De Drie Musketiers dl. I en II
Part 23
„Is er iemand geweest, die een brief voor mij heeft gebracht?” vroeg d’Artagnan haastig.--„Niemand heeft een brief gebracht, mijnheer!” antwoordde Planchet; „maar een is er geheel alleen gekomen.”--„Wat wilt gij zeggen, zot?”--„Ik wil zeggen, dat, toen ik te huis kwam, en hoewel ik den sleutel van uw kamer in den zak had en die sleutel mij niet verlaten heeft, ik een brief op het groene kleed uwer tafel in de slaapkamer gevonden heb.”--„En waar is die brief?”--„Ik heb hem gelaten, waar hij lag, mijnheer! Het is niet natuurlijk, dat de brieven op die wijze bij de lieden komen. Als het raam open of met een reet geopend was geweest, dan was het te verklaren; maar neen! alles was potdicht, mijnheer! wees voorzichtig, er schuilt zeker tooverij onder.”
Ondertusschen was de jongeling de kamer binnengestormd, en opende hij den brief. Hij was van mejuffrouw Bonacieux en luidde als volgt:
„Men heeft u hartelijke dankbetuigingen te doen en over te brengen; bevind u, heden avond te tien uur, te _St. Cloud_, tegenover het paviljoen, dat zich aan den hoek van het huis des heeren d’Estrées verheft.”
C. B.
Dezen brief lezende, voelde d’Artagnan zijn hart zwellen en weder inkrimpen door die teedere aandoeningen, welke het hart der minnenden tevens folteren en streelen.--Het was het eerste briefje, dat hij ontving, de eerste samenkomst, die hem werd aangeboden. Zijn hart, door de dronkenschap der vreugd vervuld, was gereed te bezwijmen op den drempel van dat aardsche paradijs, dat men liefde noemt.
„Welnu, mijnheer!” zeide Planchet, die zijn meester beurtelings had zien blozen en verbleeken; „welnu, heb ik het niet geraden? het is zeker een slechte zaak.”--„Gij bedriegt u, Planchet!” antwoordde d’Artagnan, „en tot bewijs, ziedaar een kroon, waarvoor gij op mijn gezondheid kunt drinken.”--„Ik bedank mijnheer voor de kroon, die hij mij geeft, en ik beloof hem, getrouw zijn voorschrift na te komen; maar het is niettemin raar, dat de brieven op zoodanige wijze in de gesloten huizen komen....”--„Uit den hemel vallen, mijn vriend! uit den hemel vallen.”--„Dus is mijnheer tevreden?” vroeg Planchet.--„Mijn waarde Planchet! ik ben de gelukkigste der menschen.”--„En kan ik van het geluk van mijnheer gebruik maken om te gaan slapen?”--„Ja, ga.”--„Dat de zegen des Hemels op mijnheer neerdale; maar het is niettemin waar, dat die brief....”--En Planchet verwijderde zich, het hoofd schuddende met een zweem van twijfeling, die de gulheid van d’Artagnan niet geheel had kunnen verdrijven.
Alleen zijnde, las en herlas d’Artagnan het briefje, hij kuste en herkuste twintig malen die regels, door de hand zijner schoone minnares geschreven. Eindelijk begaf hij zich te bed, sliep in en deed gouden droomen.
Te zeven uur des morgens stond hij op en riep Planchet, die op een tweeden roep de deur opende met een gezicht, waarvan de ongerustheid des vorigen daags nog niet was afgewischt.
„Planchet!” zeide d’Artagnan tot hem, „ik ga misschien voor den heelen dag uit, gij zijt dus vrij tot zeven uur van avond; maar te zeven uur houd u dan gereed met twee paarden.”--„Komaan,” zeide Planchet, „het schijnt, dat wij wederom eenige gaten in onze huid gaan opdoen.”--„Gij moet uw pistolen en musket medenemen.”--„Wel, wat zeide ik?” riep Planchet. „Ja, ik was er zeker van, vervloekte brief.”--„Maar verontrust u toch niet, domkop! het betreft niets anders dan een pleizierpartij.”--„Ja, zooals het pleiziertochtje van laatst, toen het kogels regende en valstrikken groeide.”--„Maar, indien gij bang zijt, Planchet!” hernam d’Artagnan, „zal ik zonder u gaan; ik ga liever alleen, dan vergezeld van een reisgezel, die beeft.”--„Mijnheer beleedigt mij,” zeide Planchet, „ik meen toch, dat hij mij aan het werk heeft gezien?”--„Ja, maar ik geloof, dat gij uw moed in een keer versleten hebt.”--„Mijnheer zal zien, dat, wanneer de gelegenheid zich voordoet, mij er nog van overblijft; ik verzoek mijnheer alleen, dien niet te verspillen, indien hij wil, dat ik hem lang behoude.”--„Gelooft gij er van avond nog iets van te kunnen missen?”--„Ik hoop het.”--„Welnu, ik reken op u.”--„Op het bepaalde uur zal ik gereed zijn; maar ik dacht, dat mijnheer slechts één paard in den stal der gardes voorhanden had?”--„Misschien is er op dit oogenblik niet meer dan één; maar heden avond zullen er vier zijn.”--„Het schijnt, dat onze reis gestrekt heeft, om van paarden te verwisselen.”--„Juist,” zeide d’Artagnan; en na Planchet opnieuw bemoedigend toegewenkt te hebben, vertrok hij.
De heer Bonacieux stond voor de deur; het voornemen van d’Artagnan was den waardigen winkelier voorbij te gaan zonder hem aan te spreken; maar deze groette hem zoo nederig en goedhartig, dat zijn huurder niet alleen zich verplicht vond hem wederkeerig te groeten, maar zelfs een gesprek met hem aan te knoopen. En daarenboven, waarom zou men niet vriendelijk zijn jegens een man, met wiens vrouw men een afspraak heeft gemaakt tot een samenkomst tegenover het klein paviljoen van den heer d’Estrées.
D’Artagnan naderde hem dus op de meest beleefde wijze. Het gesprek viel natuurlijk op de gevangenneming van den armen man. De heer Bonacieux, wien het onbekend was, dat d’Artagnan zijn gesprek met den onbekende van _Meung_ had beluisterd, verhaalde aan zijn jongen huurder de vervolgingen van dat gedrocht, dien heer de Lassman, dien hij gedurende zijn geheele verhaal onophoudelijk den titel van beul des kardinaals gaf, terwijl hij lang uitweidde over de Bastille, de grendels, de deuren, de luchtgaten, de tralies en de folter-werktuigen.
D’Artagnan luisterde naar hem met een voorbeeldige welwillendheid; vervolgens, toen hij gedaan had: „En mejuffrouw Bonacieux,” zeide hij eindelijk, „weet gij, wie haar ontvoerd heeft? want ik vergeet niet, dat het tengevolge dezer noodlottige omstandigheid was, dat ik het genoegen uwer kennismaking heb gehad.”--„O!” riep de heer Bonacieux, „zij hebben zich wel gewacht mij zulks te zeggen, en mijn vrouw van haar zijde heeft mij bij alle goden gezworen, het niet te weten.... Maar gij zelf,” vervolgde Bonacieux op den toon van volkomen goedhartigheid, „waar hebt gij toch al die dagen gezeten? Ik heb u, noch uw vrienden gezien, en het is toch niet in het slijk van _Parijs_, dat gij al het stof hebt opgedaan, dat Planchet gisteren van uw laarzen stofte.”--„Gij hebt gelijk, mijn beste heer Bonacieux! mijn vrienden en ik hebben een klein reisje gedaan.”--„Ver van hier!”--„Och, mijn God! neen, niet meer dan een veertig uur van hier. Wij hebben den heer Athos naar de baden van _Forges_ gebracht, waar mijn vrienden zijn gebleven.”--„En gij zijt teruggekomen, gij, niet waar?” hernam de heer Bonacieux, aan zijn gezicht de slimst mogelijke uitdrukking gevende. „Een knappe jongen, zooals gij, verkrijgt geen lang verlof van zijn minnares, en men wachtte u met ongeduld te _Parijs_ terug, niet waar?”--„Op mijn woord,” antwoordde de jongeling lachende, „ik vertrouw het te eerder aan u, mijn waarde heer Bonacieux! daar ik zie, dat men u niets kan verbergen; ja, ik word verwacht en wel met ongeduld, dat verzeker ik u.”--Een lichte wolk zweefde op het voorhoofd van Bonacieux, maar zoo licht dat d’Artagnan die niet bemerkte.
„En men zal u voor uw spoed beloonen,” vervolgde de winkelier met eenige ontroering in de stem; een ontroering, die d’Artagnan evenmin bespeurde als de voorbijgaande wolk, die een oogenblik te voren het gezicht van den waardigen man verduisterd had.--„Och kom, houdt u nu maar goed!” zeide d’Artagnan lachende.--„Maar wat ik u zeg,” hernam Bonacieux, „is alleen om te weten, of gij laat te huis zult komen.”--„Waarom vraagt gij dat, mijn waarde huisheer?” vroeg d’Artagnan; „zijt gij voornemens mij te wachten?”--„Neen, maar sedert mijn inhechtenisneming en den diefstal, die bij mij gepleegd is, schrik ik telkens, wanneer ik een deur hoor opendoen en vooral des nachts.... Duivelsch! wat wilt gij, ik ben geen krijgsman.”--„Welnu, schrik niet, indien ik te een, twee of drie uur van nacht te huis kom; en wanneer ik in het geheel niet te huis kom, schrik dan nog niet.”
Maar nu werd Bonacieux zoo bleek, dat d’Artagnan niet anders kon, of hij moest het gewaar worden en vragen wat hem deerde.--„Niets,” antwoordde Bonacieux, „niets. Sedert die ramp ben ik aan flauwten onderhevig, die mij eensklaps overvallen, en nu voel ik een rilling door mijn lijf loopen.... Maar let er niet op; gij, die u met niets anders behoeft te bemoeien, dan om gelukkig te zijn.”--„Dan heb ik bezigheid, want ik ben het.”--„Nog niet, wacht toch een weinig, gij hebt immers gezegd tot van avond.”--„Welnu! die avond zal komen, Goddank! en misschien wacht gij dien met evenveel ongeduld als ik. Misschien zal heden avond juffrouw Bonacieux wel te huis komen.”--„Juffrouw Bonacieux is heden avond niet vrij,” antwoordde de echtgenoot ernstig; „zij moet voor dienstzaken in het Louvre blijven.”--„Zooveel te erger voor u, mijn waarde heer! zooveel te erger. Wanneer ik gelukkig ben, zie ik gaarne de geheele wereld gelukkig, maar mij dunkt, dat dit niet mogelijk is.”--En de jongeling verwijderde zich, luid lachende over de scherts, die hij alleen, dacht hij, kon begrijpen.
„Vermaak u wel,” antwoordde Bonacieux met een stem, alsof die uit een graf klonk. Doch d’Artagnan was reeds te ver, om die te hooren; en al had hij die gehoord, in de gemoedsgesteldheid, waarin hij zich bevond, zoude hij ze echter zeker niet hebben opgemerkt. Hij richtte zijn schreden naar het hotel van den heer de Tréville; zijn bezoek van den vorigen dag was, men herinnere het zich, zeer kort en van zeer weinig beteekenis geweest.
Hij vond den heer de Tréville in zijn ziel verblijd. De koning en de koningin waren voor hem op het bal allerbeminnelijkst geweest. Het is waar, dat de kardinaal integendeel alleronbeleefdst was geweest. Te een uur had hij zich verwijderd, voorwendende ongesteld te zijn. Hunne Majesteiten waren niet voor zes uur des morgens in het Louvre teruggekeerd.
„Thans,” zeide de heer de Tréville, op bijna fluisterenden toon en met zijn blik al de hoeken van het vertrek doorzoekende, om te zien of zij wel alleen waren, „thans spreken wij eens over u, mijn jonge vriend! want het is blijkbaar, dat uw terugkomst van eenigen invloed is geweest op de vergenoegdheid des konings, de zegepraal der koningin en de vernedering Zijner Eminentie. Nu is het de zaak u goed te houden.”--„Wat heb ik te vreezen?” antwoordde d’Artagnan, „zoolang ik de gunst Hunner Majesteiten geniet.”--„Alles, geloof mij. De kardinaal is de man niet, om een hem aangedanen trek te vergeten, zoolang hij niet met den uitvoerder heeft afgerekend; en die uitvoerder lijkt mij wel een jongeling van mijn kennis te zijn.”--„Gelooft gij, dat de kardinaal zoo ver is gevorderd als gij en hij weet, dat ik naar _Londen_ ben geweest?”--„Duivelsch! zijt gij naar _Londen_ geweest? En is het van _Londen_, dat gij dien schoonen ring hebt medegebracht, die aan uw vinger schittert? Wees op uw hoede, mijn beste d’Artagnan! het geschenk eens vijands brengt niet veel goeds. Is hierop niet zeker Latijnsch vers toepasselijk.... Wacht eens?”--„Ja zeker,” antwoordde d’Artagnan, die nooit in zijn hersens den eersten regel van zijn Rudimenta had kunnen stampen en door zijn onwetendheid zijn leermeester wanhopig had gemaakt, „ja zeker is er een.”--„Ongetwijfeld moet er een zijn,” zeide de heer de Tréville, die eenige kennis van letterkunde had, „en de heer de Benserade zeide het nog, eenige dagen geleden, op.... Wacht eens.... Ha, zoo is het: _Timeo danaos et dona ferentes_.--Dat wil zeggen, wantrouw den vijand, die u geschenken doet.”
„Die diamant komt van geen vijand, mijnheer!” hernam d’Artagnan, „hij komt van de koningin.”--„Van de koningin!” riep de heer de Tréville. „O, o! Inderdaad, het is waarlijk een koninklijk juweel, dat duizend pistolen zoo goed als een penning waard is. Door wien heeft de koningin u dat geschenk doen ter hand stellen?”--„Zij heeft het mij in persoon gegeven.”--„Waar dan?”--„In het kabinet naast het vertrek, waarin zij van kleeding heeft verwisseld.”--„Op wat wijze?”--„Door mij haar hand ten kus aan te bieden.”--„Gij hebt de hand der koningin gekust?” riep de heer de Tréville, d’Artagnan beschouwende.--„Hare Majesteit heeft mij de eer bewezen, mij die genade te vergunnen.”--„En dat in tegenwoordigheid van getuigen! Onvoorzichtige!”--„Neen, mijnheer! wees gerust, niemand heeft het gezien,” hernam d’Artagnan; en hij verhaalde aan den heer de Tréville, hoe de zaken zich hadden toegedragen.
„O, de vrouwen! de vrouwen!” riep de oude soldaat, „ik herken ze wel aan haar romaneske verbeelding; al wat naar het geheimzinnige zweemt, bekoort haar. Dus hebt gij maar alleen den arm gezien, niets meer? Gij zoudt de koningin ontmoeten zonder haar te herkennen? of zij zou u ontmoeten, zonder te weten wie gij waart?”--„Ja, maar door dien diamant....” hernam de jongeling.--„Luister,” zeide de heer de Tréville, „wilt gij dat ik u een raad, een goeden, een vriendenraad geef?”--„Gij zult mij veel eer bewijzen, mijnheer!” zeide d’Artagnan.--„Welnu, ga dan bij den eersten goudsmid den besten en verkoop hem dien diamant, voor zooveel hij er u voor zal willen geven; al is hij de grootste jood, gij zult er altijd wel achthonderd pistolen voor krijgen. Pistolen hebben geen naam, jongeling! en deze ring heeft er een verschrikkelijken, die dengene kan verraden, die hem draagt.”--„Dien ring verkoopen, een ring die van mijn koningin afkomstig is, dat nooit!” riep d’Artagnan.--„Welaan, keer dan den steen naar binnen, arme dwaas! want men weet wel, dat een kadet van Gaskonje dergelijke juweelen niet in het juweelkistje zijner moeder vindt.”--„Gelooft gij dan, dat ik iets te vreezen heb?” vroeg d’Artagnan.--„Ik kan u zeggen, jongeling! dat hij, die zich op een kruitmijn te slapen legt, van welke de lont is aangestoken, zich in zekerheid moet wanen bij u vergeleken.”--„Duivelsch!” zeide d’Artagnan, wien de overtuigende toon van den heer de Tréville begon te verontrusten, „duivelsch! wat moet ik doen?”--„Op uw hoede zijn, altijd en voor alles. De kardinaal heeft een taai geheugen en een langen arm; geloof mij, hij zal u een poets spelen.”--„Maar welke?”--„Weet ik het? staan al de listen des duivels hem niet ten dienste? Het minste, dat u kan overkomen, is gevangen te worden genomen.”--„Hoe, zou men iemand in hechtenis durven nemen, die in dienst van Zijne Majesteit is?”--„_Pardieu_! men heeft met Athos weinig omslag gemaakt; in alle geval, jonge gek! geloof een man, die sedert dertig jaar aan het hof verkeert, raak niet in slaap in uw gerustheid, of gij zijt verloren. Integendeel, en ik ben het, die u dit zegt, zie overal vijanden. Indien men twist met u zoekt, vermijd dien, al ware het met een kind van tien jaar; indien men u, hetzij des nachts of op den dag aanvalt, ontwijk zonder te blozen; indien gij een brug over gaat, bevoel dan de planken, uit vrees dat een der planken onder uw voeten verzinkt; wanneer gij voorbij een in aanbouw zijnd huis gaat, zie dan naar boven, uit vrees dat een steen op uw hoofd valt; indien gij laat te huis komt, laat u dan door uw lakei volgen en zorg, dat hij gewapend is, althans indien gij op uw lakei kunt rekenen. Stel in niemand ter wereld vertrouwen, wantrouw uw vriend, uw broeder, uw minnares, maar vooral uw minnares.”
D’Artagnan bloosde.--„Mijn minnares!” herhaalde hij werktuigelijk, „en waarom haar meer dan een ander?”--„Omdat de minnaressen een der middelen zijn, die den kardinaal het meest bevallen; hij heeft er geen, dat van spoediger uitwerking is; een vrouw verkoopt u voor tien pistolen: het bewijs er van is Dalila. Gij kent immers de heilige schrift, hè?”
D’Artagnan dacht aan de samenkomst, die juffrouw Bonacieux op dienzelfden avond had bepaald; maar wij moeten tot lof van onzen held zeggen, dat de slechte denkwijze van de Tréville omtrent de vrouwen in het algemeen hem niet het minste wantrouwen jegens zijn lieve huisjuffer inboezemde.--„Maar, à propos!” hernam de heer de Tréville, „wat is er van uw drie vrienden geworden?”--„Ik wilde u juist vragen, of gij niets van hen hadt vernomen.”--„Niets, mijnheer.”--„Ik heb hen onderweg gelaten. Porthos te _Chantilly_, met een tweegevecht op den hals; Aramis te _Crèvecoeur_, met een kogel in den schouder, en Athos te _Amiëns_, met een beschuldiging als valsche munter op het lijf.”--„Ziet ge wel!” zeide de heer de Tréville; „en hoe zijt gij het ontkomen?”--„Door een wonder, mijnheer! wel is waar met een degensteek in de borst, doch daarvoor heb ik den graaf de Wardes, bezijden den weg van _Calais_, aan den grond gestoken, als een vlinder op een behangsel.”--„Ziet ge wederom wel! De Wardes is een dienaar des kardinaals, een neef van Rochefort; luister, mijn waarde vriend! Er komt bij mij een denkbeeld op.”--„Welk, mijnheer?”--„In uw plaats zou ik iets verstandigs doen.”--„Wat?”--„Terwijl Zijne Eminentie u in _Parijs_ zoeken doet, zou ik met stille trom den weg naar _Picardië_ inslaan en mijn drie vrienden gaan zoeken. Wat duivel! zij verdienen van uw kant die kleine oplettendheid wel.”--„Die raad is goed, mijnheer! en morgen vertrek ik.”--„Morgen, en waarom niet nog dezen avond?”--„Dezen avond, mijnheer! word ik te _Parijs_ door een gewichtige zaak opgehouden.”--„O, jongeling! jongeling! zeker een liefdehandel. Wees op uw hoede! ik herhaal het u: het is de vrouw, die ons allen, zooals wij zijn, verloren heeft, en die ons nog, zoolang wij bestaan, zal doen verloren gaan. Geloof mij, vertrek nog dezen avond.”--„Onmogelijk, mijnheer.”--„Ge hebt reeds uw woord gegeven?”--„Ja, mijnheer!”--„Dat is iets anders; maar beloof mij, indien gij heden nacht niet wordt gedood, dat gij dan morgen zult vertrekken.”--„Ik beloof het u.”--„Hebt gij geld noodig?”--„Ik heb nog vijftig pistolen. Dat is zooveel ik noodig heb, geloof ik.”--„Maar uw vrienden?”--„Ik vertrouw, dat hun geen geld zal ontbreken. Wij hebben _Parijs_ verlaten elk met vijf en zeventig pistolen in den zak.”--„Zal ik u vóór uw vertrek nog wederzien?”--„Ik geloof het niet, mijnheer! althans indien er niets nieuws gebeurt.”--„Welaan, goede reis!”--„Ik dank u, mijnheer!”--En d’Artagnan nam van den heer de Tréville afscheid, meer dan ooit getroffen door zijn zoo vaderlijke zorg voor zijn musketiers.
Hij begaf zich achtereenvolgens naar de woningen van Athos, Porthos en Aramis. Doch geen hunner was nog te huis gekomen. Ook hun lakeien waren nog afwezend, en men had van hen niet de minste tijding. Hij zou wel eenige narichten van hen bij hun minnaressen hebben kunnen inwinnen, maar hij kende noch die van Porthos noch die van Aramis; wat Athos betreft, deze had er geen.
Voorbij het hotel der gardes gaande, wierp hij een blik in den stal; drie van de vier paarden waren reeds aangekomen. Planchet, geheel verwonderd, was reeds bezig ze te roskammen en had dit reeds aan twee verricht.
„O, mijnheer!” riep Planchet, d’Artagnan bespeurende: „o, wat ben ik verheugd u te zien.”--„En waarom dat, Planchet?” vroeg de jongeling.--„Stelt gij vertrouwen in den heer Bonacieux, onzen huisheer?”--„Ik! volstrekt niet.”--„O, mijnheer! hieraan doet gij wel.”--„Maar waartoe die vraag?”--„Omdat, terwijl gij met hem spraakt, ik u beiden beschouwde, zonder u te beluisteren, mijnheer! zijn gelaat zag ik twee of drie malen van kleur veranderen.”--„Och!”--„Heeft mijnheer dat niet opgemerkt? hij was zeker te zeer verstrooid door dien brief, dien hij ontvangen heeft; maar ik integendeel, die op mijn hoede ben, tengevolge der zonderlinge wijze waarop die brief in huis is gekomen, ik heb geen trekking van zijn gezicht mij laten ontsnappen.”--„En hoe vondt gij het?”--„Verraderlijk, mijnheer!”--„Waarlijk?”--„En daarenboven, zoodra mijnheer hem verlaten had en om den hoek der straat verdwenen was, heeft de heer Bonacieux zijn hoed genomen, de deur gesloten en langs de andere zijde der straat zich verwijderd.”--„Waarlijk? gij hebt gelijk, Planchet! dat alles komt mij verdacht voor; maar wees gerust, wij zullen hem de huur niet betalen, alvorens ons de zaak nauwkeurig zal zijn verklaard geworden.”--„Mijnheer schertst, maar mijnheer zal wel zien.”--„Wat wilt gij, Planchet! wat gebeuren moet, staat geschreven.”--„Ziet mijnheer van zijn avondwandeling niet af?”--„Wel, integendeel Planchet! Hoe meer verstoord ik op den heer Bonacieux moet wezen, te meer reden zal ik hebben, om mij naar de samenkomst te begeven, om welke de brief, die u zoozeer verontrust, mij verzoekt.”--„Als mijnheer er dan toe besloten heeft....”--„Onveranderlijk, mijn vriend! zorg dus, hier in het hotel met alles gereed te zijn, ik zal u komen afhalen.”
Planchet, ziende dat er geen hoop meer overbleef zijn meester van besluit te doen veranderen, slaakte een diepen zucht en begon het derde paard te roskammen. Wat d’Artagnan betreft, die in den grond een zeer voorzichtig jongeling was, hij begaf zich naar den Gaskonjischen priester, die op het oogenblik, dat de vier vrienden in nood verkeerden, hen op een ontbijt met chocolaad had onthaald, om bij dezen het middagmaal te gebruiken.
HOOFDSTUK XXIV.
Het paviljoen.
Te negen uur was d’Artagnan in het hotel der gardes; hij vond Planchet onder de wapens. Het vierde paard was ook gekomen. Planchet was met zijn musket en een pistool gewapend.--D’Artagnan had zijn degen op zijde en stak twee pistolen in zijn gordel; vervolgens stegen beiden te paard en verwijderden zich in stilte. Het was volkomen nacht en niemand zag hen uitgaan. Planchet volgde zijn meester en reed tien schreden achter hem voort; d’Artagnan volgde de kaden, ging de poort _de la Conférence_ door en den bekoorlijken weg langs, die naar _St. Cloud_ leidt, en toen veel fraaier dan tegenwoordig was.
Zoo lang men in de stad was, bleef Planchet eerbiedig den afstand bewaren, dien hij zich had voorgeschreven; maar zoodra de weg eenzamer en donkerder begon te worden, naderde hij van lieverlede al meer en meer, zoodat hij bij het binnenrijden van het bosch van _Boulogne_ zich ongemerkt naast zijn meester bevond. Wij moeten niet ontveinzen, dat inderdaad de beweging der groote boomen en het schijnsel der maan op de donkere kreupelboschjes hem een grooten angst veroorzaakten.
D’Artagnan bemerkte, dat er bij zijn lakei iets buitengewoons omging.--„Wel, wel, Planchet! wat mankeert er toch aan?”--„Vindt gij niet, mijnheer! dat de bosschen als kerken zijn?”--„Waarom, Planchet?”--„Omdat men in deze, evenmin als in gene, luide durft spreken.”--„Waarom durft gij niet luide spreken, Planchet? Is het, omdat gij bang zijt?”--„Uit vrees van gehoord te worden, mijnheer!”--„Uit vrees van gehoord te worden? Ons gesprek is echter zeer zedelijk, mijn waarde Planchet! en niemand zou er iets op hebben aan te merken.”--„O, mijnheer!” hernam Planchet, tot zijn oorspronkelijk denkbeeld terugkeerende. „O! wat heeft die mijnheer Bonacieux iets valsch in zijn oogen, en iets onaangenaams op de lippen.”--„Wat duivel doet u aan Bonacieux denken!”--„Mijnheer! men denkt aan hetgeen men kan, en niet aan hetgeen men wil.”--„Omdat gij bang zijt, Planchet!”--„Mijnheer! verwarren wij de voorzichtigheid niet met de lafhartigheid, de voorzichtigheid is een deugd.”--„En gij zijt deugdzaam, niet waar, Planchet?”--„Mijnheer! is dat niet de loop van een geweer, dat daar ginds blinkt? Als wij een weinig het hoofd bogen.”--„Inderdaad,” mompelde d’Artagnan, wien de aanbeveling van den heer de Tréville in het geheugen kwam; „inderdaad, die snaak zou mij eindelijk bang doen worden.”--En hij zette zijn paard in den draf.