe Burgers, dicht bij het slot _la Force_. Mijn officier was er werkelijk; ik naderde hem op het oogenblik dat hij een minnelied zong, terwijl hij teederlijk een vrouw toelonkte; ik sprak hem aan te midden van het tweede couplet.
„‚Mijnheer!’ zeide ik hem, ‚mishaagt het u steeds, dat ik in zeker huis in de straat Payenne ga en wilt gij mij nog rottingolie geven, indien ik er toe overga u ongehoorzaam te zijn?’--De officier beschouwde mij met verwondering en zeide: ‚Wat wilt gij, mijnheer? ik ken u niet!’--‚Ik ben,’ antwoordde ik, ‚de jonge geestelijke, die het leven der heiligen voorleest en Judith in verzen overbrengt.’--‚Ha! nu herinner ik mij,’ zeide de officier op spottenden toon, ‚wat wilt gij?’--‚Ik wenschte, dat gij zoo vriendelijk wildet wezen een kleine wandeling met mij te doen.’--‚Morgen ochtend, als het u belieft en dan met het grootste vermaak.’--‚Neen, neen, niet morgen ochtend, oogenblikkelijk.’--‚Als gij het volstrekt begeert?’--‚Wel ja, ik begeer het.’--‚Welaan dan, dames!’ zeide de officier, ‚een oogenblikje; alleen den tijd om mijnheer naar de andere wereld te zenden; en ik kom het tweede couplet eindigen.’
„Wij vertrokken. Ik bracht hem in de straat Payenne, juist op de plek, waar hij, een jaar te voren, op hetzelfde uur, mij het kompliment had gemaakt, dat ik u heb medegedeeld.... Het was een heerlijke maneschijn. Wij stonden met den degen tegenover elkander, en bij den eersten uitval stak ik hem dood.”
„Duivelsch!” zeide d’Artagnan.
„En,” ging Aramis voort, „daar de dames hun zanger niet zagen terugkeeren, en men hem in de straat Payenne vond, met een degensteek in het lijf, geloofde men, dat ik het was, die hem dus had toegetakeld, en de zaak werd ruchtbaar. Ik was dus genoodzaakt voor zekeren tijd den geestelijken stand vaarwel te zeggen.... Athos, met wien ik omstreeks dien tijd in kennis kwam, en Porthos, die mij buiten mijn schermlessen met eenige aardige stooten had bekend gemaakt, haalden mij over een plaats bij de musketiers te verzoeken. De koning was mijn vader, die gedurende het beleg van _Arras_ sneuvelde, zeer genegen geweest, en men stond mij mijn verzoek toe.... Gij begrijpt dus wel, dat het oogenblik voor mij nu is gekomen, om in den schoot der kerk terug te keeren?”
„En waarom liever nu dan gisteren of morgen? Wat is u dan toch gebeurd, om zulke akelige denkbeelden te koesteren?”
„Die verwonding, mijn waarde d’Artagnan! is voor mij een waarschuwing des hemels geweest.”--„Die verwonding, och! ze is bijna genezen, en ik ben zeker, dat het deze niet is, die u thans het meest doet lijden.”--„En welke dan?” vroeg Aramis blozende.--„Gij lijdt aan een hartwonde, die pijnlijker, bloediger is, en u door een vrouw is toegebracht.”--Het oog van Aramis schitterde ondanks hem zelven.--„Och,” zeide hij, zijn ontroering onder een schijnbare onverschilligheid verbergende, „spreek mij van die zaken niet; zou ik hierover denken! zou ik liefdesmart gevoelen, _vanitas vanitatum_, zou ik, volgens uw gevoelen, mij het hoofd hebben op hol gemaakt, en voor wie? voor een of ander naaistertje, voor de kamenier van dezen of genen kanunnik, aan welke ik in een of ander garnizoen het hof zou hebben gemaakt? foei!”--„Vergeef mij, mijn waarde Aramis! maar ik dacht, dat gij uw oog op iets hoogers had gevestigd?”--„Op iets hoogers? En wat ben ik, om zooveel eerzucht te koesteren?.... Een arme musketier, van duistere, onbeduidende afkomst, die voor dienstbaarheid een afschuw heeft en in de groote wereld volstrekt niet op zijn plaats is.”--„Aramis! Aramis!” riep d’Artagnan, zijn vriend twijfelachtig aanziende.
„Als stof,” ging Aramis voort, „keer ik tot stof terug.... Het leven is vol vernedering en smarten,” vervolgde hij, al meer en meer somber wordende; „al de draden, die het aan het geluk hechten, verbreken alras in de hand des menschen, vooral de gouden draden.... Ach, mijn waarde d’Artagnan!” hernam Aramis met een zweem van smart, „geloof mij, verberg wel uw wonden, wanneer gij gekwetst mocht zijn. De stilte is de laatste vreugd der ongelukkigen; wacht u iemand, wie het ook zij, op het spoor uwer smarten te brengen: de nieuwsgierigen zuigen onze tranen op, als de vliegen het bloed van een gewonde hinde.”--„Welaan, mijn waarde Aramis!” zeide d’Artagnan, op zijn beurt een diepen zucht slakende, „dat is mijn eigen geschiedenis, die gij daar verhaalt.”--„Hoezoo?”--„Ja, een vrouw, die ik beminde, die ik aanbad, is mij gewelddadig ontrukt geworden. Ik weet niet waar zij is, en werwaarts men haar heeft gevoerd; misschien is zij in de gevangenis, misschien is zij dood.”--„Maar gij hebt ten minste den troost te kunnen zeggen, dat zij u niet vrijwillig heeft verlaten; dat, indien gij geen tijding van haar ontvangt, zulks ontstaat, doordien elke gemeenschap met u voor haar is afgebroken, terwijl....”--„Terwijl?”--„Niets, niets,” antwoordde Aramis.--„Dus gij hebt besloten volkomen afstand van de wereld te doen, dat besluit is onherroepelijk vastgesteld?”--„Voor altijd. Heden zijt gij nog mijn vriend, morgen zult gij voor mij niets meer zijn dan een schaduw, of liever, gij zult voor mij niet meer bestaan.... Wat de wereld betreft, deze is een graf, anders niets.”--„Duivelsch! hetgeen gij mij zegt, is zeer treurig.”--„Wat zal ik u zeggen, mijn roeping drijft mij.”
D’Artagnan glimlachte en antwoordde niet.--Aramis vervolgde: „En echter, zoolang ik nog tot de wereld behoor, wil ik u over u, over onze vrienden spreken.”--„En ik,” zeide d’Artagnan, „ik wilde over u zelven spreken; maar ik zie u van alles vervreemd: de liefde verfoeit gij, uw vrienden zijn schimmen, de wereld is een graf.”--„Helaas!” zeide Aramis met een zucht, „gij zult het bij u zelven ondervinden.”--„Spreken wij er dan niet meer van,” hernam d’Artagnan, „laten wij dien brief verbranden, die u zeker de een of andere getrouwheid van uw naaistertje of uw kamenier bericht.”--„Welken brief?” vroeg Aramis haastig.--„Een brief, die in uw afwezigheid is bezorgd geworden en dien men aan mij heeft ter hand gesteld.”--„Maar van wien is die brief?”--„Och! van de een of andere beproefde gezelschapsjuffer, van een wanhopende naaister, misschien wel van de kamenier van mevrouw de Chevreuse, die genoodzaakt zal zijn geweest met haar meesteres naar _Tours_ terug te keeren en die, om eens fraai voor den dag te komen, welriekend papier genomen en haar brief met een hertogelijke kroon zal hebben verzegeld.”--„Wat zegt gij daar?”
„Zie, ik geloof hem verloren te hebben,” zeide d’Artagnan, zich houdende alsof hij dien zocht. „Gelukkig, dat de wereld een graf, dat de menschen en bijgevolg ook de vrouwen schimmen zijn en de liefde een gevoel is, dat gij verafschuwt.”--„O, d’Artagnan! d’Artagnan! gij doet mij sterven.”--„Eindelijk heb ik hem,” zeide d’Artagnan en haalde den brief uit zijn zak.
Aramis sprong toe, greep den brief, las of liever verslond dien, terwijl een glans op zijn gelaat verscheen.
„Het schijnt, dat de kamenier een fraaien stijl heeft,” zeide de boodschapper onverschillig.--„Ik dank u, d’Artagnan!” riep Aramis in vervoering. „Zij is genoodzaakt geworden naar _Tours_ terug te keeren; zij is mij niet ontrouw en bemint mij steeds. Kom, mijn vriend, kom, laat ik u omhelzen. Het geluk benauwt mij.”--En beide vrienden begonnen rondom den foliant van den H. Chrysostomus te dansen, terwijl zij aardig de bladen der thesis vertrapten, die op den grond gevallen waren.
Op dat oogenblik trad Bazijn met de spinazie en de eierstruif binnen.--„Verwijder u, ongelukkige!” riep Aramis, hem zijn priesterkapje in het gezicht werpende, „keer terug vanwaar gij komt; neem die afschuwelijke groente en dien ellendigen koek mede. Vraag een gelardeerden haas, een vetten kapoen, een schapenbout en vier flesschen oude Bourgonje.”
Bazijn, die zijn meester aanzag en niets van die verandering begreep, liet treurig de eierstruif en de spinazie op den grond vallen.
„Ziedaar nu het oogenblik, om uw leven aan den Koning der Koningen te wijden,” zeide d’Artagnan, „indien gij er op gesteld zijt, Hem een beleefdheid te doen, _non inutile desiderium in oblatione_.”--„Ga naar den duivel met uw latijn, mijn waarde d’Artagnan! laat ons drinken, _morbleu_! laat ons drinken; en vertel mij eens, wat er ginds zoo al is voorgevallen.”
HOOFDSTUK XXVII.
De vrouw van Athos.