De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes
Chapter 9
Het was voor mij evenwel een vervelende dag. Phelps was na zijn lange ziekte nog zwak en zijn ongeluk maakte hem klaagziek en zenuwachtig. Vruchteloos poogde ik zijn belangstelling op te wekken voor de Afghaansche quaestie, voor de zaken in Indië, voor vraagstukken van socialen aard, voor alles, wat zijn gedachtenloop eenige afleiding kon geven. Hij kwam altijd weer terug op zijn verloren tractaat, radende naar en beschouwingen houdende over hetgeen Holmes zou verrichten, de stappen die Lord Holdhurst zou doen, de tijdingen die wij den volgenden morgen zouden vernemen. Bij het aanbreken van den avond werd zijn opgewondenheid zelfs pijnlijk.
"Stelt gij een blind vertrouwen in Holmes?" vroeg hij.
"Ik heb hem eenige merkwaardige dingen zien doen."
"Maar bracht hij ooit licht in zulk een duistere geschiedenis als deze is?"
"Jawel; ik heb hem vraagstukken zien oplossen, die nog ingewikkelder waren dan het uwe."
"Maar geene, waarbij zulke belangen op 't spel staan?"
"Dat kan ik niet zeggen. Wel weet ik met zekerheid, dat hij zijn diensten heeft verleend aan drie regeerende huizen van Europa in hoogst belangrijke aangelegenheden."
"Maar gij kent hem wel, Watson; hij is zulk een ondoorgrondelijk man, dat ik nooit geheel weet, wat ik van hem moet denken. Meent gij, dat hij veel hoop heeft? Gelooft gij, dat hij verwacht, deze zaak tot een goed einde te zullen brengen?"
"Hij heeft niets gezegd."
"Dat is een slecht teeken."
"Integendeel. Ik heb opgemerkt, dat als hij het spoor bijster is, hij dit gewoonlijk zegt. Wanneer hij daarentegen iets op het spoor is, maar nog niet geheel zeker is van zijn zaak, is hij meest stilzwijgend. En nu, mijn beste vriend, daar wij in deze aangelegenheid niets verder komen door ons zenuwachtig te maken, verzoek ik u dringend naar bed te gaan, opdat gij met frissche krachten de dingen van morgen kunt afwachten."
Het gelukte mij ten laatste mijn metgezel te overreden mijn raad op te volgen, ofschoon ik uit zijn opgewonden gedrag kon zien, dat er voor hem weinig hoop op een verkwikkenden slaap bestond. Inderdaad was zijn stemming aanstekelijk, want ik zelf lag den halven nacht te hoesten, peinzende over dat vreemde probleem en daaromtrent honderd onderstellingen opbouwende, waarvan ten slotte de een mij nog onmogelijker voorkwam dan de ander. Waarom was Holmes te Woking gebleven? Waarom had hij Miss Harrison gevraagd den geheelen dag in de ziekenkamer te willen blijven? Waarom had hij er zoo goed voor gezorgd, dat de bewoners van Briarbrae onkundig waren van zijn plan, in hun nabijheid te blijven? Ik kwelde mijn hersens, tot ik bij de pogingen, voor al deze feiten een verklaring te vinden, in diepen slaap viel.
Om zeven uur werd ik wakker. Terstond begaf ik mij naar Phelps' kamer en vond mijn reisgenoot van den vorigen dag in zeer opgewonden stemming. Zijn eerste vraag was, of Holmes reeds was aangekomen.
"Hij zal hier op den door hem bepaalden tijd wezen en geen oogenblik vroeger of later," zeide ik.
Ik sprak de waarheid, want even over acht hield een _hansom_ voor de deur stil en sprong onze vriend er uit. Voor het raam staande, zagen wij, dat hij een zwachtel om zijn linkerhand had, en dat zijn gelaat zeer barsch en bleek was. Hij trad het huis binnen en ging onmiddellijk daarna de trap op.
"Hij ziet er uit, alsof hij een nederlaag heeft geleden," riep Phelps.
Ik moest bekennen, dat hij gelijk had. "Enfin," zeide ik, "de sleutel van het geheim moet waarschijnlijk in de stad gezocht worden."
Phelps zuchtte. "Ik weet niet, hoe het komt," sprak hij, "ik verwachtte zooveel van zijn terugkomst. Maar gisteren was zijn hand toch niet verbonden. Wat zou er toch gebeurd zijn?"
"Gij zijt toch niet gewond, Holmes?" vroeg ik, toen mijn vriend de kamer binnentrad.
"Tut. 't Is niets dan een schram door mijn eigen onhandigheid," antwoordde hij, ons goeden morgen knikkende. "Uw zaak, mijnheer Phelps, is zeker een van de geheimzinnigste, die ik ooit heb nagespoord."
"Ik was bang, dat gij ze beneden u zoudt achten."
"Het is een hoogst merkwaardig onderzoek geweest."
"Dat verband getuigt van avonturen. Zoudt gij ons willen vertellen, wat er gebeurd is?"
"Na het ontbijt, mijn waarde Watson. Bedenk wel, dat ik van morgen al op 'n wandeling van dertig mijlen de Surreylucht heb ingeademd. Ik denk wel niet, dat er een antwoord op mijn cab-advertentie gekomen is? Wel, wel, men mag ook niet verwachten, altijd geluk te hebben."
De tafel was gedekt en juist toen ik wilde schellen, kwam juffrouw Hudson met de thee en koffie binnen. Een paar minuten later bracht zij drie couverts; wij schoven alle drie aan tafel, Holmes begeerig wat te eten, ik nieuwsgierig en Phelps in een stemming van doffe neerslachtigheid.
"Juffrouw Hudson is voor deze gelegenheid vroeg opgestaan," zeide Holmes, het deksel van een schotel gebraden kuikens afnemend. "Haar keuken is een beetje beperkt, maar zij weet even goed wat tot een uitstekend ontbijt behoort als een Schotsche huisvrouw. Wat hebt gij daar, Watson?"
"Ham en eieren," antwoordde ik.
"Goed! Wat wilt gij eten, mijnheer Phelps, gebraden vogel of eieren, of wilt gij u zelf bedienen?"
"Dank u, ik kan niets eten," zeide Phelps.
"Och, komaan! Zie eens, wat op dien schotel daar voor u ligt."
"Dank u, ik zou wezenlijk liever niet eten."
"Nu dan," zeide Holmes, terwijl hij Phelps ondeugend aanzag, "gij zult er dan toch niet tegen hebben, mij te helpen?"
Phelps tilde het deksel op, gaf een gil en zat daar met een gezicht even wit als de schotel, waarop hij in de grootste verbazing staarde. Op het midden van het bord lag een kleine cylinder van blauwgrijs papier. Hij nam hem op, bekeek hem van alle kanten en danste toen als een gek door de kamer, drukte den papieren cylinder tegen zijn borst en schreeuwde het uit van blijdschap. Toen liet hij zich weer in zijn armstoel vallen, zoo slap en uitgeput door zijn gemoedsbeweging, dat wij hem brandewijn in de keel moesten gieten, om te voorkomen, dat hij in zwijm viel.
[Illustratie: Phelps tilde het deksel op.]
"Wees bedaard!" zeide Holmes, hem zacht op den schouder kloppend, "het was verkeerd, u er zoo plotseling mede te verrassen; maar Watson weet, dat het dramatische iets aantrekkelijks voor mij heeft, waaraan ik nooit weerstand kan bieden."
Phelps greep zijn hand en kuste die.
"God zegene u! Gij hebt mijn eer gered!" riep hij.
"Wel, mijn eigen eer stond op het spel, bedenk dat ook," zeide Holmes. "Ik verzeker u, dat het even onaangenaam voor mij is, in een mij opgedragen onderzoek te falen, als voor u een misslag in een opdracht te begaan."
Phelps borg het kostbare document in den binnenzak van zijn jas weg.
"Ik heb den moed niet u verder in uw ontbijt te storen, en toch brand ik van verlangen, om te weten, hoe gij het in handen hebt gekregen en waar het was."
Sherlock Holmes dronk haastig een kop koffie en wijdde daarna zijn aandacht aan de ham en de eieren. Toen stond hij op, stak zijn pijp aan en ging weer in zijn stoel zitten.
"Eerst zal ik u vertellen, wat ik deed en daarna, hoe ik er toe kwam zoo te handelen," zeide hij.
"Na u aan het station verlaten te hebben, deed ik een wandeling door een mooie streek van het graafschap Surrey naar een aardig dorpje, Ripley genaamd, waar ik in een herberg een kop thee dronk en de voorzorg nam, mijn brandewijnflesch te vullen en een papier met sandwiches in mijn zak te doen. Daar bleef ik tot het avond was geworden; toen wandelde ik naar Woking terug, en juist nadat de zon was ondergegaan, bevond ik mij weer op den grooten weg tegenover Briarbrae.
"Ik wachtte, tot zich niemand meer op den weg bevond--er zijn nooit veel menschen, geloof ik--en klom toen over het hek, dat den grond der villa omgeeft."
"De poort was toch zeker open?" riep Phelps.
"Ja; maar ik heb in dergelijke zaken een bijzonderen smaak. Ik koos de plek uit, waar de drie denneboomen staan en, daarachter verscholen, klom ik over het hek, zonder de minste kans te loopen door iemand in het huis gezien te worden. Ik hurkte neer tusschen de struiken van de andere zijde en kroop van den eenen naar den anderen struik--getuige de schandelijke toestand van de knieën mijner broek--tot ik het groepje rhododendrons juist tegenover het raam van uw slaapkamer had bereikt. Daar hurkte ik neer en wachtte af, wat er verder zou gebeuren.
"In uw kamer waren de jaloezieën niet omlaag en ik zag Miss Harrison bij de tafel zitten lezen. Kwart over tien deed zij haar boek dicht, sloot de luiken en verliet de kamer. Ik hoorde haar de deur sluiten en was er zeker van, dat zij den sleutel in het slot had omgedraaid."
"Den sleutel?" riep Phelps uit.
"Ja, ik had Miss Harrison gezegd, de deur van buiten te sluiten en als zij naar bed ging, den sleutel mede te nemen. Zij hield zich letterlijk aan mijn instructiën en zeer zeker zoudt gij, had zij niet goed medegewerkt, het papier niet in uw jaszak hebben. Toen vertrok zij, de lichten gingen uit en ik bleef buiten in de duisternis nedergehurkt in het boschje rhododendrons.
"Het was een schoone nacht, toch viel mij het wachten lang. Men heeft bij zoo'n avontuur hetzelfde gevoel, dat de jager ondervindt, als hij aan den oever van een rivier op een wild zwijn ligt te wachten. Dat wachten viel mij evenwel lang, bijna even lang, Watson, als toen gij en ik in die benauwde kamer de wacht hielden in het avontuur van "de gespikkelde band". Te Woking is een klok, die de kwartieren slaat, en meer dan eens scheen het mij toe, dat die klok stilstond. Nadat mijn geduld evenwel lang op de proef was gesteld, hoorde ik te twee uur in den morgen plotseling zacht een grendel terugschuiven en het geknars van een sleutel in het sleutelgat. Een oogenblik later kwam Joseph Harrison naar buiten in den maneschijn."
"Joseph?" riep Phelps verbaasd uit.
"Hij was blootshoofds, maar droeg een zwarten schoudermantel, zoodat hij oogenblikkelijk zijn gezicht kon verbergen, zoodra hij eenig verdacht gerucht hoorde. Hij liep op zijn teenen naar de schaduw tegen den muur, en toen hij het venster had bereikt, dreef hij een mes met een lang lemmet onder het raam en stiet de knip terug. Hij schoof nu het venster omhoog, dreef zijn mes door de spleet tusschen de luiken, lichtte een bout op en stiet de luiken open.
"Van de plek, waar ik lag, had ik een uitmuntend gezicht in de kamer en op elk van zijn bewegingen. Hij stak de beide kaarsen aan, die op den schoorsteenmantel stonden, en keerde toen terug naar een hoek van de kamer nabij de deur. Hier bukte hij zich en nam een vierkant stuk plank uit den vloer, zooals men dikwijls los in den vloer laat om de loodgieters in staat te stellen, de einden van de gaspijpen aan elkaar te soldeeren. Dit stukje plank bedekte de plek, waar de pijp zich vertakt om de keuken beneden van gas te voorzien. Uit deze bergplaats haalde hij het kleine papieren cylindertje voor den dag, legde toen het stukje plank weer neer, schoof het vloerkleed terecht, blies de kaarsen uit en liep mij, die hem buiten het venster stond af te wachten, regelrecht in de armen.
[Illustratie: Joseph Harrison kwam naar buiten.]
"Wel, hij is ondeugender, dan ik mij dien mijnheer Joseph voorstelde. Hij sprong met zijn mes op mij toe, en ik moest hem twee keer aangrijpen en kreeg een snede over de knokkels, voor ik hem de baas werd. Hij wierp mij moorddadige blikken toe uit het eene oog, waarmede hij nog zien kon, toen onze strijd geëindigd was; doch hij wilde nu naar rede luisteren en gaf de papieren over. Toen ik die had, liet ik mijn man los, maar nog dezen morgen zond ik een uitvoerig telegram aan Forbes. Is deze vlug genoeg den vogel te vangen, dan is het mij goed! Maar zoo hij, wat ik wel vermoed, het nest ledig vindt, zooveel te beter voor het gouvernement. Ik geloof, dat zoowel Lord Holdhurst als mijnheer Percy Phelps het liefst hebben, dat de zaak nooit voor het gerecht komt."
"Mijn God!" hijgde onze cliënt, "is het inderdaad waar, dat gedurende de tien lange weken, waarin ik met den dood worstelde, de papieren steeds zoo nabij mij in de kamer waren?"
"Zoo was het."
"En Joseph! Is Joseph een schurk en een dief?"
"Hum! Ik geloof, dat het karakter van Joseph ondoorgrondelijker en gevaarlijker is, dan men, op zijn voorkomen afgaande, zou vermoeden. Uit hetgeen ik dezen morgen van hem gehoord heb, maak ik op, dat hij veel verloren heeft door speculeeren in effecten en dat hij in staat is tot alles, wat zijn financieele omstandigheden kan verbeteren. Daar hij een buitengewoon zelfzuchtig man is, liet hij zich zelfs niet door het geluk van zijn zuster of uw goeden naam weerhouden diefstal te plegen."
Percy Phelps zonk in zijn stoel terug. "Mijn hoofd duizelt, uw woorden hebben mij geheel verslagen," zeide hij.
"De voornaamste moeilijkheid in uw zaak," vervolgde Holmes op zijn gewone onderwijzende manier, "ligt in het feit, dat er te veel waarschijnlijks was. Wat ons dienen kon tot ontsluiering van het geheim, was weer bedekt en verborgen door andere feiten, die niets bewijzen. Uit al de feiten, die zich aan ons voordeden, zochten wij die uit, welke ons inderdaad waar voorkwamen en toen voegden wij ze in hun rangorde bijeen, om de keten van gebeurtenissen te vormen. Ik was Joseph al begonnen te verdenken, toen ik van u vernam, dat gij voornemens waart dien avond in zijn gezelschap naar huis terug te keeren, het voor waarschijnlijk houdende, dat hij daarom alleen met u die terugreis maakte, wijl hij wel wist, dat het ministerie van buitenlandsche zaken dan op zijn weg lag. Toen ik vernam, dat iemand de slaapkamer had getracht binnen te dringen, waarin niemand anders dan Joseph iets had kunnen verbergen--gij deeldet ons bij uw verhaal mede, hoe Joseph u die kamer moest inruimen, toen gij met den dokter aankwaamt--werd mijn vermoeden zekerheid, daar de poging tot inbraak geschiedde in den eersten nacht, dat de verpleegster afwezig was, wat mij bewees, dat de inbreker wel op de hoogte was van het doen en laten in het huis."
"Hoe blind ben ik toch geweest."
"Het geval heeft zich, voor zoover ik mij overtuigen kon, volgenderwijs toegedragen:
"Joseph Harrison kwam het bureau binnen door de deur aan de Charles-Street en daarbij den weg goed kennend, liep hij regelrecht naar uw kamer, onmiddellijk nadat gij die hadt verlaten. Daar niemand vindende, trok hij terstond aan de schel, op hetzelfde oogenblik kreeg hij het op tafel liggende papier in het oog. Een enkele blik overtuigde hem, dat het toeval hem daar een staatsstuk van onschatbare waarde in handen speelde, en zonder zich verder te bedenken, stak hij het bij zich en vertrok. Zooals gij u zult herinneren, verliepen er een paar minuten aleer de slaperige portier uw aandacht op de schel vestigde en in dezen tijd kon de dief zich uit de voeten maken.
"Hij reisde met den eersten trein naar Woking en na het gestolen document met aandacht doorgelezen te hebben, waarbij hij inderdaad zag, dat het ontzaglijk veel waard was, verborg hij het op een veilige plaats met het voornemen, het binnen een of twee dagen weer te voorschijn te halen en naar het Fransche gezantschap te brengen, of ergens anders, waar hij kon veronderstellen er een flinken prijs voor te erlangen. Toen kwaamt gij plotseling te huis. Zonder vooraf gewaarschuwd te zijn, moest hij u zijn kamer afstaan en sedert waren er altijd twee of drie personen in de kamer aanwezig, wat hem belette zijn schat weer in handen te krijgen. Zijn toestand was inderdaad hoogst onaangenaam. Maar eindelijk dacht hij zijn kans schoon te zien. Hij probeerde naar binnen te sluipen, doch zijn plan werd door uw waakzaamheid verijdeld. Gij zult u herinneren, dat gij dien avond uw gewonen drank niet naamt en dat Harrison geheel en al er op vertrouwde, dat gij buiten bewustzijn zoudt wezen. Ik rekende er natuurlijk op, dat hij zijn poging zou herhalen, zoodra hij maar dacht, dat het veilig kon geschieden. Doordien gij de kamer verliet, kreeg hij de gelegenheid, waarop hij wachtte. Ik zorgde er voor, dat Miss Harrison den ganschen dag in de kamer bleef, zoodat hij ons niet voor kon zijn. En terwijl ik hem nu in den waan bracht, dat het veilig op de kust was, hield ik de wacht, zooals ik u zooeven heb verteld. Ik wist reeds, dat de papieren waarschijnlijk in de kamer waren, maar ik verlangde er volstrekt niet naar den geheelen vloer en de paneelen op te breken om ze te zoeken. Daarom liet ik ze hem zelf uit het verborgen hoekje nemen en bespaarde mij zoo ontzaglijke moeite. Is er nog iets op te helderen?"
[Illustratie: Is er nog iets op te helderen?]
"Waarom trachtte hij den eersten keer door het venster in te breken, terwijl hij door de deur binnen kon komen?" vroeg ik.
"Om bij de deur te komen moest hij zeven slaapkamers voorbij. Bovendien kon hij gemakkelijk weer door het venster op het grasperk komen. Is er nog iets?"
"Denkt gij niet," vroeg Phelps, "dat hij van plan was mij te vermoorden? Hij wilde zeker zijn mes alleen als gereedschap gebruiken."
"Dat kan wel zoo wezen," antwoordde Holmes, zijn schouders ophalende. "Dit alleen kan ik u met zekerheid zeggen, dat Joseph Harrison een persoon is, aan wiens genade ik niet gaarne zou willen zijn overgeleverd."
V.
De dood van Sherlock Holmes.
Met een zwaar hart neem ik de pen op om deze laatste woorden, waarin ik de wonderbaarlijke geestesgaven boekstaaf, waardoor zich mijn vriend Sherlock Holmes onderscheidde, neder te schrijven. Onsamenhangend en, zooals ik maar al te wel gevoel, zeer onvolkomen heb ik een verhaal gegeven van mijn vreemde ervaringen in zijn gezelschap--van het toeval af, dat ons voor de eerste maal[A] samenbracht tot den tijd, toen hij in de geschiedenis van het Scheepvaart-verdrag zijn tusschenkomst verleende, een tusschenkomst, waardoor hij een reeks internationale verwikkelingen voorkwam. Het lag aanvankelijk in mijn plan, daarmede mijn "gedenkschriften" van Sherlock Holmes te besluiten en niets te zeggen van de gebeurtenis, die een leegte in mijn leven heeft gebracht, welke na een tijdsverloop van twee jaren nog niet is aangevuld. De brieven, waardoor korten tijd geleden kolonel James Moriarty de nagedachtenis van zijn broer van blaam trachtte te zuiveren, noodzaken mij evenwel tot schrijven en mij blijft geen andere keus, dan de feiten nauwkeurig aan het publiek mede te deelen. Ik alleen ken de ware toedracht der zaak en het verheugt mij, dat de tijd gekomen is, dat het tot niets meer dient, de waarheid te verzwijgen. Zoover ik weet, zijn er slechts drie verhalen, op de geschiedenis betrekking hebbende, in de pers verschenen, dat in het _Journal de Genève_ op den 6en Mei 1891, een dépêche van Reuter in de Engelsche kranten op 7 Mei en ten slotte de onlangs verschenen brieven, waarop ik zooeven zinspeelde. De eerste en de tweede hiervan waren zeer beknopt, terwijl in den laatsten, zooals ik zal aantoonen, de feiten geheel verkeerd zijn voorgesteld. Op mij rust thans de plicht, voor de eerste maal te vertellen, wat er werkelijk plaats vond tusschen professor Moriarty en Sherlock Holmes.
[Footnote A: Zie "Een Godsgericht".]
Ik moet hier even in herinnering brengen, dat na mijn huwelijk en mijn daarop gevolgde werkzaamheid als geneesheer, in de nauwe betrekking, waarin ik tot Holmes stond, wel eenige wijziging kwam. Van tijd tot tijd kwam hij nog wel bij mij, als hij een metgezel in zijn nasporingen zocht, maar zulks werd toch hoe langer hoe zeldzamer, zoodat ik b.v. in 1890 van slechts drie gevallen aanteekeningen bezit. In den winter van dit jaar en de vroege lente van 1891 zag ik in de bladen, dat Holmes voor een hoogst gewichtige aangelegenheid in dienst van de Fransche regeering werkzaam was, en ik ontving twee brieven van Holmes, een uit Narbonne en een uit Nimes, waaruit ik opmaakte, dat zijn verblijf in Frankrijk waarschijnlijk van langen duur zou zijn. Ik was dus wel verrast, toen ik hem in den avond van den 24sten April mijn spreekkamer zag binnentreden en het trof mij, dat hij er nog bleeker en schraler uitzag dan anders.
"Ja, ik heb wel wat veel van mijn krachten gevergd," zeide hij, meer in antwoord op mijn blik dan op mijn woorden. "Men vervolgt mij den laatsten tijd een weinig. Hebt gij er iets tegen, dat ik uw luiken sluit?"
De kamer werd alleen verlicht door de lamp op de tafel, waarbij ik had zitten lezen. Holmes liep langs de wanden der kamer naar de vensters, sloeg de luiken dicht en sloot ze stevig.
"Zijt gij ergens bang voor?" vroeg ik.
"Ja, dat ben ik."
"Waarvoor vreest ge?"
"Voor windroeren."
"Mijn waarde vriend Holmes, wat bedoelt ge?"
"Ik geloof, dat gij mij goed genoeg kent, Watson, om te weten, dat ik volstrekt geen zenuwachtig man ben. Het is intusschen meer een blijk van domheid dan van moed, niet te willen erkennen, dat een dreigend gevaar naakt. Mag ik u om een lucifer verzoeken?" Hij zoog den rook van zijn cigarette op, en de kalmeerende invloed daarvan scheen hem weldadig aan te doen.
"Ik moet u verschooning vragen, dat ik zoo laat bij u kom, en ik moet u verder verzoeken u zoo weinig aan de vormen te storen, dat gij mij toestaat uw huis te verlaten, door over den achtermuur van uw tuin te klauteren."
"Maar wat heeft dit toch alles te beteekenen?" vroeg ik.
Hij strekte zijn hand uit, en nu zag ik bij het licht der lamp, dat twee van zijn knokkels gewond waren en bloedden.
"Het is geen luchtig zaakje, zooals gij ziet," zeide hij glimlachend. "Integendeel, ze is stevig genoeg, om er zijn hand tegen stuk te slaan. Is mevrouw Watson te huis?"
"Zij is op bezoek."
"Inderdaad. Zijt gij alleen?"
"Geheel en al."
"Dat maakt het mij gemakkelijker, om u voor te stellen mij een week op het vasteland te vergezellen."
"Waar zullen we heen gaan?"
"O, hier of daar. Het is mij onverschillig."
Deze voorslag kwam mij zeer vreemd voor. Het lag niet in Holmes' aard, zonder doel zijn bezigheden er aan te geven en aan zijn bleek, afgemat gelaat kon ik zien, dat zijn zenuwen in de hoogste mate overprikkeld waren. Hij las in mijn oogen, wat ik hem wilde vragen en zijn vingertoppen tegen elkaar drukkende en zijn ellebogen op zijn knieën zettende, deelde hij mij mede, in welken toestand hij zich bevond.
"Gij hebt waarschijnlijk nooit van professor Moriarty gehoord?" zeide hij.
"Nooit."
[Illustratie: Twee van zijn knokkels waren gewond en bloedden.]
"Hé, dat is juist het wonderlijkste van de geschiedenis!" riep hij. "De man beheerscht Londen en niemand kent hem. Dat is het, wat hem in de kronieken der misdaad bovenaan plaatst. In allen ernst kan ik u zeggen, Watson, dat zoo ik dien man kon slaan, indien ik de maatschappij van hem kon verlossen, ik het hoogste punt in mijn loopbaan zou hebben bereikt en ik bereid zou wezen, een rustiger, vreedzamer leven te beginnen. Onder ons gezegd, door de laatste misdaden, waarin ik mijn hulp verleend heb aan de koninklijke familie van Scandinavië en aan de Fransche republiek, is mijn positie van dien aard geworden, dat ik verder rustig voort kan leven, wat ook het meest met mijn aard overeenkomt en mij geheel aan mijn scheikundige studiën zou kunnen wijden. Maar ik zou niet kunnen rusten, Watson, ik zou niet bedaard op mijn stoel kunnen blijven zitten bij de gedachte, dat zulk een man als professor Moriarty ongehinderd door Londens straten wandelt."
"Wat heeft die man dan gedaan?"