De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes
Chapter 19
"Bij Jupiter, dat is waar," riep de detective. "Nu ik er over nadenk, herinner ik mij, dat de buste van dr. Barnicot ook niet ver van de lamp werd stuk geslagen. En wat denkt u, mijnheer Holmes, dat wij aan dit feit hebben."
"Wij moeten het in onze gedachten houden. Misschien vinden wij later iets, dat daarmede in verband staat. Wat denkt u nu te gaan doen, Lestrade?"
"De meest practische manier om er achter te komen bestaat volgens mijn meening in het vaststellen van de identiteit van den verslagene. Dit zal wel geen moeilijkheden opleveren; wanneer wij weten, wie hij is en wie zijn vrienden en kennissen zijn, hebben wij een goed begin om er achter te komen, wat hij in Pitt Street uitvoerde en wie het was, die hem ontmoette en op de stoep van het huis van mijnheer Horace Harker heeft vermoord. Denkt u dat ook niet?"
"Ongetwijfeld, en toch is het niet de weg, dien ik zou inslaan om deze geschiedenis tot klaarheid te brengen."
"Wat zoudt u dan doen!"
"O, laat u door mij in geen enkel opzicht influenceeren. Het beste is, dat u uw weg gaat en ik den mijne. Later kunnen wij onze aanteekeningen vergelijken en zoodoende zal het eene verslag het andere aanvullen."
"Zeer goed," zeide Lestrade.
"Als u nog naar Pitt Street teruggaat, ziet u misschien mijnheer Harker nog. Vertel hem namens mij, dat ik voor mij reeds een opinie gevormd heb en dat het zoo goed als zeker is, dat een gevaarlijke krankzinnige, met Napoleontische delusies, in den afgeloopen nacht in zijn huis is geweest. Dat kan van zeer veel nut voor zijn artikel zijn."
Lestrade keek hem aan.
"Dat gelooft u toch niet werkelijk?"
Holmes glimlachte. "Geloof ik 't niet? Och, misschien ook niet. Maar ik ben er zeker van, dat het den heer Harker interesseert, evenals de abonné's van het Centraal Pers Syndicaat. Nu, Watson, ik denk, dat wij een lange en tamelijk lastige dagtaak voor ons hebben. Ik zou gaarne willen, Lestrade, dat je het zoo inrichtte, dat je om zes uur van avond in Baker Street kon zijn. Tot zoo laat zou ik gaarne deze foto, die gij gevonden hebt in de zakken van den doode, willen houden. Het is mogelijk, dat ik verder uw gezelschap en uw hulp noodig heb voor een kleine expeditie, die in den komenden nacht zal worden ondernomen, ten minste indien mijn hypothese juist blijkt. Tot zoolang dan vaarwel en goede vangst."
Sherlock Holmes en ik liepen samen naar High Street, waar hij bleef staan voor den winkel van Harding Brothers, bij wie de buste was gekocht. Naar binnen gaande, deelde een jonge bediende hem op zijn vraag mede, dat mijnheer Harding afwezig was tot na den middag, en dat hij zelf pas in de zaak was, zoodat hij geen inlichtingen kon verschaffen. Op het gelaat van Holmes was duidelijk teleurstelling merkbaar.
"Wel, wij mogen niet verwachten, dat alles loopt, zooals wij 't gaarne willen, Watson," zeide hij eindelijk. "Wij moeten van middag terugkomen, daar mijnheer voor dien tijd niet aanwezig is. Ik ben bezig, zooals ge misschien reeds geraden hebt, te trachten na te gaan, vanwaar deze busten zijn gekomen, om zoodoende er achter te komen of er niet iets bijzonders mee gebeurd is, waardoor de feiten van de laatste dagen kunnen worden verklaard. Laat ons nu gaan naar Morse Hudson van Kensington Road en zien of hij eenig licht in de duisternis kan brengen."
Een rit van een uur bracht ons aan het huis van den handelaar. Het was een kleine, dikke man met een rood gezicht.
"Ja, mijnheer. Op deze plank stond de buste, mijnheer," zeide hij. "Waarvoor wij belasting en huur betalen, weet ik niet, wanneer de eerste de beste schurk kan binnenkomen en je goed stuk smijten. Ja, mijnheer, ik was het, die aan dr. Barnicot de twee busten heb verkocht. Schandelijk, mijnheer. Een complot van nihilisten. Dat is 't, mijnheer. Niemand anders dan een anarchist zou 't in zijn hoofd krijgen, deze beeldjes te breken. Roode republikeinen, zoo noem ik ze. Van wie ik de beeldjes gekocht heb? Ik zie niet in, wat dat met de zaak heeft te maken. Wel, als u 't bepaald wenscht te weten, ik kocht ze van Gelder & Co. in Church Street, Stepney. Een welbekend huis in dit soort goed, en ouder dan twintig jaar. Hoeveel ik er had? Drie--twee en een is drie--twee van dr. Barnicot en een op klaarlichten dag in mijn winkel stuk geslagen. Of ik dat portret herken? Neen. Ja, toch! Het is Beppo. Hij was een soort Italiaansche beeldhouwer, die kleine karweitjes in den winkel opknapte. Hij kon een weinig houtsnijden, vergulden en herstelde allerlei kleinigheden. Hij is de vorige week weggegaan en sedert hoorde ik niets meer van hem. Ik weet niet, vanwaar hij kwam en evenmin waarheen hij is gegaan. Ik heb mij nooit over hem te beklagen gehad, zoolang hij hier was. Twee dagen nadat hij weg was, werd de buste stuk geslagen."
"Nu, dat is wel ongeveer alles, dat wij redelijkerwijs mochten verwachten van Morse Hudson te zullen hooren," zeide Holmes, toen wij uit den winkel kwamen. "Wij hebben dezen Beppo als een gemeenschappelijken factor, zoowel in Kennington als in Kensington, zoodat dit een rit van tien mijl wel waard was. En nu, Watson, zullen wij naar Gelder & Co. te Stepney gaan. Dat is de bron en oorsprong van de busten. Het zou mij zeker tegenvallen, wanneer wij daar nog niet iets nieuws vernamen."
Achtereenvolgens reden wij door deftig Londen, hotel Londen, schouwburg Londen, literair Londen en eindelijk maritiem Londen, tot wij kwamen aan een wijk aan de rivier van een honderd duizend zielen, waar de onooglijke huizen volgepropt zijn met het uitvaagsel van Europa. Hier vonden wij de steen- en beeldhouwerij, waarnaar wij zochten. Buiten was een uitgestrekt terrein vol hard- en zandsteen en marmer. Daar achter was een werkplaats, waar een vijftig beeld- en steenhouwers bezig waren. De baas, een groote blonde Duitscher, ontving ons beleefd en gaf ons een duidelijk antwoord op alle vragen, die Holmes tot hem richtte.
Uit zijn boeken bleek, dat honderden afgietsels waren gemaakt van een marmeren kopie, van de buste van Napoleon door Devine, maar dat de drie, die naar Morse Hudson waren gezonden, ongeveer een jaar geleden deel uitmaakten van een partijtje van zes exemplaren. De andere drie waren gegaan naar Harding Brothers in Kensington. Er was hoegenaamd geen reden op te geven, waarom deze zes zouden verschillen van al de overige. De man kon dan ook niet begrijpen, waarom iemand den wensch zou koesteren ze te vernielen, inderdaad, hij moest om het denkbeeld lachen. De engrosprijs was zes shillings, maar de handelaar maakte er misschien twaalf of meer voor. Het afgietsel werd eerst in twee helften afzonderlijk gegoten van gips en daarna aan elkander geplakt. Deze arbeid werd meestal verricht door Italianen. Wanneer zij gereed waren, werden de busten geplaatst op een tafel in de gang om te drogen en daarna opgepakt. Dat was alles, wat hij ons kon vertellen.
Het vertoonen van de foto had echter een bijzondere uitwerking op den man. Op zijn gelaat kwam een donker roode blos en zijn wenkbrauwen trokken zich boven zijn blauwe oogen samen.
"Ha, de schurk," riep hij. "Ja, ik ken hem inderdaad zeer goed. Dit is steeds een fatsoenlijke zaak geweest en den eenigen keer, dat wij de politie hier hadden, kwam het door dezen vent. Het is reeds langer dan een jaar geleden. Hij doorstak een ander Italiaan met een mes op straat; daarna kwam hij hierheen met de politie op zijn hielen en hier werd hij dan ook opgepakt. Beppo heette hij--zijn achternaam heb ik nooit gehoord. Ja, u hebt gelijk, hoe kon ik zulk een man in mijn dienst nemen? Maar hij was een goed werkman, een van de besten."
"Tot hoe lang werd hij veroordeeld?"
"De gewonde bleef leven en hij kwam er met een jaar af. Ik denk, dat hij nu wel weer vrij zal zijn, maar hij heeft het niet gewaagd hier te verschijnen. Wij hebben een neef van hem hier, en hij zal misschien wel weten, waar hij is te vinden."
"Neen, neen," riep Holmes, "geen woord tegen den neef--geen woord, bid ik u. De zaak is van zeer groot gewicht en hoe verder ik ga, hoe belangrijker zij schijnt te worden. Toen u in uw boek den datum nasloeg van deze busten, merkte ik op, dat het den 9en Juni was van verleden jaar. Kunt u mij misschien ook den dag noemen, waarop Beppo gearresteerd werd?"
"Ten naaste bij door de uitbetalingslijsten," antwoordde de eigenaar. "Ja," vervolgde hij, na een paar bladzijden te hebben omgeslagen, "hij werd voor 't laatst op den 20sten Mei betaald."
[Illustratie: "Ha, de schurk," riep hij uit.]
"Dank u," zei Holmes. "Ik geloof niet, dat ik meer mag vergen van uw tijd en geduld." Met een waarschuwing om toch vooral niets zich te laten ontvallen over ons onderzoek, namen wij den terugtocht aan naar het Westen van de stad. De namiddag was reeds ver gevorderd, toen wij eindelijk den tijd konden vinden om haastig iets te nuttigen in een restaurant. Op een bulletin aan den ingang stond met vette letters: "Kensington Drama. Moord door een krankzinnige," en de verdere inhoud toonde, dat mijnheer Horace Harker er toch nog in geslaagd was zijn verslag op tijd bij den drukker te krijgen. Twee kolommen in de middageditie vloeiden over van sensatiewekkende momenten, neergeschreven in bloemrijken stijl. Holmes las het verslag onder het eten. Eens of tweemaal glimlachte hij.
"Dat is in orde, Watson," zeide hij. "Luister maar eens: "Het is geruststellend te weten, dat er in deze zaak geen verschil van meening bestaat, want Lestrade, een van de meest ervaren Scotland Yard detectiven, en mijnheer Sherlock Holmes, de welbekende expert, zijn beiden tot de conclusie gekomen, dat de eigenaardige serie van incidenten, die op zoo tragische wijze geëindigd is, eerder een gevolg is van krankzinnigheid, dan van een misdaad met voorbedachten rade. Behalve ingeval van verstandsverbijstering is er ook geen verklaring voor de feiten te vinden." De pers, Watson, is een zeer nuttige instelling, als gij maar weet, hoe er partij van kan worden, getrokken. En thans zullen wij, wanneer je klaar bent, teruggaan naar Kensington en zien, wat de chef van Harding Brothers te vertellen heeft."
De bezitter van die groote zaak bleek te zijn een klein, rond mannetje met vlugge maniertjes, heldere kijkers en een radde tong.
"Ja, mijnheer. Ik heb reeds het verslag gelezen. Mijnheer Horace Harker is een klant van ons. Eenige maanden geleden leverden wij hem de buste. Wij hadden drie van die busten besteld bij Gelder & Co. van Stepney. Zij zijn nu alle verkocht. Aan wie? O, wanneer ik even het verkoopboek nasla, kan ik het u dadelijk zeggen. Hier hebben we 't al. Een aan mijnheer Harker, een aan mijnheer Josiah Brown van Laburnam Lodge, Laburnam Vale, Chiswick en een aan mijnheer Sandeford van Lower Grove Road, Reading. Neen, ik heb nog nooit den man gezien, die daar op die foto staat. Het is anders een gezicht dat men niet spoedig zou vergeten, want zelden zag ik een leelijker gelaat. Of wij Italianen in onzen dienst hebben? Ja, mijnheer, wij hebben er verscheidene onder onze werklieden. Ja, zij kunnen, wanneer zij dat willen, in dit verkoopboek snuffelen. Er is n.l. geen bijzondere reden om dat boek voor hen op te bergen. Ja, ja, het is een vreemde, geschiedenis, en ik hoop dat u, wanneer uw onderzoek resultaat oplevert, mij even zult willen berichten."
Holmes had verscheidene aanteekeningen gemaakt, terwijl mijnheer Harding maar doorratelde, en ik kon zien, dat hij geheel en al tevreden was over de wending, die de zaak nam. Hij zeide echter niets, alleen dat, wanneer wij ons niet haastten, wij nog te laat zouden zijn voor onze afspraak met Lestrade. Zooveel is zeker, dat toen wij Baker Street bereikt hadden, de detective reeds daar was en wij hem vonden, ongeduldig heen en weer loopend op onze kamer. Het gewichtig gezicht, waarmee hij naar ons toe kwam, bewees, dat zijn onderzoek ook niet zonder resultaat was gebleven.
"En?" vroeg hij. "Hebt u geluk gehad, mijnheer Holmes?"
"Wij hebben een drukken dag achter den rug en nu juist geen verloren dag," zeide mijn vriend. "Wij hebben de beide handelaren en ook de firma, die de busten maakte, gesproken. Ik weet nu, waar de overige busten zich bevinden."
"De busten," riep Lestrade. "Nu, u hebt uw eigen methode, mijnheer Holmes en ik voor mij zal daarvan niets zeggen, maar toch geloof ik vandaag beter gewerkt te hebben dan gij. Ik heb de identiteit van den vermoorde vastgesteld."
"Dat meent gij toch niet?"
"En ook de aanleiding voor de misdaad gevonden."
"Maar dat is prachtig."
"Wij hebben een inspecteur, Hill genaamd, die zich speciaal interesseert voor de Italiaansche wijk. Deze doode man had een katholiek embleem om zijn hals en daaruit maakte ik op, dat hij uit het Zuiden kwam, te meer daar zijn gelaat door de zon verbrand was. Inspecteur Hill herkende hem, zoodra hij hem zag. Zijn naam is Pietro Venucci van Napels en hij is een van de grootste halsafsnijders van Londen. Hij staat in betrekking tot de Maffia, die zooals u weet een geheim politiek genootschap is, dat zijn besluiten door moorden kracht bijzet. Nu ziet u de zaak duidelijk voor u, wil ik wedden. De ander is n.l. eveneens een Italiaan en lid van de Maffia. Hij heeft op de een of andere wijze tegen het reglement gezondigd. Pietro wordt op hem afgestuurd. Waarschijnlijk stelt de fotografie den man zelf voor, opdat de moordenaar niet den verkeerde zou van kant maken. Hij sluipt den man na, ziet hem in een huis gaan, wacht buiten op hem, en bij de worsteling krijgt hij zelf een doodelijke wonde. Hoe vindt u dat, mijnheer Holmes?"
Holmes klapte goedkeurend in de handen.
"Uitstekend, Lestrade, uitstekend," riep hij uit. "Uw verklaring echter voor het vernielen van de busten heb ik nog niet gehoord."
"De busten! Kunt u deze busten niet op zij zetten? Dat is toch niets, pure baldadigheid, hoogstens zes maanden. Maar in zake den moord doen wij een eigen onderzoek en ik zeg u, dat ik alle draden nu reeds in mijn hand houd."
"En de volgende stap?"
"Is zeer eenvoudig. Ik ga met Hill naar de Italiaansche wijk, zoek den man, wiens portret wij hebben en arresteer hem wegens moord. Gaat u met ons mee?"
"Ik denk van niet. Ik geloof, dat wij op eenvoudiger manier tot het eindresultaat kunnen komen. Ik kan 't niet zeker zeggen, want alles hangt af van--wel, alles hangt af van een factor, waarop wij absoluut geen invloed kunnen uitoefenen. Maar ik koester groote hoop--inderdaad de kansen staan als twee tegen een--dat wanneer u van avond met ons meegaat, ik in staat zal zijn hem u in handen te spelen."
"In de Italiaansche wijk?"
"Neen; ik denk, dat Chiswick een adres is, waar hij eerder zal te vinden zijn. Als gij van avond met mij naar Chiswick gaat, Lestrade, beloof ik u morgen mee naar de Italiaansche wijk te gaan en het uitstel zal in elk geval geen nadeelige gevolgen hebben. En nu denk ik, dat een paar uur slaap ons goed zullen doen, want ik ben van plan voor elf uur weg te gaan en het ziet er niet naar uit, dat wij voor het aanbreken van den dag terug zullen zijn. Blijf bij ons dineeren, Lestrade, en daar staat de sofa te uwer dispositie tot het tijd is om te vertrekken. Intusschen zoudt ge mij een dienst bewijzen, Watson, met even te telephoneeren om een besteller, want ik heb een brief weg te brengen, die van avond nog aan zijn adres moet worden bezorgd."
Holmes bracht den avond zoek met snuffelen in de leggers van de nieuwsbladen, waarmee een van onze kleine kamertjes was volgepropt. Toen hij eindelijk terugkwam, straalde er succes uit zijn oogen, maar hij zeide niets tegen ons over het resultaat van zijn nasporingen. Wat mij betreft, ik had stap voor stap de methode gevolgd, volgens welke hij de verschillende symptomen van dit ingewikkelde geval had ontleed en ofschoon ik mij nog niet kon voorstellen, waar de zaak op zou uitloopen, begreep ik zeer goed, dat Holmes verwachtte, dat deze zonderlinge misdadiger een poging zou doen, om de twee overblijvende busten in handen te krijgen, waarvan er een, zooals ik mij herinnerde, te Chiswick was. Ongetwijfeld was het doel van onzen tocht om hem op heeterdaad te betrappen, en ik kon niet anders als de gevatheid bewonderen, waarmede mijn vriend de bladen op een valsch spoor had gebracht, om zoodoende den man in den waan te brengen, dat hij ongestraft zijn werk kon voleindigen. Het verwonderde mij dan ook niet, dat Holmes mij aanraadde mijn revolver mee te nemen. Hij zelf had den met lood beslagen ploertendooder, zijn geliefkoosd wapen, in den zak gestoken.
Om elf uur kwam een rijtuig voor, en daarmede reden wij tot aan een punt, aan gene zijde van Hammersmith Bridge. Hier werd den koetsier gelast op ons te wachten. Een korte wandeling bracht ons bij een eenzamen weg met aan beide zijden huizen, die alle afzonderlijk stonden. Bij het licht van een lantaarn lazen wij "Laburnam Villa" op een der hekken. De bewoners waren klaarblijkelijk reeds naar bed gegaan, want overal was het donker, behalve in de gang, waar een lamp brandde, die een zwak schijnsel wierp naar buiten in den tuin. De houten schutting, die den tuin van den weg scheidde, wierp een donkere schaduw naar de binnenzijde, en hier bleven wij bij elkander.
"Ik vrees, dat u lang zult moeten wachten," fluisterde Holmes. "Wij mogen van geluk spreken, dat het niet regent. Ik geloof niet, dat wij het zelfs kunnen wagen om te rooken, ten einde den tijd te dooden. Het is echter twee tegen een, dat wij iets bereiken, waardoor wij voor onze moeite beloond worden."
[Illustratie: Met den sprong van een tijger was Holmes op zijn rug.]
Al spoedig bleek, echter, dat wij niet zoolang behoefden te wachten, als Holmes ons had doen vreezen, en het avontuur eindigde op een snelle en vreemde wijze. Op een gegeven oogenblik, zonder dat het minste geluid ons op de hoogte had gebracht van zijn komst, werd de tuindeur open gedaan en een slanke, donkere gestalte snel en behendig als een aap sloop over het pad. Wij zagen haar scherp afsteken tegen het licht, dat naar buiten scheen en daarna verdwijnen in de donkere schaduwen van het huis. Langen tijd was het stil en wij hielden onzen adem in. Daarna hoorden wij een zacht knarsend geluid. Het raam werd opengebroken. Het geluid hield op en weer heerschte er langen tijd stilte. De man was het huis binnengegaan. Wij zagen het licht van een dievenlantaarn in de kamer. Wat hij zocht was klaarblijkelijk niet daar, want even later bemerkten wij het licht in een andere kamer en daarna weer in een andere.
"Laat ons naar het open raam gaan, dan kunnen wij hem grijpen, terwijl hij er uitklimt," fluisterde Lestrade.
Maar voor wij daar konden komen, was de man al weer buiten. Zoodra hij zich bevond in het schijnsel voor de voordeur, zagen wij, dat hij iets wits onder zijn arm droeg. Hij keek naar alle kanten om zich heen, de stilte van de eenzame straat stelde hem echter gerust. Zijn rug naar ons toekeerend, legde hij het voorwerp neer en het volgende oogenblik hoorden wij een slag, gevolgd door gerinkel van scherven.
De man was zoo verdiept in hetgeen hij deed, dat hij ons niet hoorde, terwijl wij over het gras naderbij slopen. Met den sprong van een tijger was Holmes op zijn rug en een oogenblik later hadden Lestrade en ik hem ieder bij een vuist en waren de boeien netjes aangedaan. Terwijl ik mij over hem heenboog, zag ik een afschuwwekkend gelaat, dat ons aankeek met van woede verwrongen trekken, en ik wist, dat wij inderdaad den man van de foto hadden gearresteerd.
Maar aan onzen gevangene schonk Holmes allerminst zijn aandacht. In gebogen houding op de deurstoep gezeten, was hij bezig nauwkeurig te onderzoeken, hetgeen de man uit het huis had gehaald. Het was een buste van Napoleon, zooals wij er dien morgen reeds een gezien hadden, en deze was ook weer op dezelfde manier aan stukken geslagen. Zorgvuldig hield Holmes elke scherf afzonderlijk in het licht, maar in geen enkel opzicht verschilden deze stukken van andere stukken gips. Hij was juist gereed, toen de deur werd geopend en de eigenaar van het huis, een joviale, rondborstige figuur, in zijn overhemd naar buiten trad.
"Mijnheer Josiah Brown, vermoedelijk?" vroeg Holmes.
"Ja, mijnheer, en u is ongetwijfeld mijnheer Sherlock Holmes? Ik kreeg het briefje, dat u zond per besteller en ik deed precies, hetgeen u daarin hebt gezegd. Wij hebben alle deuren aan de binnenzijden gesloten en wachtten verder af. Wel, ik ben blij te zien, dat u den schurk hebt. Ik hoop, heeren, dat u even binnen wilt komen en dat ik u iets mag offreeren."
Lestrade was er echter op gesteld om zijn gevangene zoo spoedig mogelijk achter slot te brengen en daarom werd binnen een paar minuten ons rijtuig gehaald en reden wij alle vier terug naar Londen. Onze gevangene wilde geen woord zeggen, maar hij gluurde naar ons van onder zijn dikke wenkbrauwen en eenmaal, dat mijn hand binnen zijn bereik scheen, beet hij er naar als een hongerige wolf. Wij bleven lang genoeg op het politiebureau om te vernemen, dat er niets op hem werd bevonden als een paar shillings en een lang dolkmes, waarvan het heft de sporen van bloedvlekken van recenten datum vertoonde.
"Dat is in orde," zeide Lestrade, terwijl wij afscheid namen. "Hill kent al deze heeren, en hij zal wel een naam voor hem vinden. U zult zien, dat mijn theorie van de Maffia uitstekend uitkomt. Maar toch ben ik u zeer verplicht, mijnheer Holmes, voor de uitstekende wijze, waarop gij de hand op hem hebt gelegd. Ik begrijp het echter nog niet geheel en al."
"Ik vrees, dat het wel een weinig laat is voor het geven van explicaties," meende Holmes. "Bovendien zijn er nog een of twee details, die niet af zijn, en juist een dezer zal de moeite loonen, de zaak geheel af te wikkelen. Wanneer u nogmaals om zes uur naar mijn huis wilt komen, geloof ik in staat te zijn u te kunnen bewijzen, dat gij zelfs nu nog niet de volle beteekenis hebt begrepen van deze zaak, waarbij zich eenige omstandigheden voordoen, waardoor zij geheel en al eenig is in de geschiedenis der misdaad.
"Indien ik u ooit toestemming geef om eenige van mijn kleine problemen te boekstaven, Watson, voorzie ik, dat gij uw bladzijden zult volpennen met een verhaal van het zonderlinge avontuur van de busten van Napoleon."
* * * * *
Toen wij den volgenden avond weder bij elkander kwamen, bezat Lestrade vele bijzonderheden over onzen gevangene. Zijn voornaam was, zooals bleek, Beppo, verder onbekend. Hij was een bekende deugniet in de Italiaansche kolonie. Vroeger was hij een bekwaam beeldhouwer geweest, die een eerlijk bestaan verdiende, maar hij was den verkeerden weg opgegaan en had reeds tweemaal met de gevangenis kennis gemaakt--eens wegens diefstal en eens, zooals wij reeds hadden vernomen, wegens het doorsteken van een landgenoot. Hij sprak goed Engelsch. De reden, waarom hij de busten vernielde, was nog niet bekend en hij weigerde in deze op eenige vraag te antwoorden; de politie had echter uitgevischt, dat het zeer goed mogelijk was, dat deze busten eigenhandig door hem gemaakt waren, daar hij in dat genre gewerkt had bij Gelder & Co. Naar al dit nieuws, waarvan wij het voornaamste reeds wisten, luisterde Holmes met beleefde aandacht, maar ik, die hem zoo goed kende, kon duidelijk zien, dat zijn gedachten elders waren en ik las achter het masker, dat hij gewoon was te dragen, ongerustheid en verwachting. Plotseling luisterde hij en zijn oogen werden helderder. Er werd gebeld. Een minuut later hoorden wij iemand de trap opkomen en een oud mannetje met grijze bakkebaarden trad binnen. In zijn rechterhand droeg hij een ouderwetsche tasch, die hij op tafel zette.
"Ben ik hier terecht bij mijnheer Sherlock Holmes?"
Mijn vriend boog en glimlachte: "Mijnheer Sandeford van Reading, vermoed ik?"
"Ja, mijnheer, ik ben een weinig laat, maar de trein had vertraging. U schreef mij over een buste, die ik in mijn bezit heb."
"Juist."
"Ik heb uw brief hier. U schreef: "Ik wensch een kopie te bezitten van den Napoleon van Devine en ben bereid u tien pond te betalen voor die, welke gij in uw bezit hebt." Is dat zoo?"
"Zeker."