De Drie Musketiers dl. I en II

Part 22

Chapter 223,863 wordsPublic domain

„Ziedaar,” zeide hij, „de diamanten haken, welke gij komt halen; gij zijt nu getuige geweest, dat al wat menschelijke macht heeft kunnen doen, gedaan is geworden.”--„Wees gerust, mylord! ik zal zeggen, wat ik heb gezien; maar Uwe Genade geeft mij de diamanten zonder het kistje.”--„Het kistje zou u hinderlijk zijn; buitendien, het kistje is mij te kostbaarder geworden, omdat het mij alleen overblijft. Gij zult zeggen, dat ik het behoud.”--„Ik zal uw boodschap woordelijk overbrengen, mylord!”--„En thans,” hernam Buckingham, den jongeling strak aanziende, „hoe zal ik dit u ooit kunnen vergelden!”

D’Artagnan werd rood tot in het wit zijner oogen. Hij begreep, dat de hertog een middel zocht, om hem iets te doen aannemen en het denkbeeld, dat het bloed zijner vrienden en het zijne door Engelsch goud zou betaald worden, stiet hem geweldig tegen de borst.

„Verstaan wij elkander wel, mylord!” hernam hij, „en beschouwen wij van te voren de zaken uit het ware oogpunt, opdat er geen vergissing plaats hebbe. Ik ben in dienst van den koning en de koningin van _Frankrijk_ en behoor bij de compagnie der gardes van den heer des Essarts, die, zoowel als zijn schoonbroeder, de heer de Tréville, aan Hunne Majesteiten zeer gehecht is. Ik heb dus alles voor de koningin en niets voor Uwe Genade gedaan. Wat meer is, misschien zou ik van dat alles niets hebben gedaan, indien ik niet in de gelegenheid ware geweest iemand welgevallig te zijn, die mijn dame is, zooals de koningin de uwe.”--„Ja,” zeide de hertog glimlachende, „en ik geloof zelfs die andere persoon te kennen; het is....”--„Mylord! ik heb haar niet genoemd,” viel de jongeling hem haastig in de rede.--„Dat is ook waar,” zeide de hertog. „Het is dus jegens haar, dat ik erkentelijk moet zijn voor uw toewijding.”--„Gij hebt het gezegd, mylord! want juist op dit oogenblik, dat er een oorlog op handen is, beken ik u, dat ik in Uwe Genade niets anders dan een Engelschman zie en bijgevolg een vijand, dien ik nog liever zou ontmoeten op het slagveld dan in het park van _Windsor_ of in de gangen van het Louvre; hetgeen mij trouwens niet zal beletten, stiptelijk mijn zending te volbrengen; maar ik herhaal het aan Uwe Genade, dat zij mij persoonlijk niet den minsten dank schuldig is voor hetgeen ik in deze tweede samenkomst voor mij zelven doe, als voor hetgeen ik reeds voor haar gedaan heb in de eerste. Wij zeggen: trotsch als een Gaskonjer!” antwoordde d’Artagnan. „De Gaskonjers zijn de Schotten van _Frankrijk_!”

D’Artagnan groette den hertog en maakte zich gereed te vertrekken.--„Hoe nu, wilt gij op die wijze vertrekken? Waarheen en hoe?”--„Dat is waar ook.”--„_Goddam_! de Franschen denken aan niets.”--„Ik vergat, dat _Engeland_ een eiland is en gij er de koning van zijt.”--„Ga naar de haven, vraag naar de brik _de Sond_, stel dezen brief den kapitein ter hand; hij zal u naar een kleine haven overbrengen, waar men u zeker niet zal wachten en waar gewoonlijk niets anders dan visschersvaartuigen inloopen.”--„Hoe heet die haven?”--„_Saint-Valéry_; maar wacht dan toch. Wanneer gij daar zult zijn aangekomen, moet gij een geringe herberg zonder naam of uithangbord, een echte matrozenkroeg, binnengaan; gij kunt u niet vergissen, daar is er slechts een.”--„En verder?”--„Zult gij naar den waard vragen en hem zeggen: _forward_! dat wil zeggen, voorwaarts: dat is zooveel als een herkenningsteeken. Hij zal u dan een gezadeld paard geven en u den weg wijzen, dien gij volgen moet; gij zult vier wisselplaatsen vinden. Indien gij op elke wisselplaats uw adres te _Parijs_ wilt opgeven, dan zullen de vier paarden u derwaarts volgen: gij kent er reeds twee van, en gij schijnt die als een goed kenner gewaardeerd te hebben; het zijn die, welke wij bereden hebben; geloof mij, de andere zullen niet minder zijn. Die vier paarden zijn opgetuigd om ten oorlog te gaan. Hoe fier gij ook moogt zijn, zult gij toch niet weigeren, er een aan te nemen en aan uw vrienden de drie andere te doen aannemen; daarenboven, het is om er mede in het veld te gaan. Het doel heiligt de middelen, zooals gij Franschen immers zegt, niet waar?”--„Ja, mylord! ik neem het aan,” zeide d’Artagnan, „en als het Gode behaagt, zullen wij van uw geschenken een goed gebruik maken.”--„Geef mij nu de hand, jongeling! misschien ontmoeten wij elkander spoedig op het slagveld; maar intusschen scheiden wij als goede vrienden.”--„Ja, mylord! maar in de hoop spoedig vijanden te worden.”--„Wees gerust, ik beloof het u.”--„Ik reken op uw woord, mylord!”--D’Artagnan groette den hertog en begaf zich haastig naar de haven.

Tegenover den Tower van _Londen_ vond hij het aangeduide schip; hij stelde den brief aan den kapitein ter hand, die hem door den gouverneur der haven voor gezien liet teekenen en daarop onmiddellijk onder zeil ging.

Vijftig vaartuigen lagen zeilklaar, maar moesten wachten. Een er van voorbij varende, meende d’Artagnan de vrouw van _Meung_ te herkennen, dezelfde, die door den onbekenden edelman milady werd genoemd en die hij, d’Artagnan, zoo schoon had gevonden; maar tengevolge van den stroom der rivier en den goeden wind stevende het schip zoo snel voort, dat het in weinige oogenblikken uit het gezicht was.

Den volgenden ochtend te negen uur landde men te _Saint-Valéry_. D’Artagnan richtte zijn schreden onmiddellijk naar de aangeduide herberg en herkende ze aan de kreten, die er van uit opgingen: men sprak over den oorlog tusschen _Engeland_ en _Frankrijk_ als van iets, dat aanstaande en onvermijdelijk is, en de vroolijke matrozen hielden feest. D’Artagnan drong door de menigte heen, naderde den herbergier en uitte het woord _forward_! Op hetzelfde oogenblik gaf de herbergier hem een teeken te volgen, ging door een deur naar de plaats en bracht hem in den stal, waar een gezadeld paard hem wachtte, en vroeg hem of er nog iets van zijn dienst was.

„Ik moet den weg nog weten, dien ik moet volgen,” zeide d’Artagnan.--„Begeef u van hier naar _Blangy_, en van _Blangy_ naar _Neufchâtel_. Treed te _Neufchâtel_ de herberg de _Vergulde Egge_ binnen, geef aan den herbergier het wachtwoord en gij zult, zooals hier, een gezadeld paard vinden.”--„Ben ik iets schuldig?” vroeg d’Artagnan.--„Alles is betaald en ruimschoots. Goede reis en dat God u geleide!”--„Amen!” antwoordde de jongeling, in galop zich verwijderende.

Vier uren later was hij te _Neufchâtel_. Hij volgde stiptelijk de ontvangen voorschriften. Te _Neufchâtel_ vond hij, evenals te _St. Valéry_, een gezadeld paard, dat hem wachtte; hij wilde de pistolen uit de holsters van het zadel nemen, dat hij verliet, om die in de holsters van het paard te doen, dat hij nu ging bestijgen, maar die holsters waren met dezelfde soort pistolen voorzien.--„Wat is uw adres te _Parijs_?”--„Hotel des gardes, compagnie des Essarts.”--„Goed!” was het antwoord.--„Welken weg moet ik inslaan?” vroeg nu op zijn beurt d’Artagnan.--„Dien van _Rouaan_, maar gij moet de stad rechts laten liggen. Gij zult in het kleine dorpje _Ecouis_ stil houden, daar is slechts een herberg, _het Wapen van Frankrijk_. Beoordeel ze niet naar het uiterlijke: in den stal zult gij een paard vinden, dat even goed zal zijn als dit.”--„Hetzelfde wachtwoord?”--„Volkomen hetzelfde.”--„Vaarwel baas!”--„Goede reis, edele heer! is er nog iets van uw dienst?”--D’Artagnan schudde met het hoofd van neen en vertrok in vollen galop.

Te _Ecouis_ werd hetzelfde tooneel herhaald: hij vond een even beleefden herbergier en een versch en uitgerust paard. Hij liet zijn adres achter, zooals hij reeds had gedaan en vertrok in denzelfden galop naar _Pontoise_.

Te _Pontoise_ wisselde hij voor de laatste maal van paard en te negen uur reed hij in vollen draf de binnenplaats van den heer de Tréville op. In twaalf uren tijds had hij bij de zestig mijlen afgelegd.

De heer de Tréville ontving hem alsof hij hem nog dienzelfden morgen gezien had; alleen drukte hij hem de hand wat sterker dan gewoonlijk. Hij berichtte hem, dat de kompagnie van den heer des Essarts de wacht had aan het Louvre en hij zich op zijn post kon begeven.

HOOFDSTUK XXII.

Het ballet van la Merlaison.

Den volgenden dag was er van niets anders te _Parijs_ sprake dan van het bal, dat heeren schepenen der stad den koning en de koningin zouden geven, en waarop Hunne Majesteiten het vermaarde ballet van _la Merlaison_ moesten dansen, dat den koning het meeste genoegen deed. Sedert acht dagen maakte men ook werkelijk alles op het Stadhuis in gereedheid voor dezen plechtigen nacht. De stadstimmerman had zijn stellages reeds getimmerd, op welke de genoodigde dames zouden zitten; de stadskruidenier had de zalen voorzien van tweehonderd witte waskaarsen, hetgeen in dien tijd een ongehoorde weelde was; eindelijk had men twintig vioolspelers besteld en het loon, dat men hun toekende, was het dubbele van het gewone, omdat, zooals het verslag luidt, zij den geheelen nacht moesten spelen.

Te tien uur des morgens kwam de vaandrig der gardes van den koning, de heer de la Coste, gevolgd door twee politiedienaren en eenige schutters van het korps, den griffier der stad, Clément genaamd, al de sleutels der deuren van de kamers en bureaux van het hotel vragen. Die sleutels werden hem onmiddellijk ter hand gesteld. Aan elk hing een kaartje ter herkenning en van dat oogenblik was de heer de la Coste belast met de bewaking van al de deuren en toegangen.

Te elf uur kwam op zijn beurt de Hallier, kapitein der gardes, gevolgd door vijftig schutters, die dadelijk zich in het Stadhuis verspreidden en zich naar de deuren begaven, welke hun ter bewaking werden aangewezen.

Te drie uur naderden twee kompagnieën der gardes, een Fransche en een Zwitsersche. De kompagnie der Fransche garde bestond voor de helft uit manschappen van den heer de Hallier en voor de andere helft uit die van den heer des Essarts.

Te zes uur des avonds begonnen de genoodigden te verschijnen. Naarmate zij binnentraden, werd hun in de groote zaal op de gereedgemaakte stellages een plaats aangewezen.

Te negen uur kwam de vrouw van den eersten president; daar deze na de koningin de voornaamste persoon van het feest was, werd zij door de stadsheeren ontvangen en haar een plaats aangewezen in de loge over die, waarin de koningin zich zou begeven.

Te tien uur richtte men een tafel met confituren aan voor den koning in de kleine zaal, aan de zijde der _St.-Janskerk_ en zulks tegenover het zilveren buffet der stad, dat door vier schutters bewaakt werd.

Te middernacht hoorde men een groot geschreeuw en veelvuldige vreugdekreten; het was de koning, die de straten doorging, welke van het Louvre naar het Stadhuis leidden en die alle met gekleurde lantaarns verlicht waren. Onmiddellijk gingen heeren schepenen, in hun lakentabbaard gekleed en voorafgegaan door tien sergeanten, elk een flambouw dragende, den koning tegemoet, dien zij op de trap ontmoetten, waar de provoost der kooplieden hem verwelkomde, welk kompliment Zijne Majesteit beantwoordde door zich te verontschuldigen van zoo laat te zijn gekomen; hij wierp de schuld hiervan op den kardinaal, die hem, met over staatszaken te spreken, tot elf uur had opgehouden.

Zijne Majesteit, in staatsiekleederen, werd vergezeld door Zijne Koninklijke Hoogheid _Monsieur_, door den graaf de Soissons, den groot-provoost, den hertog de Longueville, den hertog d’Elbeuf, den graaf d’Harcourt, den graaf de la Roche-Guyon, den heer de Liancourt, den heer de Baradas, den graaf de Cramail en den ridder de Souveray. Iedereen kon zien, dat de koning verstrooid en droefgeestig was. Een kabinet was voor den koning en een ander voor _Monsieur_ gereed gemaakt. In elk dier kabinetten waren maskeradekleederen voorhanden. Evenzoo was gedaan voor de koningin en voor mevrouw de _présidente_. De heeren en dames van het gevolg Hunner Majesteiten moesten zich bij paren in de daarvoor bestemde kamers verkleeden.

Alvorens in het kabinet te gaan, beval de koning, dat men hem zou waarschuwen, zoodra de kardinaal verscheen.

Een half uur na de komst des konings verhief zich opnieuw een levendig gejuich, hetwelk de komst der koningin verkondigde; de schepenen deden evenzoo als zij reeds gedaan hadden, en voorafgegaan door de stads-sergeanten, gingen zij hun doorluchtige gastvrouw tegemoet. De koningin trad de zaal binnen; men bemerkte, dat zij even neerslachtig als de koning was en er bijzonder vermoeid uitzag. Op het oogenblik dat zij binnentrad, werd de gordijn van een kleine loge, die tot hiertoe was dicht gebleven, geopend en zag men het bleeke gelaat des kardinaals, die in een Spaansch ruitergewaad was gekleed; zijn oogen vestigden zich op die der koningin en een glimlach van akelige vreugde zweefde op zijn lippen; de koningin was niet met haar diamanten haken getooid. De koningin hield zich eenigen tijd bezig met de komplimenten van de leden der vroedschappen aan te hooren en de begroetingen der dames te beantwoorden.

Eensklaps verscheen de koning met den kardinaal voor een der deuren van de zaal. De kardinaal sprak zacht met hem, terwijl de koning zeer bleek was. De koning drong door de menigte, en zonder masker en de linten van zijn buis nauwelijks dichtgestrikt, naderde hij de koningin en met een bevende stem zeide hij:

„Mevrouw! waarom, als het u belieft, hebt gij u niet met uw diamanten getooid, wanneer gij wist, dat het mij aangenaam was ze te zien?”--De koningin liet haar blik rondwaren en zag, achter den koning, den kardinaal, op duivelachtige wijze glimlachende.--„Sire!” antwoordde de koningin met een ontroerde stem, „omdat ik, in het gewoel van dat groote feest, vreesde er een ongeluk aan te zullen krijgen.”--„Gij hebt ongelijk, mevrouw! indien ik u dat geschenk heb gedaan, was het om er u mede te tooien. Ik zeg u, dat gij niet wel hebt gedaan.”--En des konings stem beefde van toorn; iedereen beschouwde en luisterde met verbazing, niets begrijpende van hetgeen er voorviel.--„Sire!” zeide de koningin, „ik kan ze van het Louvre doen halen, waar zij zijn, en alzoo zal de begeerte Uwer Majesteit vervuld worden.”--„Doe zulks, mevrouw! en wel zoo spoedig mogelijk; want binnen een uur zal het ballet een aanvang nemen.”

De koningin neeg, ten teeken van onderwerping en volgde de dames, die haar naar haar kabinet moesten geleiden. Van zijn kant begaf de koning zich naar het zijne.

Er heerschte gedurende een oogenblik in de zaal verwarring en verlegenheid. Al de aanwezigen hadden kunnen bemerken, dat er iets tusschen den koning en de koningin was voorgevallen; maar beiden hadden zoo zacht gesproken, dat iedereen eerbiedig eenige schreden was achteruitgegaan, en dus niemand iets had gehoord. De muzikanten speelden zoo hard zij konden, maar men luisterde er niet naar.

De koning verliet het eerst zijn kabinet; hij was gekleed in een allerfraaist jachtgewaad en _Monsieur_ en de overige edellieden waren in dezelfde kleeding. Dit gewaad stond den koning het best en daarin geleek hij inderdaad de eerste edelman van zijn rijk.

De kardinaal naderde den koning en stelde hem een doosje ter hand. De koning opende het en vond er twee diamanten haken in.--„Wat beteekent dat?” vroeg hij den kardinaal.--„Niets,” antwoordde deze; „alleenlijk indien de koningin met de diamanten haken is getooid, waaraan ik twijfel, tel ze dan, Sire! en indien gij er slechts tien vindt, vraag dan Hare Majesteit, wie haar de twee diamanten haken kan hebben ontstolen, die hier zijn.”

De koning beschouwde den kardinaal, als om hem te ondervragen; maar hij had den tijd niet hem een enkele vraag te doen.--Een kreet van bewondering ontglipte aller monden: Geleek de koning de eerste edelman van zijn rijk, dan was ongetwijfeld de koningin de schoonste vrouw van _Frankrijk_. Inderdaad, haar jachtgewaad stond haar voortreffelijk: zij had een vilten hoed met blauwe veeren op; een parelgrijs fluweelen kleed, opgeheven door diamanten haken en een blauw satijnen rok, geheel met zilver geborduurd. Op haar linker schouder schitterden de diamanten haken op een strik van dezelfde kleur als de veeren en de rok. De koning trilde van blijdschap en de kardinaal van toorn; echter op den afstand, dien zij van de koningin verwijderd waren, konden zij de diamanten niet tellen; de koningin bezat ze; maar had zij er tien of twaalf?

Op dit oogenblik gaven de muzikanten het sein voor het ballet. De koning naderde mevrouw de _présidente_, met wie hij zou dansen en Zijne koninklijke Hoogheid _Monsieur_ de koningin. Men nam plaats en het ballet begon.

De koning was over de koningin geplaatst en telkens, wanneer hij haar voorbijging, verslond hij met zijn blikken de diamanten, wier aantal hij niet kon te weten komen. Een koud zweet bedekte het voorhoofd van den kardinaal. Het ballet duurde één uur. Het eindigde onder het gejuich der geheele zaal, ieder geleidde zijn dame naar haar plaats; maar de koning maakte van zijn voorrecht gebruik, om de zijne te laten waar zij was en naderde haastig de koningin.

„Ik dank u, mevrouw!” zeide hij, „voor de bereidwilligheid, waarmede gij hebt getoond aan mijn begeerten te voldoen, maar ik geloof, dat u twee diamanten ontbreken en ik kom ze u brengen.”--Bij die woorden gaf hij de koningin de beide diamanten, die hem de kardinaal had ter hand gesteld.--„Hoe, Sire!” riep de koningin, verwondering veinzende, „geeft gij mij nog twee andere, ik zal er dan veertien hebben?”

En de koning, ze tellende, vond wel degelijk twaalf diamanten op den schouder Harer Majesteit. De koning riep den kardinaal.--„Wel, wat beteekent dat, mijnheer de kardinaal?” vroeg de koning op strengen toon.--„Het beteekent, Sire!” antwoordde de kardinaal, „dat ik die beide diamanten haken Hare Majesteit wenschte te doen aannemen; doch ze in persoon niet durvende te geven, heb ik dit middel te baat genomen.”--„En ik ben er Uwe Eminentie te meer erkentelijk voor,” antwoordde Anna van Oostenrijk met een glimlach, die bewees, dat zij niet misleid werd door deze aardige beminnelijkheid, „daar ik zeker ben, dat deze twee diamanten u evenveel kosten, als de twaalf aan Zijne Majesteit hebben gekost.”--Vervolgens den koning en den kardinaal gegroet hebbende, hernam de koningin den weg naar haar kamer, waar zij zich had verkleed, en waar zij zich weer zou omkleeden.

De aandacht, welke wij hebben moeten vestigen, bij het begin van dit hoofdstuk, op de doorluchtige personen, die wij er in voorstelden, heeft ons hem voor een oogenblik doen uit het oog verliezen, aan wien Anna van Oostenrijk de onbegrijpelijke overwinning was verschuldigd, die zij op den kardinaal had behaald, hij, die verloren, onopgemerkt, onder de menigte was gemengd, welke zich voor de deuren verdrong, en van dáár dat tooneel beschouwde, alleen voor vier personen begrijpelijk, namelijk voor den koning, de koningin, Zijne Eminentie en voor hem.

De koningin was in haar kamer teruggekeerd, en d’Artagnan maakte zich gereed om te vertrekken, toen hij zich zacht op den schouder voelde tikken; hij keerde zich om en bespeurde een jonge vrouw, die hem wenkte haar te volgen. Deze jonge vrouw had haar gelaat bedekt met een masker van zwart fluweel, maar ondanks deze voorzorg, die trouwens meer was genomen voor anderen dan voor hem, herkende hij oogenblikkelijk zijn gewonen gids, die lichtzinnige, geestige juffrouw Bonacieux. Den vorigen dag hadden zij elkander even bij den portier van het Louvre, Germain, gesproken, waar d’Artagnan haar had laten roepen. De haast der jonge vrouw, om aan de koningin de heerlijke tijding mede te deelen van de gelukkige terugkomst van haar bode was de oorzaak, dat beide gelieven slechts een paar woorden wisselden.

D’Artagnan volgde dan juffrouw Bonacieux, door het dubbel gevoel van liefde en nieuwsgierigheid gedreven. Langs den geheelen weg en naarmate de gangen meer en meer ledig werden, wilde d’Artagnan de jonge vrouw vasthouden, om haar slechts een oogenblik te beschouwen; maar vlug als een vogel ontglipte zij steeds zijn handen; en toen hij spreken wilde, herinnerde haar vinger, op zijn mond gelegd, hem er aan, dat hij zich in de macht bevond van een wezen, hetwelk hij blindelings moest gehoorzamen en dat hem de geringste klacht verbood.

Mejuffrouw Bonacieux opende een deur en geleidde den jongeling in een volkomen duister vertrek. Daar gaf zij opnieuw een teeken het stilzwijgen te bewaren; en een tweede, door een gordijn bedekte deur openende, waaruit eensklaps een schitterend licht blonk, verdween zij.

D’Artagnan bleef een oogenblik onbeweeglijk en vroeg zich zelven af, waar hij was; maar spoedig verzekerde hem een lichtstraal, die deze kamer binnendrong, de zoele en welriekende lucht, die hem naderde, het tevens eerbiedig en beschaafd gesprek van twee of drie vrouwen en het dikwijls herhaalde woord van: Hare Majesteit, dat hij zich in een kabinet bevond, dat de kamer der koningin begrensde.

De jongeling bleef in de schaduw en wachtte. De koningin scheen vroolijk en vergenoegd, hetgeen de personen, die haar omringden, zeer scheen te verwonderen, daar zij haar meestal in een zorgvolle gesteldheid aantroffen. De koningin schreef die vroolijke luim aan de fraaiheid van het feest en het vermaak, dat het ballet haar had veroorzaakt, toe; en dewijl een koningin niet mag worden tegengesproken, of zij huilt of lacht, waren allen uitbundig in den lof over de beminnelijkheid der heeren schepenen van _Parijs_.

Hoewel d’Artagnan de koningin niet kende, onderscheidde hij dra haar stem van die der andere, vooreerst door een lichten, vreemden tongval, vervolgens door dien toon van overheersching, zoo eigenaardig aan vorstelijke woorden. Hij hoorde haar naderen en dan weer zich van die geopende deur verwijderen, en twee of driemalen zag hij zelfs de schaduw van een lichaam het licht onderscheppen. Eindelijk kwam een hand en een arm, bewonderenswaardig van vorm en blankheid, door het behangsel; d’Artagnan begreep, dat het zijn belooning gold; hij wierp zich op de knieën, vatte de hand en drukte er eerbiedig zijn lippen op; toen trok die hand zich weg, een voorwerp in de zijne latende, dat hij voor een ring erkende; dadelijk sloot zich de deur weder, en d’Artagnan bevond zich opnieuw in een diepe duisternis. D’Artagnan stak den ring aan zijn vinger en wachtte opnieuw, het was blijkbaar, dat alles nog niet was afgeloopen. Op de belooning zijner opoffering moest die zijner liefde volgen. Bovendien, hoewel het ballet was geëindigd, was echter het feest nauwelijks begonnen; men soupeerde te drie uur, en het uurwerk van St. Jan had reeds eenigen tijd kwart voor twee geslagen. Inderdaad, van lieverlede verminderde het gerucht der stemmen in de aangrenzende kamer, vervolgens hoorde men het zich verwijderen; de deur van het kabinet, waarin zich d’Artagnan bevond, werd weder geopend en juffrouw Bonacieux huppelde binnen.

„Zijt gij er eindelijk!” riep d’Artagnan.--„Stil!” zeide de jonge vrouw, op de lippen des jongelings haar hand leggende: „Stil, en vertrek langs waar gij gekomen zijt.”--„Maar waar en wanneer zal ik u wederzien?” vroeg d’Artagnan.--„Een briefje, dat ge te huis komende zult vinden, zal het u zeggen. Vertrek! vertrek!” en op die woorden opende zij de deur van de gang en stiet d’Artagnan buiten het kabinet. D’Artagnan gehoorzaamde als een kind, zonder eenig verzet of tegenstand, hetgeen bewijst, dat hij wel degelijk verliefd was.

HOOFDSTUK XXIII.

De verliefde samenkomst.

D’Artagnan spoedde zich naar huis; en hoewel het reeds later dan drie uur in den nacht was, en hij de slechtst befaamde wijken van _Parijs_ had door te gaan, ontmoette hem niets kwaads. Men weet, er bestaat een God voor de dronkaards en voor de verliefden. Hij vond de deur van zijn gang open, klom de trap op en klopte zachtjes, op een met zijn knecht overeengekomene wijze, aan de deur. Planchet, dien hij twee uren vroeger van het Stadhuis had gezonden, met het bevel hem te wachten, kwam de deur openen.