De Drie Musketiers dl. I en II

Part 26

Chapter 263,751 wordsPublic domain

„En wat is u dan overkomen, waarde Porthos?” vroeg d’Artagnan.--„Het ongeluk wilde, dat, terwijl ik een uitval op mijn vijand deed, wien ik reeds drie steken had toegebracht en met wien ik met een vierde wilde afrekenen, ik toen over een steen struikelde, neerviel en mijn knie verstuikte.”--„Waarlijk?”--„Op mijn eer; gelukkig voor dien schelm, want ik had hem op de plaats gedood, dat verzeker ik u.”--„En wat is er van hem geworden?”--„O, dat weet ik niet; hij heeft genoeg gehad en is zonder meer te vragen vertrokken; maar wat is u gebeurd, mijn waarde d’Artagnan?”--„Zoodat die verstuiking u in het bed houdt, mijn goede Porthos?”--„Ach, mijn God! ja, niets anders, trouwens binnen eenige dagen zal ik weder op de been zijn.”--„Maar waarom hebt gij u niet naar _Parijs_ doen vervoeren? Gij moet u hier vreeselijk vervelen.”--„Dat was mijn voornemen, maar mijn beste vriend, ik moet u iets toevertrouwen.”--„Wat?”--„Wel, dewijl ik mij, zooals gij zegt, vreeselijk verveelde en ik in mijn zak de vijf en zeventig pistolen van het onder elkaar gedeelde nog vond, verzocht ik, om eenige uitspanning te hebben, een hier zich ophoudenden edelman bij mij, om met hem een partij te spelen. Hij nam den voorslag aan; en op mijn woord, de vijf en zeventig pistolen zijn uit mijn in zijn zak overgegaan, zonder daarbij te rekenen mijn paard, dat hij nog bovendien heeft medegenomen. Maar gij, mijn waarde d’Artagnan?”

„Wat wilt gij, beste Porthos! men kan niet op alle wijzen bevoorrecht worden,” zeide d’Artagnan; „gij kent het spreekwoord: Ongelukkig in het spel, gelukkig in de liefde. Gij zijt al te gelukkig in de liefde, dat het spel zich hierover niet zou wreken; maar wat raakt u de slechte fortuin? Hebt gij niet, gelukkige schurk! hebt gij niet uw hertogin, die niet kan nalaten u te hulp te komen?”--„Ja, maar luister, waarde d’Artagnan, hoe alles mij tegenloopt,” zeide Porthos op een ongedwongen toon; „ik heb haar geschreven, mij vijftig louis d’or te zenden, die ik volstrekt noodig had, de gesteldheid, waarin ik mij bevind, in aanmerking genomen.”--„En?”--„Wel, zij moet zeker op haar landgoederen zijn, want zij heeft mij niet geantwoord.”--„Inderdaad!”--„Neen; ik heb haar dan ook gisteren een nieuw epistel gezonden, nog dringender dan het vorige. Maar, nu zijt ge hier terug, spreken wij dus over u. Ik begon, ik verzeker het u, eenigszins over u ongerust te worden.”

„Maar uw gastheer gedraagt zich jegens u, naar het schijnt, zeer goed, mijn waarde Porthos!” zeide d’Artagnan, den zieke de gevulde pannen en de ledige flesschen aanwijzende.--„Stil, stil!” antwoordde Porthos. „Reeds drie of vier dagen geleden bracht de onbeschaamde mij de rekening, maar ik heb ze beiden, hem en zijn rekening, aan de deur gezet, zoodat ik mij hier als een soort van overwinnaar of overweldiger bevind. Ook ben ik omringd van wapens, zooals gij ziet, als voorzorg om niet uit mijn vesting te worden verjaagd.”--„Intusschen,” zeide d’Artagnan lachende, „schijnt gij nu en dan uitvallen te doen.”--En hij toonde met den vinger de flesschen en de braadpannen.--„Neen, ik ongelukkig niet,” zeide Porthos. „Die ellendige verstuiking houdt mij te bed; maar Mousqueton gaat verkenningen doen en brengt levensmiddelen mede. Mousqueton, mijn vriend! gij ziet, dat er versterking is gekomen; wij zullen wat meer victualie noodig hebben.”

„Mousqueton!” zeide d’Artagnan, „gij zult mij een dienst moeten doen.”--„Welken, mijnheer!”--„Uw recept aan Planchet te geven; ik zou op mijn beurt belegerd kunnen worden, en het zou mij in dat geval niet onaangenaam zijn, dat hij mij dezelfde voordeelen bezorgde, als die waarvan gij uw meester doet genieten.”--„Ach, mijn God! mijnheer! niets is gemakkelijker, er behoort slechts eenige behendigheid toe. Ik ben op het land opgevoed en mijn vader was in zijn ledigen tijd min of meer een wilddief.”--„En wat deed hij in den overigen tijd?”--„Mijnheer! hij oefende een beroep, dat ik steeds tamelijk voordeelig heb gevonden.”--„Welk?”--„Daar het in den tijd der religie-oorlogen tusschen de roomschen en de hugenooten was, en hij de katholieken de hugenooten en de hugenooten de katholieken zag vernielen, en dat alles in naam van God, had hij een gemengd geloof omhelsd, hetgeen hem veroorloofde nu eens katholiek, dan weder hugenoot te zijn. En daar hij gewoonlijk achter de heggen, die den weg begrenzen, met zijn vuurroer op den schouder, een wandeling ging doen, gebeurde het wel eens, dat hij een katholiek eenzaam zag aankomen, in welk geval het protestantsch geloof dadelijk in zijn ziel bovenkwam en hij zijn roer in de richting van den reiziger liet neerzinken, en dan op tien schreden afstands een gesprek met hem aanving, aan hetwelk gewoonlijk de reiziger een einde maakte door zijn beurs af te staan om zijn leven te redden. Het spreekt vanzelf, dat wanneer hij een hugenoot ontmoette, hij zich door een zoo heiligen ijver voor het katholicisme voelde gedreven, dat hij zich niet kon begrijpen, hoe hij een kwartier te voren eenigen twijfel had kunnen koesteren omtrent de meerderheid van onzen heiligen godsdienst. Want ik, mijnheer! ben katholiek; mijn vader, getrouw aan zijn grondbeginselen, deed mijn oudsten broeder hugenoot worden.”

„En hoe is het met dien waardigen man afgeloopen?” vroeg d’Artagnan.--„Ach, op de rampzaligste wijze, mijnheer! Op zekeren dag was hij in een hollen weg tusschen een hugenoot en een katholiek ingesloten, met wie hij reeds te doen had gehad en die hem beiden herkenden, zoodat zij met elkander samenspanden en hem aan een boom ophingen; daarna gingen zij zich beroemen op hun fraaie verrichting in de herberg van het naaste dorp, waar wij, mijn broeder en ik, zaten te drinken.”

„En wat deedt gij?” vroeg d’Artagnan.--„Wij lieten hen praten,” hernam Mousqueton. „Vervolgens, daar zij bij het verlaten der herberg elk een tegenovergestelde richting insloegen, begaf mijn broeder zich in een hinderlaag op den weg van den katholiek en ik op dien van den protestant. Twee uren later was alles afgeloopen; wij hadden van elk hunner de rekening opgemaakt, terwijl wij intusschen het doorzicht van onzen armen vader bewonderden, die de voorzorg had genomen, ons beiden in een verschillenden godsdienst op te voeden.”

„Waarlijk, zooals gij zegt, uw vader schijnt mij een zeer verstandige snaak te zijn geweest. En hij was dus in zijn ledigen tijd jachtstrooper?”--„Ja, mijnheer! hij was het, die mij heeft geleerd een strik te leggen en een vischlijn te hangen. Hiervan trok ik partij, want toen ik zag, dat de schurkachtige herbergier ons met wat grof vleesch voedde, alleen goed voor kinkels en dat volstrekt niet geschikt was voor zulke zwakke magen als de onze, vatte ik min of meer mijn oud handwerk weder bij de hand. Al wandelende, legde ik in de bosschen mijn strikken en mij aan den kant der vischvijvers tot slapen neerleggende, liet ik de vischlijnen in het water zinken. Zoodat thans, Goddank! zooals mijnheer zich kan overtuigen, ons geen patrijzen, konijnen, karpers en paling ontbreken en wij voorzien zijn van een licht en gezond voedsel, vooral dienstig voor zieken.”

„Maar den wijn?” vroeg d’Artagnan, „wie levert u den wijn? de herbergier?”--„Dat is te zeggen, ja en neen.”--„Hoe! ja en neen?”--„Hij levert hem, dat is waar, maar hij weet niet, dat hij die eer heeft.”--„Verklaar u, mijnheer! uw gesprek is vol leerzame zaken.”--„Luister, mijnheer! het toeval wilde, dat ik gedurende mijn omzwervingen een Spanjaard ontmoette, die veel had gereisd en onder anderen in de nieuwe wereld was geweest.”--„Wat gemeens heeft de nieuwe wereld met de flesschen, die op die secretaire en die ladetafel staan?”--„Geduld, mijnheer, alles op zijn beurt.”--„Goed, Mousqueton, ik wil aan uw verlangen voldoen en luisteren.”--„De Spanjaard had in zijn dienst een lakei, die hem op zijn reis door _Mexico_ vergezeld had. Die lakei was een mijner landgenooten, zoodat wij spoedig vrienden werden, te meer, daar wij bijna hetzelfde karakter hadden. Beiden hielden wij vooral van de jacht; en bij die gelegenheid verhaalde hij mij, hoe in de vlakten van _Pampas_ de inboorlingen op de tijger- en buffeljacht gingen, alleen met strikken, die zij om den nek dier vreeselijke dieren wierpen. Eerst wilde ik niet gelooven, dat men een zoo hoogen graad van behendigheid kon bereiken, om op een afstand van twintig of dertig voetstappen een koord te werpen en met het einde er van te bereiken wat men wil; maar door het bewijs moest de waarheid van het verhaal wel erkend worden. Mijn vriend plaatste een flesch op twintig schreden afstands en bij elken worp vatte hij den hals van de flesch in den strik. Ik begon mij hierin te oefenen en daar de natuur mij met eenige behendigheid heeft begaafd, slinger ik tegenwoordig den _lazzo_ evengoed als de beste. Begrijpt gij nu? De herbergier heeft een zeer goed voorzienen kelder, maar de sleutel er van verlaat hem nooit; intusschen is er een luchtgat in dien kelder en door dat luchtgat slinger ik den _lazzo_, juist op de plaats, waar ik bemerkt heb, dat de beste wijn ligt.... Ziedaar, mijnheer! op wat wijze de nieuwe wereld in verband staat met de flesschen, welke gij op die secretaire en op die ladetafel ziet. Wilt gij nu onzen wijn eens proeven, dan kunt gij ons zonder vooringenomenheid zeggen, wat gij er van denkt.”

„Ik dank u, mijn vriend, ik dank u, ongelukkig heb ik juist ontbeten.”--„Welnu,” zeide Porthos, „dek de tafel, Mousqueton! en terwijl wij zullen ontbijten, zal d’Artagnan ons zijn wedervaren verhalen gedurende de acht dagen, welke hij van ons gescheiden was.”--„Gaarne,” zeide d’Artagnan.

Terwijl Porthos en Mousqueton, met een honger van pas herstelden en met die broederlijke eensgezindheid, welke de menschen in de ramp tot elkander brengt, ontbeten, verhaalde d’Artagnan, hoe Aramis, gewond zijnde, genoodzaakt was geweest te _Crèvecoeur_ te blijven; hoe hij Athos te _Amiëns_ had gelaten, zich verdedigende tegen vier mannen, die hem beschuldigden een valsche munter te zijn en hoe hij, d’Artagnan, genoodzaakt was geweest over den buik van den graaf de Wardes te stappen om in _Engeland_ te komen. Maar daartoe bepaalde zich slechts het verhaal van d’Artagnan; hij vermeldde alleen, dat, bij zijn terugkomst van _Groot-Brittanje_, hij vier prachtige paarden had medegebracht, van welke een voor hem en een voor elk zijner vrienden was bestemd; vervolgens eindigde hij, Porthos verwittigende, dat het zijne reeds in den stal der herberg was.

Op dat oogenblik kwam Planchet binnen; hij berichtte zijn meester, dat de paarden genoeg hadden gerust en het mogelijk was nog te _Clermont_ te gaan slapen. D’Artagnan, nu tamelijk gerustgesteld omtrent Porthos en ongeduldig naar tijding zijner twee andere vrienden, reikte den zieke de hand en zeide hem, dat hij de reis ging vervolgen, om zijn nazoekingen voort te zetten. Overigens rekende hij langs denzelfden weg te zullen terugkomen, om, indien na acht dagen Porthos nog in het hotel _de Groote St. Maarten_ zou zijn, hem in het voorbijkomen mede te nemen.

Porthos antwoordde, dat volgens alle waarschijnlijkheid zijn verstuiking hem niet zou veroorloven vóór dien tijd op te staan. Bovendien moest hij te _Chantilly_ blijven, om een antwoord zijner hertogin af te wachten.

D’Artagnan wenschte hem toe, dat hij dit antwoord spoedig en naar begeeren mocht ontvangen, en na opnieuw Porthos aan Mousqueton aanbevolen en zijn vertering aan den herbergier betaald te hebben, ging hij met Planchet op weg, die nu van een zijner paarden was bevrijd.

HOOFDSTUK XXVI.

De thesis van Aramis.

D’Artagnan had aan Porthos niets van de wonde of van de procureursvrouw gezegd. Hoe jong ook, was onze Bearnees een zeer wijs jongeling, en hij had den schijn aangenomen alles te gelooven, wat hem de ijdele musketier had verhaald, daar hij verzekerd was, dat de vriendschap door een ontdekt geheim verloren gaat, vooral wanneer door zoodanig geheim de eigenliefde wordt gekwetst, en men in dat geval een zekere zedelijke meerderheid verkrijgt op dengene, van wien men het leven kent. D’Artagnan, die voornemens was zijn toekomstige fortuin door intrigues te bewerken, en besloten had zijn drie vrienden als de werktuigen hiertoe te gebruiken, beijverde zich dus om reeds bij voorbaat die onzichtbare draden in zijn hand te vereenigen, met welke hij zich voornam hen te leiden.

Intusschen bleef langs den geheelen weg een diepe droefheid zijn hart beknellen door de gedachte aan die jonge, lieve juffrouw Bonacieux, die hem den prijs zijner diensttoewijding moest schenken. Doch haasten wij ons het te zeggen; die droefheid ontsproot bij den jongeling minder uit leedwezen wegens zijn verloren geluk, dan wel uit de vrees, die hij koesterde, dat de arme vrouw aan een of ander ongeluk was blootgesteld. Immers, hij twijfelde er niet aan of zij was het offer der wraak van den kardinaal geworden, en zooals men weet was de wraak Zijner Eminentie vreeselijk. Hoe hij nog genade in de oogen van den minister had gevonden, wist hij zelf niet; maar de heer de Cavois zou hem dit zeker hebben geopenbaard, indien die kapitein der gardes hem had thuis gevonden.

Niets doet sneller den tijd voorbijgaan en verkort meer den weg dan een gedachte, die uitsluitend al de zielsvermogens van hem, die overweegt, tot zich trekt. Het uitwendige leven gelijkt dan een slaap, van welken dat denkbeeld de ziel is; door dien invloed heeft de tijd geen maat, de uitgestrektheid geen afstand meer: men vertrekt van de eene plaats, men komt aan de andere aan, dat is al. Van de doorgeloopene tusschenruimte blijft niets in het geheugen over dan een onduidelijke nevel, die duizend beelden van boomen, bergen en landschappen omhult.

Het was ten prooi aan deze zinsbegoocheling, dat d’Artagnan, zich aan de bewegingen van zijn paard vrijwillig overgevende, de zes of acht mijlen aflegde, die _Chantilly_ van _Crèvecoeur_ scheiden, zonder dat hij, in dat dorp komende, zich iets meer herinnerde van hetgeen hij op zijn weg ontmoet had. Toen eerst werd het geheugen in hem levendig, hij schudde het hoofd, bespeurde de herberg, waar hij Aramis had gelaten, en zijn paard in den draf brengende, hield hij aan de deur stil. Nu was het niet de herbergier, maar een vrouw, die hem ontving.

D’Artagnan was een gelaatkundige; een blik op het vroolijke gezicht der dikke meesteres van de herberg geslagen was voldoende om hem te doen begrijpen, dat hij met haar niet behoefde te veinzen, en hij van een zoo vergenoegd uiterlijk niets te vreezen had.

„Mijn lieve juffrouw!” vroeg d’Artagnan, „zoudt gij mij kunnen zeggen, wat er van een mijner vrienden is geworden, dien wij genoodzaakt waren hier, eenige dagen geleden, achter te laten?”--„Een fraai jongeling van drie of vier en twintig jaar, zacht van aard, beminnelijk en welgemaakt?”--„Dezelfde.”--„Daarbij aan den schouder gewond?”--„Juist.”--„Wel, mijnheer! hij is nog altijd hier.”--„Ha, _pardieu_! mijn lieve juffrouw!” zeide d’Artagnan, van zijn paard springende en den toom Planchet op den arm werpende, „gij geeft mij het leven weder; waar is hij, die waarde Aramis, dat ik hem omhelze, want ik beken, dat ik met ongeduld verlang hem te zien?”--„Vergeef mij, mijnheer! maar ik twijfel, of hij u op dit oogenblik wel zal kunnen ontvangen.”--„Waarom! is er een dame bij hem?”--„Jezus, mijn God! wat zegt gij daar? De arme jongen! Neen, mijnheer! hij heeft geen dame bij zich.”--„Wie is er dan bij hem?”--„De pastoor van _Montdidier_ en de overste der jezuïeten van _Amiëns_.”--„Mijn God!” riep d’Artagnan, „is het dan erger met den armen jongeling?”--„Neen, mijnheer! integendeel, maar tengevolge zijner ziekte heeft de genade hem getroffen en hij is besloten in een geestelijke orde te treden.”--„Het is waar ook,” zeide d’Artagnan, „ik had vergeten, dat hij slechts musketier _ad interim_ was.”--„Dringt mijnheer er steeds op aan, om hem te spreken?”--„Meer dan ooit.”--„Welnu, mijnheer! de trap op de plaats aan de rechterzijde opgaande, komt gij op de tweede verdieping aan No. 5 en dat is zijn kamer.”

D’Artagnan volgde de aangewezen richting en vond een dier uitwendige trappen, zooals men er nog op de binnenplaatsen der ouderwetsche herbergen aantreft; maar men naderde zoo gemakkelijk niet den toekomstigen abt; de toegang tot de kamer van Aramis was niet minder goed bewaakt dan de tuinen van Armida. Bazijn stond in de gang en versperde hem den doorgang met te meer kordaatheid, daar Bazijn, na veeljarigen proeftijd, zich eindelijk nabij het doel waande, waarnaar hij zoo lang had gestreefd. Immers de droom van den armen Bazijn was steeds geweest een geestelijke te dienen, en hij wachtte ongeduldig het oogenblik af, hetwelk hij in de toekomst voorzag, dat Aramis eindelijk het krijgsmanskleed zou afwerpen om zich in het priestergewaad te hullen. De dagelijks door den jongeling vernieuwde belofte, dat dit oogenblik niet ver meer af was, had hem alleen in dienst van een musketier doen blijven; een dienst, waarin het, naar zijn zeggen, niet kon missen of hij moest zijn ziel verliezen. Bazijn was dus ten toppunt van vreugd. Volgens alle waarschijnlijkheid zou voor dezen keer zijn meester niet meer van besluit veranderen. De vereeniging van lichamelijke met zielesmart had de zoolang verwachte uitwerking teweeggebracht.

Aramis, zoowel naar ziel als naar lichaam lijdende, had eindelijk oog en hart op den godsdienst gericht en als een waarschuwing des hemels het dubbel ongeluk beschouwd, dat hem was overkomen, namelijk: de plotselinge verdwijning van zijn minnares en zijn wonde aan den schouder.

Men begrijpt dat voor Bazijn, in de gesteldheid van geest, waarin hij zich bevond, niets onaangenamer kon zijn dan de komst van d’Artagnan, die zijn meester wederom in den maalstroom der wereldsche denkbeelden kon medesleepen, waarin hij reeds zoo lang zich gewenteld had. Hij besloot dus de deur standvastig te verdedigen, maar daar de meesteres der herberg hem verraden had, kon hij niet zeggen, dat Aramis afwezig was, en hij trachtte nu den pas aangekomene te bewijzen, dat het alle grenzen van betamelijkheid zou overschrijden, zijn meester in de vrome samenkomst te storen, waarin hij zich sedert den ochtend bevond en die, volgens zeggen van Bazijn, niet voor den avond kon geëindigd zijn.

Maar d’Artagnan stoorde zich volstrekt niet aan de welsprekendheid van meester Bazijn, en daar hij geen de minste neiging gevoelde met den knecht van zijn vriend in woordenwisseling te treden, duwde hij hem eenvoudig met de eene hand ter zijde, terwijl hij met de andere den knop van deur No. 5 omdraaide. De deur ging open en d’Artagnan trad de kamer binnen.

Aramis, gekleed in een zwarten rok en bedekt met een soort van plat en rond hoofddeksel, dat veel op een priesterkapje geleek, zat voor een langwerpig vierkante tafel, die zwichtte onder een aantal rollen papier en dikke folianten; aan zijn rechterhand zat de overste der jezuïeten en aan zijn linkerhand de pastoor van _Montdidier_. De gordijnen waren ten halve neergelaten en lieten slechts een geheimzinnig licht doordringen, dat voor vrome overwegingen als bestemd scheen.

Al de wereldsche voorwerpen, die het oog boeien, wanneer men de kamer eens jongelings binnentreedt, en vooral wanneer die jongeling musketier is, waren als door toovernij verdwenen en ongetwijfeld uit vrees, dat het zien van den degen, de pistolen, den gevederden hoed en de borduursels en kanten van allerlei aard en soort zijn meester tot wereldsche gedachten zou hebben overgehaald, had Bazijn op een en ander de hand gelegd. Maar in hun plaats meende d’Artagnan in een donkeren hoek iets naar een roede gelijkende te zien, die aan een spijker tegen den muur hing.

Op het gerucht, dat d’Artagnan bij het openen der deur maakte, richtte Aramis het hoofd op en herkende zijn vriend. Maar tot groote verwondering van d’Artagnan scheen zijn tegenwoordigheid op den jongeling geen grooten indruk te maken, zoozeer was zijn ziel van het aardsche ontheven.

„Goeden dag, mijn waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „het is mij aangenaam u te zien.”--„Mij ook,” zeide d’Artagnan, „ofschoon ik nog niet zeker ben, dat het Aramis is, tot wien ik spreek.”--„Tot hem zelven, mijn vriend! tot hem zelven; maar wat heeft u kunnen doen twijfelen?”--„Ik vreesde mij in de kamer bedrogen te hebben en meende aanvankelijk in die van een of ander geestelijke binnen te gaan; vervolgens overviel mij een andere schrik, door u in het gezelschap dier heeren te zien, namelijk dat gij ernstig ziek waart.”

De twee zwarte mannen wierpen op d’Artagnan, wiens bedoeling zij begrepen, een eenigszins dreigenden blik, maar deze stoorde er zich niet aan.--„Ik hinder u misschien, waarde Aramis,” ging d’Artagnan voort, „want naar hetgeen ik zie, moet ik gelooven, dat gij dien heeren uw biecht zegt.”--Aramis bloosde bijna onmerkbaar.--„Mij hinderen! wel neen, in het geheel niet, waarde vriend! dat zweer ik u, en ten bewijze van hetgeen ik u zeg, veroorloof mij vooreerst mij te verblijden u gezond en ongedeerd terug te zien.”

„Ha! hij komt nader,” dacht d’Artagnan, „dat is gelukkig.”

„Want mijnheer, die mijn vriend is, is aan een groot gevaar ontkomen,” ging Aramis voort met zalving, d’Artagnan aan beide geestelijken voorstellende.--„Dank God, mijnheer,” antwoordden deze, zich gelijktijdig buigende.--„Ik heb het niet verzuimd, eerwaarden!” hernam de jongeling, hun groet beantwoordende.--„Gij komt juist te stade, waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „om aan de woordenwisseling deel te nemen en die met uw oordeel bij te lichten. Mijnheer de overste van _Amiëns_, mijnheer de pastoor van _Montdidier_ en ik redetwisten over eenige godgeleerde vraagpunten, wier belangrijkheid ons sedert een geruime poos bezig houdt; ik zou ook gaarne uw oordeel er over hooren.”--„Het oordeel van een krijgsman is van zeer weinig gewicht,” antwoordde d’Artagnan, die ongerust begon te worden over de wending van het gesprek, „en gij kunt u, geloof mij, aan de kundigheden dier heeren volkomen onderwerpen.”--Beide zwarte mannen bogen zich.--„Integendeel,” hernam Aramis, „uw oordeel zal zeer nuttig zijn. Ziehier wat het betreft: mijnheer de overste meent, dat mijn thesis vooral leerstellig en onderwijzend moet zijn.”--„Uw thesis! maakt gij dan een thesis?”--„Zeker,” antwoordde de jezuïet; „voor het examen, dat de wijding voorafgaat, wordt een thesis volstrekt vereischt.”--„De wijding!” riep d’Artagnan, die nog niet kon gelooven, wat achtereenvolgens de meesteres der herberg en Bazijn hem gezegd hadden; „de wijding!” en hij liet zijn verbaasden blik over de drie personen weiden, die hij voor zich zag.--„Derhalve,” vervolgde Aramis, op zijn leuningstoel een bevallige houding aannemende, alsof hij in een _stalle_ had gezeten, en met welgevallen zijn witte en als die eener vrouw zoo vleezige hand beschouwende, die hij in de hoogte hield om het bloed er uit te doen zakken; „derhalve, zooals gij hebt gehoord, d’Artagnan! mijnheer de principaal zou willen, dat mijn thesis leerstellig ware, terwijl ik tot het denkbeeldige van het onderwerp overhel: het is dan uit dien hoofde dat mijnheer de overste mij dit onderwerp voorstelde, hetwelk nog niet is behandeld geworden, en waarin ik genoegzame stof zie, om het heerlijk te ontwikkelen: _Utramque manem in benedicendo clericis inferioribus necessariam esse_.”