De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes
Chapter 8
"Wel, wij hebben er verscheidene, maar alleen door een verder onderzoek kunnen we nagaan, of ze eenige waarde hebben. Geen misdaad is moeilijker op 't spoor te komen dan die, van welke men het doel niet weet. Wie is in dit geval de persoon, die van den diefstal voordeel kan hebben? De Fransche gezant, de Russische gezant, iedereen, die het tractaat aan een van beiden zou kunnen verkoopen; en dan Lord Holdhurst."
"Lord Holdhurst!"
"Het is te begrijpen, dat een staatsman in omstandigheden kan komen, waarin hij er volstrekt niet rouwig om zou wezen, als zulk een document bij toeval was zoekgeraakt."
"Geen staatsman met een eervolle loopbaan als Lord Holdhurst."
"Het geval blijft altijd denkbaar, en wij mogen het niet over het hoofd zien. Wij zullen vandaag den edelen Lord een bezoek brengen en zien, of hij ons iets kan vertellen. Middelerwijl ben ik reeds met mijn nasporingen begonnen."
"Nu reeds?"
"Ja, ik heb in het station te Woking aan alle avondbladen in Londen een telegram gezonden. In al deze bladen zal de volgende bekendmaking voorkomen."
Hij reikte mij een uit een zakboek gescheurd blad papier over, waarop met potlood het volgende was geschreven:
"Tien pond sterling belooning voor dengene, die het nommer kan zeggen van het rijtuig, dat op den avond van den 23en Mei om kwart voor tien vóór of ongeveer bij de deur van het ministerie van buitenlandsche zaken iemand uitliet. Adres 221B Baker-Street."
"Gij rekent er dus op, dat de dief in een cab gekomen is?"
"Zoo niet dan kan deze bekendmaking nog geen kwaad. Indien Mr. Phelps' verklaring, dat er noch in de kamer, noch in de corridors een plaats is, waar iemand zich kan verschuilen, waarheid behelst, dan moet de dief van buiten zijn gekomen. Als hij op zulk een regenachtigen avond van buiten kwam en toch geen spoor van modder op het linoleum achterliet, dan is het zeer waarschijnlijk, dat hij in een rijtuig kwam. Ja, ik geloof, dat wij gerust mogen aannemen, dat hij in een huurrijtuig is gekomen."
"Het klinkt waarschijnlijk."
"Dat is een van de draden, waarover ik sprak. Misschien leidt hij ons tot iets. En dan natuurlijk hebben wij nog het gebeurde met de schel, het meest eigenaardige van het geval. Waarom zou er aan de schel getrokken wezen? Zou de dief het uit louter vermetelheid gedaan hebben? Of deed het iemand, die bij den dief was, ten einde de misdaad te beletten? Of was het--?" Hij verzonk opnieuw in diep gepeins, doch mij, die met elk zijner eigenaardigheden bekend was, scheen het toe, dat hem plotseling iets anders in de gedachte was gekomen.
Om twintig minuten over drie stapten wij uit den trein en na haastig geluncht te hebben, vertrokken wij onmiddellijk naar Scotland Yard. Holmes had reeds aan Forbes een telegram gezonden en bij onze aankomst vonden wij dezen op ons wachten. Forbes was een kleine, schrandere man, met een scherp geteekend, maar eenigszins vriendelijk gelaat. In zijn houding tegenover ons was hij beslist koel, vooral toen hij de reden van onze komst vernam.
"Ik heb al vroeger van uw methodes gehoord, mijnheer Holmes," zeide hij scherp. "Gij zijt handig genoeg, om van al de gegevens, die de politie te uwer beschikking stelt, gebruik te maken en dan tracht gij de zaak tot een goed einde en de politie in discrediet te brengen."
[Illustratie: "Ik heb al vroeger van uw methodes gehoord, mijnheer Holmes."]
"Integendeel," zeide Holmes. "Onder de laatste drie en vijftig gevallen, waarin ik een onderzoek heb ingesteld, komen er slechts vier voor, waarin mijn naam genoemd wordt; van de negen en veertig andere heeft de politie de eer. Ik neem het u niet kwalijk, dat gij dit niet weet, want gij zijt nog jong en onervaren; maar indien gij in uw nieuwe betrekking wenscht vooruit te komen, moet gij mij niet tegen- maar in de hand werken."
"Ik zou gaarne een paar wenken ontvangen," zeide de detective, van toon veranderende.
"Welke stappen hebt gij gedaan?"
"Tangey, de portier, is bespied geworden. Wij kunnen niets vinden, dat tegen hem getuigt. Zijn vrouw is evenwel een slecht perceel. Ik geloof, dat zij meer van de zaak weet, dan zij laat blijken."
"Hebt gij haar laten bespieden?"
"Wij hebben een van onze vrouwelijke beambten opgedragen op haar toe te zien; Mrs. Tangey drinkt en onze beambte is tweemaal bij haar geweest, toen zij goed dronken was, maar zij kon niets uit haar krijgen."
"Ik heb gehoord, dat de deurwaarders bij hen zijn geweest."
"Ja, maar die hebben betaling ontvangen."
"Waar kwam het geld vandaan?"
"Dat was in orde. Hij had zijn pensioen ontvangen. Zij hebben niet het minste bewijs gegeven, ruim bij kas te zijn."
"Welke verklaring heeft zij gegeven voor het feit, dat zij antwoord gaf, toen mijnheer Phelps om koffie schelde?"
"Zij zeide, dat haar man zeer vermoeid was en zij hem een beetje wenschte te helpen."
"Dat stemt overeen met het feit, dat hij een oogenblik later in zijn stoel zat te slapen. Er is dus niets, dat tegen hem getuigt, behalve het gedrag van de vrouw. Hebt gij haar gevraagd, waarom zij dien avond zoo haastig wegliep? Haar haast trok de aandacht van den politieagent."
"Zij was later dan gewoonlijk en wilde graag naar huis."
"Hebt gij er haar op gewezen, dat gij en de heer Phelps, die ten minste twintig minuten na haar vertrokken, nog voor haar thuis kwamen?"
"Zij verklaart dat uit het verschil in snelheid tusschen een omnibus en een rijtuig."
"Heeft zij opgehelderd, waarom zij bij haar thuiskomst onmiddellijk naar de keuken liep?"
"Zij zeide, omdat zij daar het geld had, waarmede zij de deurwaarders wilde betalen."
"Zij heeft ten minste, zie ik, een antwoord voor alles. Hebt gij haar gevraagd, of zij bij het naar huis gaan iemand ontmoette of nabij Charles-Street zag slenteren?"
"Zij zag niemand behalve den politieagent."
"Wel, gij schijnt haar goed ondervraagd te hebben. Wat hebt gij nog meer gedaan?"
"Ik heb den klerk Gorot de laatste negen weken laten bespieden, maar zonder eenig resultaat. Wij hebben geen enkel vermoeden tegen hem."
"Nog iets anders?"
"Wij hebben niets meer, dat ons tot uitgangspunt kan dienen; geenerlei bewijs."
"Hebt gij u eenig oordeel gevormd aangaande de oorzaak van het luiden der schel?"
"Ik moet bekennen, dat het ook mijn aandacht getrokken heeft. Het moet een vermetel persoon geweest zijn, die brutaal genoeg was bij het heengaan zulk een alarm te maken."
"Ja, het was wonderlijk. Mijn vriendelijken dank voor hetgeen gij mij verteld hebt. Als ik u den schuldige kan overleveren, zult gij wel van mij hooren. Komaan, Watson!"
"Waar gaan wij nu heen?" vroeg ik, toen wij het bureau verlieten.
"Nu gaan wij Lord Holdhurst, minister van buitenlandsche zaken en toekomstig eerste minister van Engeland interviewen."
Wij waren zoo gelukkig Lord Holdhurst nog in Downing-Street thuis te vinden; nadat wij onze kaartjes hadden afgegeven, werden wij dadelijk bij hem toegelaten. De staatsman ontving ons met deftige beleefdheid, waarvoor hij bekend is, en wees ons elk een crapaud aan ter weerszijden van den haard. Op het haardkleedje tusschen ons staande, scheen hij met zijn lange, tengere gestalte, zijn krullend, vroeg grijzend haar, de type van een niet alledaagsch gentleman; een edelman, die in waarheid edel is.
"Uw naam is mij zeer bekend, mijnheer Holmes," zeide hij glimlachend, "en natuurlijk kan ik aangaande het doel van uw bezoek geen onwetendheid voorwenden. Er is in de bureaux slechts één zaak gebeurd, die op uw belangstelling aanspraak maakt. Mag ik u vragen in wiens belang gij optreedt?"
[Illustratie: Een edelman, die in waarheid edel is.]
"In dat van den heer Percy Phelps," antwoordde Holmes.
"Ha, mijn ongelukkige neef! Ge begrijpt, dat onze bloedverwantschap het mij onmogelijk maakt, hem op eenigerlei wijze te beschermen. Ik vrees, dat het gebeurde zeer nadeelige gevolgen voor zijn toekomst zal hebben."
"Maar als het document gevonden wordt?"
"Dat zou de zaak natuurlijk veranderen."
"Ik zou u gaarne een paar vragen doen, Lord Holdhurst."
"Zeer gaarne zal ik u alle mogelijke inlichtingen geven."
"Droeg u hem in deze kamer op, het staatsstuk af te schrijven?"
"Zoo was het."
"Dan kunt ge moeilijk beluisterd zijn."
"Dat is geheel onmogelijk."
"Hebt u er nooit over gesproken, dat het uw plan was, het document te laten afschrijven?"
"Nooit."
"Weet u dat zeker?"
"Volkomen zeker."
"Wel, indien u daar nooit over gesproken hebt en de heer Phelps evenmin en niemand anders iets van de zaak wist, dan was de dief slechts toevallig in het vertrek aanwezig, en zijn kans ziende nam hij die gelegenheid waar."
De staatsman glimlachte. "Gij toont u hier een echte diplomaat," zeide hij.
Holmes dacht een oogenblik na. "Er is nog een ander belangrijk punt, waarover ik u wensch te spreken," zeide hij. "Als ik goed heb verstaan, was u bevreesd, dat het bekend worden van de bijzonderheden van het verdrag ernstige gevolgen zou hebben."
Er vertoonde zich een trek van misnoegen op het gelaat van den staatsman. "Zeer ernstige gevolgen inderdaad."
"En zijn ze reeds gekomen?"
"Nog niet."
"Als het verdrag b.v. bij het Fransche of Russische ministerie van buitenlandsche zaken bekend was geworden, zoudt u daar dan niets van hooren?"
"Dat zou ik zeker," zei Lord Holdhurst wrevelig.
"Er zijn nu bijna tien weken verloopen en u hebt er niets van gehoord; wij mogen derhalve aannemen, dat door de een of andere omstandigheid het tractaat hun niet in handen is gekomen."
Lord Holdhurst haalde de schouders op.
"Wij kunnen zeer moeilijk onderstellen, mijnheer Holmes, dat de dief het tractaat heeft weggenomen, om het in een lijstje te zetten en op te hangen."
"Misschien wacht hij, tot hij er een beteren prijs voor kan bedingen."
"Als hij nog eenigen tijd wacht, zal hij er in 't geheel niets voor krijgen. Binnen weinige maanden zal het verdrag geen geheim meer zijn."
"Dat is van zeer veel belang," zeide Holmes. "Het is natuurlijk mogelijk, dat de dief plotseling ziek is geworden--"
"Dat hij b.v. een aanval van hersenziekte heeft gekregen," zeide de staatsman, Holmes een veelbeteekenenden blik toewerpende.
"Dat zei ik niet," zeide Holmes onverstoorbaar kalm. "En nu, Lord Holdhurst, wij hebben reeds te veel van uw kostbaren tijd in beslag genomen en wenschen u goeden dag."
"Veel geluk met uw nasporingen, om 't even wie de misdadiger zij," antwoordde de edelman, ons naar de deur geleidende.
"Het is een deftig heer," zeide Holmes, toen wij in Whitehall kwamen, "maar hij heeft moeite zijn stand op te houden. Hij is verre van rijk en heeft vele uitgaven te bestrijden. Gij hebt natuurlijk ook opgemerkt, dat zijn laarzen opnieuw gezoold zijn geworden. Nu wil ik u niet langer van uw beroepsbezigheden afhouden, Watson. Vandaag zal ik niets meer doen, eer ik antwoord heb op mijn advertentie. Maar gij zoudt mij zeer veel genoegen doen, als gij morgen met mij naar Woking zoudt willen gaan, met denzelfden trein als vandaag."
Overeenkomstig onze afspraak kwamen wij den volgenden morgen weer bij elkaar en samen reisden wij naar Woking. Holmes had geen antwoord op zijn advertentie gekregen en de zaak was hem nog even duister als te voren. Als hij wilde, kon hij wat er in hem omging volkomen verbergen, en aan zijn uiterlijk kon ik dan ook volstrekt niet bemerken, of hij al dan niet tevreden was over den stand van zaken.
Onze cliënt werd bij onze komst nog steeds door zijn trouwe verpleegster verzorgd, maar hij zag er nu toch veel beter uit dan den vorigen dag. Hij stond van zijn sofa op en groette ons, toen wij binnenkwamen, zonder dat dit hem moeite kostte.
[Illustratie: "Wat nieuws?" vroeg hij.]
"Wat nieuws?" vroeg hij, begeerig iets te vernemen.
"Mijn antwoord moet, zooals ik verwachtte, ontkennend luiden," zeide Holmes. "Ik heb Forbes gesproken, en ik heb uw oom gesproken en ik heb een paar maatregelen genomen, die mogelijk tot iets kunnen leiden."
"Gij geeft dus den moed nog niet verloren?"
"In geenen deele."
"God zegene u voor dit antwoord!" riep Miss Harrison. "Als wij moed houden en geduld hebben, moet de waarheid aan 't licht komen."
"Wij hebben u meer te vertellen dan gij ons," zei Phelps, weer op de sofa plaats nemende.
"Ik had hoop, dat gij iets zoudt hebben mede te deelen."
"Ja, er is van nacht iets gebeurd, dat wel eens van zeer ernstigen aard kon blijken te zijn." Bij deze woorden nam zijn gelaat een sombere uitdrukking aan en was in zijn oogen angst te lezen. "Zoudt gij wel denken, dat ik begin te gelooven, dat ik het middelpunt ben van een monsterachtige samenzwering en dat men het zoowel op mijn leven als op mijn eer gemunt heeft?"
"Ha!" riep Holmes.
"Het klinkt ongelooflijk, want zoover ik weet, heb ik geen enkelen vijand in de wereld. Zelfs na de ervaring van den afgeloopen nacht kan ik niet anders zeggen."
"Vertel mij alles, als ik het u verzoeken mag."
"Gij moet weten, dat ik in den afgeloopen nacht sedert het begin van mijn ziekte voor de eerste maal sliep, zonder dat er een verpleegster in de kamer was. Ik gevoelde mij zooveel beter, dat ik dacht haar nu wel te kunnen missen. Op de tafel brandde evenwel een nachtlamp. Te ongeveer twee uur in den morgen, terwijl ik sluimerde, werd ik door een licht geraas gewekt. Het was als het geluid van een muis, die aan een plank knaagt en ik luisterde er eenigen tijd naar, in de meening verkeerende, dat het inderdaad iets dergelijks moest zijn.
"Toen werd het geluid duidelijker. Plotseling hoorde ik van den kant van het raam een scherpen metaalklank. Verwonderd ging ik in mijn bed overeind zitten; er bleef geen twijfel meer aangaande de oorzaak van 't geraas. Het flauwe geluid was veroorzaakt, doordien iemand een werktuig door de spleet tusschen het raam en het kozijn dreef en het hardere knarsen door het met geweld achteruitspringen van de venstersluiting.
"Toen vernam ik niets meer gedurende een tien minuten, alsof de inbreker wilde wachten, of ik ook wakker was geworden. Daarna vernam ik een zacht gekraak, alsof het venster langzaam werd geopend. Ik kon mij niet langer stilhouden, want mijn zenuwen zijn niet meer, wat zij vroeger waren. Ik sprong uit mijn bed en trok het luik open. Er kroop een man onder het raam. Ik zag weinig van hem, want hij verdween snel. Hij was in een soort mantel gehuld, die het benedenste deel van zijn gezicht bedekte. Van één ding ben ik evenwel zeker; daarvan namelijk, dat hij een wapen in de hand hield. Het leek mij een lang mes te zijn. Ik zag het duidelijk glinsteren, toen hij zich omkeerde en wegliep.
"Ik zou hem, als ik sterker was geweest, door het open venster gevolgd hebben. Nu evenwel trok ik aan de schel om mijn huisgenooten te wekken. Het duurde nog al eenigen tijd, want de schel hangt in de keuken en de bedienden slapen allen boven. Nu begon ik evenwel luid te schreeuwen en daarop kwam Joseph naar beneden en die riep de anderen wakker. Joseph en de stalknecht vonden indrukken van voetstappen op het bloembed voor het raam, maar het weer was de laatste dagen zoo droog geweest, dat het een hopeloos werk was, het spoor over het gras te volgen. Er is evenwel een plaats op het houten hek aan den weg, waaraan, naar sommigen zeggen, zou te zien wezen, dat er iemand is overgeklommen; het bovenste deel van het hek moet daar beschadigd zijn. Ik heb er de politie van Woking nog geen kennis van gegeven, want ik wilde eerst uw meening weten."
Dit verhaal van onzen cliënt scheen een buitengewonen indruk op Holmes te maken. Hij stond van zijn stoel op en liep in opgewonden stemming door de kamer.
"Ongelukken komen nooit alleen," zeide Phelps glimlachend, ofschoon het duidelijk aan hem was te zien, dat het voorval hem eenigszins geschokt had.
"Gij hebt zeker uw portie gehad," zeide Holmes. "Denkt gij met mij om het huis te kunnen wandelen?"
"O ja, ik zou wel van een beetje zonneschijn houden, Joseph zal ook komen."
"En ik," zeide Miss Harrison, terwijl zij reeds opstond.
"Ik vrees van niet," zeide Holmes, hoofdschuddend. "Ik moet u verzoeken te blijven zitten, precies waar gij nu zit."
De jonge dame ging zichtbaar misnoegd weer zitten. Haar broeder evenwel voegde zich bij ons en met ons vieren gingen wij naar buiten. Wij liepen om het grasperk onder het raam der kamer van den jongen ambtenaar. Zooals hij had gezegd, waren op het bloembed voetsporen zichtbaar, maar zij waren voor een deel uitgewischt en zeer onduidelijk geworden, Holmes bukte zich, om ze een oogenblik goed te bezien, stond toen overeind en haalde zijn schouders op.
"Ik geloof niet, dat iemand hier veel van zou kunnen maken. Laten wij om het huis loopen en zien, waarom de inbreker juist deze kamer heeft uitgekozen. Ik zou denken, dat die lage vensters van de ontvangkamer en eetzaal hem meer moesten hebben aangetrokken."
"Die zijn van den weg af beter zichtbaar," zeide Joseph Harrison.
"O ja, natuurlijk. Hier is een deur, die hij zou kunnen hebben opengebroken. Waarvoor dient die deur?"
"Het is de zijdeur voor de dienstboden. Het spreekt vanzelf, dat zij bij nacht op slot is."
"Hebt gij vroeger ook wel eens zoo'n gerucht gehoord?"
"Nooit," zeide onze cliënt.
"Hebt gij zilverwerk in huis of iets anders, dat de dieven aantrekt?"
"Niets van waarde."
Holmes wandelde rondom het huis met zijn handen in de zakken en een onverschillig voorkomen, zooals men niet van hem gewoon was.
"A propos," zeide hij tot Joseph Harrison, "gij hebt, geloof ik, een plek gevonden, waar de kerel over het hek is geklommen. Laten wij daar eens naar kijken."
De forsche jonge man leidde ons naar een plaats, waar de bovenkant van het hek was stuk gebroken, een klein stuk hout hing naar beneden. Holmes scheurde het los en bekeek het nauwkeurig.
"Denkt gij, dat dit in den afgeloopen nacht gebeurd is? Het schijnt al tamelijk lang geleden, dat dit stuk hout er afgebroken is, vindt ge ook niet?"
[Illustratie: Holmes bekeek het nauwkeurig.]
"Het is wel mogelijk."
"Aan de andere zijde is niet te zien, dat er iemand naar beneden is geklommen. Neen, ik geloof, dat wij hier niets wijzer zullen worden. Laten wij naar de slaapkamer gaan en over de zaak spreken."
Percy Phelps liep zeer langzaam, leunende op den arm van zijn toekomstigen schoonbroer. Holmes liep vlug over het grasperk, wij beiden waren lang voor de anderen aan het open venster van de slaapkamer.
"Miss Harrison," zeide Holmes op uiterst beslisten toon, "gij moet vandaag blijven, waar gij op dit oogenblik zijt. Laat niets u daarvan terughouden. Het is van het hoogste belang."
"Zeker, als gij het wenscht, mijnheer Holmes," zeide het meisje verbaasd.
"Als gij naar bed gaat, moet gij de deur van deze kamer aan de buitenzijde sluiten en den sleutel bewaren."
"Maar Percy?"
"Hij zal met ons naar Londen gaan."
"En moet ik hier blijven?"
"Het is in zijn belang. Gij kunt hem van dienst zijn. Spoedig. Beloof het!"
Zij knikte toestemmend, juist toen de beide anderen binnenkwamen.
"Waarom blijft gij daar zitten suffen, Annie?" riep haar broer. "Kom naar buiten in den zonneschijn."
"Neen, dank je, Joseph. Ik heb een beetje hoofdpijn en in deze kamer is het heerlijk koel en stil."
"Wat zijt ge nu voornemens te doen, mijnheer Holmes?" vroeg onze cliënt.
"Wel, door onze nasporingen betreffende deze minder beteekenende zaak mogen wij ons gewichtiger onderzoek niet uit het oog verliezen. Het zou mij van grooten dienst zijn, als gij met ons naar Londen wildet gaan."
"Nu dadelijk?"
"Zoo spoedig, als gij met schik kunt gaan. Zeg b.v. over een uur."
"Ik gevoel mij al sterk genoeg; indien ik inderdaad van eenig nut kan wezen...."
"Van het grootst mogelijk nut."
"Misschien wenscht gij wel, dat ik daar van nacht blijf."
"Ik was juist van plan, het u voor te stellen."
"Als dan mijn vriend van heden nacht terugkomt, om opnieuw een bezoek te brengen, vindt hij den vogel gevlogen. Ons aller lot is in uw handen, mijnheer Holmes, en gij moet ons maar precies zeggen, wat gij wenscht, dat wij zullen doen. Mogelijk verkiest gij wel, dat ook Joseph met ons gaat, om bijvoorbeeld op mij te passen."
"O, dat is niet noodig. Mijn vriend Watson is, zooals gij weet, geneesheer en die zal wel zorg voor u dragen. Wij zullen, als gij er niets tegen hebt, hier onze lunch gebruiken en dan zullen wij om drie uur gezamenlijk naar de stad vertrekken."
Zijn voorstel werd goedgevonden, en Miss Harrison vroeg excuus, dat zij de slaapkamer niet verliet, zooals Holmes haar had aangeraden. Wat mijn vriend bedoelde, begreep ik niet, tenzij het in zijn plan mocht liggen, Miss Harrison verwijderd te houden van Phelps, die verheugd over den terugkeer van zijn gezondheid en over het vooruitzicht, dat er iets gedaan zou worden, met ons in de eetzaal de lunch gebruikte.
Holmes bereidde ons intusschen nog grooter verrassing, want toen hij ons naar het station had vergezeld en in een wagon zag zitten, zeide hij kalm, dat hij niet voornemens was Woking te verlaten.
"Voor ik u verlaat, zou ik u gaarne een paar punten willen ophelderen," zeide hij. "Uw afwezigheid, mijnheer Phelps, zal mij in sommige opzichten eenigszins helpen. Als gij te Londen aankomt, Watson, zoudt gij mij verplichten terstond met onzen vriend naar Baker-Street te rijden en daar met hem te blijven, tot ik terugkom. Het treft gelukkig, dat gij oude schoolkameraads zijt, zoodat gij elkaar wel veel te vertellen zult hebben. Mijnheer Phelps kan van nacht de logeerkamer krijgen; ik zal bijtijds voor het ontbijt bij u wezen, want er rijdt een trein, waarmede ik tegen acht uur aan 't Waterloo-station kan zijn."
"Maar wat wordt er nu van ons onderzoek te Londen?" vroeg Phelps neerslachtig.
"Daarmede kunnen wij ons morgen bezighouden. Ik geloof, dat ik juist nu hier van meer onmiddellijk nut kan zijn."
"Gij kunt op Briarbrae zeggen, dat ik morgen avond hoop terug te zijn," riep Phelps, toen de trein zich in beweging zette.
[Illustratie: Ik denk niet naar Briarbrae terug te gaan.]
"Ik denk niet naar Briarbrae terug te gaan," antwoordde Holmes, ons een vriendelijk vaarwel toewuivende, toen wij van uit 't station vertrokken.
Phelps en ik praatten op onze reis over 't geval, maar geen van ons kon een voldoende reden voor Holmes' nieuwe handelwijze vinden.
"Ik onderstel, dat hij eenigen draad wenscht te vinden, die hem den inbreker van gisteren nacht kan doen ontdekken, als er althans een inbreker was," zei Phelps. "Wat mij aangaat, ik geloof niet, dat het een gewone dief was."
"Hoe denkt gij er dan over?" vroeg ik.
"Op mijn woord van eer, gij moogt het aan mijn zwakke zenuwen wijten of niet, maar ik geloof, dat er rondom mij een politieke intrige wordt afgesponnen, en dat om een of andere reden, die ik thans niet inzie, de samenzweerders het op mijn leven gemunt hebben. Dit klinkt wel hoogdravend en ongerijmd, maar let op de feiten! Waarom zou een dief trachten in te breken door het venster van een slaapkamer, waar hij geen kans heeft om te plunderen en waarom zou hij komen met een lang mes in de hand?"
"Zijt gij er zeker van, dat het geen inbrekersbeitel was?"
"O neen, het was een mes; ik zag zeer duidelijk de flikkering van het lemmet."
"Doch om welke reden zoudt gij met zoo vijandige bedoelingen vervolgd worden?"
"Dat is juist de quaestie."
"Wel, indien Holmes de zaak evenzoo inziet als gij, dan zou dit ons zijn handelwijze verklaren, dunkt u ook niet? Aannemende, dat uw redeneering juist is, dan zou hij door den man, die u in den afgeloopen nacht bedreigde, in hechtenis te nemen, een heel eind op weg wezen om ook den persoon te vinden, die het scheepvaart-verdrag wegnam. Het is ongerijmd te veronderstellen, dat gij twee vijanden hebt, waarvan de een u berooft, terwijl de ander uw leven bedreigt."
"Maar de heer Holmes zei, dat hij niet naar Briarbrae ging."
"Ik ken hem al vrij lang," zeide ik, "en weet, dat hij nooit iets doet zonder daarvoor een zeer goede reden te hebben," en na deze woorden nam ons gesprek een andere wending.