De Drie Musketiers dl. I en II

Part 19

Chapter 193,878 wordsPublic domain

Bonacieux verzonk in een diepe overweging; hij overwoog rijpelijk beide gramschappen, die van den kardinaal en die der koningin; die des kardinaals overtrof de andere grootelijks.

„Laat mij op bevel der koningin in hechtenis nemen,” zeide hij, „ik zal mij op Zijne Eminentie beroepen.”

Juffrouw Bonacieux bemerkte nu eerst, dat zij te ver was gegaan, en scheen hierover beangst. Zij beschouwde een oogenblik verschrikt dat dom gelaat, waarop een onwrikbaar besluit stond uitgedrukt, als dat eens dwazen, die bang is.

„Welnu dan, het zij zoo!” zeide zij, „bij slot van rekening hebt gij gelijk; een man weet meer van staatkunde dan een vrouw, en gij vooral, mijnheer Bonacieux! daar gij met den kardinaal hebt gesproken; echter is het voor mij zeer hard,” vervolgde zij, „dat mijn man, iemand, op wiens vriendschap ik meende te kunnen vertrouwen, mij zoo onbeleefd behandelt, en aan mijn begeerten niet wil voldoen.”--„Uw begeerten zouden iemand te ver kunnen brengen, en ik wantrouw ze,” hernam Bonacieux zegevierend.--„Ik zal er dan van afzien,” zeide de jonge vrouw zuchtende; „het is wel, laat ons er niet meer van spreken.”--„Indien gij mij ten minste zeidet, wat ik te _Londen_ moest doen,” zeide Bonacieux, die zich een weinig te laat herinnerde, dat Rochefort hem had aanbevolen pogingen te doen, ten einde de geheimen zijner vrouw te ontdekken.--„Het is niet noodig, dat gij het thans weet,” antwoordde de jonge vrouw, die als door ingeving wantrouwend werd en thans terugtrad; „het betreft eene dier kleinigheden, naar welke de vrouwen zoo dikwijls begeerte koesteren, een aankoop, waaraan veel te verdienen was.”

Maar hoe meer de jonge vrouw zich terugtrok, te meer verbeeldde zich Bonacieux, dat het geheim, hetwelk zij weigerde hem mede te deelen, belangrijk was. Hij besloot dus oogenblikkelijk den graaf de Rochefort te gaan spreken, om hem te zeggen, dat de koningin een boodschapper zocht, om dien naar _Londen_ te zenden.

„Vergeef mij, indien ik u moet verlaten, mijn lieve!” zeide hij; „maar niet wetende, dat gij mij heden een bezoek zoudt komen brengen, had ik een samenkomst met een mijner vrienden bepaald; ik kom dadelijk weer terug, en indien gij mij slechts een oogenblik wilt wachten, kom ik, zoodra ik met mijn vriend heb afgehandeld, u afhalen en dewijl het laat wordt, zal ik u naar het Louvre vergezellen.”--„Ik dank u, mijnheer!” antwoordde juffrouw Bonacieux; „gij zijt niet moedig genoeg, om mij in welk opzicht ook van dienst te kunnen zijn, en ik zal wel alleen naar het Louvre terugkeeren.”--„Zooals gij verkiest, mejuffrouw,” hernam de ex-winkelier. „Zie ik u spoedig terug?”--„Wel zeker, de aanstaande week, ik hoop, dat mijn werkzaamheden mij eenige verpoozing zullen schenken en dan zal ik er van gebruik maken, om een weinig orde op onze zaken te stellen, die deerlijk in de war moeten zijn.”--„Goed, ik zal u wachten. Gij zijt op mij niet verstoord?”--„Ik? in het geheel niet.”--„Dan tot weerziens.”--„Tot weerziens.”--En Bonacieux kuste de hand zijner vrouw en verwijderde zich overhaast.

„Welaan,” zeide juffrouw Bonacieux, toen haar man de voordeur had gesloten en zij zich alleen bevond, „dien dwaas ontbrak het nog kardinalist te zijn. En ik, die mij voor hem bij de koningin verantwoordelijk heb gesteld, ik, die mijn arme meesteres heb beloofd.... Ach, mijn God! mijn God! Zij zal mij beschouwen als een dier ellendelingen, van welke het paleis wemelt en die haar omringen om haar te bespieden.... Ach, mijnheer Bonacieux! ik heb u nooit veel bemind; maar thans is het erger, ik haat u en op mijn woord, gij zult het mij betalen.”

Terwijl zij deze woorden sprak, deed een slag tegen de zoldering haar het hoofd opheffen en een stem, die haar door de planken in de ooren klonk, riep haar toe:

„Lieve mejuffrouw Bonacieux! open mij de kleine gangdeur, dan zal ik bij u komen.”

HOOFDSTUK XVIII.

Minnaar en echtgenoot.

„O, lieve juffrouw!” zeide d’Artagnan, door de deur binnenkomende, welke de jonge vrouw voor hem opende, „veroorloof mij het u te zeggen; gij bezit al een raren echtgenoot.”--„Hebt gij dan ons gesprek gehoord?” vroeg juffrouw Bonacieux haastig, d’Artagnan met ongerustheid beschouwende.--„Geheel en al.”--„Maar op welke wijze, mijn God!”--„Door een aan mij alleen bekend middel, en door hetwelk ik ook het meer geruchtmakend gesprek van u met de gerechtslieden des kardinaals hoorde.”--„En wat hebt gij verstaan van hetgeen wij zeiden?”--„Duizenderlei zaken: vooreerst, dat uw man een zot, een dwaas is; gelukkig, dat gij in verlegenheid zijt, waarover ik zeer verheugd ben, immers dit stelt mij in de gelegenheid u van dienst te zijn, en God is het bekend, hoe ik er naar streef, om voor u door het vuur te loopen, en eindelijk dat de koningin een moedigen, verstandigen en trouwen dienaar behoeft om voor haar een reis naar Londen te doen. Ik heb ten minste twee der hoedanigheden, die er vereischt worden, en ik ben gereed.”

Juffrouw Bonacieux antwoordde niet; maar haar hart klopte van blijdschap en een heimelijke hoop schitterde in haar oogen.--„En welken waarborg zult gij mij geven, indien ik u met deze zending belast?” vroeg zij.--„Mijn liefde voor u. Welaan! spreek, beveel, wat moet ik doen?”--„Mijn God! mijn God!” mompelde de jonge vrouw, „moet ik u een dergelijk geheim toevertrouwen, mijnheer, gij zijt nog zoo jong.”--„Nu, ik zie, dat gij iemand verlangt, die voor mij verantwoordelijk blijft.”--„Ik beken, dat zulks mij zou gerust stellen.”--„Kent gij Athos?”--„Neen.”--„Porthos?”--„Neen.”--„Aramis?”--„Neen; wie zijn die heeren?”--„Musketiers van den koning. Kent gij den heer de Tréville, hun kapitein?”--„O ja, hem ken ik, wel niet persoonlijk, maar door dikwijls de koningin over hem te hebben hooren spreken, als van een moedigen en trouwen edelman.”--„Gij vreest niet, dat hij u aan den kardinaal zal verraden, niet waar?”--„O, neen, volstrekt niet.”--„Welnu, openbaar hem uw geheim en vraag hem of gij, hoe gewichtig, hoe vreeselijk, hoe kostbaar dit geheim ook zij, het mij kunt vertrouwen.”--„Maar dat geheim behoort mij niet; en ik mag het zoo maar niet openbaren.”--„Gij wildet het wel aan den heer Bonacieux mededeelen,” zeide d’Artagnan gebelgd.--„Zooals men een brief aan de holte van een boom, aan den vleugel eens vogels, of aan den halsband van een hond toevertrouwt.”--„En echter gij ziet wel, dat ik u bemin.”--„Gij zegt het.”--„Ik ben een man van eer.”--„Ik wil het gelooven.”--„Ik ben moedig.”--„O, hiervan ben ik overtuigd.”--„Welnu, stel mij dan op de proef.”

Juffrouw Bonacieux beschouwde den jongeling met een laatste weifeling. Maar in zijn oogen schitterde een zoo vurige gloed, in zijn stem lag zooveel overtuiging, dat zij zich eindelijk overgehaald voelde op hem te vertrouwen. Bovendien bevond zij zich in een dier omstandigheden, waarin men alles moet wagen. De koningin was even goed verloren door een te ver gedrevene achterhoudendheid, als door een al te groot vertrouwen. Vervolgens, wij moeten het bekennen, de onwillekeurige gewaarwording, die zij voor dien jongen beschermer gevoelde, noopte haar te spreken.

„Luister,” zeide zij. „Ik geloof uw betuigingen en onderwerp mij aan uw verzekering.... Maar ik zweer u voor God, die ons hoort, dat, indien gij mij verraadt en mijn vijanden mij al mochten vergeven, ik mij echter het leven zal ontnemen en u van mijn dood beschuldigen.”--„En ik zweer u voor God, mejuffrouw!” zeide d’Artagnan, „dat indien ik gevangen word genomen, terwijl ik de bevelen zal ten uitvoer brengen, welke gij mij geeft, ik liever zal sterven, dan iets te zeggen of te doen, wat iemand in gevaar zou kunnen brengen.”

Toen deelde de jonge vrouw hem het verschrikkelijke geheim mede, waarvan het toeval hem reeds een gedeelte vóór de _Samaritaine_ had geopenbaard. Het was een wederzijdsche liefdesverklaring. D’Artagnan’s gelaat blonk van vreugde en hoogmoed. Dat geheim, hetwelk hij bezat, die vrouw, welke hij beminde, het vertrouwen en de liefde maakten hem tot een reus.

„Ik vertrek,” zeide hij, „ik vertrek oogenblikkelijk.”--„Hoe, gij vertrekt!” riep juffrouw Bonacieux, „en uw kompagnie? uw kapitein?”--„Op mijn eer, gij hebt mij dat alles doen vergeten, lieve Constance! ja, gij hebt gelijk, ik heb een verlof noodig.”--„Wederom een hinderpaal,” lispte juffrouw Bonacieux smartelijk.--„O, dien!” riep d’Artagnan, na een oogenblik van overweging, „dien zal ik weten te overkomen, wees gerust.”--„Op wat wijze?”--„Ik zal nog heden avond den heer de Tréville een bezoek brengen, ik zal hem belasten, die gunst voor mij van zijn schoonbroeder, den heer des Essarts, te verzoeken.”--„Maar nu iets anders!”--„Wat?”--„Gij hebt misschien geen geld.”--„Misschien, is te veel,” zeide d’Artagnan glimlachende.--„Dan,” hernam juffrouw Bonacieux, een kast openende en daaruit den zak halende, dien een half uur te voren haar echtgenoot met zooveel teederheid streelde, „neem dien zak.”--„Dien van den kardinaal!” riep d’Artagnan, in gelach uitbarstende, want zooals men zich zal herinneren, was hem, tengevolge der uitgehaalde plaveien, geen woord ontgaan van het gesprek des winkeliers met zijn vrouw.--„De zak van den kardinaal,” antwoordde juffrouw Bonacieux; „gij ziet wel, dat hij zich onder een tamelijk achtenswaardig uiterlijk voordoet.”--„_Pardieu_!” riep d’Artagnan, „het zal voor mij dubbel vermakelijk zijn, de koningin te redden met het geld Zijner Eminentie.”--„Gij zijt een beminnelijk en bevallig jongeling,” zeide juffrouw Bonacieux, „geloof, dat Hare Majesteit niet ondankbaar zal zijn.”--„O, ik ben al rijkelijk beloond!” riep d’Artagnan; „ik bemin u, gij veroorlooft mij u zulks te zeggen, dat is al meer geluk dan ik durfde hopen....”--„Stil,” zeide juffrouw Bonacieux verschrikt.--„Wat?”--„Men spreekt op straat. Het is de stem van mijn man. Ja, ik heb haar herkend.”

D’Artagnan liep naar de deur en schoof den grendel er op.--„Hij zal niet eer binnenkomen, alvorens ik mij verwijderd heb,” zeide hij, „en dan kunt gij hem de deur openen.”--„Maar ik had ook moeten vertrokken zijn; en hoe de verdwijning van dien zak gelds te verklaren, indien ik er nog ben?”--„Gij hebt gelijk, gij moet ook van hier.”--„Maar hoe, hij zal ons zien uitgaan.”--„Dan moet gij in mijn kamer gaan.”--„O!” riep juffrouw Bonacieux, „gij zegt mij dit op een toon, die mij verschrikt.”

Juffrouw Bonacieux sprak deze woorden uit met tranen in de oogen. D’Artagnan zag die tranen en ontroerd, verteederd, wierp hij zich voor haar op de knieën.--„In mijn kamer zult gij zoo zeker als in een tempel zijn, op mijn woord van edelman!”--„Laat ons dan gaan,” zeide zij, „ik vertrouw mij aan u, mijn vriend!”

D’Artagnan schoof wederom den grendel van de deur en beiden, licht als schimmen, slopen door de binnendeur in de gang, klommen stil de trap op en traden de kamer van d’Artagnan binnen. Zoodra zij in de kamer waren, grendelde de jongeling tot meer zekerheid de deur; vervolgens naderden beiden het venster en door een reet van het luik zagen zij den heer Bonacieux, die met een man in een mantel gewikkeld in gesprek was. Op het zien van den mantel sprong d’Artagnan op, en zijn degen ten halve uittrekkende, snelde hij naar de deur. Het was de man van _Meung_.

„Wat wilt gij doen?” riep juffrouw Bonacieux; „gij zult ons in het verderf storten!”--„Maar ik heb gezworen, dien man om het leven te brengen!” zeide d’Artagnan.--„Uw leven is op het oogenblik aan den dienst van een andere gewijd en behoort u niet. In naam der koningin, verbied ik u volstrekt, u in eenig gevaar te begeven, dat vreemd aan uw reis is.”--„En beveelt gij niets uit uw naam?”--„In mijn naam,” zeide juffrouw Bonacieux met levendige aandoening, „in mijn naam smeek ik u er om. Maar luister, het schijnt dat zij over mij spreken.”

D’Artagnan naderde het venster en luisterde. De heer Bonacieux had de deur geopend, maar het vertrek ledig ziende, was hij naar den man met den mantel teruggekeerd, welken hij een oogenblik te voren verlaten had.

„Zij is vertrokken,” zeide hij, „zij zal naar het Louvre zijn teruggekeerd.”--„Gij zijt immers zeker,” antwoordde de vreemdeling, „dat zij betreffende het oogmerk van uw uitgaan niets heeft vermoed?”--„Neen,” antwoordde Bonacieux vol vertrouwen, „zij is een al te onnoozele vrouw.”--„Is de kadet der gardes te huis?”--„Ik geloof neen; zooals gij ziet is het raam zijner kamer gesloten, en men ziet niet het minste licht door de reten schijnen.”--„Dat doet er niet toe, wij moeten er ons van overtuigen.”--„Op wat wijze?”--„Door aan zijn deur te kloppen, terwijl ik zijn knecht zal ondervragen.”--„Goed.”

Bonacieux keerde in huis terug, ging dezelfde deur binnen, door welke de beide vluchtelingen waren vertrokken, klom de trap op tot aan de kamer van d’Artagnan en klopte. Niemand antwoordde. Porthos had, om meer pracht ten toon te spreiden, Planchet dien avond in zijn dienst genomen. Wat d’Artagnan betreft, deze zorgde er wel voor niet het minste teeken van leven te geven. Op het oogenblik, dat de vinger van Bonacieux op de deur klonk, voelden de jongelieden hun harten kloppen.

„Er is niemand in zijn kamer,” zeide Bonacieux.--„Het doet er niet toe, gaan wij liever in huis, wij zullen daar vertrouwelijker kunnen spreken dan voor de deur.”--„Ach, mijn God!” lispte juffrouw Bonacieux, „wij zullen nu niets meer hooren.”--„Integendeel,” zeide d’Artagnan, „wij zullen nu te beter kunnen hooren.”

D’Artagnan lichtte de drie of vier vloersteenen op, wat van zijn kamer een soort van oor van Dionysius maakte, spreidde een tapijt over den grond, ging op de knieën liggen en wenkte juffrouw Bonacieux, om zich over de opening te buigen, zooals hij deed.

„Gij zijt zeker, dat ons niemand kan beluisteren?”--„Niemand, dat verzeker ik u,” antwoordde Bonacieux.--„En gij denkt, dat uw vrouw naar het Louvre is teruggekeerd, zonder iemand anders gesproken te hebben dan u?”--„Daarvan ben ik zeker.”--„Gij begrijpt, dat het een gewichtig punt is.”--„Dus heeft het nieuws, dat ik u heb medegedeeld, eenige waarde?”--„Een zeer groote, mijn waarde Bonacieux! dat ontveins ik u niet.”--„Dan zal de kardinaal ook zeker tevreden over mij zijn?”--„Daar twijfel ik niet aan.”--„Die groote kardinaal!”--„Zijt gij zeker, dat uw vrouw, met u sprekende, zich geen namen heeft laten ontvallen?”--„Ik meen van neen.”--„Heeft zij mevrouw de Chevreuse, noch den hertog van Buckingham of mevrouw de Vernet genoemd?”--„Neen, zij heeft mij niets anders gezegd, dan dat zij mij naar _Londen_ wilde zenden met een boodschap van een doorluchtig personage.”

„De verrader!” mompelde juffrouw Bonacieux.--„Stil,” zeide d’Artagnan, haar hand nemende, die zij hem gedachteloos overliet.

„Wat er van zij,” ging de man met den mantel voort, „gij hebt dwaas gehandeld, den schijn niet aangenomen te hebben, die boodschap te willen doen, dan zoudt gij thans den brief hebben; de staat, die bedreigd is, zou gered zijn, en gij....”--„En ik?”--„Wel, de kardinaal zou u brieven van adeldom hebben verleend.”--„Heeft hij het u gezegd?”--„Ja, ik weet, dat hij u hiermede wilde verrassen.”--„Wees gerust,” hernam Bonacieux, „mijn vrouw aanbidt mij, en het is nog tijd.”

„Die zot!” mompelde juffrouw Bonacieux.--„Stil,” herhaalde d’Artagnan, haar nog sterker de hand drukkende.

„Hoe! is het nog tijd?” hernam de man met den mantel.--„Ik keer naar het Louvre terug en vraag om juffrouw Bonacieux te spreken, aan wie ik zal zeggen, dat ik van gedachten veranderd ben; ik knoop de zaak weder aan, verkrijg den brief en spoed mij naar den kardinaal.”--„Welnu, haast u dan; ik zal fluks terug zijn, ten einde te vernemen hoe de zaak is afgeloopen;” en de vreemdeling vertrok.

„Die eerlooze!” zeide juffrouw Bonacieux, wederom haar man dien naam gevende.--„Stil!” herhaalde d’Artagnan, haar hand nog vuriger drukkende.

Een afgrijselijk gebrul brak op dat oogenblik de overwegingen van d’Artagnan en van juffrouw Bonacieux af. Het kwam voort van haar man, die, bemerkt hebbende dat zijn zak met geld was verdwenen, begon te roepen: „Houdt den dief! houdt den dief!”

Bonacieux schreeuwde een geruime poos maar dewijl naar dergelijke kreten niemand in de Doodgraversstraat luisterde, en daarenboven het huis van den winkelier sedert eenigen tijd in geen goede faam stond en hij niemand zag verschijnen, liep hij het huis uit, al schreeuwende, terwijl men zijn stem hoorde, die in de verte, in de richting der straat _du Bac_, wegstierf.

„En thans, nu hij weg is,” zeide juffrouw Bonacieux, „is het uw beurt, u ook te verwijderen; moed, maar vooral voorzichtigheid, en wees indachtig, dat gij der koningin behoort.”--„U en haar!” riep d’Artagnan. „Wees gerust, schoone Constance! ik zal harer erkentelijkheid waardig worden; maar zal ik, wederkeerende, uw liefde waardig zijn?”--De jonge vrouw antwoordde slechts door een levendigen blos, die haar wangen kleurde.

Eenige oogenblikken later verwijderde d’Artagnan zich op zijn beurt, ook in een wijden mantel gehuld, die van onder werd opgeheven door de scheede van een langen degen. Juffrouw Bonacieux volgde hem met de oogen en met dien smachtenden liefdeblik, dien de vrouw, welke voor een man liefde voelt ontstaan, op dezen werpt, wanneer hij zich verwijdert; maar toen hij om den hoek der straat verdween, viel zij op de knieën, en de handen vouwende, riep zij: „O, mijn God! bescherm de koningin! bescherm mij!”

HOOFDSTUK XIX.

Reisplan.

D’Artagnan begaf zich rechtstreeks naar den heer de Tréville. Hij overwoog, dat de kardinaal na weinige oogenblikken door dien vervloekten onbekende, die zijn agent scheen te zijn, zou verwittigd worden, en bedacht, dat er geen oogenblik te verliezen was. Het hart des jongelings vloeide over van vreugd. Het was een avontuur, dat hem èn roem te verwerven, èn geld te winnen aanbood, en dat hem als eerste aanmoediging met een vrouw, die hij aanbad, in nauwere aanraking bracht. Het toeval schonk hem reeds bij den aanvang meer dan hij van de Voorzienigheid had durven vragen.

De heer de Tréville was in zijn salon met zijn gewoon gezelschap edellieden.... D’Artagnan, dien men als een vriend des huizes kende, begaf zich rechtstreeks naar zijn kabinet en deed hem verwittigen, dat hij hem over iets zeer gewichtigs te spreken had.

D’Artagnan was nauwelijks vijf minuten daar, toen de heer de Tréville binnentrad. Bij den eersten aanblik de vreugd opmerkende, die op zijn gelaat blonk, begreep de waardige kapitein, dat er werkelijk iets nieuws moest wezen. Den geheelen weg langs had d’Artagnan bij zich zelven overlegd, of hij alles den heer de Tréville zou toevertrouwen, dan wel dezen alleen zou vragen hem het noodige verlof te geven ter uitvoering eener geheime zending. Maar de heer de Tréville was steeds zoo uitermate goed jegens hem geweest, hij was den koning en de koningin zoo genegen, terwijl hij den kardinaal zoozeer vijandig was, dat de jongeling besloot hem alles te zeggen.

„Gij hebt mij laten roepen, mijn jonge vriend?”--„Ja, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en gij zult mij verschoonen, hoop ik, u gestoord te hebben, wanneer gij het gewicht der zaak zult kennen, waarvan er sprake is.”--„Spreek dan, ik luister.”--„Het betreft niets minder,” zeide d’Artagnan, zijn stem verzachtende, „dan de eer en misschien wel het leven der koningin.”--„Wat zegt gij daar?” vroeg de heer de Tréville, rondziende om zich te verzekeren of zij wel alleen waren en daarna zijn vragenden blik weder op d’Artagnan vestigende.--„Ik zeg u, mijnheer! dat het toeval mij in het bezit heeft gesteld van een geheim.”--„Dat ik hoop, jongeling, dat gij uw leven lang zult bewaren.”--„Maar dat ik aan u, mijnheer, moet toevertrouwen, want gij alleen kunt mij helpen in de zending, die mij van wege Hare Majesteit is opgedragen geworden.”--„Behoort u dat geheim?”--„Neen, mijnheer, het behoort aan de koningin.”--„Is u door Hare Majesteit vergunning verleend het mij toe te vertrouwen?”--„Neen, mijnheer! integendeel, de grootste geheimhouding is mij aanbevolen.”--„En waarom wilt gij het dan aan mij mededeelen?”--„Omdat ik, ik herhaal het, zonder u niets kan doen en bevreesd ben, dat gij mij de gunst zult weigeren, die ik u kom verzoeken, indien gij niet weet, met welk oogmerk ik u die vraag doe.”--„Bewaar uw geheim, jongeling! en zeg mij wat gij verlangt.”--„Ik verlang, dat gij voor mij van den heer des Essarts een veertiendaagsch verlof verkrijgt.”--„Voor wanneer?”--„Voor nog dezen nacht.”--„Verlaat gij _Parijs_?”--„Ik moet een zending volbrengen.”--„Kunt gij mij zeggen waar?”--„In _Londen_.”--„Heeft iemand er belang bij, dat gij uw doel niet bereikt?”--„De kardinaal, geloof ik, zou alles ter wereld geven, om mijn reis te beletten.”--„En vertrekt gij alleen?”--„Ik vertrek alleen.”--„In dat geval zult gij _Bondy_ niet voorbij komen! dat zeg ik u, zoo waar ik Tréville heet.”--„Waarom dat?”--„Men zal u vermoorden.”--„Ik zal sterven in het vervullen van mijn plicht.”--„Maar uw zending zal niet vervuld zijn.”--„Dat is waar,” zeide d’Artagnan.

„Geloof mij,” vervolgde de Tréville, „in dergelijke ondernemingen moet men een viertal zijn, opdat er één het doel bereike.”--„O! gij hebt gelijk, mijnheer!” zeide d’Artagnan; „maar gij kent Athos, Porthos en Aramis, en gij weet of ik over hen kan beschikken.”--„Zonder hun het geheim te vertrouwen, dat ik niet wil kennen?”--„Wij hebben elkander eens voor altijd een blind vertrouwen en onverbreekbare trouw gezworen; buitendien, gij kunt hun zeggen, dat gij volkomen vertrouwen in mij stelt, en zij zullen niet minder geloovig zijn dan gij.”--„Ik kan aan elk hunner een verlof van veertien dagen doen geworden, dat is al; aan Athos, wiens wonde hem nog steeds doet lijden, om naar de baden van _Forges_ te gaan; aan Porthos en Aramis, om hun vriend te volgen, dien zij in een zoo smartelijken toestand niet willen verlaten. Het zenden hunner verlofpassen zal ten bewijze strekken, dat ik in hun reis toestem.”--„Ik dank u, mijnheer! voor uw zoo groote goedheid.”--„Ga hen dus oogenblikkelijk zoeken, en dat nog dezen nacht alles worde uitgevoerd. Ha! maar schrijf mij eerst uw verzoek aan den heer des Essarts. Een spion zou wellicht uw schreden gevolgd kunnen hebben, en uw bezoek, dat in dat geval reeds aan den kardinaal bekend is, wordt hierdoor verklaard.”

D’Artagnan stelde het verzoek op, en de heer de Tréville, het uit zijn handen ontvangende, verzekerde, dat vóór twee uur des ochtends de vier verlofpassen aan de huizen der belanghebbenden zouden zijn bezorgd.

„Wees zoo goed, mijnheer! den mijnen aan het huis van den heer Athos te doen afgeven,” zeide d’Artagnan. „Ik vrees, naar huis gaande, een slechte ontmoeting te hebben.”--„Wees gerust, vaarwel en goede reis!.... A propos!” zeide de heer de Tréville, hem terugroepende.--D’Artagnan keerde op zijn schreden terug.--„Hebt gij geld?”--D’Artagnan liet den geldzak klinken, dien hij bij zich had.--„Genoeg?” vroeg de heer de Tréville.--„Driehonderd pistolen.”--„Goed, met zooveel doet men een reis rondom de wereld; vaarwel dan!”

D’Artagnan groette den heer de Tréville, die hem de hand reikte. D’Artagnan drukte ze met eerbied en dankbaarheid. Sedert hij te _Parijs_ was gekomen, was deze voortreffelijke man voor hem steeds goed geweest, en had hij hem nooit anders dan achtenswaardig, trouw en grootmoedig gevonden.

Zijn eerste bezoek gold Aramis; hij was bij zijn vriend, sedert dien gewichtigen avond, op welken hij juffrouw Bonacieux was gevolgd, niet teruggekeerd. En wat meer zegt, nauwelijks had hij den jongen musketier weergezien, en telkens, wanneer hij hem ontmoette, meende hij een diepe treurigheid op zijn aangezicht te zien uitgedrukt. Ook dezen avond vond hij Aramis wakende, in treurige droomerijen verzonken. D’Artagnan deed hem eenige vragen omtrent deze langdurige droefgeestigheid; Aramis verontschuldigde zich met een uitlegging van het achttiende kapittel van den Heiligen Augustinus, dat hij in het Latijn voor de volgende week moest gereed hebben en dat hem veel hoofdbrekens veroorzaakte.