De Drie Musketiers dl. I en II

Part 20

Chapter 203,817 wordsPublic domain

Terwijl de beide vrienden eenige oogenblikken aldus gesproken hadden, trad een dienaar des heeren de Tréville met een verzegeld pakket binnen.--„Wat is dat?” vroeg Aramis.--„Het verlof, waarom mijnheer heeft verzocht,” antwoordde de lakei.--„Ik? ik heb geen verlof gevraagd.”--„Zwijg en neem aan!” zeide d’Artagnan. „En ziedaar, mijn vriend! hebt gij een halve pistool voor uw moeite; gij zult den heer de Tréville zeggen, dat de heer Aramis hem van harte laat bedanken. Ga!”--De lakei maakte een diepe buiging en vertrok.

„Wat beteekent dat?” vroeg Aramis.--„Neem het noodige voor een reis van veertien dagen en volg mij.”--„Maar ik kan _Parijs_ voor het oogenblik niet verlaten, zonder te weten....”--Aramis zweeg.--„Wat er van haar geworden is, niet waar?” vroeg d’Artagnan.--„Van wie?” hernam Aramis.--„Van de vrouw, die hier was, de vrouw met den geborduurden zakdoek.”--„Wie heeft u gezegd, dat hier een vrouw is geweest?” vroeg Aramis, als een doode verbleekende.--„Ik heb haar gezien.”--„En gij weet wie zij is?”--„Ik vermoed het.”--„Welnu,” zeide Aramis, „dewijl gij zooveel zaken weet, weet gij dan ook wat er van die vrouw geworden is?”--„Ik veronderstel, dat zij naar _Tours_ is teruggekeerd.”--„_Tours_? ja, dat is het, gij kent haar! Maar hoe komt het, dat zij naar _Tours_ teruggekeerd is, zonder mij te verwittigen?”--„Omdat zij vreesde te worden aangehouden.”--„Waarom heeft zij mij niet geschreven?”--„Omdat zij vreesde u in ongelegenheid te brengen.”--„D’Artagnan, gij geeft mij het leven weder!” riep Aramis. „Ik meende verraden te zijn; ik was zoo gelukkig haar weder te zien! ik kon niet gelooven, dat zij haar vrijheid voor mij zou wagen, en toch, voor welke andere reden zou zij te _Parijs_ zijn gekomen?”--„Voor dezelfde reden, die ons naar _Engeland_ doet gaan.”--„En wat is die reden?” vroeg Aramis.--„Gij zult het eenmaal weten, Aramis! maar voor het oogenblik zal ik de stilzwijgendheid in acht nemen omtrent de _nicht van den doctor in de godgeleerdheid_.”

Aramis glimlachte, want hij herinnerde zich het sprookje, dat hij op zekeren avond aan zijn vrienden had verhaald.--„Welnu, dewijl zij _Parijs_ heeft verlaten en gij er zeker van zijt, d’Artagnan! houdt mij niets meer terug en ik ben bereid u te volgen. Gij zegt, dat wij gaan....”--„Voor het oogenblik naar Athos, en als gij wilt medegaan, verzoek ik u haast te maken, want wij hebben reeds veel tijd verloren. A propos! neem Bazijn mede.”--„Moet Bazijn ons vergezellen?” vroeg Aramis.--„Misschien; in alle geval is het noodzakelijk, dat hij ons nu naar Athos volgt.”

Aramis riep Bazijn, en na hem bevolen te hebben ten huize van den heer Athos zich bij hem te voegen, zeide hij: „Laat ons vertrekken,” en hij nam zijn mantel, zijn degen en zijn pistolen; toen trok hij drie of vier laden open, om te zien of er niet een of ander vergeten geldstuk in verscholen was. Vervolgens, toen hij zich overtuigd had, dat deze nazoeking vruchteloos was, volgde hij d’Artagnan, zich zelven afvragende, hoe de jonge kadet der garde even goed wist als hij, wie de vrouw was, aan welke hij de gastvrijheid had aangeboden en beter dan hij wist, wat er van haar geworden was.

Toen zij de kamer verlieten, legde Aramis zijn hand op den arm van d’Artagnan en hem strak aanziende, vroeg hij: „Hebt gij aan niemand over die vrouw gesproken? Aan niemand ter wereld, zelfs niet aan Athos of Porthos?”--„Ik heb er geen woord van gezegd.”--„Des te beter!”--En omtrent dit gewichtig punt gerustgesteld, vervolgde Aramis zijn weg met d’Artagnan en beiden kwamen dra bij Athos.

Zij vonden hem in de eene hand zijn verlofpas, in de andere den brief van den heer de Tréville houdende.--„Kunt gij mij verklaren, wat dat verlof en die brief beteekenen, welke ik zooeven ontvang?” vroeg Athos verbaasd:

„Mijn waarde Athos! ik wil wel, dewijl uw gezondheid zulks volstrekt vereischt, dat gij een paar weken uitrust. Ga dus naar _Forges_ de baden nemen, of elders, waar gij het moogt goedvinden, en herstel spoedig.

Uw toegenegen Tréville.”

„Wel, dat verlof en die brief beteekenen, dat gij mij moet volgen, Athos!”--„Naar de mineraalbronnen van _Forges_?”--„Dáár of elders.”--„Voor den dienst des konings?”--„Des konings of der koningin. Zijn wij geen dienaren van beiden?”

Op dat oogenblik trad Porthos binnen.--„_Pardieu_!” zeide hij, „ziedaar iets zonderlings; sedert wanneer is het de gewoonte onder de musketiers geworden, de lieden verlof te geven, zonder dat zij er om vragen?”--„Sedert zij vrienden hebben, die het voor hen vragen,” antwoordde d’Artagnan.--„Zoo!” zeide Porthos, „het schijnt dat er wat nieuws is voorgevallen.”--„Ja, wij vertrekken,” zeide Aramis.--„Naar welk land?” vroeg Porthos.--„Op mijn woord, ik weet het niet,” zeide Athos, „vraag het aan d’Artagnan.”

„Naar _Londen_, mijne heeren!” zeide d’Artagnan.--„Naar _Londen_?” riep Porthos; „en wat moeten wij te _Londen_ doen?”--„Dat kan ik u niet zeggen, mijne heeren! en gij moet in mij vertrouwen stellen.”--„Maar om naar _Londen_ te gaan is er geld noodig, en ik heb het niet.”--„Noch ik,” zeide Aramis.--„Noch ik,” zeide Athos.--„Maar ik heb het!” zeide d’Artagnan, zijn schat uit zijn zak halende en dien op tafel leggende. „Er zijn in dezen zak driehonderd pistolen; nemen wij er elk vijf en zeventig; dat is genoeg om naar _Londen_ te gaan en weer terug te keeren. Maar weest gerust, allen komen wij toch niet te _Londen_.”--„En waarom niet?”--„Omdat, volgens alle waarschijnlijkheid, eenigen onzer onderweg zullen blijven.”--„Maar gaan wij dan een veldtocht beginnen?”--„Ja, en wel een zeer gevaarlijken, dat zeg ik u vooruit.”--„Doch hoor eens,” zeide Porthos, „indien wij het leven wagen, wilde ik ten minste weten, waarom?”--„Daarmede zoudt gij ver gevorderd zijn,” hernam Athos.--„Echter,” zeide Aramis, „ben ik van het gevoelen van Porthos.”--„Heeft de koning de gewoonte u rekenschap te geven? Neen, hij zegt u eenvoudig: Mijne heeren! men strijdt in _Gaskonje_ of in _Vlaanderen_; gaat ten oorlog! en gij gaat. Waarom? gij bekommert u hierover niet eens.”--„D’Artagnan heeft gelijk,” zeide Athos. „Ziedaar onze drie verlofpassen, die ons de heer de Tréville zendt, en ziedaar driehonderd pistolen, die komen, ik weet niet van waar. Gaan wij den dood tegemoet, waar men ons zegt te gaan. Is het leven zooveel vragen waard? D’Artagnan! ik ben bereid u te volgen.”--„En ik ook!” zeide Porthos.--„En ik ook!” herhaalde Aramis. „Daarbij, het doet mij geen leed _Parijs_ te verlaten. Ik moet ontspanning hebben.”--„Welnu, gij zult ontspanning hebben, mijne heeren! weest gerust,” zeide d’Artagnan.

„En wanneer vertrekken wij?” vroeg Athos.--„Onmiddellijk,” antwoordde d’Artagnan; „er is geen minuut te verliezen.”

„Hola! Grimaud, Planchet, Mousqueton, Bazijn!” schreeuwden de vier jongelingen, hun lakeien roepende, „poetst onze laarzen en haalt de paarden uit het hotel,” want elk musketier liet in het hotel der musketiers, als in een kazerne, zijn paard en dat van zijn lakei staan.--Planchet, Grimaud, Mousqueton en Bazijn vertrokken in allerijl.

„Maken wij thans een plan van den veldtocht,” zeide Porthos; „werwaarts gaan wij het eerst?”--„Naar _Calais_,” zeide d’Artagnan, „dat is de naaste weg om naar _Londen_ te gaan.”--„Welnu,” zeide Porthos, „ziehier mijn plan.”--„Spreek!”--„Vier mannen, te zamen reizende, zullen achterdocht opwekken; daarom moet d’Artagnan elk onzer zijn voorschriften geven. Ik zal den weg van _Boulogne_ nemen als voorhoede; Athos zal, twee uren later, dien van _Amiëns_ nemen, en Aramis zal ons langs dien van _Noyon_ volgen; wat d’Artagnan betreft, deze zal den weg nemen, dien hij verkiest, in de kleederen van Planchet, terwijl Planchet ons zal volgen in die van d’Artagnan, in de uniform der gardes.”--„Mijne heeren! naar mijn inzien is het niet betamelijk, lakeien in dergelijke zaken te mengen; een geheim kan toevalligerwijze door een edelman worden verraden, maar door lakeien wordt het gewoonlijk verkocht.”--„Het plan van Porthos schijnt mij onuitvoerbaar te zijn,” zeide d’Artagnan, „daar ik zelf niet weet, welke voorschriften ik u zou kunnen geven. Ik ben met een brief belast, dat is alles. Ik heb geen afschriften van dezen brief, noch kan die er van maken, dewijl hij verzegeld is; wij moeten dus, naar mijn gedachte, in gezelschap reizen. Die brief is hier, in dezen zak;” en hij toonde den zak, waarin zich de brief bevond. „Indien ik gedood word, zal een uwer er zich mede belasten; en gij zult uw weg vervolgen; indien hij gedood wordt, dan is het de beurt van een anderen, en zoo vervolgens; als er slechts één aankomt, dat is genoeg.”

„Bravo, d’Artagnan! ik ben met u van hetzelfde gevoelen,” zeide Athos. „Buitendien, men moet zich gelijk blijven; ik ga de baden gebruiken, en gij vergezelt mij; in plaats van de bronnen van _Forges_ ga ik de zeebaden gebruiken; hierin ben ik vrij. Indien men ons wil aanhouden, dan vertoon ik den brief van den heer de Tréville, en gij vertoont uw verlofpassen; wanneer men ons aanvalt, verdedigen wij ons; wanneer men ons veroordeelt, houden wij staande, dat wij geen ander voornemen hadden, dan om ons een zeker getal keeren in zee te dompelen; men kan gemakkelijk vier afzonderlijk reizenden overweldigen, maar vier mannen, die vereenigd zijn, vormen een kleine bende; wij zullen onze vier lakeien met pistolen en musketten wapenen, indien men een leger op ons afzendt, zullen wij den slag leveren, en de overblijvende, zooals d’Artagnan zegt, zal zich met den brief belasten.”--„Goed!” riep Aramis. „Gij spreekt niet dikwijls, maar wanneer gij spreekt, is het als _Jan Goudmond_. Ik keur het plan van Athos goed, en gij Porthos?”--„Ik ook,” zeide Porthos, „als het d’Artagnan bevalt. D’Artagnan, als bewaarder van den brief, is natuurlijk het hoofd der onderneming; dat hij besluite, en dat wij ten uitvoer brengen.”--„Welnu,” zeide d’Artagnan, „ik besluit, dat wij het plan van Athos moeten aannemen en binnen een half uur vertrekken.”--„Aangenomen!” herhaalden eenstemmig de drie musketiers.

En allen de hand naar den zak uitstrekkende, nam elk voor zich vijf en zeventig pistolen, waarna ieder zijn toebereidselen maakte om op het bepaalde uur te vertrekken.

HOOFDSTUK XX.

De reis.

Te twee uur verlieten onze vier avonturiers _Parijs_ door de poort van Saint Denis; gedurende den geheelen nacht spraken zij geen woord; onwillekeurig ondervonden zij den invloed, dien de duisternis op hen uitoefende, en zij meenden in alles hinderlagen te zien. Bij de eerste stralen des dageraads geraakten hun tongen los; met de zon kwam hun vroolijkheid terug; het was als voor den dag van een veldslag, wanneer het hart klopt, de oogen glimlachen en men gevoelt, dat het leven, hetwelk men misschien gaat verliezen, bij slot van rekening toch een goede zaak is. De aanblik op de karavaan was overigens zeer ontzaginboezemend: de zwarte paarden der musketiers, hun krijgshaftige houding, de gewoonte, in gelederen te zijn geschaard, deed die fiere makkers van den soldaat voortschrijden op een wijze, dat zij het stiptst bewaarde incognito verraden zouden hebben.--De knechts volgden van top tot teen gewapend.

Alles ging goed tot aan _Chantilly_, waar men tegen acht uur des ochtends aankwam. Men wilde ontbijten. Men steeg af voor een herberg, welke zich aanbeval door een uithangbord, St. Martinus voorstellende, de helft van zijn mantel aan een arme gevende. Men gelastte de knechts de paarden niet af te zadelen en zich gereed te houden onmiddellijk weder te vertrekken. Men trad de gelagkamer binnen en zette zich aan tafel. Een edelman, die den weg van _Dammartin_ was afgekomen, zat aan dezelfde tafel en ontbeet. Hij ving het gesprek aan met over regen en zonneschijn te spreken; de reizigers antwoordden; hij dronk op hun gezondheid, de reizigers beantwoordden zijn beleefdheid.

Maar op het oogenblik dat Mousqueton kwam berichten, dat de paarden gereed waren, en men van tafel opstond, stelde de vreemdeling Porthos voor op de gezondheid van den kardinaal te drinken. Porthos antwoordde, dat hem niets aangenamer zou zijn, indien de vreemdeling op zijn beurt op de gezondheid des konings wilde drinken. De vreemdeling riep uit, dat hij geen anderen koning kende dan Zijne Eminentie. Porthos schold hem voor een dronkaard uit; de vreemdeling trok zijn degen.

„Gij hebt een dwaasheid begaan,” zeide Athos, „maar het is niet anders, nu kunt gij niet meer terugtrekken: stoot dien man neer en vereenig u met ons zoodra mogelijk.”--En alle drie stegen te paard en verwijderden zich met lossen teugel, terwijl Porthos zijn vriend beloofde, hem met al de in de schermkunst bekende degenstooten te doorboren.

„Dat is er een,” zeide Athos, na ongeveer vijfhonderd schreden te hebben afgelegd.--„Maar waarom heeft die man Porthos liever dan een onzer aangevallen?” vroeg Aramis.--„Omdat hij Porthos, die meer sprak dan wij allen, als het hoofd beschouwde,” zeide d’Artagnan.--„Ik heb altijd gezegd, dat die Gaskonjer een put van wijsheid is,” mompelde Athos. En de reizigers vervolgden hun weg.

Te _Beauvais_ bleef men twee uren stil, zoowel om de paarden te doen rusten als om Porthos te wachten. Na verloop van twee uren ging men weder op weg, daar Porthos niet kwam, noch de minste tijding van zich gaf.

Op een uur afstands van _Beauvais_, bij een plek, waar de weg tusschen een bergkloof loopt, ontmoette men acht of tien mannen, die, van de gesteldheid des wegs gebruik makende, welke daar ter plaatse van steenen was ontbloot, zich hielden, alsof zij er aan werkten door het delven van gaten en het maken van slijkachtige sporen.

Aramis, die in dien kunstmatigen modderpoel vreesde zijn laarzen te zullen bevlekken, sprak hen ongemakkelijk aan. Athos wilde hem tegenhouden, het was te laat. De werklieden begonnen de reizigers te bespotten en maakten zelfs het hoofd van den koelen Athos op hol, die zijn paard tegen een hunner injoeg. Toen weken al die mannen achteruit, tot aan den kant van den weg, waar zij eenige verborgen musketten grepen. Hiervan was het gevolg, dat onze zeven reizigers letterlijk een hagelbui van kogels door gingen. Aramis ontving een kogel, die hem den schouder doorboorde, en Mousqueton werd door een getroffen, die zich in het vleezige gedeelte der lendenen vestigde. Intusschen was het alleen Mousqueton, die van zijn paard viel; niet dat hij zwaar gekwetst was, maar uit hoofde hij, zijn wonden niet kunnende zien, meende gevaarlijker gekwetst te zijn dan wezenlijk het geval was.--„Dat is een hinderlaag,” zeide d’Artagnan, „geven wij geen vuur, maar voorwaarts!”

Aramis, hoezeer gekwetst, greep de manen van zijn paard, dat met de anderen voortjoeg. Dat van Mousqueton had hen bereikt en galoppeerde los in het gelid.--„Het zal ons tot een wisselpaard verstrekken,” zeide Athos.--„Ik had liever een hoed,” zeide d’Artagnan; „want de mijne is door een kogel weggenomen. Het is wel gelukkig dat de brief, dien ik bij mij heb, er niet in was.”--„Maar zij zullen dien armen Porthos om het leven brengen, wanneer hij zal voorbijkomen,” zeide Aramis.--„Indien Porthos goed ter been was, zou hij ons thans reeds hebben bereikt; ik geloof, dat, op de plaats des gevechts, de dronkaard nuchter zal zijn geworden.”--En men galoppeerde nog gedurende een paar uren, hoewel de paarden zeer vermoeid waren, zoodat het te vreezen stond, dat zij weldra hun dienst zouden weigeren.

De reizigers hadden een binnenweg ingeslagen, op die wijze hopende minder verontrust te worden, maar te _Crèvecoeur_ verklaarde Aramis niet verder te kunnen gaan. En waarlijk, onder zijn bevallig uiterlijk en zijn beleefde manieren had hij de grootste kracht moeten inspannen om tot zooverre te geraken. Elk oogenblik verbleekte hij al meer, en men was genoodzaakt hem op zijn paard te ondersteunen; men hielp hem van zijn paard af, voor de deur eener herberg, en liet Bazijn bij hem, die trouwens in een schermutseling lastiger dan nuttig was, en men vertrok, in de hoop te _Amiëns_ den nacht door te brengen.

„_Morbleu_!” zeide Athos, toen zij weder op weg waren, en de troep geslonken was tot twee meesters, Grimaud en Planchet. „_Morbleu_! ik zal mij niet meer laten verleiden; en ik beloof u, dat men niet in staat zal zijn mij den mond te doen openen of den degen te trekken van hier tot _Calais_; dat zweer ik.”--„Zweren wij niet,” zeide d’Artagnan, „galoppeeren, dat is meer noodzakelijk, althans, indien onze paarden hierin bewilligen.”--En de reizigers drukten hun sporen in de buiken hunner paarden, die, geweldig geprikt, hun krachten terugvonden.

Men kwam te middernacht in _Amiëns_, waar men voor de herberg de _Gouden Lelie_ afsteeg.--De herbergier zag er uit als de eerlijkste man der wereld; hij ontving de reizigers, in de eene hand een blaker en in de andere zijn katoenen slaapmuts houdende; hij wilde de beide reizigers elk een fraaie kamer geven; maar ongelukkig was elk dier beide kamers aan een der einden van de herberg. D’Artagnan en Athos weigerden; de herbergier verzekerde hun echter, dat hij geen andere had, waardig Hunne Excellentiën te herbergen; maar de reizigers verklaarden, dat zij in de gelagkamer op een op den grond gespreide matras zouden slapen; de herbergier drong nog meer aan.... de reizigers hielden vol.... men moest doen, wat zij verlangden.

Zij waren juist gereed met hun bed in orde te brengen en de deur van binnen te grendelen en te versperren, toen er op een der vensterluiken, die op de plaats uitkwamen, geklopt werd; zij vroegen, wie er was, herkenden de stem hunner knechts en openden.--Inderdaad, het waren Planchet en Grimaud.--„Grimaud zal voldoende zijn om de paarden op te passen,” zeide Planchet, „als de heeren het verkiezen, zal ik voor de deur gaan liggen; op die wijze zullen wij zeker zijn, dat men hen niet zal overvallen.”--„En waarop zult gij liggen?” vroeg d’Artagnan.--„Dat is mijn bed,” antwoordde Planchet, en hij vertoonde een bos stroo.--„Kom dan,” zeide d’Artagnan, „gij hebt gelijk, het gezicht van dien herbergier bevalt mij niet, het is al te vriendelijk.”--„Noch aan mij,” zeide Athos.

Planchet klom het venster in en ging voor de deur liggen, terwijl Grimaud zich in den stal opsloot, zijn woord gevende dat, te vijf uur des ochtends, hij en de vier paarden bij de hand zouden zijn. De nacht was tamelijk rustig; men trachtte wel, tegen twee uur in den morgen, de deur te openen, maar daar Planchet ijlings ontwaakte en riep: Wie dáár! werd geantwoord, dat men zich vergist had en men verwijderde zich.

Des morgens te vier uur hoorde men een groot geweld in den stal. Grimaud had de stalknechts willen wekken en dezen ranselden hem af. Toen men het venster opende, ontwaarde men den armen jongen, buiten kennis liggend, met een gat in het hoofd, hem door den steel van een hooivork toegebracht. Planchet ging naar beneden op de plaats en wilde de paarden zadelen; maar de paarden waren verstijfd. Dat van Grimaud alleen, hetwelk zonder ruiter vijf of zes uren den vorigen dag geloopen had, zou de reis hebben kunnen vervolgen; maar door een onbegrijpelijke vergissing had de veearts, dien men was gaan halen, naar het schijnt, in plaats van het paard des herbergiers dat van Grimaud een aderlating gedaan. Dat begon onrustwekkend te worden; al die opeenvolgende tegenspoeden waren toevalligerwijze ontstaan, maar zij konden evenzeer de gevolgen van een complot zijn.

Athos en d’Artagnan gingen uit, terwijl Planchet ging vernemen, of er niet een drietal paarden in den omtrek te koop waren. Voor de deur stonden twee paarden getoomd en gezadeld, frisch en sterk. Dat was juist wat men zocht. Hij vroeg naar de eigenaars en men antwoordde hem, dat de eigenaars den nacht in de herberg hadden doorgebracht en nu bezig waren den herbergier te betalen.

Athos ging naar beneden om ook de vertering te betalen, terwijl d’Artagnan en Planchet voor de deur op straat bleven; de herbergier bevond zich in een zeer afgelegen benedenvertrek; men verzocht Athos zich ook derwaarts te begeven. Athos trad zonder achterdocht binnen en haalde twee geldstukken te voorschijn, om te betalen. De herbergier was alleen en zat voor zijn schrijftafel, van welke een der laden geopend was. Hij nam het geld aan, dat Athos hem aanbood, keerde het om en om in zijn hand en riep eensklaps uit, dat het stuk valsch was, verklarende, dat hij hem en zijn makker als valsche munters zou doen gevangen nemen.

„Snaak,” zeide Athos, hem naderende, „ik zal u de ooren afsnijden.”--Maar de herbergier bukte, nam twee pistolen uit de lade en richtte ze op Athos, tevens om hulp roepende.

Tegelijkertijd traden vier goed gewapende mannen door de zijdeuren binnen en wierpen zich op Athos.--„Ik ben overweldigd!” riep Athos, uit al de kracht zijner longen, „maak u voort, d’Artagnan! voort, voort!”--En hij schoot zijn beide pistolen af.

D’Artagnan en Planchet lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij maakten de beide paarden los, die voor de deur stonden, sprongen er op, staken ze hun sporen diep in de zijden en vloden in een driedubbelen galop.

„Weet gij, wat er van Athos is geworden?” vroeg d’Artagnan aan Planchet.--„Ik heb er twee zien vallen op beide schoten, en door de glazen deur meende ik hem met de anderen te zien schermen.”--„Dappere Athos!” mompelde d’Artagnan. „En wanneer men er aan denkt, dat men hem aan zijn lot moet overlaten! Trouwens, misschien wacht ons hetzelfde lot op tien schreden van hier. Voorwaarts, Planchet! voorwaarts! gij zijt een moedige kerel.”--„Ik heb het gezegd, mijnheer! de Pikardiërs leert men in het gebruik kennen; daarenboven, ik ben hier in mijn land, en dat moedigt mij aan.”

Opnieuw hun rossen aansporende, kwamen beiden te _Saint-Omer_ zonder zich te hebben opgehouden. Te _Saint-Omer_ lieten zij hun paarden uitrusten, den toom aan hun armen vasthoudende, uit vrees van eenig ongeval, en aten een stuk uit de hand op straat, waarna zij verder togen.

Op honderd schreden van de poort van _Calais_ viel het paard van d’Artagnan neer; er was geen middel om het weer te doen opstaan, het bloed kwam hem uit neus en oogen. Nu bleef dat van Planchet nog over; maar het was stil blijven staan, en er was evenmin middel om het weer aan het loopen te krijgen. Gelukkig, zooals wij zeiden, waren zij op honderd schreden afstands van de stad. Zij lieten de beide paarden op den weg staan en snelden naar de haven.

Planchet maakte zijn meester opmerkzaam op een edelman, die op een afstand van slechts vijftig schreden voor hen uit liep. Overhaast naderden zij den edelman, die ook veel haast scheen te hebben. Zijn laarzen waren met stof bedekt en hij deed onderzoek, of hij niet onmiddellijk naar _Engeland_ kon oversteken.

„Niets ware gemakkelijker,” antwoordde de kapitein van een vaartuig, dat zeilklaar lag; „maar dezen ochtend is er bevel ontvangen, niemand te laten vertrekken, zonder een uitdrukkelijk verlof van den kardinaal.”--„Ik heb dat verlof,” zeide de edelman, een papier te voorschijn halende, „ziedaar.”--„Laat het door den gouverneur voor gezien teekenen,” zeide de kapitein, „en geef mij de voorkeur.”--„Waar kan ik den gouverneur vinden?”--„Op zijn buiten.”--„En waar ligt dat buiten?”--„Op een kwartieruurs afstand van de stad; dáár, gij kunt het van hier zien, aan den voet van die hoogte, dat leien dak.”--„Zeer goed,” zeide de edelman. En door zijn lakei gevolgd, sloeg hij den weg in naar het buitenverblijf des gouverneurs.

D’Artagnan en Planchet volgden den edelman op vijfhonderd schreden afstands. Eenmaal buiten de stad zijnde, verdubbelde d’Artagnan zijn schreden en bereikte den edelman op het oogenblik, dat hij in een klein boschje trad.