De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes

Chapter 6

Chapter 63,935 wordsPublic domain

"Ik ben een accountant,"[A] antwoordde Holmes.

[Footnote A: Een accountant is iemand, die balans en handelsboeken naziet en in orde brengt; iemand wiens arbeid overeenkomt met dien van onze boekhouders en tevens rechtsgeleerde kennis onderstelt.]

"Ha zoo; zoo iemand zullen we wel noodig hebben.--En gij? mijnheer Price?"

"Ik ben klerk," gaf ik ten antwoord.

"Ik heb hoop, dat de Maatschappij u in dienst kan nemen. Zoodra wij een besluit hebben genomen, zal ik het u laten weten. En nu verzoek ik u, heen te gaan. Laat mij om Godswil een oogenblik alleen."

Deze laatste woorden ontvielen hem ondanks hem zelf, alsof de dwang, dien hij zich blijkbaar oplegde, plotseling was verbroken. Holmes en ik keken elkaar aan en Hall Pycroft deed een stap naar de tafel.

"Gij vergeet, mijnheer Pinner," zeide hij, "dat ik hier ben volgens afspraak met u, om eenige orders te ontvangen."

"Zeker, mijnheer Pycroft, zeker. Gij kunt hier een oogenblik wachten en ik zou niet weten, waarom uw vrienden hier ook niet zoolang zouden blijven. Over een paar minuten ben ik geheel tot uw dienst, als ik althans zooveel van uw geduld mag vergen." Hij stond beleefd nijgend op en maakte een buiging, voor hij ons verliet door een deur aan 't andere eind der kamer, die hij daarna achter zich sloot.

"Hoe nu?" fluisterde Holmes, "sluipt hij weg?"

"Onmogelijk," antwoordde Pycroft.

"Waarom?"

"Die deur geeft toegang naar een binnenkamer."

"En heeft die geen uitgang naar buiten?"

"Neen."

"Is ze gemeubeld?"

"Gisteren was ze nog ledig."

"Wat in 's hemels naam wil hij daar dan uitvoeren? Daar is iets in deze zaak, dat mij duister is. Als er ooit een man voor drievierde krankzinnig was van angst, dan was het deze Pinner. Wat kan hem zoo'n schrik aangejaagd hebben?"

"Hij vermoedt, geloof ik, dat wij detectives zijn."

"Dat is het," zei Pycroft.

Holmes schudde het hoofd. "Hij werd niet bleek, hij _was_ bleek, toen wij binnenkwamen. Het is best mogelijk, dat...."

Zijn woorden werden onderbroken door een scherp rat-tat-tat in de andere kamer.

"Wat duivel, klopte hij tegen zijn eigen deur?" riep de klerk.

Nog eens en luider klonk het gehamer, rat-tat-tat. Wij zagen vol verwachting naar de gesloten deur. Naar Holmes ziende, zag ik zijn gelaat rood worden en hem in de grootste spanning met gespitste ooren voorover gebogen. Toen hoorden wij plotseling een dof gorgelend geluid en een sterk geklop tegen het houtwerk. Als een waanzinnige sprong Holmes door de kamer en op de deur aan. Zij was van binnen gesloten. Pycroft en ik volgden zijn voorbeeld en alle drie drukten wij met ons volle gewicht tegen de deur. Een scharnier sprong los; toen nog een en krakend viel de deur neer. Wij sprongen er over en stonden in de binnenkamer.

Ze was ledig.

Doch slechts een oogenblik verkeerden wij in onzekerheid. In een hoek het dichtst bij de kamer, waaruit wij gekomen waren, was een tweede deur. Holmes sprong er op toe en rukte ze open. Op den vloer lagen een jas en vest en aan den haak achter de deur, met zijn eigen bretels om zijn nek, hing de directeur van de Franco-Midland-IJzerwaren-Maatschappij. Zijn knieën waren opgetrokken, zijn hoofd hing voorover in een rechten hoek met zijn lichaam, en het gerammel van zijn hielen tegen de deur had het geraas veroorzaakt, waardoor ons gesprek was afgebroken. In een oogwenk had ik hem om het middel gegrepen en hield hem zoo omhoog, terwijl Holmes en Pycroft de elastieken banden losmaakten, die half begraven waren tusschen de loodkleurige plooien van zijn huid. Daarna brachten wij hem in de andere kamer, waar hij met leemkleurig gelaat neerlag, bij iedere ademhaling zijn lippen opblazende.

"Wat denkt gij van hem?" vroeg Holmes.

Ik bukte mij en beschouwde hem met aandacht. Zijn pols was zwak en onregelmatig, maar zijn ademhaling werd sterker en dieper en zijn oogleden trilden een weinig, zoodat een streepje van het wit daaronder te zien kwam.

"Hij is aan 't randje van den dood geweest, maar 't gevaar is nu voorbij," zeide ik. "Doe dat venster open en reik mij die karaf met water toe." Ik maakte zijn halsboord los, sprenkelde hem het koude water in 't gezicht en bracht zijn armen in op- en neergaande beweging, tot hij natuurlijk ademhaalde.

"Het is nu maar een quaestie van tijd," zeide ik, mij van hem afwendende.

Holmes stond bij de tafel, zijn handen diep in zijn broekzakken en zijn kin op de borst gezonken.

"Ik denk, dat we nu het best doen, met de politie te roepen," zeide hij, "en toch beken ik, dat ik haar gaarne als zij komt den geheelen toestand der zaak zou willen mededeelen."

"Het is voor mij een vervloekt geheim," zei Pycroft, zich het hoofd krabbende. "Met welke bedoeling hebben zij mij hier laten komen en dan...."

"O, dat alles is duidelijk genoeg," zei Holmes ongeduldig. "Maar wat ook mij duister is, is dit laatste punt, het ophangen. De geheele zaak draait om twee punten. Het eerste is, dat men Pycroft een verklaring liet schrijven, waarbij hij een betrekking bij deze ongerijmde Maatschappij aannam, alleen om zijn handschrift te bezitten en dat het eenige middel daartoe was, u die schriftelijke verklaring te laten afgeven."

"En waarvoor?"

"Ja, waarvoor? Daarvoor kan slechts een reden bestaan. De een of ander moest uw schrift leeren namaken en reeds dadelijk een proef van deze nabootsing leveren. En als wij nu tot het tweede punt overgaan, vinden wij, dat elk van de twee licht werpt op het andere. Dat tweede punt is het verzoek door Pinner gedaan, dat gij niet zoudt schrijven, dat gij van uw betrekking afzaagt, maar den directeur der firma Mawson and Williams in de meening moest laten, dat zekere Hall Pycroft, dien hij nooit had gezien, op Maandagmorgen bij hem in betrekking kwam."

"Mijn God, wat ben ik een uilskuiken geweest!" riep onze cliënt.

"Onderstel," ging Holmes voort, "dat er iemand in uw plaats was gekomen, die een handschrift leverde, dat geheel verschilde van dat van uw sollicitatiebrief, natuurlijk was het spel dan verloren. Maar in den tusschentijd leerde de schelm uw schrift nabootsen, en zijn positie was daardoor veilig, daar waarschijnlijk niemand van het kantoor u ooit heeft gezien."

"Geen sterveling," bromde Hall Pycroft.

"Zeer goed. Natuurlijk was het van 't grootste belang te voorkomen, dat gij beter over de zaak gingt nadenken en eveneens te verhinderen, dat gij met iemand kondet in aanraking komen, die u kon vertellen, dat een ander persoon onder uw naam op Mawson's kantoor aan 't werk was. Daarom gaven zij u een flink voorschot op uw salaris en lieten u naar Birmingham komen, waar zij u genoeg werk gaven om u te verhinderen naar Londen te gaan, waar gij hun bedrog wel eens hadt kunnen ontdekken. Dat is duidelijk genoeg."

"Maar waarom zou die man zich voor zijn eigen broer uitgegeven hebben?"

"Wel, dat is ook tamelijk duidelijk. Er zijn hier klaarblijkelijk twee personen in 't spel. De ander vertegenwoordigt u op het kantoor van Mawson and Williams. Deze man hier trad op als degene, die u de betrekking moest aanbieden en vond, dat hij geen patroon voor u kon vinden, zonder nog een derde persoon in de zaak te mengen. En dat wilde hij niet gaarne. Daarom moest hij zelf als die patroon optreden. Hij veranderde zijn voorkomen zooveel mogelijk en vertrouwde, dat de overeenkomst in persoon, die gij ongetwijfeld zoudt opmerken, door u aan familiegelijkenis zou worden toegeschreven. En zonder die gelukkige toevalligheid van den met goud opgevulden tand zoudt gij waarschijnlijk nooit eenigen argwaan gekoesterd hebben."

Hall Pycroft hief radeloos met een snelle beweging zijn krampachtig gebalde vuisten boven zijn hoofd. "Genadige hemel! wat heeft die andere Pycroft, terwijl ik zoo misleid ben, op het kantoor van Mawson uitgericht? Wat zullen wij doen, mijnheer Holmes? Zeg mij, wat we doen moeten."

"De krant," steunde een stem achter ons. De man zat overeind, wit, met iets spookachtigs in houding en gelaat, terwijl in zijn oogen het langzaam terugkeerend bewustzijn merkbaar was en zijn handen zenuwachtig tastten naar den breeden rooden band, die nog zijn hals omgaf.

"De krant! Natuurlijk de krant," schreeuwde Holmes opgewonden. "Idioot die ik was. Hoe kon ik die ook vergeten. Daarin vinden wij natuurlijk het geheim opgelost." Hij spreidde de krant uit op de tafel en onmiddellijk daarna uitte hij een luiden juichkreet.

"Lees dit eens, Watson," riep hij. "Hier is een Londensche krant, een vroege editie van den _Evening Standard_. Dit is wat wij noodig hebben."

"Misdaad in de City. Moord bij Mawson and Williams. Groote diefstal: inhechtenisneming van den misdadiger.

"Een brutale diefstal, gepaard met moord op één persoon en gevolgd door de inhechtenisneming van den misdadiger, is heden namiddag in de City gepleegd. Sedert eenigen tijd had de firma Mawson and Williams, de bekende bankiers, op haar kantoor een aanzienlijk bedrag aan fondsen in bewaring, te zamen een waarde van meer dan een millioen pond sterling vertegenwoordigend. Het schijnt, dat de vorige week een nieuwe klerk, met name Hall Pycroft, bij de firma in dienst is getreden. Deze persoon schijnt niemand anders geweest te zijn dan Beddington, de bekende falsaris en inbreker, die met zijn broeder eerst onlangs uit vijfjarigen dwangarbeid is ontslagen. Hij heeft, hoe weet men niet, onder een valschen naam een betrekking bij Mawson and Williams weten te krijgen, die hij zich ten nutte maakte om wasafdrukken van de sloten en nauwkeurige kennis van de inrichting der kamer, waarin de brandkasten met waarden geborgen waren, te verkrijgen.

"Het is bij de firma Mawson and Williams gewoonte, dat de klerken 's middags om 12 uur het kantoor verlaten. De brigadier van politie Tusson was daarom wel wat verwonderd, toen hij een twintig minuten over één een heer met een valies de stoep zag afkomen. Daar dit zijn argwaan opwekte, volgde hij hem en met behulp van den agent Pollock gelukte het hem, den man na een wanhopigen tegenstand te arresteeren. Terstond bleek, dat er een brutale en groote diefstal was gepleegd. Bijna een honderdduizend pond aan Amerikaansche Spoorweg-obligatiën en daarenboven nog een aanzienlijk bedrag in aandeelen van Mijnmaatschappijen werden in het valies gevonden. Bij het doorzoeken van het kantoor vond men het lijk van den ongelukkigen schildwacht. Zijn lijk was in een der brandkasten geworpen, waar het zonder de tusschenkomst van den brigadier Tusson niet voor Maandagmorgen gevonden zoude zijn. De schedel was verbrijzeld door een slag met een pook, hem van achteren toegebracht. Zonder twijfel had Beddington zich toegang weten te verschaffen onder voorgeven dat hij iets vergeten had; en na den schildwacht vermoord te hebben, plunderde hij de grootste brandkast en maakte zich toen met zijn buit uit de voeten. Zijn broer, die gewoonlijk zijn handlanger is, is in zoover men kan nagaan bij deze laatste karwei niet medeplichtig. Niettemin heeft de politie maatregelen genomen, om zijn verblijf op te sporen."

"Wel, wij kunnen de politie, wat dit punt betreft, eenige moeite besparen," zei Holmes, een vluchtigen blik werpende op het afzichtelijke wezen met de woest rollende oogen. "De menschelijke natuur is toch moeilijk te begrijpen, Watson. Ge ziet hier, dat een schurk en moordenaar zelfs zooveel ontzag kan inboezemen, dat zijn broeder zelfmoord pleegt, als hij hoort dat zijn nek gevaar loopt."

IV.

Het scheepvaart-verdrag.

De eerste maand Juni na mijn huwelijk was voor mij merkwaardig door drie belangrijke gevallen, waarin ik het voorrecht had, Sherlock Holmes in zijn nasporingen ter zijde te staan en zijn methode van onderzoek te bestudeeren. In mijn aanteekeningen vind ik deze drie gevallen vermeld onder den naam van "Het avontuur van de tweede vlek", "Het avontuur van het Scheepvaart-verdrag", "Het avontuur van den vermoeiden kapitein". Het eerste evenwel heeft betrekking op zoo gewichtige belangen en zoovele van de eerste familiën des lands zijn er bij betrokken, dat het onmogelijk in de eerste jaren gepubliceerd kan worden. Geen geval evenwel, waarin Holmes betrokken was, heeft de waarde van zijn analytische methode zoo schitterend in 't licht gesteld en zooveel indruk gemaakt op hen, die met hem samenwerkten. Ik bezit nog een bijna woordelijk verslag van zijn onderhoud met den heer Dubuque van de Parijsche politie en met den heer Fritz von Walbaum, de welbekende politie-specialiteit van Dantzig, die beiden al hun geestkracht vruchteloos hadden aangewend om eenig licht in de zaak te ontsteken. Eerst na verloop van jaren kan de geschiedenis evenwel veilig verteld worden. Intusschen zal ik den lezers met het tweede geval op de lijst bezighouden, dat ook indertijd van nationale beteekenis beloofde te worden en zich onderscheidde door verschillende bijzonderheden, die het een geheel eenig karakter verleenen.

In mijn schooljaren had ik vriendschap gesloten met een knaap, Percy Phelps genaamd, van denzelfden leeftijd als ik, ofschoon hij mij twee klassen voor was.

Hij was een zeer schrandere jongen, die met alle prijzen van de school strijken ging en ten slotte een beurs verwierf, welke hem in staat stelde zijn studie aan de hoogeschool te Cambridge voort te zetten. Ik weet ook nog, dat hij van zeer goeden huize was en zelfs als kleine jongens wisten wij reeds, dat Lord Holdhurst, de groote conservatieve politicus, een oom van moederszijde was. Deze aanzienlijke bloedverwantschap deed hem op school weinig goeds.

Het werd evenwel geheel anders, toen wij de schooljaren achter den rug hadden en een positie in de wereld moesten zoeken. Ik vernam nog bij geruchte, dat zijn bekwaamheden en protectie hem een betrekking hadden bezorgd aan het ministerie van buitenlandsche zaken. Na eenigen tijd was ik hem bijna zoo goed als geheel vergeten, tot een brief van den volgenden inhoud mij weer aan zijn bestaan herinnerde.

BRIARBRAE, WOKING.

_Waarde Watson!_

"Zonder twijfel herinnert gij u nog wel "Tadpole" Phelps, die in de vijfde klasse zat, toen gij leerling in de derde waart. Mogelijk ook hebt gij vernomen, dat ik door mijn ooms invloed een goede betrekking aan het ministerie van buitenlandsche zaken heb gekregen en een post van vertrouwen bekleedde, tot mijn toekomst plotseling door een noodlottig toeval vernietigd werd.

"Het dient nergens toe, u de bijzonderheden van deze vreeselijke gebeurtenis te verhalen. Stemt gij in mijn verzoek toe, dan zal ik ze u waarschijnlijk vertellen. Ik ben nauwelijks van een ziekte hersteld; negen weken lang heb ik zenuwkoortsen gehad en nog ben ik zeer zwak. Zoudt ge denken, dat uw vriend Sherlock Holmes genegen is met u bij mij te komen? Ik zou gaarne van hem vernemen, wat hij van de zaak denkt, ofschoon de autoriteiten mij verzekeren, dat er niets meer aan te doen is. Doe uw best hem hier te brengen en liefst zoo spoedig mogelijk. Iedere minuut schijnt mij een uur toe, zoolang ik in deze vreeselijke onzekerheid leef. Deel hem mede, dat niet geringschatting zijner talenten oorzaak is, dat ik zijn raad niet eerder gevraagd heb, maar dat ik van 't oogenblik af, dat de slag viel, mijn hoofd kwijt was. Nu is mijn hoofd weer helder, ofschoon ik uit vrees voor een instorting niet te veel durf denken. Ik ben nog zoo zwak, dat ik een ander dezen brief heb moeten dicteeren. Doe uw best uw vriend mede te brengen.

"Uw oude schoolmakker, "PERCY PHELPS."

[Illustratie: Holmes was druk bezig met scheikundige proeven.]

Toen ik dezen brief las, was ik eenigszins bewogen; er was iets roerends in dat herhaalde verzoek, Holmes mede te brengen. Ik was zoo geroerd, dat ik er mijn best toe gedaan zou hebben, al ware het zelfs een moeilijke zaak geweest; doch natuurlijk wist ik wel, dat Holmes zijn beroep te lief had, om niet altijd bereid te zijn hulp te bieden, waar die door een cliënt gevraagd mocht worden. Mijn vrouw was het met mij eens, dat ik geen minuut mocht laten verloren gaan, eer ik hem met de zaak in kennis had gesteld en zoo was ik al binnen een uur na mijn ontbijt in de bekende oude kamer in Baker-Street.

Holmes zat aan een zijtafel, gekleed in zijn huisjas en was druk bezig met scheikundige proeven. In een lange gebogen retort kookte een vloeistof boven de blauwachtige vlam van een Bunzenschen brander en het gedistilleerde vocht bekoelde in een glas van een paar liter inhoud. Mijn vriend keek bij mijn komst nauwelijks op. Ik trad binnen, en daar ik zag, dat zijn proeven belangrijk waren, ging ik in een armstoel zitten en wachtte. Hij doopte een glazen buisje, dat hij in de hand hield, nu in de eene dan in de andere flesch, haalde er met zijn pipet een paar droppels uit en legde ten slotte een met de oplossing gevuld proefbuisje op de tafel. In zijn rechterhand had hij een stukje lakmoespapier.

"Gij komt op het oogenblik van een crisis, Watson," zeide hij. "Als dit papier blauw blijft, is alles goed; maar wordt het rood, dan staat een leven van een mensch op het spel." Hij doopte het papier in het proefbuisje en het werd op eens karmozijnrood. "Hum, ik dacht het wel," riep hij. "Ik ben onmiddellijk tot uw dienst, Watson. Als gij rooken wilt, is er tabak in mijn Perzische muil." Hij ging daarna naar zijn lessenaar en schreef vlug verscheidene telegrammen, die hij daarna aan zijn bediende overhandigde. Toen ging hij tegenover mij zitten en trok zijn knieën op, zoodat hij zijn vingers om zijn lange dunne schenen kon slaan.

"Een heel gewone, kleine moordgeschiedenis," zeide hij. "Ik denk, dat gij wel iets beters zult brengen. Uw komst kondigt de misdaad aan, Watson, als de stormvogel den orkaan! Wat is het?"

Ik overhandigde hem den brief, dien hij met de grootste aandacht las.

"Veel zegt dat schrijven ons niet, vindt ge wel?" zeide hij, toen hij mij den brief teruggaf.

"Zoo goed als niets."

"En toch is de inhoud van gewicht."

"Het is evenwel niet zijn eigen handschrift."

"Precies. Het is dat van een vrouw."

"Neen, ongetwijfeld dat van een man," zeide ik.

"Neen, dat van een vrouw; van een vrouw met een bijzonder karakter. Bij het begin van een onderzoek is het van belang te weten, dat een cliënt in nauwe betrekking staat tot iemand, die hetzij ten goede of ten kwade ongewone karaktertrekken heeft. Mijn belangstelling is reeds gaande gemaakt. Als gij gereed zijt, zullen we terstond naar Woking vertrekken en den diplomaat, die zich in zulke moeilijke omstandigheden bevindt, en de dame, wie hij zijn brieven dicteert, een bezoek brengen."

Wij waren zoo gelukkig den eersten trein naar Waterloo te halen en binnen een uur waren wij te midden der dennenbosschen en der heidevelden van Woking. Briarbrae was een groot op zich zelf staand gebouw, een paar minuten gaans van het station. Nadat wij onze kaartjes hadden afgegeven, werden wij in een fraai gemeubileerd salon binnengelaten, waar wij onmiddellijk werden begroet door een forsch gebouwd man, die ons zeer beleefd ontving. Hij scheen, wat zijn leeftijd aangaat, dichter bij de veertig dan bij de dertig, maar zijn wangen waren zoo blozend, zijn oogen stonden zoo vroolijk, dat hij den indruk maakte van een welgedanen, ondeugenden knaap.

"Uw komst doet mij zeer veel genoegen," zeide hij, ons hartelijk de hand schuddende. "Percy heeft den geheelen morgen naar u gevraagd. Ach, die arme jongen, hij klampt zich aan een stroohalm vast. Zijn ouders verzochten mij, u te spreken, want het is hun zelf hoogst pijnlijk de zaak aan te roeren."

"Wij zijn nog in 't geheel niet met de bijzonderheden bekend," antwoordde Holmes. "Ik veronderstel, dat gij niet tot de familie behoort."

Onze nieuwe bekende scheen verrast en voor zich ziende begon hij te lachen.

"Natuurlijk hebt gij de initialen "J. H." op mijn medaillon gezien. Een oogenblik dacht ik, dat gij hier een bewijs van groote schranderheid hadt gegeven. Mijn naam is Joseph en daar Percy met mijn zuster Annie gaat trouwen, zal ik ten minste door een huwelijk tot de familie behooren. Gij zult mijn zuster in Percy's kamer vinden, want zij heeft hem de verloopen twee maanden trouw verpleegd. Mogelijk doen wij het beste, maar dadelijk naar binnen te gaan, want zij is zeer verlangend u te zien."

De kamer, waarin wij thans werden binnengelaten, was op dezelfde verdieping als het salon. Zij was half als woonkamer, half als slaapkamer gestoffeerd; in alle hoeken waren met smaak bloemen aangebracht. Op een sofa lag een jonge man, bleek en vermoeid, bij het geopende venster, waardoor de geuren van den tuin en de verkwikkende zomerlucht ongehinderd naar binnen stroomden. Naast hem zat een vrouw, die opstond, toen wij binnenkwamen.

"Zal ik heengaan?" vroeg zij.

Hij greep haar hand vast, om haar terug te houden.

"Hoe gaat het u, Watson," sprak hij vriendschappelijk. "Ik zou u met dien knevel niet herkend hebben en ik geloof, dat gij er ook geen eed op hadt durven doen, dat ik het was. Deze heer is, naar ik vermoed, uw beroemde vriend Sherlock Holmes?"

Ik stelde mijn vriend aan hem voor en wij gingen beiden zitten. De forschgebouwde jonge man had de kamer verlaten, maar zijn zuster was gebleven en liet haar hand nog rusten in die van den zieke. Zij was een vrouw met veel uitdrukking in 't gelaat, kort en gezet van gestalte; zij had een mooie bruine tint en groote, donkere oogen, als een Italiaansche, en weelderig zwart haar. Haar donkere tint deed het bleeke en afgematte in het voorkomen van haar verloofde des te scherper uitkomen.

"Ik zal niet te veel van uw tijd vergen," zeide hij, zich op de sofa oprichtende, "en zonder verdere inleiding u mededeelen, waarom ik u wensch te spreken. Ik was een gelukkig en voorspoedig man, mijnheer Holmes, en op het punt in den echt te treden, toen een ongelukkig voorval al mijn schoone vooruitzichten den bodem insloeg.

"Zooals Watson u zal hebben medegedeeld, was ik werkzaam op het ministerie van buitenlandsche zaken en door den invloed van mijn oom, Lord Holdhurst, verkreeg ik weldra een aanzienlijke verantwoordelijke betrekking. Toen mijn oom onder het tegenwoordige bewind minister van buitenlandsche zaken werd, ontving ik meer dan eens een vertrouwelijke opdracht en daar ik mij daarvan steeds tot zijn genoegen kweet, stelde hij ten laatste een onbeperkt vertrouwen in mijn bekwaamheid en tact.

[Illustratie: "Ik zal niet te veel van uw tijd vergen," zeide hij.]

"Een week of tien geleden--of om mij juister uit te drukken, den 23en Mei--riep hij mij in zijn spreekkamer en na mij een compliment over mijn goed werk te hebben gemaakt, deelde hij mij mede, dat hij mij opnieuw een gewichtigen arbeid had op te dragen.

"Hier heb ik," sprak hij--een rol grijs papier uit zijn schrijfbureau nemende--"het origineel van het geheim tractaat tusschen Engeland en Italië, waarvan tot mijn spijt het gerucht reeds tot de openbare pers is doorgedrongen. Het Fransche of Russische gezantschap zou een onnoemelijke som willen betalen om met den inhoud van deze papieren bekend te worden. Ik zou ze dan ook niet uit handen geven, moest ik ze niet noodzakelijk gecopiëerd hebben. Hebt gij een lessenaar op uw kantoor?"

"Ja, mijnheer."

"Neem het tractaat dan en sluit het goed weg. Ik zal zorg dragen, dat gij op uw bureau kunt blijven, als de andere ambtenaren naar huis gaan, en gij het op uw gemak kunt afschrijven, zonder te vreezen, dat men u bespiedt. Als gij er mee klaar zijt, sluit dan beide stukken, het origineel en het afschrift, in uw lessenaar en stel ze mij morgen ochtend ter hand."

"Ik nam de papieren, en--"

"Met uw verlof," zeide Holmes. "Was er iemand bij dit gesprek tegenwoordig?"

"Volstrekt niemand."

"Waart gij in een groote kamer?"

"De kamer was dertig voet in 't vierkant."

"Stondt gij in 't midden?"

"Ja, ongeveer."

"En spraakt gij zacht?"

"Mijn oom spreekt steeds opmerkelijk zacht, ik zelf zeide nauwelijks een woord."

"Dank u," zeide Holmes, zijn oogen sluitende, "ga voort, als 't u blieft."