De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes

Chapter 18

Chapter 184,063 wordsPublic domain

[Illustratie: Plotseling stond hij weer op en ontving nog een schot.]

De tusschenkomst van onze zijde zou den man niet hebben kunnen redden, zoo snel ging alles in zijn werk, maar toen de vrouw kogel na kogel in het ineenkrimpende lichaam van Milverton joeg, stond ik op 't punt te voorschijn te springen, had ik niet den kouden, vasten greep van Holmes om mijn pols gevoeld. Ik begreep terstond, wat hij hiermede wilde zeggen--dat het een zaak was, die ons niet aanging, dat recht was gedaan aan een schurk en wij onze eigen zaken en bedoelingen hadden, die niet uit 't oog mochten worden verloren. Maar nauwelijks was de vrouw de kamer uit, of Holmes was met eenige snelle, zachte schreden bij de andere deur. Op hetzelfde oogenblik hoorden wij stemmen in het huis en haastig naderende voetstappen. De revolverschoten hadden het geheele dienstpersoneel in rep en roer gebracht. Met bewonderenswaardige kalmte ging Holmes naar de brandkast, pakte beide armen vol met pakken brieven en smeet ze alle op het vuur. Driemaal herhaalde hij dit en toen was de brandkast leeg. Iemand draaide de kruk van de deur om en klopte aan de buitenzijde. Holmes keek nog even in 't rond. De brief, die den dood gebracht had voor Milverton, lag op de tafel, geheel in bloed gedrenkt. Holmes wierp hem te midden van de fel brandende papieren. "Dezen kant, Watson," zeide hij, "wij komen langs deze richting spoedig bij den tuinmuur."

Ik zou nooit hebben kunnen gelooven, dat iedereen in zulk een groot huis zoo spoedig na het lossen van de schoten bij de hand kon zijn. Omkijkend zag ik, dat overal reeds licht brandde. De voordeur stond open en wij zagen menschen heen en weer loopen. De geheele tuin scheen wel vol te zijn en iemand riep ons reeds bij het verlaten van de veranda aan en volgde ons, toen wij natuurlijk geen antwoord gaven. Holmes scheen den weg uitstekend te kennen, en hij bewoog zich snel tusschen struiken en boomen. Ik volgde hem op den voet met onzen vervolger eenige meters achter ons. De tuinmuur was zes voet hoog, maar Holmes sprong als een acrobaat er op en er overheen. Ik volgde zoo goed mogelijk zijn voorbeeld, moest mij echter eerst ophijschen, ten gevolge waarvan de man achter mij nog juist mijn enkel kon grijpen. Ik gaf hem echter met mijn anderen voet een trap en rolde vervolgens over den muur met mijn gezicht voorover in eenige struiken; Holmes had mij oogenblikkelijk weer op de been geholpen en samen renden wij langs Hampstead Heath.--

* * * * *

Wij hadden ontbeten en rookten onze morgenpijp op den dag van het merkwaardig avontuur, hetwelk ik juist heb meegedeeld, toen mijnheer Lestrade van Scotland Yard, statig en indrukwekkend, onze eenvoudige zitkamer werd binnengelaten.

"Goeden morgen, mijnheer Holmes," zeide hij. "Goeden morgen. Mag ik u vragen, of u het tegenwoordig nog al druk hebt?"

"Niet te druk om naar u te luisteren."

"Ik meende, dat wanneer u niets bijzonders aan de hand hadt, u ons wellicht zoudt willen assisteeren in een zeer merkwaardig geval, dat juist in den afgeloopen nacht te Hampstead is afgespeeld."

"Wel heb ik van mijn leven!" zeide Holmes. "Wat was dat?"

"Een moord--een zeer dramatische en merkwaardige moord. Ik weet, hoezeer u gesteld zijt op deze dingen en ik zou het voorts als een groote welwillendheid beschouwen, wanneer u mee wildet gaan naar Appledown Towers en ons uw meening zeggen. Het is geen gewone misdaad. Wij hielden dezen mijnheer Milverton reeds eenigen tijd in het oog, want, tusschen ons gezegd, was het iemand van minder goed allooi. Bekend is, dat hij papieren in zijn bezit had, die hij gebruikte om menschen geld af te persen. Deze papieren zijn alle door de moordenaars verbrand. Niet een voorwerp van waarde werd door hen meegenomen, zoodat het waarschijnlijk is, dat de misdadigers behoorden tot den voornamen stand, wier eenig doel bestond in het voorkomen van schandaal."

"Misdadigers?" vroeg Holmes. "Meer dan één?"

"Ja, er waren er twee. Het scheelde zeer weinig of zij waren op heeterdaad gearresteerd. Wij hebben hun voetsporen, wij hebben hun beschrijving, tien tegen een, dat wij hen op het spoor komen. De eerste was een weinig te vlug, maar de tweede werd door den tuinman gegrepen en ontkwam eerst na een worsteling. Het was een stevig gebouwde man van middelmatige lengte, hij had een dikken nek en snor en een masker voor de oogen."

"Dat is tamelijk vaag," zeide Sherlock Holmes. "Wel, het zou een beschrijving van Watson kunnen zijn."

"Dat is waar," lachte de inspecteur, vroolijk.

"Maar ik ben bang, dat ik u niet zal kunnen helpen, Lestrade," zeide Holmes. "Het feit is, dat ik dezen mijnheer Milverton heb gekend en dat ik hem beschouwde als een der gevaarlijkste typen uit geheel Londen. Ik vermeen voorts, dat er zekere misdaden zijn, welke de wet niet kan treffen en die daardoor in zeker opzicht persoonlijke wraak wettigen. Neen, het helpt niet, ik laat mij in deze niet overreden. Ik heb mijn besluit genomen. Mijn sympathie is aan de zijde van de misdadigers en niet aan die van het slachtoffer, en ik zal mij met deze zaak niet inlaten."

Holmes had tegenover mij met geen enkel woord meer gesproken over het drama, waarvan wij getuigen waren geweest, maar ik bespeurde den geheelen morgen, dat hij in gedachten was verzonken, en ik kreeg door zijn starenden blik en zijn afgetrokken manieren den indruk van iemand, die tracht zich iets te herinneren. Wij zaten aan onzen lunch, toen hij plotseling opsprong. "Bij Jupiter, Watson, ik heb het," riep hij. "Zet je hoed op en ga met me mee."

[Illustratie: Zijn blik volgend, zag ik de beeltenis van een voorname dame in baltoilet.]

Zoo snel hij kon liep hij door Baker-Street en daarna langs Oxford Street, totdat wij bijna bij het Regent Circus waren. Hier was links een winkel, waarvan de etalagekast vol stond met de fotographieën van alle beroemdheden en schoonheden van den dag. De oogen van Holmes vestigden zich op een dezer portretten en zijn blik volgende, zag ik de beeltenis van een voorname dame in baltoilet, met een groote diamanten tiara op het edele hoofd. Ik keek naar dien ietwat gebogen neus, naar de donkere wenkbrauwen, naar dien vastberaden mond en de van wilskracht getuigende kleine kin. Ik hield mijn adem in, toen ik den te allen tijde eerbied afgedwongen hebbenden titel van den grooten edelman en staatsman las, wiens vrouw zij was geweest. Mijn oogen ontmoetten die van Holmes en hij legde den vinger op de lippen, terwijl wij wegliepen.

IV.

Het avontuur van de zes Napoleons.

Het gebeurde meer dan eens, dat de heer Lestrade van Scotland Yard een avondje bij ons kwam praten. Zijn bezoeken waren Sherlock Holmes zeer welkom, daar hij zoodoende op de hoogte bleef van alles, wat er in het hoofdkwartier van de politie voorviel. Als wederdienst voor het nieuws, dat Lestrade bracht, was Holmes steeds bereid aandachtig te luisteren naar de bijzonderheden van elke zaak, waarin de detective betrokken was en nu en dan was hij in staat, zonder zich zelf met het geval te bemoeien, den een of anderen leiddraad te verstrekken of een vermoeden uit te spreken, dat hij putte uit zijn enorme kennis en ervaring.

Op dezen bijzonderen avond had Lestrade gesproken over het weer en de dagbladen. Daarna was hij minder spraakzaam geworden, keek strak voor zich uit en trok hard aan zijn sigaar.

Holmes keek hem scherp aan.

"Is er iets bijzonders aan de hand?" vroeg hij eindelijk.

"O, neen, mijnheer Holmes, niets bijzonders."

"Nu, dan kunt gij 't mij ook wel vertellen."

Lestrade lachte.

"Wel, mijnheer Holmes, er helpt geen ontkennen aan, ik zit werkelijk met een moeilijk geval. Maar het is zulk een dwaze geschiedenis, dat ik aarzelde u er mee lastig te vallen. Daar staat echter tegenover, dat hoewel de zaak doodgewoon is, er toch iets, dat zonderling moet genoemd worden, aan verbonden is en ik weet, dat gij u gaarne bezighoudt met alles, wat niet tot het gewone behoort. Maar volgens mij is het een zaak, die eerder voor dr. Watson geschikt is dan voor ons."

"Een ziekteverschijnsel?" vroeg ik.

"Krankzinnigheid in elk geval. En een zonderlinge krankzinnigheid tevens. Zoudt u zich kunnen voorstellen, dat er thans nog iemand bestaat, die zulk een haat koestert voor Napoleon I, dat hij elk portret, dat hij van den grooten keizer ziet, zou willen vernielen?"

Holmes leunde achterover in zijn stoel.

"Dat is niets voor mij," zeide hij.

"Juist. Dat heb ik zelf ook gezegd. Maar wanneer de man zich schuldig maakt aan inbraak om schilderijen en bustes te vernielen, die niet zijn eigendom zijn, verhuist de zaak van den geneesheer naar de politie."

Holmes toonde weer meer belangstelling.

"Inbraak! Dat is interessanter. Laat mij de bijzonderheden eens hooren."

Lestrade haalde zijn notitieboekje voor den dag en frischte zijn geheugen op, door nu en dan zijn aanteekeningen te raadplegen.

"Het eerste geval, dat ons ter kennis kwam," vertelde hij, "is vier dagen geleden. Het was in den winkel van Morse Hudson, die een filiaal heeft voor het verkoopen van schilderijen, bustes enz. in Kensington Road. De bediende was even naar achteren gegaan, toen hij in den winkel een harden slag hoorde, en naar voren snellende, vond hij een buste van Napoleon, die met verschillende andere kunstwerken op een plank tegen den muur stond, aan gruis liggen op den grond. Daar de buste onmogelijk uit zich zelf kon gevallen zijn, snelde de bediende naar buiten, maar hij zag niemand en er was ook niets, waardoor hij den vernieler kon aanduiden. Wel verklaarden eenige voorbijgangers, dat zij iemand uit den winkel hadden zien komen, maar zij hadden daarop verder geen acht geslagen. De zaak werd aangegeven. De buste was echter niet meer waard dan een paar gulden en de geheele geschiedenis leek te eenvoudig, om er verder het hoofd over te breken.

"Het tweede geval echter was ernstiger en ook vreemder. Het gebeurde in den afgeloopen nacht.

[Illustratie: Lestrade haalde zijn notitieboekje voor den dag.]

"In Kensington Road en nog geen honderd meter verwijderd van den winkel van Morse Hudson, woont een welbekend geneesheer, dr. Barnicot genaamd, die een van de drukste praktijken heeft op de zuidzijde van den Theems. Zijn woning ligt aan den Kensington Road, maar hij heeft ook nog een paar kamers gehuurd aan den Lower Brixton Road, waar hij eenige uren van den dag is te consulteeren. Deze dokter Barnicot is een geestdriftig bewonderaar van Napoleon en zijn huis is vol boeken, schilderijen en reliquieën van den Franschen keizer. Eenigen tijd geleden kocht hij van Morse Hudson twee busten, gemaakt naar den beroemden kop van Napoleon door den Franschen beeldhouwer Devine. Een dezer heeft hij in de gang van zijn huis te Kensington Road laten plaatsen en de andere op den schoorsteen van een zijner vertrekken te Lower Brixton. Welnu, toen Barnicot heden morgen naar beneden kwam, bemerkte hij tot zijn schrik, dat in den afgeloopen nacht bij hem was ingebroken, maar dat niets was weggenomen als de buste uit de gang. Deze was naar buiten gedragen en daar stuk tegen den muur geslagen. Alleen de scherven waren overgebleven."

Holmes wreef zich in de handen.

"Dat is zeker bijzonder," zeide hij.

"Ik dacht, dat u er belang in zoudt stellen. Maar ik ben nog niet aan 't eind. Dr. Barnicot ging om twaalf uur naar zijn kamers in Lower Brixton en u kunt u zijn verbazing voorstellen, toen hij bij aankomst vond, dat het raam in den nacht was geopend en dat de brokstukken van zijn tweede buste over den grond lagen verspreid. Deze was eveneens aan duizend stukken geslagen. In geen van beide gevallen waren er eenige teekenen, die ons ook maar de geringste aanwijzing konden geven over den persoon van den misdadiger of krankzinnige, die dit gedaan heeft. En nu, mijnheer Holmes, hebt u de feiten."

"Zij zijn zeer vreemd, om niet te zeggen grotesk," meende Holmes. "Mag ik u vragen of de beide busten, die in de vertrekken van dr. Barnicot werden vernield, precies dezelfde waren als de eene, die in den winkel van Morse werd stuk geslagen?"

"Zij werden van hetzelfde soort gips gemaakt."

"Zulk een feit past niet in de theorie, dat de man, die ze stuk slaat, bezield is met een doodelijken haat voor Napoleon. Wanneer men in aanmerking neemt, dat er honderden busten van den grooten keizer moeten bestaan te Londen, zouden wij te ver gaan, wanneer wij van de veronderstelling uitgingen, dat een beeldstormer nu juist drie exemplaren van dezelfde buste had uitgezocht."

"Wel, dat heb ik ook al gedacht," zeide Lestrade. "Daar staat tegenover, dat deze mijnheer Morse Hudson de eenige handelaar in dergelijke artikelen is in dit gedeelte van Londen en deze drie waren de eenige, die in de laatste jaren in zijn winkel waren geweest. En daarom, alhoewel zooals u zegt, honderden busten en afbeeldingen van Napoleon in Londen zijn, is het zeer waarschijnlijk, dat deze drie de eenige waren in dat gedeelte van Londen. En iemand, die in dat district woont, zou dan ook zeer goed juist met deze drie kunnen beginnen. Wat dunkt u er van, mijnheer Watson?"

"Er zijn grenzen te trekken, wat de mogelijkheid betreft van monomanie," antwoordde ik. "We hebben den toestand, dien de moderne Fransche psychologen het "idée fixe" hebben genoemd, dat op zich zelf bijna onmerkbaar is, daar de patiënt overigens volkomen gezond kan zijn. Iemand, die veel gelezen heeft over Napoleon of wiens familie door de groote oorlogen geleden heeft, kan zich zeer begrijpelijk in dit opzicht een "idée fixe" vormen en onder den invloed daarvan in staat zijn tot het plegen van zulke daden."

"Neen, Watson, daar is hier geen sprake van," zeide Holmes hoofdschuddend, "want dat "idée fixe" alleen zou uw interessanten monomaan niet in de gelegenheid, stellen te weten te komen, waar deze busten te vinden waren."

"Zoo, welke verklaring hebt u dan?"

"Ik tracht geen verklaring te vinden. Alleen zou ik willen doen opmerken, dat er een zekere methode spreekt uit de excentrieke handelwijze van dezen mijnheer. Zoo werd bijvoorbeeld in de gang van het huis van dr. Barnicot, waar geraas zeker de familie wakker gemaakt zou hebben, de buste naar buiten gebracht, alvorens stuk geslagen te worden, terwijl op de kamers van den dokter, waar minder gevaar voor alarm bestond, de buste stuk geslagen werd op de plaats, waar zij stond. De zaak schijnt van bijzonder weinig beteekenis en toch durf ik niets van weinig beteekenis noemen, wanneer ik bedenk, dat eenige van mijn beste gevallen al een zeer weinig belovend begin hadden. Gij zult u herinneren, Watson, hoe de vreeselijke geschiedenis van de Abernetty familie mij eerst een leiddraad opleverde, nadat ik opgemerkt had, hoe diep de boterspaan in de boter was geraakt. Ik kon het daarom niet over mij verkrijgen, te glimlachen over uw drie gebroken busten, Lestrade, en u zult mij zeer verplichten, indien u mij op de hoogte wilt houden, wanneer zich nieuwe verwikkelingen voordoen in zulk een zonderlinge geschiedenis."

De nieuwe omstandigheden, waarnaar mijn vriend gevraagd had, kwamen sneller en in een oneindig meer tragischen vorm dan hij zich kan hebben voorgesteld. Ik was den volgenden morgen nog bezig mij te kleeden, toen er op mijn deur werd geklopt en Holmes binnenkwam met een telegram in zijn hand. Hij las luid:

"Kom dadelijk 131, Pitt Street, Kensington--Lestrade."

"Wat zou 't wezen?" vroeg ik.

"Ik weet 't niet.--Het kan alles zijn. Maar ik vermoed, dat dit het vervolg is van de geschiedenis van de busten. In dat geval heeft onze vriend de beeldenstormer zijn operaties in een ander deel van Londen begonnen. Daar staat koffie op tafel, Watson, en ik heb een rijtuig voor de deur."

In een half uur hadden wij Pitt Street bereikt, een stil rustig plekje, juist in de nabijheid van een der drukste punten van Londen. No. 131 was er een uit een reeks vrij lage, maar goed uitziende huisjes. Toen wij naderbij kwamen, zagen wij een aantal nieuwsgierigen voor de deur. Holmes floot een deuntje.

"Bij George, hier is minstens een moordaanslag gepleegd. Anders zou een Londensche "message-boy" zeker niet blijven staan. Aan den uitgestrekten hals, waarmee die knaap naar binnen gluurt, is duidelijk te merken, dat er een daad van geweld gepleegd is. Wat is dat, Watson? De bovenste treden van de deurstoep zijn nat en de overige droog. In elk geval voetstappen genoeg. Maar daar zie ik Lestrade aan het middelste raam en nu zullen wij spoedig alles van de zaak weten."

De detective ontving ons met een ernstig gelaat en duwde ons in een zitkamer, waar een buitengewoon geagiteerd man van gevorderden leeftijd, gekleed in een flanellen morgenjapon op en neer liep. Hij werd aan ons voorgesteld als de eigenaar van het huis--mijnheer Horace Harker van het Centraal Pers Syndicaat.

"Het is alweer die geschiedenis van de busten van Napoleon," zeide Lestrade. "U scheen daarin gisteren avond nog al belang te stellen, mijnheer Holmes en daarom dacht ik, dat u gaarne tegenwoordig zoudt willen zijn, nu de zaak een veel ernstiger wending heeft genomen."

"Welke wending heeft zij dan genomen?"

"Niets meer of minder dan tot een moord. Mijnheer Harker, zoudt u deze heeren precies willen vertellen, wat er gebeurd is?"

De man in de kamerjapon keek ons met een melancholieken blik aan.

[Illustratie: Hij werd aan ons voorgesteld als de eigenaar van het huis--mijnheer Horace Harker.]

"Het is een buitengewoon iets," zeide hij, "dat ik, die mijn geheele leven bezig geweest ben het nieuws van andere menschen te verzamelen, nu er werkelijk nieuws op mijn weg is gekomen, zoo van streek ben, dat ik geen twee woorden kan schrijven. Wanneer ik hier was gekomen als journalist, zou ik mij zelf geïnterviewd hebben en twee kolommen voor alle avondbladen hebben geleverd. En nu geef ik kostbare inlichtingen en kopie, door mijn verhaal over en over te vertellen aan verschillende personen en zelf heb ik er niets aan. Ik heb echter uw naam vroeger wel eens hooren noemen, mijnheer Sherlock Holmes en als u alleen deze zonderlinge geschiedenis kunt verklaren, zal ik mij ruimschoots beloond achten voor de moeite haar nog eens te moeten vertellen."

Holmes ging zitten en luisterde.

"Alles schijnt zich te concentreeren om die buste van Napoleon, die ik ongeveer vier maanden geleden voor deze zelfde kamer gekocht had. Ik kwam er voor een kleinigheid aan van de gebroeders Harding, twee deuren van het High Street Station. Een groot deel van mijn journalistieken arbeid doe ik 's nachts, en dikwijls schrijf ik tot laat in den nacht. Aldus ook gisteren avond. Ik zat in mijn studeervertrekje, dat achter gelegen is, omstreeks twee uur, toen ik eenig geluid beneden hoorde. Ik luisterde, maar ik hoorde niets meer en ik dacht, dat het buiten was geweest. Plotseling, geen vijf minuten later, hoorde ik echter een verschrikkelijken gil--den vreeselijksten kreet, dien ik ooit vernam. Zoo lang ik leef zal die mij bijblijven. Eenige minuten bleef ik stom van schrik zitten. Daarna greep ik den pook en ging naar beneden. Toen ik deze kamer opende, vond ik het raam wijd open en dadelijk bespeurde ik, dat de buste van den schoorsteenmantel was verdwenen. Waarom een inbreker dat ding zou meenemen, gaat mijn begrip te boven, want het was slechts een buste van gips, die geen bijzondere waarde had.

"U kunt zelf zien, dat iemand, die door dat open raam gaat, door het doen van een grooten stap, op de bovenste tree van de stoep kan komen. Dit had de inbreker klaarblijkelijk ook gedaan, waarom ik omliep en de deur opende. In het donker naar buiten gaande viel ik bijna over een lijk, dat hier lag. Ik holde terug om licht te halen en ja, daar lag een man met een diepe snede over de keel, badende in zijn bloed. Hij lag op zijn rug met opgetrokken knieën en den mond wijd open. Ik zal hem in mijn droomen steeds zien. Ik had juist den tijd om op mijn politiefluit te blazen en daarna ben ik zeker flauw gevallen, want ik herinner mij niets meer, totdat ik een agent over mij heengebogen zag in de gang."

"Wel, wie was de vermoorde man?" vroeg Holmes.

"Er is niets, dat daaromtrent eenige aanwijzing verschaft," antwoordde Lestrade. "U kunt het lijk aan het bureau zien, maar wij zijn er nog niets wijzer door geworden. Het is een zware, door de zon verbrande, krachtige man, niet ouder dan dertig jaar. Hij is armoedig gekleed en toch ziet hij er niet als een werkman uit. Een mes met beenen heft lag in een bloedplas naast hem. Of 't het mes was, waarmee de wonde werd toegebracht, of dat het aan den verslagene toebehoorde, weet ik niet. Zijn kleeren waren ongemerkt en niets vonden wij in zijn zakken, behalve een appel, een stukje touw, een kaartje van Londen en een foto. Hier is alles."

Holmes greep naar de foto. Het was klaarblijkelijk een plaatje, genomen met een kleine handcamera. Het stelde voor een sluw uitzienden man met sterk geprononceerde trekken en dikke wenkbrauwen en met een eigenaardig vooruitstekende onderkaak, als bij een baviaan het geval is.

"En wat is er van de buste geworden?" vroeg Holmes, na deze foto nauwkeurig te hebben bestudeerd.

"Wij hoorden er juist iets van, vóórdat u hier waart. Zij is gevonden in het tuintje van een leeg huis in Campdon House Road. Zij was ook aan gruis geslagen. Ik ga er eens naar kijken. Gaat u mee?"

"Zeker. Ik moet echter eerst even hier rond zien." Hij keek naar het karpet en naar het raam. "De knaap moet lange beenen gehad hebben of wel buitengewoon vlug zijn," zei de hij. "Het was anders niet gemakkelijk om van den grond dat raam open te krijgen en er door te kruipen. Terug ging het veel gemakkelijker. Gaat u ook mee om de overblijfselen van uw buste te aanschouwen, mijnheer Harker?"

De troostelooze journalist was voor zijn schrijftafel gaan zitten. "Ik moet trachten er iets van te maken," sprak hij, "hoewel ik niet twijfel of de avondbladen zijn reeds vol met allerlei bijzonderheden. Dat dit nu juist mij moet overkomen! U herinnert u, dat de tribune te Doncarte ingestort is? Wel, ik was de eenige journalist op die tribune en mijn blad het eenige, dat geen verslag had, omdat ik te diep geschokt was om te kunnen schrijven. En nu zal ik waarachtig weer te laat komen met een moord, die op de stoep voor mijn deur is gepleegd."

Toen wij de kamer uitgingen, hoorden wij zijn pen over het papier krassen.

De plek, waar de overblijfselen van de buste gevonden waren, was slechts een paar honderd meter verder. Voor de eerste maal rustten onze oogen op dit conterfeitsel van den grooten keizer, die zulk een haat scheen te hebben opgewekt in het brein van een onbekende. De buste lag aan stukken in het gras. Holmes zocht ze op en bekeek ze aandachtig. Uit zijn geheele manier van doen en zijn nauwkeurig onderzoek maakte ik op, dat hij een punt van uitgang gevonden had in deze duistere zaak.

"Wat denkt u?" vroeg Lestrade.

Holmes haalde de schouders op.

"Wij moeten nog een langen weg afleggen," zeide hij. "En toch--en toch--er zijn eenige feiten. Het bezit van deze goedkoope buste was in de oogen van dezen vreemdsoortigen misdadiger meer waard dan een menschenleven. Dat is één punt. Dan is er nog het zonderlinge feit, dat hij de buste niet in het huis stuk sloeg of onmiddellijk daarbuiten, vreemd te meer, wanneer zijn eenig oogmerk niets anders dan het vernielen daarvan was."

"Hij werd verrast door de komst van dien anderen man. Hij heeft ternauwernood geweten, wat hij deed."

"Ja, dat kan zijn. Maar ik wensch uw aandacht in het bijzonder te vestigen op de ligging van dit huis, in welks tuin de buste werd vernield."

Lestrade keek eens rond.

"Het was een leeg huis en derhalve wist hij, dat hij niet gestoord zou worden in den tuin."

"Ja, maar er is nog een leeg huis verder op, waar hij langs gekomen moet zijn, alvorens hier te komen. Waarom heeft hij de buste daar dan niet gebroken, vooral daar bij elken stap verder de kansen vermeerderden van een ontmoeting met dezen of genen?"

"Ik geef het op," zeide Lestrade.

Holmes wees op de lantaarn boven ons hoofd.

[Illustratie: Holmes wees naar de lantaarn boven ons hoofd.]

"Hij kon hier zien wat hij deed en daar niet. Dat was de reden."