De Drie Musketiers dl. I en II

Part 15

Chapter 153,874 wordsPublic domain

„Laat den heer d’Artagnan binnen,” zeide de commissaris tot de drie dienaren, die Athos binnenlieten. „Mijnheer d’Artagnan,” zeide de commissaris, zich tot Athos wendende, „verklaar, wat er tusschen u en mijnheer is voorgevallen.”--„Wel!” riep Bonacieux, „dat is de heer d’Artagnan niet, dien gij mij voorstelt!”--„Hoe! is dat de heer d’Artagnan niet!” riep de commissaris.--„Volstrekt niet!” antwoordde Bonacieux.--„Hoe heet mijnheer?” vroeg de commissaris.--„Ik kan het u niet zeggen, ik ken hem niet.”--„Hoe! gij kent hem niet?”--„Neen.”--„Hebt gij hem nooit gezien?”--„Jawel, maar ik weet niet hoe hij heet.”--„Uw naam,” vroeg de commissaris.--„Athos,” antwoordde de musketier.--„Maar dat is geen menschennaam, dat is de naam van een berg!” riep de arme ondervrager, die in de war begon te raken. „Maar gij hebt gezegd, dat gij d’Artagnan heette.”--„Ik?”--„Ja, gij!”--„Dat is te zeggen, men heeft mij gezegd: Gij zijt de heer d’Artagnan, en ik heb geantwoord: Zoudt ge denken? De gardes hebben daarop uitgeroepen, dat zij er zeker van waren. Ik heb hen niet willen tegenspreken. Bovendien, ik had mij kunnen bedriegen.”--„Mijnheer! gij beleedigt de majesteit der justitie!”--„In geenen deele,” antwoordde Athos rustig.--„Gij zijt de heer d’Artagnan!”--„Ziet gij nu wel, gij zegt het mij immers zelf?”--„Maar,” riep op zijn beurt de heer Bonacieux, „ik zeg u, mijnheer de commissaris! dat er geen oogenblik te twijfelen valt. De heer d’Artagnan heeft van mij kamers gehuurd en bijgevolg, hoewel hij mij de huur niet betaalt en juist om die reden, dien ik hem wel te kennen. De heer d’Artagnan is een jongeling van nauwelijks negentien of twintig jaar en deze heer is ten minste dertig. De heer d’Artagnan dient bij de gardes van den heer des Essarts en mijnheer behoort tot de kompagnie musketiers van den heer de Tréville; bezie de uniform maar eens, mijnheer de commissaris! bezie ze maar eens!”--„Dat is waar,” mompelde de commissaris, „dat is, _pardieu_! waar.”

Op dat oogenblik werd de deur haastig geopend en een boodschapper, door een der sleuteldragers der Bastille binnengeleid, stelde den commissaris een brief ter hand.--„O, die rampzalige!” riep de commissaris.--„Hoe? wat zegt gij? van wien spreekt gij? Ik hoop niet, dat het mijn vrouw betreft?”--„Integendeel, het is over haar. Nu, uw zaken staan goed, ik verzeker u.”--„Maar, stil!” riep de winkelier, buiten zich zelven gebracht, „doe mij het genoegen en zeg mij eens, mijnheer! hoe mijn zaak kan verslimmeren door hetgeen mijn vrouw uitvoert, terwijl ik in de gevangenis ben?”--„Omdat hetgeen zij bedrijft het gevolg is van een plan, een helsch plan, dat tusschen u en haar is ontworpen!”--„Ik zweer u, mijnheer de commissaris! dat gij u schromelijk bedriegt; dat ik volstrekt niets weet van hetgeen mijn vrouw voornemens was te doen; dat ik volstrekt onbekend ben met hetgeen zij heeft gedaan, en dat, indien zij dwaasheden heeft begaan, ik haar verloochen, ik haar ontken, ik haar vervloek!”

„Hoe is het,” vroeg Athos den commissaris, „als gij mij hier niet meer noodig hebt, zendt mij dan naar elders; want die mijnheer Bonacieux is vrij vervelend.”--„Brengt de gevangenen weder in hun cachotten,” zeide de commissaris, gelijktijdig op Athos en Bonacieux wijzende, „en dat men hen strenger dan ooit bewake.”--„Intusschen,” zeide Athos met zijn gewone bedaardheid, „indien gij met den heer d’Artagnan iets uitstaande hebt, zie ik niet in, waarom ik in zijn plaats moet treden.”--„Doe wat ik beveel!” riep de commissaris, „en de volstrektste geheimhouding. Verstaat gij?”

Athos volgde zijn bewakers en haalde de schouders op, terwijl de heer Bonacieux een geklaag aanhief, in staat het hart van een tijger te vermurwen. Men bracht den winkelier in hetzelfde cachot, waarin hij den nacht had doorgebracht en hij bleef er den geheelen dag. Geheel dien dag schreide Bonacieux als een oprecht winkelier, daar hij volstrekt geen krijgsman was, hetgeen hij ons zelf heeft gezegd.

Des avonds tegen negen uur, op het oogenblik dat hij zich ter ruste wilde leggen, hoorde hij voetstappen in de gang. Die voetstappen naderden zijn cachot; zijn deur werd geopend en wachten traden binnen.--„Volg mij,” zeide een deurwaarder, die achter de wachten binnenkwam.--„U volgen?” riep Bonacieux, „en op dit uur! en waarheen, mijn God!”--„Waar wij bevolen zijn u te geleiden.”--„Maar dat antwoord beteekent niets.”--„Dat is echter het eenige, dat wij u kunnen geven.”--„Ach, mijn God! mijn God!” mompelde de arme winkelier, „thans ben ik verloren.”--En hij volgde werktuigelijk en zonder tegenstand te bieden de wachten, die hem kwamen halen.

Hij betrad dezelfde gang, die hij reeds was doorgegaan, ging eerst een binnenplaats over, vervolgens een tweede gebouw binnen; eindelijk vond hij op het ingangsplein een rijtuig, omringd door vier gardes te paard. Men liet hem in het rijtuig stappen, de deurwaarder zette zich naast hem; men deed het portier op slot, en beiden bevonden zich in een voortrollende gevangenis. Het rijtuig zette zich in beweging, maar zoo langzaam, alsof het een lijkkoets ware. Door de traliën zag de gevangene de huizen en de straat; dat was alles; maar als een echt Parijzenaar herkende Bonacieux de straten aan de palen, de uithangborden en de lantaarns. Op het oogenblik dat hij St. Paul bereikte, waar de gevonnisten der Bastille ter dood werden gebracht, meende hij in onmacht te zullen vallen en hij kruiste zich tweemaal. Hij verbeeldde zich, dat het rijtuig dáár zou stilhouden. Het rijtuig vervolgde zijn weg. Wat verder overviel hem wederom een hevige angst; het was toen hij het kerkhof van St. Jan voorbijkwam, waar de staatsmisdadigers begraven werden. Een enkele omstandigheid stelde hem eenigszins gerust; het was, dat men hun, alvorens hen te begraven, het hoofd afhieuw, en dat zijn hoofd nog op zijn schouders zat. Maar toen hij bemerkte, dat het rijtuig den weg naar het plein de Grève insloeg en hij de spitse daken van het stadhuis bespeurde, het rijtuig het gewelf doorreed, meende hij dat het met hem gedaan was, en hij wilde den deurwaarder zijn biecht spreken; maar op de weigering van dezen begon hij zulke erbarmelijke kreten uit te galmen, dat de deurwaarder hem dreigde den mond te stoppen, indien hij voortging hem op die wijze het oorvlies te verscheuren.... Deze bedreiging stelde Bonacieux opnieuw een weinig gerust; indien men hem op het plein de Grève had willen ter dood brengen, was het niet meer de moeite waard hem een bal in den mond te stoppen, daar men bijna op het gerechtsplein gekomen was. Inderdaad, het rijtuig reed het akelige plein over zonder op te houden. Nu bleef er nog slechts de Croix du Trahoir te vreezen over, en juist sloeg het rijtuig dien weg in. Er was nu geen twijfel meer; de plaats Croix du Trahoir diende tot gerechtsplaats voor de minste klasse van misdadigers; Bonacieux had zich zelven gevleid door zich St. Paul of het plein de Grève waardig te achten. Het was aan de Croix du Trahoir dat zijn tocht en zijn lot een einde zouden nemen. Hoewel hij dat noodlottige kruis nog niet ontwaarde, voelde hij het om zoo te zeggen hem tegemoet komen. Niet meer dan een twintigtal schreden er van verwijderd hoorde hij een groot rumoer en het rijtuig bleef staan. Dat was meer dan de arme Bonacieux kon doorstaan, reeds verplet door de elkander opvolgende schokken, die hij ondervonden had; hij slaakte een flauw gekerm, alsof het de laatste snik eens stervenden ware geweest, en viel in onmacht.

HOOFDSTUK XIV.

De man van Meung.

Dat rumoer werd veroorzaakt, niet door de verwachting der volksmenigte naar een patiënt, die gehangen moest worden, maar door de beschouwing van een gehangene. Het rijtuig, een oogenblik opgehouden, zette weder zijn tocht voort te midden van den volksoploop, reed de straat St. Honoré en daarop de Brave Kinderstraat in en hield voor een kleine deur stil. Die deur werd geopend, twee gardes ontvingen Bonacieux in hun armen; door den deurwaarder ondersteund, werd hij in een gang gestooten, waarna men een trap opging en hem in een voorkamer bracht. Al deze bewegingen had hij slechts werktuigelijk ondergaan en als iemand, die in den droom voorttreedt; hij onderscheidde de voorwerpen slechts als door een nevel, terwijl zijn ooren klanken hoorden zonder ze te verstaan; men zou hem op dat oogenblik hebben kunnen ter dood brengen, zonder dat hij de minste poging ter verdediging beproefd had, of een genadekreet geslaakt zou hebben. Hij bleef onbeweeglijk, met den rug tegen den muur geleund zitten, en met neerhangende armen, zooals de gardes hem daar hadden neergezet.

Eindelijk liet hij zijn oogen rondwaren, maar hij bespeurde niet het minste voorwerp, dat hem schrik kon aanjagen, terwijl niets aanduidde, dat hij werkelijk in gevaar verkeerde. De bank was behoorlijk gepolijst, de muur met een fraai, Cordovaansch lederen behangsel bedekt, en voor de vensters hingen groote, roode damasten gordijnen, die door gouden knoppen werden opgehouden, zoodat hij begreep, dat zijn angst ongegrond was, en hij van lieverlede het hoofd links en rechts en de armen van beneden naar omhoog begon te bewegen. Op die beweging, welke niemand belette, vatte hij moed en waagde eerst het eene, toen het andere been tot zich te trekken; eindelijk, zich met beide handen ondersteunende, stond hij van de bank op en bevond zich op zijn voeten. Tegelijkertijd lichtte een officier van zeer goed voorkomen het voorhangsel eener deur op, bleef nog eenige woorden wisselen met den persoon, die zich in het naaste vertrek bevond, en wendde zich daarop tot den gevangene.

„Zijt gij het, die Bonacieux heet?”--„Ja, mijnheer de officier!” stamelde de winkelier meer dood dan levend, „om u te dienen.”--„Ga binnen,” zei de officier. En hij ging ter zijde om Bonacieux door te laten. Deze gehoorzaamde zonder eenige tegenspraak en ging de kamer binnen, waar hij scheen verwacht te worden....

Het was een groot vertrek, welks muren voorzien waren van allerhande soort van wapens, dicht besloten en zeer warm, daar er reeds vuur brandde, ofschoon men nauwelijks tegen het einde der maand September was. Een vierkante tafel, met boeken en papieren beladen, en waarop een zeer groote plattegrond der stad _la Rochelle_ lag uitgespreid, stond midden in het vertrek. Voor den schoorsteen stond een man van middelbare grootte, van een zeer forsch en fier voorkomen, met doordringende oogen, breed voorhoofd, vermagerd gezicht, dat nog verlengd werd door een snorbaard en een paar knevels. Hoewel die man nauwelijks zes of zeven en dertig jaar oud was, begonnen snor en baard te vergrijzen. Die man, zonder degen aan, had het voorkomen van een krijgsman, en zijn buffellederen laarzen, nog eenigszins met stof bedekt, duidden aan, dat hij dien dag te paard had gereden. Die man was Armand Jean Duplessis, kardinaal de Richelieu, niet zooals men hem ons voorstelt, gebukt als grijsaard, lijdende als een martelaar met verbrijzeld lichaam, zwakke stem en begraven in een grooten leuningstoel, als in een voorafgaand graf, alleen met _Europa_, zich staande houdende enkel door de onafgebroken inspanning zijner denkkracht; maar zooals hij werkelijk op dat tijdstip was, een aardig en smaakvol cavalier, wel reeds verzwakt van lichaam, maar ondersteund door die zielskracht, die hem tot een der meest buitengewone menschen maakte, die er ooit bestaan hebben; eindelijk zich voorbereidende, om, na den hertog de Nemours in zijn hertogdom van _Mantua_ te hebben bevestigd, na _Nîmes_, _Castres_ en _Uzès_ te hebben ingenomen, de Engelschen van het eiland _Ré_ te verdrijven en de belegering van _la Rochelle_ aan te vangen.

Op het eerste gezicht deed niets den kardinaal vermoeden, en het was hun niet mogelijk, die zijn gelaat niet kenden, te raden wien zij voor hadden.... De arme winkelier bleef voor de deur staan, terwijl de blik van den persoon, dien wij hebben beschreven, zich op hem vestigde en in het diepste zijner gedachten scheen te willen doordringen.--„Is dat die Bonacieux?” vroeg hij na een oogenblik zwijgens.--„Ja, Excellentie!” hernam de officier.--„Het is wel; geef mij zijn papieren en laat ons alleen.”

De officier nam van de tafel de gevraagde papieren, stelde ze den vrager ter hand, boog zich tot den grond en vertrok. Bonacieux herkende in deze papieren zijn verhooren der Bastille. Van tijd tot tijd hief de man, die voor den schoorsteen stond, de oogen van de papieren op en liet ze als een paar dolken in het hart van den winkelier dringen. Na verloop van tien minuten lezing en tien seconden beschouwing, was de kardinaal in zijn denkbeeld bevestigd.--„In dat hoofd heeft nooit een samenzwering gebroeid,” mompelde hij; „maar om het even, laten wij eens zien.”

„Gij zijt van hoogverraad beschuldigd,” zeide de kardinaal langzaam.--„Men heeft mij dit reeds gezegd, Excellentie!” riep Bonacieux, aan zijn ondervrager den titel gevende, dien hij van den officier had gehoord; „maar ik zweer u, dat ik er niets van wist.”

De kardinaal onderdrukte een glimlach.--„Gij hebt samengespannen met uw vrouw, met mevrouw de Chevreuse en met Mylord den hertog van Buckingham.”--„Inderdaad, Excellentie!” antwoordde de winkelier, „ik heb haar al die namen hooren noemen.”--„En bij welke gelegenheid?”--„Zij zeide, dat de hertog de Richelieu den hertog van Buckingham te _Parijs_ had gelokt, om hem te verderven en met hem de koningin.”--„Zij zeide dat?” riep de kardinaal met hevigheid.--„Ja, Uwe Excellentie! maar ik antwoordde, dat zij ongelijk had dergelijke gesprekken te voeren, en dat Zijne Eminentie niet in staat was....”--„Zwijg! gij zijt een dwaas!” hernam de kardinaal.--„Dat is juist wat mijn vrouw mij heeft geantwoord, Uwe Excellentie!”--„Weet gij, wie uw vrouw heeft ontvoerd?”--„Neen, Uwe Excellentie!”--„Gij verdenkt echter iemand?”--„Ja, Uwe Excellentie! maar dat vermoeden schijnt den heer commissaris onaangenaam te zijn geweest en nu vermoed ik niets meer.”--„Wist gij, dat uw vrouw ontvlucht was?”--„Neen, Uwe Excellentie! ik heb dit niet eer gehoord dan in de gevangenis en altijd door tusschenkomst van den heer commissaris, een zeer beminnelijk man.”

De kardinaal onderdrukte een tweeden glimlach.--„Dus gij weet niet, wat er van uw vrouw is geworden sedert haar vlucht?”--„Volstrekt niet, Excellentie! maar zij moet naar het Louvre zijn teruggekeerd.”--„Te één uur na middernacht was zij er nog niet.”--„Maar, mijn God! wat is er dan van haar geworden?”--„Men zal dit wel vernemen, wees gerust, men verbergt den kardinaal niets; de kardinaal weet alles.”--„Als dat zoo is, Uwe Excellentie! gelooft gij dan, dat het den kardinaal zal believen mij te zeggen, wat er van mijn vrouw geworden is?”--„Misschien, maar alvorens behoort gij alles te vertellen, wat gij nopens de betrekkingen van uw vrouw met mevrouw de Chevreuse weet.”--„Maar, Uwe Excellentie! ik weet er niets van, ik heb haar nooit gezien.”--„Wanneer gij uw vrouw van het Louvre gingt halen, keerdet gij dan rechtstreeks naar huis terug?”--„Bijna nooit, zij had altijd zaken met linnenkoopers, bij wie ik haar geleidde.”--„En bij hoeveel linnenkoopers begaf zij zich wel?”--„Bij twee, Excellentie!”--„Waar wonen ze?”--„De een in de straat Vaugirard, de andere in de straat la Harpe.”--„Volgdet gij haar in huis?”--„Nooit, Excellentie! ik wachtte haar voor de deur.”--„En wat voor reden gaf zij u, om dus alleen binnen te gaan?”--„Zij gaf mij geen reden en zeide mij alleen, dat ik zou wachten, en ik wachtte.”--„Gij zijt een zeer toegevend echtgenoot, mijn waarde heer Bonacieux!” zeide de kardinaal.

„Hij heeft mij waarde heer genoemd,” dacht de winkelier bij zich zelven, „duivelsch! de zaken nemen een goede wending.”

„Zoudt gij die huizen herkennen?”--„Ja.”--„Weet gij de nummers?”--„Ja.”--„Welke zijn ze?”--„No. 25 in de straat Vaugirard; No. 76 in de straat la Harpe.”--„Goed,” zeide de kardinaal.

Bij deze woorden nam hij een zilveren tafelschel, en een officier trad binnen.--„Ga,” zeide hij halfluid, „ga Rochefort roepen: dat hij dadelijk kome, indien hij te huis is.”--„De graaf wacht,” antwoordde de officier, „en verzoekt dringend Uwe Eminentie te spreken.”

„Uwe Eminentie,” pruttelde Bonacieux, die wist, dat dit de titel was, dien men gewoonlijk den kardinaal gaf.

„Dat hij kome, dat hij onverwijld kome,” zeide Richelieu driftig.--De officier snelde het vertrek uit met een overhaasting, welke de dienaren des kardinaals gewoonlijk in acht namen, om hem te gehoorzamen.

„Uwe Eminentie!” mompelde Bonacieux, groote, verschrikte oogen opzettende.--Vijf seconden waren er niet verloopen, sedert het vertrek van den officier, of de deur werd geopend en een nieuw personage trad binnen.--„Hij is het!” riep Bonacieux.--„Wie?” vroeg de kardinaal.--„Hij, die mijn vrouw heeft ontvoerd.”

De kardinaal schelde voor de tweede maal. De officier verscheen opnieuw.--„Stel dien man in de handen zijner twee bewakers, en dat hij wachte, totdat ik hem terug doe roepen.”--„Neen, Excellentie! neen, hij is het niet!” riep Bonacieux, „neen, ik heb mij bedrogen, het is een ander, die hem volstrekt niet gelijkt: mijnheer is een fatsoenlijk man!”--„Breng dien dwaas weg!” zeide de kardinaal.

De officier nam Bonacieux bij den arm en bracht hem in de voorkamer, waar hij zijn twee bewakers wedervond. De persoon, dien men had binnengeleid, volgde met een ongeduldigen blik Bonacieux, totdat deze vertrokken was; toen zeide hij, den kardinaal driftig naderende:

„Zij hebben elkander gesproken.”--„Wie?” vroeg Zijne Eminentie.--„Zij en hij.”--„De koningin en de hertog?” riep Richelieu.--„Ja.”--„En waar dat?”--„In het Louvre.”--„Zijt gij er zeker van?”--„Volkomen.”--„Wie heeft het u gezegd?”--„Mevrouw de Lannoy, die, zooals gij weet, Uwe Eminentie volkomen is toegedaan.”--„Waarom heeft zij het niet eer gezegd?”--„Hetzij toevallig of uit wantrouwen, heeft de koningin mevrouw de Sargis in haar kamer doen slapen en den geheelen dag bij zich gehouden.”--„Het is wel, wij zijn overwonnen! Laat ons trachten weerwraak te nemen.”--„Ik zal Uwe Eminentie uit al mijn vermogen helpen, wees hieromtrent gerust.”--„Maar hoe heeft het zich toegedragen?”--„Te middernacht bevond zich de koningin bij haar vrouwen.”--„Waar?”--„In haar slaapkamer.”--„Goed.”--„Toen is men haar een zakdoek vanwege haar lijnwaad-opzichtster komen ter hand stellen.”--„Daarna?”--„Onmiddellijk daarop ontwaarde men aan de koningin een hevige ontroering, en ondanks het blanketsel, dat haar gelaat bedekte, zag men haar verbleeken.”--„Vervolgens?”--„Echter stond zij op, en met een gebroken stem zeide zij: ‚Dames! wacht mij hier gedurende tien minuten, dan zal ik terug wezen.’ En de deur harer alcove openende, verdween zij er door.”--„Waarom is mevrouw de Lannoy u hiervan niet op hetzelfde oogenblik komen verwittigen?”--„Er was geen genoegzame zekerheid; bovendien, de koningin had gezegd: Dames! wacht mij, en zij durfde de koningin niet ongehoorzaam wezen.”

„En hoe lang is zij uit de kamer afwezig geweest?”--„Drie kwartieruurs.”--„Vergezelde haar niet de een of andere harer vrouwen?”--„Alleen Donna Estefana.”--„En is zij weer teruggekomen?”--„Ja, maar om een klein, met haar naamcijfer prijkend rozenhouten kistje te halen, waarmede zij onmiddellijk zich weer verwijderd heeft.”--„En later terugkeerende, bracht zij toen het kistje mede?”--„Neen.”--„Wist mevrouw de Lannoy wat dat kistje bevatte?”--„Ja: de diamanten haken, die de koning aan de koningin ten geschenke heeft gegeven.”--„En zij is zonder dat kistje teruggekeerd?”--„Ja.”--„Mevrouw de Lannoy vermeent zeker, dat zij ze aan den hertog van Buckingham heeft gegeven.”--„Zij is er zeker van.”--„Hoedat?”--„In den loop van den dag heeft mevrouw de Lannoy, in haar hoedanigheid van bewaarster der kostbaarheden van de koningin, het kistje gezocht, veinzende over het gemis er van ongerust te zijn, zoodat zij eindelijk de koningin er naar vroeg.”--„En wat zeide de koningin?”--„De koningin werd bloedrood en antwoordde, dat aangezien den vorigen dag een harer diamanten haken gebroken was, zij die ter herstelling naar een goudsmid had doen brengen.”--„Men moet dáár aangaan en zich verzekeren, of het waar is of niet.”--„Ik ben er reeds geweest.”--„En de goudsmid?”--„Weet van niets.”--„Goed, goed, Rochefort! alles is nog niet verloren, en misschien is alles ten beste.”--„Het is waar, ik twijfel niet, dat het genie Uwer Eminentie....”--„De domheid van zijn agent herstelle, niet waar?”--„Dat was mijn meening, indien Uwe Eminentie mij niet in de rede ware gevallen.”--„Maar nu, weet gij waar de hertogin de Chevreuse en de hertog van Buckingham zich verborgen hielden?”--„Neen, Uwe Eminentie! mijn lieden hebben mij daaromtrent niets stelligs kunnen mededeelen.”--„Ik weet het.”--„Gij, Uwe Excellentie?”--„Ja, ik veronderstel ten minste het te weten. Zij bevonden zich, de eene in de straat Vaugirard, No. 25, en de andere in No. 76 der straat la Harpe.”--„Verkiest Uwe Excellentie, dat ik ze beiden in hechtenis doe nemen?”--„Het zal te laat zijn, en zij zullen wel reeds vertrokken zijn.”--„Om het even, men kan er zich van verzekeren.”--„Neem tien mijner gardes en doorzoek beide huizen.”--„Ik ga, Uwe Excellentie!”--En Rochefort spoedde zich voort.

De kardinaal, nu alleen zijnde, bleef een oogenblik in overpeinzing en schelde voor de derde maal. Dezelfde officier trad binnen.

„Laat den gevangene binnenkomen,” beval de kardinaal.

Bonacieux werd opnieuw binnengeleid, en op een wenk van den kardinaal verwijderde zich de officier.--„Gij hebt mij bedrogen,” zeide de kardinaal toornig.--„Ik!” riep Bonacieux, „ik, Uwe Eminentie bedriegen?”--„Uw vrouw, naar de straten Vaugirard en la Harpe gaande, begaf zich niet naar linnenkoopers.”--„En waarheen dan? gerechte Hemel!”--„Zij begaf zich tot de hertogin de Chevreuse en tot den hertog van Buckingham.”--„Ja,” zeide Bonacieux; „ja, het is zoo, Uwe Eminentie heeft gelijk. Ik heb dikwijls aan mijn vrouw gezegd, dat het verwonderlijk was, dat linnenkoopers in dergelijke huizen woonden, in huizen, waarvoor geen uithangbord is; maar telkens begon mijn vrouw dan te lachen. O, Uwe Excellentie!” ging de heer Bonacieux voort, zich voor de voeten van Zijne Eminentie werpende. „O, gij zijt wel de kardinaal, de groote kardinaal, de man van genie, dien de geheele wereld eert!”

De kardinaal, hoe gering de zegepraal ook was, die hij op een zoo nietig wezen als Bonacieux had behaald, was er echter niettemin door gevleid; vervolgens en bijna tegelijkertijd, alsof een nieuwe gedachte in hem was opgekomen, zweefde er een glimlach op zijn lippen, en zijn hand den winkelier reikende, zeide hij hem: „Sta op, mijn vriend! gij zijt een braaf man.”--„De kardinaal heeft mij de hand gedrukt! ik heb de hand des grooten mans gedrukt!” riep Bonacieux. „De groote man heeft mij zijn vriend genoemd!”--„Ja, mijn vriend! ja,” hernam de kardinaal op dien goedhartigen toon, welken hij vaak wist aan te nemen, en die alleen hen bedroog, die hem niet kenden; „en dewijl men u ten onrechte heeft beschuldigd, welnu, daarvoor moet gij worden schadeloos gesteld. Ziedaar, neem dien zak met tweehonderd pistolen, en vergeef mij,”--„U vergeven, Uwe Eminentie!” zeide Bonacieux, die aarzelde den zak aan te nemen, zeker vreezende, dat deze onbegrijpelijke gift slechts scherts was. „Het stond u immers wel vrij, mij te doen in hechtenis nemen, gij kondet mij immers vrijelijk doen folteren, mij doen hangen, gij zijt de meester, en ik zou geen woord te zeggen hebben gehad. U te vergeven, Uwe Eminentie! O, dat meent gij niet.”--„Wel, mijnheer Bonacieux! gij toont u zeer edelmoedig, naar ik zie; ik ben er u erkentelijk voor. Alzoo, gij neemt dien zak, en gij vertrekt, zonder van vreugde al te onvergenoegd te zijn?”--„Ik vertrek opgetogen, Uwe Excellentie!”--„Vaarwel dan, of liever tot weerziens, want ik hoop, dat wij elkander nog zullen zien.”--„Zoo dikwijls Uwe Eminentie het begeert, en ik stel mij volkomen ter beschikking Uwer Eminentie.”--„Wees gerust, dat zal menigmaal het geval zijn; want waarlijk, uw onderhoud heeft mij ten zeerste bekoord.”--„O, Uwe Eminentie!”--„Tot weerziens, mijnheer Bonacieux! tot weerziens!”