De Drie Musketiers dl. I en II

Part 24

Chapter 243,879 wordsPublic domain

Planchet volgde de beweging van zijn meester, volkomen alsof hij diens schaduw ware geweest, en draafde naast hem voort.--„Rijden wij op die wijze geheel den nacht door, mijnheer?” vroeg hij.--„Neen, Planchet! want gij zijt ter plaatse uwer bestemming gekomen.”--„Wat, mijnheer! ben ik aangekomen? en mijnheer?”--„Ik ga nog eenige schreden verder.”--„En laat mijnheer mij hier alleen?”--„Zijt gij bang, Planchet?”--„Neen, maar ik moet mijnheer alleen doen opmerken, dat de nacht zeer koud zal zijn, dat de koelte rheumatiek doet ontstaan, en dat een lakei, door rheumatiek gekweld, een treurig dienaar is, vooral voor een zoo vluggen meester als mijnheer.”--„Welnu, wanneer gij kou gevoelt, Planchet, ga dan in een dier herbergen, welke gij daar ginds ziet; gij kunt er mij morgenochtend te zes uur voor de deur wachten!”--„Mijnheer, ik heb met uw verlof voor de kroon, die gij mij dezen ochtend hebt gegeven, gegeten en gedronken, zoodat mij geen enkele penning in den zak is overgebleven, om mij voor de koude te gaan beschutten.”--„Daar hebt gij een halve pistool. Tot morgen!”

D’Artagnan klom van zijn paard, wierp den toom op den arm van Planchet en verwijderde zich haastig, zich in zijn mantel wikkelende.--„God! wat is het koud!” riep Planchet, zoodra hij zijn meester uit het oog had verloren; en ongeduldig zich te verwarmen, haastte hij zich aan de deur van een huis te kloppen, dat met al de kenteekenen eener dorpsherberg prijkte.

Intusschen had d’Artagnan een smallen binnenweg ingeslagen en _St. Cloud_ bereikt; maar in plaats van de groote straat te volgen, sloeg hij achter het kasteel om, ging een soort van steeg door, en bevond zich dra voor het aangeduide paviljoen. Het was in een geheel eenzame plek gelegen. Een groote muur, aan welks hoek dat paviljoen stond, liep langs een der zijden van de steeg, terwijl aan de andere zijde een haag een kleinen tuin beschutte, aan welks einde een ellendige hut stond.

Hij was op de plaats der samenkomst gekomen, en dewijl men hem niet gezegd had, zijn tegenwoordigheid door een of ander teeken aan te kondigen, wachtte hij.--Geen enkel gerucht werd vernomen; men zou gemeend hebben op honderd uren afstands van de hoofdstad te zijn.

D’Artagnan ging tegen de heg staan, na een blik achter zich te hebben geworpen. Achter die heg, dien tuin en die hut hulde een donkere nevel in zijn plooien die uitgestrektheid, waarin _Parijs_ slaapt, die gapende, onafzienbare ruimte, waarin slechts eenige lichtende punten blonken, als even zoovele vonken uit de hel. Maar voor d’Artagnan namen alle gedaanten een liefelijken vorm aan; al zijn denkbeelden glimlachten hem toe; de dichtste duisternis was voor hem doorschijnend. Het uur der samenkomst zou slaan.

Inderdaad, na eenige oogenblikken deed de klok van _St. Cloud_ langzaam tien slagen uit haar brullenden, gapenden muil klinken. Er lag iets akeligs in die bronzen stem, die dus weeklaagde te midden van den nacht.... Maar elk dier slagen, welke het verwachte uur aankondigde, trilde welluidend in het hart des jongelings. Zijn oogen waren gevestigd op het kleine paviljoen aan den hoek van den muur, welks vensters alle door luiken gesloten waren, behalve een der eerste verdieping. Door dit venster blonk een zacht licht, dat het trillende gebladerte van twee of drie lindeboomen verzilverde, die zich buiten het park groepsgewijze verhieven. Ongetwijfeld wachtte hem achter dat zoo liefelijk verlichte venster de lieve juffrouw Bonacieux.

Door die zoete gedachte gestreeld, wachtte d’Artagnan een half uur zonder het minste ongeduld, de oogen op dat klein bevallig verblijf gevestigd houdende, van hetwelk hij een gedeelte van de met verguld beeldwerk versierde zoldering kon zien, die de pracht van het overige der kamer deed vermoeden. De klok van _St. Cloud_ sloeg half elf. Nu, zonder dat hij zich zulks kon verklaren, liep een rilling door d’Artagnan’s aderen. Misschien ook wel dat de koude hem overviel en hij als een zielsgewaarwording beschouwde, hetgeen slechts een lichamelijke aandoening was.

Vervolgens dacht hij, dat hij kwalijk had gelezen, en de samenkomst niet vroeger dan te elf uur was bepaald. Hij naderde het venster, plaatste zich onder een lichtstraal, haalde den brief uit zijn zak en herlas dien; hij had zich niet bedrogen, de samenkomst was wel degelijk op tien uur bepaald. Hij hernam zijn plaats, tamelijk ongerust wordende over deze stilte en eenzaamheid. Het sloeg elf uur....

D’Artagnan begon nu wezenlijk te vreezen, dat juffrouw Bonacieux eenig ongeluk mocht zijn overkomen. Hij klapte driemaal in zijn handen, het gewone sein der verliefden, maar niemand antwoordde hem, zelfs niet de echo. Toen dacht hij met zekere spijt, of misschien, al wachtende, de jonge vrouw in slaap gevallen was. Hij naderde den muur en beproefde dien te beklimmen; maar daar hij kortelings vernieuwd was, sleet d’Artagnan er tevergeefs zijn nagels op.

Op dat oogenblik bemerkte hij de boomen, welker bladeren het licht bleef verzilveren, en daar een hunner op den weg vooruitstak, dacht hij, te midden der takken, een blik in het paviljoen te kunnen werpen. De boom was gemakkelijk te beklimmen.... Buitendien, d’Artagnan was nauwelijks twintig jaar, en bijgevolg herinnerde hij zich nog zeer goed zijn bedrijf als schoolknaap. In een oogenblik was hij tusschen de takken en door de heldere glasruiten wierp hij een blik in het binnenste van het paviljoen. Het was iets zonderlings, dat d’Artagnan aanschouwde en dat hem van het hoofd tot de voeten deed beven. Dat zachte, kalme lamplicht verlichtte een tooneel van vreeselijke verwarring; een der glasruiten in het venster was gebroken, de deur der kamer ingetrapt, hing half gebroken aan haar hengsels; een tafel, waarop een heerlijk maal was aangericht geweest, lag omver; gebroken flesschen, vertrapte vruchten lagen op den vloer verspreid; alles getuigde in deze kamer van een hevige, wanhopige worsteling. D’Artagnan meende zelfs onder dat zonderlinge mengelmoes brokken van kleedingstukken en eenige bloedvlekken te bemerken, die het tafellaken en de gordijnen bezoedelden. Hij haastte zich den boom af te klimmen, terwijl zijn hart vreeselijk klopte; hij wilde nu zien, of hij niet meer sporen van gewelddadigheid zou vinden.

Het kleine zachte licht blonk steeds in de duisternis van den nacht. D’Artagnan zag toen iets, dat hij aanvankelijk niet had opgemerkt, want niets had hem tot dat onderzoek gedreven, namelijk dat de grond hier platgetreden was, elders gaten, sporen van verwarde voetstappen van menschen en paarden vertoonde. Bovendien hadden de wielen van een rijtuig, dat van _Parijs_ scheen te zijn gekomen, in de zachte aarde een diep spoor gegroefd, dat zich niet verder uitstrekte dan tot aan het paviljoen, en vandaar weder in de richting naar _Parijs_ terugkeerde. Eindelijk vond d’Artagnan, zijn onderzoek voortzettende, bij den muur een gescheurden vrouwenhandschoen. Intusschen was die handschoen, overal waar hij niet door het slijk bezoedeld was geworden, van een onberispelijke frischheid. Het was een dier welriekende handschoenen, welke het den minnaars des te aangenamer doet zijn, een fraaie hand te drukken.

Naarmate d’Artagnan met zijn nazoekingen voortging, parelde een meer overvloedig en koeler zweet op zijn voorhoofd, zijn hart werd door een vreeselijken angst toegenepen, en zijn ademhaling was hijgende, echter zeide hij bij zich zelven, om zich gerust te stellen, dat dit paviljoen met juffrouw Bonacieux niets gemeens had; dat de jonge vrouw vóór dat paviljoen, maar niet er in de samenkomst bedoeld had; dat zij misschien, wegens dienstzaken, te _Parijs_ had moeten blijven, of wellicht ook wel tengevolge der jaloezie haars mans. Maar al die redeneeringen vervielen, werden vernietigd, omvergeworpen door dat inwendige smartgevoel, hetwelk zich in sommige omstandigheden van ons geheele wezen meester maakt, en door alles wat bestemd is ons iets te kennen te geven, waarschuwt, dat er een groote ramp boven onze hoofden zweeft.

Toen werd d’Artagnan bijna waanzinnig; hij liep den grooten weg op, sloeg denzelfden weg in, dien hij reeds genomen had, begaf zich naar de overzetpont en ondervroeg den veerman. Omstreeks zeven uur had de veerman een vrouw in een zwarten mantel gehuld de rivier overgezet; zij had alle blijken gegeven er belang bij te hebben niet herkend te worden; maar juist uit hoofde van alle voorzorgen, welke zij nam, had de veerman met nog meer oplettendheid haar gadegeslagen en bemerkt, dat de vrouw jong en schoon was. Destijds zoowel als thans waren er een menigte jonge, schoone vrouwen, die zich naar _St. Cloud_ begaven en er belang bij hadden niet gezien te worden, en toch twijfelde d’Artagnan geen oogenblik, dat het juffrouw Bonacieux was geweest, die de veerman had opgemerkt.

D’Artagnan maakte gebruik van de lamp, die in de hut des veermans brandde, om nogmaals het briefje van juffrouw Bonacieux te herlezen en zich te verzekeren, dat hij zich niet bedrogen had, dat de samenkomst wel degelijk te _St. Cloud_ en niet elders was bepaald; voor het paviljoen van den heer d’Estrées en niet in een andere straat. Alles vereenigde zich om d’Artagnan te bewijzen, dat zijn voorgevoel hem niet bedroog en er een groot ongeluk was voorgevallen.

Hij sloeg den weg naar het kasteel weer in, hard loopende; het was hem, alsof gedurende zijn afwezigheid in het paviljoen misschien iets nieuws zou zijn gebeurd en meer inlichtingen hem daar wachtten. De steeg was steeds eenzaam, en hetzelfde zachte, rustige licht verspreidde zich uit het venster. D’Artagnan dacht toen aan die stomme, blinde hut, die waarschijnlijk had gezien en misschien kon spreken. De deur der omheining was gesloten, maar hij sprong de heg over, en ondanks het geblaf van een hond aan den ketting, naderde hij de hut.

Zijn eerste geklop werd niet beantwoord. Een doodsche stilte heerschte zoowel in de hut als in het paviljoen; intusschen, daar die hut zijn laatste hulpmiddel was, bleef hij volharden. Dra meende hij een zwak gerucht van binnen te hooren, een angstig gerucht, dat zelfs scheen te beven gehoord te worden. Toen hield d’Artagnan op met kloppen en smeekte zoo angstig, zoo vriendelijk en vleiend, dat zijn stem in staat ware geweest den beschroomdsten gerust te stellen. Eindelijk opende zich slechts een vingerbreedte een oud vermolmd luik, doch sloot zich weder dadelijk, zoodra het schijnsel eener ellendige lamp, die in een hoek brandde, den bandelier, den degengreep en de loopen der pistolen van d’Artagnan had verlicht.

Intusschen, hoe snel die beweging ook was geweest, had d’Artagnan echter den tijd gehad, even het hoofd eens grijsaards te zien.--„In ’s hemels naam!” zeide hij, „luister naar mij; ik wacht iemand, die niet komt, en ik sterf van angst. Zou er een ongeluk in de nabijheid zijn voorgevallen? spreek!”

Het venster werd wederom langzaam geopend, en hetzelfde gezicht vertoonde zich opnieuw; maar het was nog bleeker dan te voren. D’Artagnan verhaalde eenvoudig zijn geschiedenis, behalve de namen; hij zeide een afspraak te hebben gemaakt met een jonge vrouw, om elkander voor het paviljoen aan te treffen en hoe hij, haar niet ziende komen, in den lindeboom geklommen was, van waar hij, bij het schijnsel der lamp, de wanorde in de kamer heerschende gezien had.

De grijsaard luisterde aandachtig, terwijl zijn gebaren te kennen gaven, dat hij van de zaak iets wist. Vervolgens, toen d’Artagnan geëindigd had, schudde hij het hoofd op een wijze, die niets goeds voorspelde.

„Wat wilt gij zeggen?” riep d’Artagnan. „In ’s hemels naam! laat hooren, verklaar u!”--„Ach, mijnheer!” zeide de grijsaard, „vraag mij niets; indien ik u verhaalde, wat ik gezien heb, zou er voor mij zeker niets goeds uit voortspruiten.”--„Hebt gij dan iets gezien?” hernam d’Artagnan. „Zoo ja,” ging hij voort, hem een pistool toewerpende, „in ’s hemels naam! zeg, zeg mij dan, wat gij gezien hebt en ik geef u mijn woord als edelman, dat geen enkel uwer woorden over mijn lippen zal komen.”

De grijsaard las zooveel openhartigheid en smart op het gezicht van d’Artagnan, dat hij een teeken gaf te luisteren en tot hem met zachte stem zeide: „Het zal ongeveer negen uur zijn geweest, toen ik, eenig gerucht op straat hoorende en begeerig te weten wat er voorviel, naar de deur liep; daar ontwaarde ik, dat men trachtte binnen te komen. Arm zijnde en niet vreezende bestolen te worden, opende ik en zag op eenigen afstand drie mannen. In de schaduw stond een bespannen koets en gezadelde paarden. Die gezadelde paarden behoorden blijkbaar aan de drie mannen, welke als ruiters waren gekleed.

„‚Ach, goede heeren!’ riep ik, ‚wat verlangt gij?’--‚Gij hebt zeker een ladder?’ zeide mij degene, die de aanvoerder scheen te zijn.--‚Ja, heeren! die waarmede ik mijn vruchten pluk.’--‚Geef ons die en ga in huis; ziedaar een kroon voor de moeite, die wij u veroorzaken. Herinner u echter, indien gij een woord spreekt over hetgeen gij zult zien en hooren, want welke bedreigingen wij u doen, zult gij toch zien en luisteren, hiervan ben ik zeker, zijt gij verloren.’

„Na dit gezegd te hebben, wierp hij mij een kroon voor de voeten, die ik opraapte, en hij nam mijn ladder. En werkelijk, na de deur der omheining achter hen gesloten te hebben, hield ik mij, alsof ik naar huis wilde terugkeeren, maar ik ging onmiddellijk de achterdeur weer uit en in de schaduw voortsluipende, bereikte ik de groep vlierboomen, uit welke ik alles kon zien zonder gezien te worden. De drie mannen hadden in stilte de koets doen naderen; zij lieten er een klein, dik, kort, grijs mannetje uit komen, die op een belachelijke wijze in een donkerkleurig gewaad was gekleed; deze klom behoedzaam de ladder op, zag gluipend de kamer in, klom weder stil af en mompelde half luid: ‚Zij is het!’ Onmiddellijk naderde toen degene, die mij had toegesproken, de deur van het paviljoen, opende die met een sleutel, dien hij bij zich had, sloot de deur weder en verdween. Tegelijkertijd klommen beide andere mannen de ladder op. De kleine man bleef bij het portier staan; de koetsier hield de teugels der koetspaarden en een lakei de gezadelde paarden vast. Eensklaps werd een luid geschreeuw uit het paviljoen gehoord, een vrouw liep naar het venster en opende het, als om er zich uit te werpen; maar toen zij de twee mannen zag, trad zij schielijk achteruit; en de beide mannen sprongen achter haar de kamer binnen. Toen zag ik niets meer, maar ik hoorde een gerucht als van brekend huisraad.--De vrouw schreeuwde en riep om hulp. Maar spoedig werden haar kreten gesmoord; de drie mannen naderden het venster, de vrouw in hun armen wegdragende; twee gingen de ladder af en droegen haar in het rijtuig, waarin de kleine oude zich na haar begaf. Hij, die in het paviljoen was gebleven, sloot het venster, trad een oogenblik daarna uit de deur en verzekerde zich, dat de vrouw in het rijtuig was; zijn beide gezellen wachtten hem reeds te paard, hij sprong op zijn beurt in den zadel; de lakei zette zich naast den koetsier; de koets verwijderde zich in galop, begeleid door de drie ruiters, en alles was geëindigd. Van toen af heb ik niets meer gezien, niets meer gehoord.”

D’Artagnan, verpletterd door een zoo vreeselijke tijding, bleef onbeweeglijk, sprakeloos staan, terwijl al de duivels des toorns en der jaloezie in zijn hart brulden.

„Maar, edele heer!” hernam de grijsaard, op wien die stomme wanhoop zeker meer indruk maakte dan gekerm en geween hadden kunnen teweegbrengen, „kom, treur niet, zij hebben haar niet om het leven gebracht, en dat is het voornaamste.”--„Weet gij min of meer,” vroeg d’Artagnan, „wie de man is, die dien helschen aanslag aanvoerde?”--„Ik ken hem niet.”--„Maar dewijl gij hem gesproken hebt, moet gij hem gezien hebben.”--„O, gij meent hoe hij er uitzag?”--„Ja.”--„Een groot, mager, bruin man, met zwarte knevels, zwarte oogen, en al het uiterlijke van een edelman.”--„Hij is het!” riep d’Artagnan; „wederom hij! altijd hij! Hij is mijn duivel! naar het schijnt. En de andere?”--„Wie?”--„De kleine.”--„O, die was geen edelman, dat verzeker ik u; bovendien, hij droeg geen degen en de anderen behandelden hem zonder de minste onderscheiding.”--„Een lakei waarschijnlijk,” mompelde d’Artagnan. „Ach, arme vrouw, wat hebben zij met haar gedaan?”--„Gij hebt mij geheimhouding beloofd,” zeide de grijsaard.--„En ik herhaal u mijn belofte, wees gerust, ik ben edelman. Een edelman heeft slechts één woord, en ik heb u het mijne gegeven.”

D’Artagnan sloeg, met een door smart verbitterd hart, den weg naar de overzetpont weer in. Nu eens kon hij niet gelooven, dat het juffrouw Bonacieux was geweest en hij hoopte haar den volgenden dag in het Louvre weer te vinden, dan weder vreesde hij, dat zij, in liefdesbetrekking met een anderen staande, door een jaloerschen minnaar was verrast en ontvoerd. Hij was onzeker, bedroefde zich en wanhoopte.--„O, indien ik mijn vrienden bij mij had!” riep hij, „dan bleef mij ten minste eenige hoop over, haar weer te vinden; maar wie weet wat er van hen is geworden?”

Het was omstreeks middernacht, en Planchet moest worden opgezocht. D’Artagnan liet zich achtereenvolgens al de herbergen openen, in welke hij eenig licht bespeurde, maar in geen van alle ontmoette hij Planchet. Aan de zesde begon hij te overwegen, dat dergelijk zoeken eenigszins gewaagd was. Hij had zijn lakei niet vroeger dan tegen zes uur des morgens bescheiden, en waar hij zich ook mocht bevinden, hij was in zijn recht. Bovendien het kwam den jongeling in de gedachte, dat, zoo hij in den omtrek der plaats bleef, waar het tooneel was voorgevallen, hij misschien eenige nadere inlichting nopens die geheimzinnige zaak zou krijgen. In de zesde herberg, zooals wij zeggen, bleef hij, vroeg een flesch besten wijn, ging in den donkersten hoek zitten en besloot aldus den dag af te wachten; maar ook nu werd hij in zijn verwachting teleurgesteld, en hoewel hij met de grootste aandacht luisterde, hoorde hij onder het gevloek, het gelach en het getier der werklieden, lakeien en voerlieden, waaruit het achtbaar gezelschap bestond, waaraan hij deelnam, niets dat hem op het spoor der arme ontvoerde vrouw kon brengen.

Hij was dus genoodzaakt, uit tijdverdrijf en om geen vermoedens op te wekken, na zijn flesch te hebben geledigd, in zijn hoek de gemakkelijkste houding aan te nemen en zoo goed als hij kon in te slapen.

D’Artagnan was twintig jaar, zooals men zich herinnert, en op die jaren heeft de slaap een onbetwistbaar recht, dat hij zelfs op de wanhopigste harten doet gelden. Tegen zes uur des ochtends ontwaakte d’Artagnan met die onaangename gewaarwording, welke gewoonlijk het begin van den dag na een slechten nacht vergezelt. Hij had niet veel tijd noodig om zich te kleeden; hij onderzocht, of men van zijn slaap geen gebruik had gemaakt om hem te bestelen; maar zijn diamant aan zijn vinger, zijn beurs in den zak en zijn pistolen in den gordelriem vindende, stond hij op, betaalde zijn flesch en ging naar buiten, om te zien of hij in het terugvinden van zijn knecht des morgens niet gelukkiger zou zijn dan des nachts; en waarlijk, het eerste wat hij door den dikken grijzen nevel bespeurde, was de eerlijke Planchet, die, met beide paarden aan de hand, hem aan de deur van een onaanzienlijke kroeg wachtte, welke, zonder haar aanwezigheid te vermoeden, d’Artagnan was voorbijgegaan.

HOOFDSTUK XXV.

Porthos.

In plaats van zich rechtstreeks naar huis te begeven, bleef d’Artagnan voor de deur van den heer de Tréville stil en liep haastig de trap op, nu vast besloten hem alles te verhalen, wat er was voorgevallen. Voorzeker zou hij hem in deze omstandigheid goeden raad geven; vervolgens, daar de heer de Tréville bijna dagelijks de koningin sprak, zou hij misschien in staat zijn van Hare Majesteit eenige inlichtingen te verkrijgen omtrent de arme vrouw, aan wie men zeker haar trouw aan haar meesteres deed boeten....

De heer de Tréville luisterde naar het verhaal van den jongeling met een ernst, die bewees, dat hij in dit avontuur iets meer zag dan een liefdesintrigue; vervolgens, toen d’Artagnan had geëindigd, zeide hij: „Hm! door dit alles kan men Zijne Eminentie op een uur afstands ruiken.”--„Maar wat te doen?” vroeg d’Artagnan.--„Niets, volstrekt niets anders, dan dadelijk _Parijs_ verlaten, zooals ik u heb gezegd. Ik zal de koningin spreken en haar de bijzonderheden van de ontvoering der arme vrouw mededeelen, daar zij er zeker niet mede bekend is; die bijzonderheden zullen haar van haar zijde tot richtsnoer verstrekken, en bij uw terugkomst zal ik u misschien een goede tijding hebben mede te deelen. Vertrouw hieromtrent op mij.”

D’Artagnan wist, dat, hoezeer Gaskonjer, de heer de Tréville de gewoonte niet had te beloven en, wanneer zulks toevallig gebeurde, hij meer deed dan hij beloofd had. Hij groette hem dan ook vol erkentelijkheid, zoowel voor het verledene als voor het toekomstige, en de waardige kapitein, die van zijn kant in den moedigen, standvastigen jongeling veel belang stelde, drukte hem vriendelijk de hand, hem een goede reis wenschende.

Besloten den raad van den heer de Tréville dadelijk ten uitvoer te brengen, begaf d’Artagnan zich naar de Doodgraversstraat, ten einde zijn toebereidselen voor de reis te maken. No. 11 naderende, herkende hij den heer Bonacieux, in zijn ochtendgewaad voor de deur zijner woning staande. Al wat de voorzichtige Planchet omtrent het onheilspellend karakter van zijn huisheer gezegd had, kwam toen opnieuw voor den geest van d’Artagnan, die hem met meer aandacht beschouwde, dan hij tot hiertoe had gedaan. Inderdaad, behalve die geelachtige, ziekelijke kleur, die de vermenging van de gal met het bloed aanduidt, ofschoon zulks toevallig kon ontstaan zijn, bemerkte d’Artagnan iets gluipends, verraderlijks in de vertrekking der rimpels van zijn gezicht. Een schurk lacht niet gelijk een eerlijk man, een huichelaar weent die tranen niet, welke een oprecht mensch stort. Elke valschheid is een masker, en hoe goed dit masker ook gevormd zij, kan men steeds, met een weinig aandacht, het van het gezicht onderscheiden....

Het scheen dan aan d’Artagnan, alsof de heer Bonacieux een masker voor had en wel het onaangenaamste masker, dat men zien kon. Door zijn afkeer van dien man gedreven, wilde hij hem, zonder te spreken, voorbijgaan; maar de heer Bonacieux riep hem, gelijk den vorigen dag.

„Wel zoo, jongeling!” zeide hij, „het schijnt, dat wij aan het nachtbraken zijn? Zeven uur in den morgen, duivelsch! Mij dunkt, dat gij de aangenomen gebruiken eenigszins hebt omgekeerd en te huis komt, wanneer anderen uitgaan.”--„Men zal u hetzelfde verwijt niet doen, mijnheer Bonacieux!” antwoordde de jongeling, „en gij zijt het toonbeeld der ordelijke lieden. Het is waar, dat, wanneer men een jonge, schoone vrouw bezit, men niet noodig heeft het geluk na te loopen; het geluk komt u tegemoet, niet waar, mijnheer Bonacieux?”

Bonacieux werd zoo bleek als een lijk en een grijnzende glimlach vertrok zijn gelaat.--„Ha! ha!” zeide hij, „gij zijt een grappige snaak. Maar waar duivel! zijt gij toch van nacht geweest, jonge heer? Het schijnt, dat het op de binnenwegen niet zindelijk was.”

D’Artagnan sloeg de oogen op zijn met slijk bedekte laarzen; maar door deze beweging viel zijn blik gelijktijdig op de schoenen en kousen van den winkelier; het was of men ze in denzelfden modderpoel had gedoopt, want zoowel de eene als de andere waren met gelijkkleurige vlekken bezoedeld. Toen doorvloog een snelle gedachte de ziel van d’Artagnan. Die kleine, dikke, korte, grijze man, die soort van lakei in een somberkleurig gewaad gekleed en door de krijgslieden, welke de koets vergezelden, zonder eenige onderscheiding behandeld, was Bonacieux zelf geweest. De echtgenoot was bij de ontvoering zijner vrouw tegenwoordig geweest.

D’Artagnan overviel een hevige begeerte, den winkelier bij de keel te grijpen en hem te worgen; maar, wij hebben het gezegd, hij was een zeer voorzichtig jongeling en hij bedwong zich.