De Drie Musketiers dl. I en II
Part 21
„Mijnheer,” sprak d’Artagnan tot hem, „gij schijnt zeer veel haast te hebben.”--„Men kan niet meer haast hebben, mijnheer!”--„Het doet mij leed,” zeide d’Artagnan, „want evenals gij heb ik ook veel haast; ik wilde u daarom verzoeken, mij een dienst te bewijzen.”--„Welken?”--„Mij te laten voorgaan.”--„Ik heb zestig mijlen in vier en veertig uur afgelegd en ik moet morgen op den middag te _Londen_ zijn.”--„Ik heb dienzelfden weg in veertig uur afgelegd en ik moet morgenochtend om tien uur te _Londen_ zijn.”--„Het spijt mij, mijnheer! maar ik ben de eerste hier geweest, en ik zal mij niet laten voorbijgaan. ’s Konings dienst?” vroeg de edelman.--„Voor mijn eigen dienst,” antwoordde d’Artagnan.--„Maar het schijnt, alsof gij met mij twist wilt zoeken.”--„_Pardieu_! wat denkt gij, dat het anders zij?”--„Wat begeert gij?”--„Wilt gij het weten?”--„Zeker.”--„Welnu, ik begeer het bevelschrift, dat gij bij u hebt, omdat ik er geen heb en er een moet hebben.”--„Gij schertst, veronderstel ik.”--„Ik scherts nooit. Laat mij voorbij.”--„Gij zult mij niet voorgaan, mijn beste jongen! ik zal u het hoofd aan stukken slaan. Hola, Lubijn, geef mijn pistolen.”--„Planchet!” zeide d’Artagnan, „zorg gij voor den knecht, ik zal mij met den meester belasten.”
Planchet, door zijn vroegere daad stoutmoedig geworden, viel op Lubijn aan, en daar hij groot en sterk was, wierp hij hem op den grond en zette hem de knie op de borst.--„Ga uw gang, mijnheer!” zeide Planchet, „ik ben klaar.”
Dit ziende trok de edelman zijn degen en viel op d’Artagnan aan; maar deze was hem te sterk. In drie seconden bracht d’Artagnan hem drie steken toe, bij elken stoot uitroepende: „Eén voor Athos, één voor Porthos, één voor Aramis.”
Bij den derden stoot viel de edelman als een levenlooze klomp neer. D’Artagnan, meenende dat hij dood of ten minste in onmacht gevallen was, naderde hem, om hem het bevelschrift af te nemen. Maar op het oogenblik dat hij den arm uitstrekte om zijn zakken te onderzoeken, bracht de edelman, die zijn degen nog vasthield, hem een steek in de borst toe, zeggende: „Een voor u!”--„En een voor u! de laatste de beste!” riep d’Artagnan woedend, en nagelde hem aan den grond met een vierden steek in den buik.--Nu sloot de edelman zijn oogen en viel in onmacht.
D’Artagnan tastte in den zak, waarin hij hem het bevelschrift ter overvaart had zien steken en eigende het zich toe. Het was op naam van den graaf de Wardes. Toen een laatsten blik op den schoonen jongeling werpende, die nauwelijks vijf en twintig jaar was, en dien hij bewusteloos en misschien wel dood liet liggen, slaakte hij een zucht bij de gedachte aan dat zonderlinge lot, dat de menschen er toe brengt elkander te vernielen, en zulks om de oogmerken te dienen van die hen geheel vreemd zijn, en die somwijlen zelfs niet eens weten, dat zij bestaan.
Maar dra werd hij in deze overwegingen gestoord door het gebrul van Lubijn, die uit al zijn macht om hulp riep. Planchet neep hem met de hand zoo nauw mogelijk de keel dicht.
„Mijnheer!” zeide hij, „zoolang ik hem op die wijze vasthoud, zal hij niet schreeuwen, daarvan ben ik zeker; maar zoodra ik hem loslaat, zal hij wederom beginnen. Ik meen in hem een Normandiër te herkennen en de Normandiërs zijn koppig.”--En waarlijk, hoe beklemd ook, trachtte Lubijn nog eenige klanken voort te brengen.--„Wacht maar even,” zeide d’Artagnan, en zijn zakdoek nemende, stopte hij hem den mond dicht.--„Thans,” zeide Planchet, „zullen wij hem aan een boom binden.”
Dit werd met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Toen trok men den graaf de Wardes bij zijn knecht, en daar de avond begon te vallen, en de geknevelde en de gekwetste beiden zich eenige schreden ver in het boschje bevonden, was het natuurlijk, dat zij daar tot den volgenden morgen moesten blijven.
„En nu,” zeide d’Artagnan, „naar den gouverneur!”--„Gij schijnt gekwetst te zijn,” zeide Planchet.--„Dat is niets, bemoeien wij ons met hetgeen het meeste haast heeft; vervolgens zullen wij aan mijn wonde denken, die mij trouwens niet zeer gevaarlijk schijnt.”--En beiden begaven zich ijlings naar het buiten van den waardigen ambtenaar.
Men meldde den heer graaf de Wardes aan. D’Artagnan werd binnengeleid.--„Gij hebt een bevel, door den kardinaal onderteekend?” vroeg de gouverneur.--„Ja, mijnheer!” antwoordde d’Artagnan, „ziehier.”--„Ha! het is in goeden vorm en behoorlijk door den kardinaal geteekend,” zeide de gouverneur.--„Dat is natuurlijk,” antwoordde d’Artagnan, „ik ben een zijner getrouwsten.”--„Het schijnt, dat Zijne Eminentie iemand wil beletten naar _Engeland_ over te steken?”--„Ja, een zekeren d’Artagnan, een Bearneesch edelman, die _Parijs_ heeft verlaten in gezelschap van drie zijner vrienden, met voornemen _Londen_ te bereiken.”--„Kent gij hem persoonlijk?” vroeg de gouverneur.--„Wien?”--„Dien d’Artagnan.”--„Zeker.”--„Geef mij dan zijn signalement.”--„Niets is gemakkelijker.”
En d’Artagnan gaf trek voor trek het signalement van den graaf de Wardes op.--„Heeft hij iemand bij zich?” vroeg de gouverneur.--„Ja, een knecht, Lubijn genaamd.”--„Men zal hen in het oog houden, en wanneer men hen in handen krijgt, kan Zijne Eminentie gerust zijn; zij zullen, goed bezorgd, naar _Parijs_ worden teruggevoerd.”--„Hierdoor, mijnheer de gouverneur!” zeide d’Artagnan, „zult gij u in het oog des kardinaals niet weinig verdienstelijk maken.”--„Zult gij hem zien bij uw terugkomst, mijnheer de graaf?”--„Zonder twijfel.”--„Zeg hem, als ik u verzoeken mag, dat ik zijn onderdanige dienaar ben.”--„Ik zal het niet verzuimen.”--En, door deze verzekering verheugd, teekende de gouverneur het paspoort en stelde het d’Artagnan weder ter hand.
D’Artagnan verloor zijn tijd niet in nuttelooze plichtplegingen, hij groette den gouverneur, bedankte hem en vertrok. Zoodra zij het huis hadden verlaten, spoedden hij en Planchet zich voort en een langen omweg makende, vermeden zij het bosch en traden de stad door een andere poort binnen. Het vaartuig lag nog altijd gereed om onder zeil te gaan; de kapitein wachtte op de kade.
„Wel?” riep hij, d’Artagnan bespeurende.--„Ziehier mijn paspoort voor gezien geteekend,” zeide deze.--„En die andere edelman?”--„Hij zal vandaag niet vertrekken,” zeide d’Artagnan; „maar wees gerust, ik zal de vracht voor ons beiden betalen.”--„Laat ons in dat geval vertrekken,” hernam de kapitein.--„Laat ons vertrekken,” herhaalde d’Artagnan. En hij sprong met Planchet in de boot; vijf minuten later waren zij aan boord.
Het was tijd; op een halve mijl afstand in zee zag d’Artagnan een licht schitteren en hoorde hij een kanonschot. Het was dat, hetwelk de sluiting der haven aankondigde. Nu werd het ook tijd, dat hij aan zijn wonde dacht; gelukkig was zij, zooals d’Artagnan had gedacht, niet zeer gevaarlijk; de punt des degens was, tegen een rib stootende, daarop afgegleden, verder was het hemd op de wonde blijven kleven, zoodat er nauwelijks eenige druppels bloed waren gestort. D’Artagnan was van vermoeidheid uitgeput; men spreidde een matras voor hem op het dek uit; hij wierp er zich op en viel in slaap.
Den volgenden dag, bij het opgaan der zon, bevond hij zich slechts op drie of vier mijlen afstands van de kust van _Engeland_; er was gedurende den nacht weinig wind geweest en men had niet veel wegs afgelegd. Te twee uur wierp het vaartuig het anker in de haven van _Douvres_. Te half drie zette d’Artagnan voet aan wal in _Engeland_, uitroepende: „Eindelijk ben ik er!” Maar hiermede was nog niet alles gedaan: hij moest naar _Londen_.
In _Engeland_ waren de posterijen in tamelijk goeden staat. D’Artagnan en Planchet namen elk een paard; een postillon reed voor hen uit en in vier uren tijds waren zij voor de poorten der hoofdstad. De hertog was met den koning ter jacht naar _Windsor_. D’Artagnan kende _Londen_ niet en verstond geen woord Engelsch; maar hij schreef den naam van Buckingham op een stuk papier en men duidde hem het hotel van den hertog aan.
D’Artagnan vroeg naar den vertrouwden kamerdienaar van den hertog, die, wijl hij hem op al zijn reizen vergezelde, volmaakt Fransch sprak; hij zeide hem, dat hij van _Parijs_ kwam voor een zaak, waarvan dood en leven afhingen, en dat hij zijn meester oogenblikkelijk moest spreken. De openhartigheid van d’Artagnan overreedde Patrick, dit was de naam van den vertrouwden dienaar des ministers. Hij liet twee paarden zadelen en belastte zich den jongen garde te geleiden. Planchet had men intusschen, zoo stijf als een plank, van zijn ros geheschen. De krachten van den armen jongen waren uitgeput. D’Artagnan scheen van ijzer te zijn.
Men kwam aan het kasteel; hier deed men onderzoek; de koning en Buckingham waren op de valkenjacht in de moerassen, twee of drie uur van daar verwijderd. In twintig minuten was men ter bestemder plaatse. Dra hoorde Patrick de stem zijns meesters, die zijn valk terugriep.
„Wien moet ik mylord den hertog aankondigen?” vroeg Patrick.--„Den jongeling, die op zekeren avond twist met hem heeft gezocht op de Pont-Neuf over de _Samaritaine_.”--„Een rare aanbeveling!”--„Gij zult zien, dat zij misschien beter dan een andere is.”
Patrick zette zijn paard in galop, bereikte den hertog en berichtte hem op de wijze, zooals hem gezegd was, dat een bode hem wachtte.
Buckingham, dadelijk begrijpende, dat het d’Artagnan betrof en er iets in _Frankrijk_ was voorgevallen, waarvan men hem kennis wilde geven, gunde zich slechts zooveel tijd om te vragen, waar degene was, die hem die tijding bracht. In de verte de uniform der gardes herkennende, gaf hij zijn paard de sporen en reed recht op d’Artagnan aan. Patrick hield zich betamelijk op eenige schreden afstands.
„Er is der koningin geen ongeluk overkomen?” riep Buckingham, geheel zijn ziel en zijn liefde in deze vraag uitstortende.--„Ik geloof het niet; echter vrees ik, dat haar een groot gevaar bedreigt, hetwelk Uwe Genade alleen van haar kan afwenden.”--„Ik?” riep Buckingham. „Hoe! zou ik gelukkig genoeg wezen haar van eenigen dienst te kunnen zijn?.... Spreek, spreek!”--„Neem dezen brief,” zeide d’Artagnan.--„Dien brief, van wien komt die brief?”--„Van Hare Majesteit, geloof ik.”--„Van Hare Majesteit?” zeide Buckingham, die zoo bleek werd, dat d’Artagnan meende dat hij in onmacht zou vallen. En hij verbrak het zegel. „Wat beteekent die scheur?” vroeg hij, d’Artagnan een plek aanwijzende, waar de brief doorstoken was.--„Ha, ha!” antwoordde d’Artagnan, „ik had het niet eens gezien: die fraaie steek is door den degen van den graaf de Wardes veroorzaakt, toen hij mij in de borst kwetste.”--„Zijt gij gekwetst?” vroeg Buckingham.--„O, het is niets,” zeide d’Artagnan, „een schram.”--„Gerechte hemel! wat heb ik gelezen?” riep de hertog. „Patrick! blijf hier, of liever, vergezel den koning overal, waar hij zich moge begeven en zeg aan Zijne Majesteit, dat ik hem nederig verzoek mij te willen verontschuldigen; maar dat mij een zaak van het grootste gewicht te _Londen_ terugroept. Kom, mijnheer! kom.”--En beiden sloegen galoppeerend den weg naar _Londen_ in.
HOOFDSTUK XXI.
De gravin de Winter.
Onderweg liet de graaf zich door d’Artagnan met het een en ander bekend maken; niet met alles, wat er was voorgevallen, maar alleen met datgene, wat d’Artagnan wist. Uit hetgeen hij van den jongeling vernam en wat hem uit eigen ondervinding levendig voor den geest stond, kon hij zich een tamelijk getrouw denkbeeld vormen van den gevaarvollen toestand, terwijl de brief der koningin, hoe kort en zakelijk overigens, daaromtrent geen twijfel overliet. Maar wat hem vooral verbaasde, was, dat de kardinaal, in zijn belang, om den jongeling te beletten den voet in _Engeland_ te zetten, niet was geslaagd hem onderweg op te houden. Het was toen en bij de betuiging dier verbazing, dat d’Artagnan hem de genomen maatregelen verhaalde, en hoe, ten gevolge der vriendschap en opoffering zijner drie vrienden, die hij, verstrooid op den weg, in hun bloed badende, had achtergelaten, hij zijn doel had bereikt, slechts één degensteek hebbende ontvangen, die het briefje der koningin had doorstoken, maar dien hij den heer de Wardes met een verschrikkelijke soort van munt had betaald.
Onderwijl hij naar dit zoo eenvoudig mogelijk voorgedragen verhaal luisterde, beschouwde de hertog bijwijlen den jongeling met een verwonderden blik, alsof het hem onbegrijpelijk was, dat zooveel voorzichtigheid, moed en verknochtheid zich met een gelaat konden vereenigen, dat nog geen twintig jaren aanduidde.
De paarden vlogen als de wind den weg over, en binnen weinige minuten waren zij voor de poorten van _Londen_. D’Artagnan had gedacht, dat, zoodra zij in de stad zouden zijn gekomen, de hertog den loop van zijn paard zou matigen, maar integendeel; hij vervolgde zijn weg in een woeste vaart, zich weinig bekommerende, of hij hen overreed, die zich op zijn weg bevonden. En inderdaad, de City doorrijdende, hadden er twee of drie voorvallen van dien aard plaats; Buckingham nochtans wendde zelfs het hoofd niet, om te zien wat er van hen geworden was, die hij had omvergeworpen. D’Artagnan volgde hem te midden der kreten, die veel naar verwenschingen geleken.
De binnenplaats van het hotel oprijdende, sprong Buckingham van zijn paard, en onverschillig, wat er van zou worden, wierp hij het den teugel op den nek en snelde de stoep op. D’Artagnan volgde hem, niet zonder eenige ongerustheid voor die arme dieren, van welke hij in de gelegenheid was geweest de waarde te schatten; maar het troostte hem te zien dat drie of vier lakeien reeds uit de keukens en stallen waren gekomen en onmiddellijk de paarden verzorgden. De hertog liep zoo haastig voort, dat d’Artagnan moeite had hem te volgen. Hij ging achtereenvolgens een aantal zalen door, versierd met een pracht, waarvan de voornaamste edellieden van _Frankrijk_ zelfs geen denkbeeld hadden, en trad eindelijk een slaapkamer binnen, een wonder tevens van smaak en van rijkdom. In de alkoof dier kamer bevond zich een deur in het behangsel; de hertog opende ze met een kleinen gouden sleutel, welken hij om den hals aan een keten van hetzelfde metaal droeg.
Uit welvoeglijkheid was d’Artagnan achtergebleven, maar op het oogenblik, dat Buckingham den drempel dier deur overschreed, keerde hij zich om, en de aarzeling des jongelings ziende, zeide hij: „Kom! en indien gij het geluk hebt in de tegenwoordigheid van Hare Majesteit te worden toegelaten, zeg haar dan, wat gij gezien hebt.”
Door deze uitnoodiging aangemoedigd, volgde d’Artagnan den hertog, die de deur achter hem sloot. Beiden bevonden zich toen in een kleine kapel, geheel behangen met Perzische, met goud geborduurde zijde, en schitterend verlicht door een aantal waskaarsen.... Boven een soort van altaar, onder een hemel van blauw fluweel, waarop zich witte en roode pluimen verhieven, hing een portret van natuurlijke grootte, Anna van Oostenrijk voorstellende, zoo gelijkend, dat d’Artagnan een kreet van verwondering slaakte, toen hij het ontwaarde. Men zou gezegd hebben, dat de koningin leefde. Op het altaar en onder het portret stond het kistje, waarin de diamanten haken waren geborgen. De hertog naderde het altaar, knielde, gelijk een priester voor het kruisbeeld zou gedaan hebben, en opende vervolgens het kistje.
„Ziedaar,” zeide hij, er een grooten blauwen strik uithalende, die van diamanten schitterde; „ziedaar die kostbaarheden, met welke ik gezworen had begraven te worden. De koningin neemt ze terug, haar wil, zooals die van God, geschiede in alle dingen.”--Vervolgens kuste hij achtereenvolgens al de diamanten, van welke hij ging scheiden. Eensklaps slaakte hij een vreeselijken kreet.
„Wat is er?” vroeg d’Artagnan angstig, „wat overkomt u, mylord!”--„Ach! alles is verloren!” riep Buckingham, bleek als een doode, „twee der diamanten ontbreken, ik vind er niet meer dan tien.”--„Heeft mylord ze verloren, of gelooft hij dat men ze hem ontstolen heeft?”--„Men heeft ze mij ontstolen,” hernam de hertog, „en het is de kardinaal, die het heeft uitgevoerd. Beschouw slechts de linten, waarop zij bevestigd waren, zij zijn met een schaar afgesneden.”--„Heeft mylord eenig vermoeden, wie den diefstal heeft gepleegd?.... Misschien heeft die persoon ze nog in zijn bezit.”--„Wacht, wacht een oogenblik!” riep de hertog: „de eenige keer, dat ik die diamanten gedragen heb, was op het bal der koningin te _Windsor_, nu acht dagen geleden. De gravin de Winter, met wie ik in onmin was, is mij op dat bal genaderd. Die verzoening kan niet anders dan de wraak eener jaloersche vrouw zijn geweest. Sedert dien dag heb ik haar niet weergezien. Die vrouw is een zendelinge van den kardinaal.”--„Maar heeft hij er dan in de geheele wereld?” riep d’Artagnan.--„O ja, ja,” zeide Buckingham tandenknarsende van woede, „ja, hij is een vreeselijk strijder. Maar ondertusschen, wanneer moet het bal plaats hebben?”--„Aanstaanden Maandag.”--„Aanstaanden Maandag! nog vijf dagen. Wij hebben dus nog meer tijd, dan wij behoeven. Patrick!” riep de hertog, de deur der kapel openende, „Patrick!”
Zijn vertrouwde kamerdienaar verscheen.--„Mijn juwelier en mijn secretaris!”--De kamerdienaar verwijderde zich zwijgende en met een haast, die van de gewoonte getuigde, welke hij zich had eigen gemaakt, blindelings en zonder spreken te gehoorzamen. Maar hoewel de juwelier het eerst was geroepen geworden, was het de secretaris, die het eerst verscheen, iets zeer natuurlijks, daar deze in het hotel woonde.
Hij vond Buckingham voor een tafel in zijn slaapkamer zitten, met eigen hand eenige bevelen schrijvende.--„Mijnheer Jackson!” zeide hij, „gij moet u oogenblikkelijk naar den lord-kanselier begeven en hem zeggen, dat ik hem met de uitvoering dezer bevelen belast. Ik begeer, dat zij zonder verwijl ten uitvoer worden gebracht.”--„Maar, Excellentie! indien de lord-kanselier mij naar de beweegredenen vraagt, die Uwe Genade tot een zoo buitengewonen maatregel hebben doen besluiten, wat moet ik dan antwoorden?”--„Dat het mijn wil is en ik aan niemand rekenschap mijner daden verschuldigd ben.”--„Zal hij dit antwoord ook aan Zijne Majesteit moeten overbrengen?” hernam glimlachende de geheimschrijver, „indien Zijne Majesteit toevallig de nieuwsgierigheid had te willen weten, waarom geen enkel schip de haven van _Groot-Brittanje_ mag verlaten?”--„Gij hebt gelijk, mijnheer!” antwoordde Buckingham; „dan moet hij den koning zeggen, dat ik tot den oorlog besloten heb, en deze maatregel mijn eerste vijandelijkheid jegens _Frankrijk_ is.”--De geheimschrijver boog en verwijderde zich.
„Van dien kant kunnen wij nu gerust zijn,” zeide Buckingham, zich tot d’Artagnan wendende, „zij zullen er niet dan na u komen.”--„Hoedat?”--„Ik heb een _embargo_ gelegd op al de schepen, die zich op dit oogenblik in de havens Zijner Majesteit bevinden, en zonder bijzonder verlof zal geen er van het anker durven lichten.”
D’Artagnan zag verbaasd den man aan, die de onbegrensde macht, waarmede het vertrouwen des konings hem bekleedde, ten dienste zijner minnarijen deed strekken. Buckingham bemerkte aan de uitdrukking van het gelaat des jongelings, wat er in zijn ziel omging en hij glimlachte.
„Ja,” zeide hij, „ja! het is, omdat Anna van Oostenrijk wezenlijk mijn koningin is; op één woord van haar zou ik mijn vaderland, mijn koning, mijn God verraden!.... Zij heeft mij verzocht de protestanten van _la Rochelle_ de hulp niet te zenden, welke ik hun had beloofd, en ik heb aan haar verlangen voldaan. Ik heb mijn woord verbroken; maar om het even, ik gehoorzaam aan haar begeerte; ben ik niet grootelijks voor mijn gehoorzaamheid beloond, spreek! want het is aan die gehoorzaamheid, dat ik haar portret verschuldigd ben!”
D’Artagnan stond verstomd, de teedere en onzichtbare draden ziende, van welke somwijlen het lot van een volk en het leven van zoovele menschen afhangt.
Terwijl hij in deze overwegingen verdiept bleef, trad de goudsmid binnen: hij was een Ier, een der bekwaamsten in zijn vak, en die met eigen mond verzekerde, dat hij jaarlijks honderd duizend pond sterling door den hertog van Buckingham verdiende.
„Mijnheer O’Reilly!” zeide de hertog, hem in de kapel geleidende, „bezie die diamanten haken eens en zeg mij, wat elk hunner waard is.”
De goudsmid wierp een blik op den sierlijken vorm, waarin zij bewerkt waren, berekende door elkander de waarde der diamanten en zonder de minste aarzeling antwoordde hij: „Vijftienhonderd pistolen het stuk, mylord.”--„Hoeveel dagen worden er vereischt om twee haken zooals deze te maken? gij ziet dat er twee aan ontbreken.”--„Acht dagen, mylord!”--„Ik zal voor elk drie duizend pistolen betalen, indien ik ze overmorgen heb.”--„Mylord zal ze hebben.”--„Gij zijt een kostelijk man, meester O’Reilly! maar dat is nog niet alles; die haken mogen aan niemand toevertrouwd en moeten in dit hotel vervaardigd worden....”--„Onmogelijk, mylord! ik alleen ben in staat ze zoodanig te maken, dat men geen onderscheid tusschen de oude en de nieuwe zal zien.”--„Derhalve, mijn beste O’Reilly! zijt gij mijn gevangene, en al wildet gij op dit oogenblik dit hotel verlaten, gij zoudt het niet kunnen.... schik u dus naar de omstandigheden. Noem mij diegenen uwer knechts, welke gij noodig mocht hebben en geef de werktuigen op, die zij moeten medebrengen.”
De goudsmid kende den hertog, hij wist wel, dat elke tegenwerping nutteloos was en onderwierp zich dus.--„Het zal mij toch wel geoorloofd zijn mijn vrouw te doen verwittigen?” vroeg hij.--„O! gij moogt haar zelfs spreken, mijn waarde meester O’Reilly, uw gevangenschap zal niet streng zijn, wees gerust, en daar elke moeite een belooning waardig is, ziehier, behalve den prijs der twee haken, een biljet van duizend pistolen, om u het verdriet te doen vergeten, dat ik u veroorzaak.”
D’Artagnan kon zich van de verwondering niet herstellen, hem door den minister veroorzaakt, die zoo ruimschoots over millioenen gouds en menschen kon beschikken. De goudsmid schreef intusschen aan zijn vrouw, haar tegelijkertijd het briefje van duizend pistolen zendende, met het verzoek, hem daarvoor in de plaats te doen geworden zijn behendigsten werkman en een keuze van diamanten, van welke hij haar het gewicht en de namen opgaf, alsmede een lijst der werktuigen, die hij noodig had. Buckingham geleidde den goudsmid in de kamer, die voor hem was bestemd en welke, na verloop van een half uur, in een werkplaats was veranderd; vervolgens plaatste hij voor de deur een schildwacht, die niemand, wie dan ook, mocht binnenlaten, behalve zijn kamerdienaar Patrick.
Het is onnoodig hierbij te voegen, dat het aan den goudsmid O’Reilly en aan zijn knecht volstrekt was verboden uit te gaan, onder welk voorwendsel ook. Dit geregeld zijnde keerde de hertog tot d’Artagnan terug.
„Thans, mijn jonge vriend,” zeide hij tot hem, „thans behoort _Engeland_ aan ons beiden: wat wilt gij, wat begeert gij?”--„Een bed,” antwoordde d’Artagnan, „dat is voor het oogenblik, ik beken het, datgene, waaraan ik het meest behoefte heb.”--Buckingham gaf aan d’Artagnan een kamer naast de zijne. Hij wilde den jongeling onder zijn bereik houden, niet omdat hij hem wantrouwde, maar ten einde iemand te hebben, met wien hij onafgebroken over de koningin kon spreken.
Een uur later werd in _Londen_ het bevel afgekondigd, van uit welke haven ook geen schip, naar _Frankrijk_ bestemd, te laten vertrekken, zelfs niet de paketboot met brieven. Iedereen zag hierin een oorlogsverklaring tusschen beide koninkrijken.
Twee dagen later, tegen elf uur, waren de twee diamanten haken gereed, en zoo nauwkeurig nagebootst en zoo volkomen gelijk, dat Buckingham de nieuwe uit de oude niet kon herkennen en dat zelfs de kundigsten in dat vak, zooals hij, er zich in vergist zouden hebben. Dadelijk liet hij d’Artagnan roepen.