De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes

Chapter 15

Chapter 154,035 wordsPublic domain

De jonge inspecteur trok een erbarmelijk gezicht bij de ironische opmerkingen van mijn vriend.

"Ik was een dwaas door u niet dadelijk te hulp te roepen, mijnheer Holmes. Maar dat is nu eenmaal gebeurd. Ja, er waren verscheidene voorwerpen, die onze speciale aandacht vroegen. Een er van was de harpoen, waarmede de misdaad werd gepleegd. Deze was van een rek aan den muur genomen. Twee andere waren er nog en er was een leege plaats voor den derde. In de schacht waren de woorden "Ss. Sea Unicorn, Dundee" gegraveerd. Dit scheen er op te wijzen, dat de misdaad gepleegd was in een oogenblik van woede en dat de moordenaar het eerste het beste wapen gegrepen had, dat voor de hand lag. Het feit, dat de misdaad om twee uur in den morgen werd gepleegd en dat niettemin Peter Carey nog gekleed was, deed vermoeden, dat hij een afspraak had gehad met den moordenaar, hetgeen ook nog gestaafd wordt door het feit, dat er leege rhumglazen op tafel stonden."

"Ja," zei Holmes, "ik denk, dat beide veronderstellingen aannemelijk zijn. Waren er nog andere dranken in de hut behalve de rhum?"

"Ja, er stonden nog twee flesschen, waarvan er een brandewijn, de andere whisky bevatte. Maar daar hebben wij niets aan, daar de flesschen vol waren en derhalve nog niet aangebroken."

"In elk geval heeft de aanwezigheid van die flesschen toch eenige beteekenis," zeide Holmes. "Laat ons echter nog iets meer hooren van de voorwerpen, die volgens je meening betrekking op de zaak hebben."

"Dan lag dat tabakszakje op tafel."

"Op welk deel van de tafel lag het?"

"Het lag in het midden. Het was natuurlijk van robbevel--de harige huid had een leeren riempje om het vast te binden. Aan de binnenzijde stond P. C. Ongeveer een half ons zware tabak was er nog in."

"Uitmuntend! Wat meer?"

Stanley Hopkins haalde uit zijn zak een notitieboek. De omslag was versleten en de bladzijden verkleurd. Op de eerste bladzijde waren geschreven de initialen "J. H. N." en de datum "1883."

Holmes legde het op tafel en bekeek het op zijn bijzondere manier, terwijl Hopkins en ik over zijn schouders tuurden. Op de tweede bladzijde stonden de letters C. P. R. en daarna kwamen verscheidene reeksen van getallen. Onder andere hoofden waren Argentinië, Costa Rica en San Paulo, alle met teekens en cijfers er achter.

"Wat maak je hieruit op?" vroeg Holmes.

"Het schijnen nummers te zijn van effecten. Ik dacht, dat J. H. N. de voorletters waren van een makelaar en dat C. P. R. zijn cliënt is geweest."

"Probeer eens Canadian Pacific Railway," zei Holmes.

Stanley Hopkins mompelde iets binnensmonds en sloeg met zijn hand op het dijbeen.

"Wat ben ik toch een domoor geweest!" riep hij. "Natuurlijk is het, zooals u zegt. Dan moeten wij alleen de initialen J. H. N. oplossen. Ik heb reeds de lijst van effectenmakelaars in 1883 nagegaan, maar ik kan geen naam vinden, waarop deze letters betrekking kunnen hebben. Toch weet ik, dat dit het belangrijkste is van al hetgeen ik heb gevonden. U zult toestemmen, mijnheer Holmes, dat de mogelijkheid bestaat, dat deze initialen zijn van den tweeden man, die aanwezig was--met andere woorden van den moordenaar. Ik zou er tevens op willen wijzen, dat de aanwezigheid van een document, dat betrekking heeft op een groote hoeveelheid papieren van waarde, ons voor den eersten keer eenige aanwijzing geeft voor een beweegreden voor de misdaad."

[Illustratie: Holmes bekeek het op zijn eigenaardige zorgvuldige wijze.]

Het gelaat van Sherlock Holmes toonde aan, dat hij geheel van de wijs was gebracht door deze nieuwe verwikkeling.

"Ik moet u gelijk geven," zeide hij, "en ik erken, dat het notitieboek, waarvan in het rapport niet gesproken wordt, elke hypothese, die ik mij gevormd had, te niet doet. Ik had mij een theorie van de misdaad gevormd, waarin hiervoor geen plaats was. Hebt u getracht eenige van de hier genoemde effecten op te sporen?"

"Er wordt overal onderzoek naar gedaan, maar ik vrees, dat het register van de aandeelhouders van deze Zuid-Amerikaansche fondsen in Zuid-Amerika is en dat er eenige weken moeten verloopen, eer wij de aandeelen op het spoor kunnen komen."

Holmes had den omslag van het notitieboekje met zijn vergrootglas bestudeerd.

"Hier is een vlek," zeide hij.

"Ja, mijnheer, het was een bloedvlek. Ik vertelde u reeds, dat ik het boek van den vloer opraapte."

"Was de bloedvlek aan den onder- of aan den bovenkant?"

"Aan den onderkant."

"Hetgeen natuurlijk bewijst, dat het boek is gevallen, nadat de misdaad gepleegd was."

"Juist, mijnheer Holmes. Ik maakte reeds die gevolgtrekking en concludeerde voorts, dat de moordenaar het boekje heeft laten vallen, toen hij haastig de vlucht nam. Het lag dicht bij de deur."

"Ik veronderstel, dat geen dezer effecten gevonden is onder de papieren en kaarten van den dooden man?"

"Neen, mijnheer."

"Hebt u eenige reden om aan diefstal te gelooven?"

"Neen, mijnheer, er scheen niets weggenomen te zijn."

"Wel, wel. Het is zeker een zeer interessant geval. Er was ook nog een mes, is het niet?"

"Een scheermes, dat nog in de scheede was. Het lag bij de voeten van den doode. Juffrouw Carey heeft verklaard, dat het 't eigendom van haar man was."

Holmes bleef eenigen tijd in gedachten zitten.

"Wel," zei hij eindelijk. "Ik denk, dat ik er eens heen moet gaan en zelf een en ander opnemen."

Stanley Hopkins uitte een kreet van blijdschap.

"Dank u, mijnheer. U neemt mij daardoor een zwaren last van de schouders."

Holmes hief zijn vinger op tegen den inspecteur.

"Het zou veel gemakkelijker zijn geweest, wanneer je een week eerder waart gekomen," zeide hij. "Maar zelfs nu behoeft een bezoek nog niet geheel doelloos te zijn. Watson, indien je tijd hebt, zou ik gaarne willen, dat je ook mee gingt. Als je zoo goed wilt zijn een rijtuig te bestellen, Hopkins, zullen wij binnen een kwartier gereed zijn om naar Forest Row te vertrekken."

* * * * *

Aan het kleine tusschenstation uitgestapt, reden wij nog eenige mijlen door de overblijfselen van zich ver uitstrekkende wouden, die eens deel uitmaakten van dat groote bosch, dat zoo lang de Saksische horden tegenhield--het ondoordringbare woud, dat meer dan zestig jaar het bolwerk was van Bretagne. Uitgestrekte stukken waren geveld, want hier was de plaats, waar de eerste ijzermijnen in het land werden ontgonnen en de boomen werden gerooid voor het smelten van het erts. Thans hebben de rijkere lagen van het Noorden deze industrie tot zich getrokken en niets dan deze van boomen beroofde plekken en de groote gaten in den grond wijzen op den arbeid van het verleden. Hier op een open plaats, op een overigens dicht begroeiden heuvel stond een langwerpig lang steenen huis, hetwelk men langs een kronkelenden weg bereikte. Dicht bij dezen weg en aan drie zijden omringd door struikgewas, stond een klein houten huisje. Dat was het tooneel van den moord.

Stanley Hopkins bracht ons eerst naar het huis, waar hij ons voorstelde aan een schuwe, oude vrouw met grijze haren, de weduwe van den vermoorden man, wier geel en rampzalig gelaat met de vreesachtige uitdrukking en de door roode randen omgeven oogen sprak van de harde jaren en de mishandelingen, waaraan zij had bloot gestaan. Bij haar was haar dochter, een bleek meisje met mooi haar, wier oogen ons uitdagend aankeken, toen zij vertelde, dat zij blij was, dat haar vader dood was, en dat zij de hand zegende, die hem had neergeveld. Het was een vreeselijk huishouden, dat de Zwarte Peter Carey zich zelf gemaakt had en wij voelden ons als 't ware opgelucht, toen wij weer buiten in de zon stonden en een pad dwars door het veld insloegen, dat door den dooden man zelf gemaakt was.

Het huisje was zeer eenvoudig van hout opgetrokken met een dak van tengels; een raam was naast de deur en een aan de andere zijde. Stanley Hopkins haalde den sleutel uit zijn zak en had hem in het slot gestoken, toen hij plotseling met een uitdrukking van verrassing op het gelaat nauwkeurig het slot onderzocht.

"Iemand heeft getracht de deur te openen," zeide hij.

Hieraan viel niet te twijfelen. Het hout er om heen was weggesneden en het scheen zoo wit, alsof het kort geleden gedaan was. Holmes onderzocht het raam.

"Men heeft getracht ook dit te forceeren, maar wie het ook is geweest, hij is er niet in geslaagd om binnen te komen. Het moet al een zeer armzalige inbreker zijn."

"Dit is een zeer buitengewone zaak," zeide de inspecteur. "Ik zou er op durven zweren, dat deze teekens gisteren nog niet aanwezig waren."

"Misschien een of andere nieuwsgierige uit het dorp," opperde ik.

"Dat is niet waarschijnlijk. Er zullen al weinig menschen in het dorp zijn, die nu een voet op dezen grond durven zetten, laat staan in de hut gaan. Wat denkt u er van, mijnheer Holmes?"

"Ik denk, dat het geluk ons al zeer gunstig is."

"U bedoelt, dat de persoon terug zal komen?"

"Het is zeer waarschijnlijk. Hij kwam in de verwachting de deur open te zullen vinden. Hij trachtte naar binnen te gaan door het slot te openen met het lemmet van een klein pennemes. Hij kon 't niet gedaan krijgen. Wat zal hij nu doen?"

"Den volgenden nacht terugkomen met een doelmatiger stuk gereedschap."

"Dat zou ik ook zeggen. Het zal nu slechts aan ons liggen, indien wij er niet zijn om hem te ontvangen. Laat mij intusschen de hut van binnen eens bekijken."

De sporen van het drama waren verwijderd, maar overigens had men de meubelen, de kaarten enz. precies gelaten als ze waren gevonden na den moord. Gedurende twee uur bekeek Holmes met sterk gespannen aandacht elk voorwerp op zijn beurt, maar zijn gelaat toonde, dat het resultaat niet zeer bevredigend was. Slechts éénmaal onderbrak hij zijn onderzoek.

"Heb je iets van deze plank genomen, Hopkins?"

"Neen, ik heb niets van zijn plaats genomen."

[Illustratie: "Er is iemand geweest, die geprobeerd heeft de sluiting te verbreken," zei hij.]

"Iets is hier weggenomen. Er is minder stof op dezen hoek van de plank dan verder op. Het kan een boek geweest zijn. Het kan ook een doos geweest zijn. Wel, wel, ik kan niets meer doen. Laat ons een weinig in die schoone wouden rond gaan dolen, Watson, en een paar uur wijden aan de vogels en de bloemen. Wij zullen u later hier weer ontmoeten, Hopkins, en zien of wij eenigszins meer bekend kunnen worden met den heer, die in den afgeloopen nacht hier een bezoek heeft gebracht."

Het was elf uur, toen wij ons in hinderlaag opstelden. Hopkins was er voor om de deur van de hut open te laten, maar Holmes was van meening, dat hierdoor de achterdocht van den vreemdeling zou worden opgewekt. Het slot was zeer eenvoudig en alleen een stuk lemmet was noodig om het open te maken. Holmes opperde eveneens de meening, dat het beter was buiten te wachten tusschen de struiken en niet in de hut. Op die manier konden wij den man bespieden, als hij een lucifer aanstak en zien, wat zijn plannen waren voor deze nachtelijke visite.

Het was een langdurig en vervelend wachten en toch bracht het iets mee van de zenuwachtigheid, die de jager ondervindt, wanneer hij naast den waterpoel ligt en wacht op de komst van het dorstige roofdier.

Welk wreed monster zou uit de duisternis naar ons toe komen sluipen? Was het een wilde tijger der misdaad, die zich alleen zou laten vangen na een wanhopige worsteling, met zijn scherpe tanden en klauwen, of zou het blijken te zijn een sluipende jakhals, alleen gevaarlijk voor de zwakken en onbeschermden?

Stil als muizen lagen wij neergedoken tusschen de struiken, wachtende op hetgeen zou komen. Eerst hoorden wij nog de voetstappen van dorpelingen, die zich verlaat hadden, of wel stemmen uit het dorp, maar een voor een stierven deze afwisselingen weg en werd het doodstil om ons heen. Alleen hoorden wij nog het slaan van de dorpsklok en het geruisch van een fijnen motregen, die op het bladerendak boven ons neerviel.

Het had halftwee geslagen en het was het donkerste uur, dat aan den dageraad voorafging, toen wij allen werden opgeschrikt door een zacht maar duidelijk geknars in de richting van de tuindeur. Iemand was binnengekomen. Weder heerschte er geruimen tijd stilte en ik begon reeds te vreezen, dat het een valsch alarm was, toen zachte voetstappen gehoord werden aan de andere zijde van de hut. Een oogenblik later hoorden wij weder geknars. De man was bezig het slot open te breken. Ditmaal was zijn behendigheid grooter of zijn gereedschap beter, want even daarna vernamen wij het draaien van de scharnieren. Daarna werd een lucifer aangestoken en het volgend oogenblik was de hut verlicht door het flikkerend schijnsel van een kaars. Door de dunne gordijnen konden wij precies zien, wat er binnen voorviel.

De nachtelijke bezoeker was een mager jongmensch met een zwart snorretje, dat vooral de doodelijke bleekheid van zijn gelaat deed uitkomen. Hij kon niet veel ouder dan twintig jaar zijn. Ik heb nog nooit iemand gezien, die blijkbaar zoo bang was, want zijn tanden klapperden zichtbaar en hij beefde van het hoofd tot de voeten. Hij was gekleed als een heer, had een korte jas met korte broek aan en een pet op. Wij zagen, hoe hij met verschrikte oogen rondkeek. Daarna zette hij het eindje kaars op tafel en verdween in een der hoeken, waar wij hem niet konden zien. Hij kwam met een groot boek, een van de journaals, terug. Op tafel leunend, bladerde hij er in, totdat hij vond hetgeen hij zocht. Met een nijdige beweging van zijn gebalde vuist sloot hij het boek, bracht het weer naar zijn plaats en blies het licht uit. Ternauwernood had hij zich omgekeerd om de hut te verlaten, of de hand van Hopkins was aan zijn keel en ik hoorde zijn luiden gil van ontzetting, toen hij begreep, dat hij gesnapt was. De kaars werd weer aangestoken en daar stond onze ongelukkige gevangene, rillend en bevende in den ijzeren greep van den detective. Hij viel neer op de kist en keek hulpeloos van den een naar den ander.

"Nu, waarde heer," zei Stanley Hopkins, "wie ben je en wat kwam je hier doen?"

De man herstelde zich zoo goed mogelijk en keek ons aan.

"U zijt detectiven, vermoed ik," zei hij, "u denkt, dat ik betrokken ben bij den dood van kapitein Peter Carey. Ik verzeker u, dat ik onschuldig ben."

"Dat zullen wij zien," zeide Hopkins. "Allereerst, hoe is uw naam?"

[Illustratie: Hij doorbladerde snel, op de tafel leunende, het boek.]

"Ik heet John Hopley Neligan."

Ik zag Holmes en Hopkins een blik van verstandhouding wisselen.

"Wat kwaamt ge hier doen?"

"Kan ik in vertrouwen tot u spreken?"

"Neen, zeker niet."

"Waarom zou ik het dan vertellen?"

"Indien gij niets hebt te zeggen, kon het u voor de rechtbank wel eens slecht bekomen."

De jonge man aarzelde.

"Wel, ik zal het u vertellen," zeide hij. "Waarom zou ik het niet doen? En toch zou ik dit oude schandaal niet gaarne weer zien opgerakeld. Hebt u ooit gehoord van Dawson en Neligan?"

Ik kon aan het gezicht van Hopkins zien, dat hij er nooit van gehoord had; Holmes echter gaf blijk van groote belangstelling.

"U bedoelt de bankiers," zeide hij. "Zij gingen failliet met een tekort van een millioen, ruïneerden de halve bevolking van Cornwall, en Neligan maakte zich uit de voeten."

"Juist, Neligan was mijn vader."

Eindelijk kregen wij dus iets positiefs en toch scheen er een groote gaping tusschen een bankier, die met de noorderzon was verdwenen en kapitein Peter Carey, aan den wand geregen met een van zijn eigen harpoenen. Wij luisterden allen aandachtig naar hetgeen het jonge mensch te vertellen had.

"Het was mijn vader, wien alleen de zaak aanging. Dawson had zich teruggetrokken. Ik was destijds nog slechts tien jaar, maar toch oud genoeg om de schande te beseffen. Men heeft altijd beweerd, dat vader al de effecten stal en er mee van door ging. Dat was niet waar. Hij was vast en stellig er van overtuigd, dat wanneer hem de tijd gelaten werd om alles te gelde te maken, alles terecht zou komen en ieder crediteur zijn geld zou krijgen. Hij ging met zijn klein jacht naar Noorwegen, juist vóór het bevel tot zijn inhechtenisneming werd uitgevaardigd. Ik kan mij nog den laatsten avond herinneren, toen hij moeder vaarwel zeide. Hij liet een lijst achter van de effecten, die hij meenam en hij zwoer, dat hij zou terugkomen met opgericht hoofd en dat niemand, die hem vertrouwd had, nadeel zou lijden. Daarna werd er taal noch teeken ooit meer van hem gehoord. Zoowel hij als het jacht schenen verdwenen. Wij geloofden, moeder en ik, dat hij met de effecten, die hij had meegenomen, op den bodem der zee lag. Wij hadden echter een trouwen vriend, die nog zaken doet en hij ontdekte eenigen tijd geleden, dat enkele van de effecten, die mijn vader had meegenomen, weder op de Londensche beurs waren verkocht. U kunt u onze verbazing voorstellen. Maanden ben ik bezig geweest om ze op het spoor te komen en eindelijk na veel moeilijkheden vernam ik, dat de oorspronkelijke houder was geweest kapitein Peter Carey, de eigenaar van deze hut. Natuurlijk informeerde ik naar den man. Ik vond uit, dat hij het bevel gevoerd had over een walvischvaarder, die uit de Noordpoolzee terugverwacht werd omstreeks den tijd, dat mijn vader naar Noorwegen ging. De herfst van dat jaar was zeer stormachtig en er was een lange opeenvolging van stormwinden uit het Zuiden. Het was zeer goed mogelijk, dat het jacht van mijn vader noordwaarts was gedreven en daar het schip van kapitein Peter Carey had ontmoet. Als dat zoo was, wat was er dan van vader geworden? In elk geval zou, wanneer ik kon bewijzen uit de verklaring van Peter Carey, hoe deze effecten in zijn bezit en op de beurs waren gekomen, daaruit blijken, dat mijn vader ze niet had verkocht en dat hij geen persoonlijk voordeel beoogde, toen hij ze meenam.

"Ik kwam naar Sussex met het plan den kapitein op te zoeken, maar op dat oogenblik had juist zijn gewelddadige dood plaats. Ik las in het verslag een beschrijving van zijn hut, waarin ook stond, dat de oude journalen van zijn schip bewaard waren gebleven. Het viel mij op, dat, wanneer ik kon zien hetgeen in de maand Augustus 1883 aan boord van de "Sea Unicorn" was gebeurd, ik inlichtingen zou krijgen over het lot mijns vaders. Ik trachtte gisteren nacht deze boeken in te zien, maar kon de deur niet open krijgen. Van nacht probeerde ik het nog eens en slaagde, maar vond, dat de bladzijden, die betrekking hadden op die maand, uit het boek waren gescheurd. Op dat oogenblik was ik een gevangene in uw handen."

"Is dat alles?" vroeg Hopkins.

"Ja, dat is alles." Hij sloeg de oogen neer, terwijl hij het zeide.

"Hebt u niets anders te vertellen."

Hij aarzelde.

"Neen, er is niets."

"U is hier niet geweest vóór gisteren avond?"

"Neen."

"Welke verklaring hebt u dan _hiervoor_?" riep Hopkins, terwijl hij het notitieboekje met de voorletters van den gevangene op de eerste bladzijde en de bloedvlek op den omslag voor den dag haalde.

De ongelukkige viel bijna om van schrik. Hij bracht de handen voor zijn gezicht en beefde weer als een riet.

"Waar hebt u dat gevonden?" stotterde hij. "Ik wist het niet. Ik dacht, dat ik het in het hotel had verloren."

"Dat is genoeg," zeide Hopkins barsch. "Alles, wat gij nog te zeggen hebt, kunt gij voor den rechter bewaren. Thans gaat ge met me naar het politiebureau.--Wel, mijnheer Holmes, ik ben u en uw vriend zeer verplicht, dat u gekomen zijt om mij te helpen. Zooals nu gebleken is, was uw tegenwoordigheid niet noodig en zou ik de zaak ook zonder u tot dit einde hebben gebracht; niettemin ben ik u zeer dankbaar. Kamers zijn voor u in het Brambletge Hotel besproken, derhalve kunnen wij samen naar het dorp wandelen."

"Wel, Watson, wat denk je er van?" vroeg Holmes, toen wij den volgenden morgen terugreisden.

"Ik kan zien, dat ge niet voldaan zijt."

"O ja, mijn waarde Watson, ik ben volkomen tevreden. Dat neemt niet weg, dat de methodes van Stanley Hopkins mij niet bevallen. Ik heb mij in hem bedrogen. Ik koesterde betere verwachtingen van hem. Iemand moet steeds de zaken van twee kanten bekijken en daarop bedacht zijn. Dat is de stelregel bij elk onderzoek."

"Van twee zijden? En wat is dan de andere zijde?"

"Het onderzoek, dat ik heb ingesteld. Het kan misschien niets opleveren. Dat weet ik nog niet. Maar ik zal het tot het einde volgen."

In Baker-Street lagen verscheidene brieven voor Holmes. Hij nam er een op, opende hem en barstte in een zegevierend lachen uit.

"Uitmuntend, Watson. Mijn onderzoek marcheert prachtig. Heb je papier? Ja, schrijf dan een paar telegrammen voor me: "Sumner, Huurbaas Ratcliff Highway. Zend drie man tegen morgen ochtend tien uur--Basil". Dat is mijn naam daar. Het andere telegram moet geadresseerd worden: "Inspecteur Hopkins, 46, Lord Street Brixton. Kom morgen ochtend halftien ontbijten. Belangrijk. Sein, indien verhinderd--Sherlock Holmes!" Wel, Watson, deze zaak heeft mij tien dagen achtereen geen rust gelaten. Thans ban ik haar geheel uit mijn gedachten. En morgen denk ik, zullen wij er voor altijd het laatste van hooren."

Precies op tijd verscheen inspecteur Stanley Hopkins en samen deden wij het uitmuntende ontbijt, dat juffrouw Hudson had klaargezet, alle eer aan. De jonge detective was in de wolken over zijn succes.

"Dus u gelooft, dat uw oplossing de juiste is?" vroeg Holmes.

"Ik zou niet weten wat er zwak in moest zijn."

"De zaak schijnt mij toch niet gezond."

"U verbaast me, mijnheer Holmes. Wat zou er dan nog aan kunnen ontbreken?"

"Wordt elk punt door uw verklaring opgehelderd?"

"Ongetwijfeld. Ik heb uitgevonden, dat de jonge Neligan op den dag van de misdaad in het Brambletge Hotel is aangekomen. Hij kwam onder voorwendsel golf te komen spelen. Zijn kamer was gelijkvloers en hij kon uitgaan, wanneer hij dat verkoos. Dienzelfden nacht ging hij naar Woodman's Lee, sprak met Peter Carey in de hut, twistte met hem en doodde hem met den harpoen. Verschrikt over hetgeen hij had gedaan, vluchtte hij de hut uit, waarbij het notitieboekje, dat hij had meegebracht om Peter Carey over die verschillende effecten te ondervragen, op den grond viel. U zult misschien hebben opgemerkt, dat achter eenige van de effecten een kruisje was gezet. Achter de meeste stond echter niets. Die, waar een kruisje achter stond, waren in den laatsten tijd op de beurs te Londen verhandeld, maar de overige waren vermoedelijk nog in het bezit van Carey en de jonge Neligan zou, volgens zijn eigen verklaring, ze gaarne terug hebben om recht te doen wedervaren aan de crediteuren van zijn vader. Na zijn vlucht durfde hij de hut niet weer te naderen, maar eindelijk overmande hij zich om de informatie te bekomen, die hij noodig had. Dit is toch alles eenvoudig en duidelijk."

Holmes glimlachte en schudde het hoofd.

"Het schijnt mij toe, dat er een maar is, Hopkins, en dat wel, omdat de oplossing totaal onmogelijk is. Heb je wel eens getracht een harpoen door een lichaam te drijven? Neen? Tut tut, beste mijnheer, u moet werkelijk aan dergelijke dingen uw aandacht wijden. Mijn vriend Watson zou u kunnen vertellen, dat ik mij een geheelen morgen met die oefening heb bezig gehouden. Het is niet gemakkelijk en er is een sterke en geoefende arm voor noodig. Maar deze stoot werd met zulk een kracht toegebracht, dat de punt van het wapen zelfs nog diep in den houten wand drong. Is u van meening, dat dit aan bloedarmoede lijdende jongmensch bij machte geweest is zulk een vreeselijken aanslag te doen? Is hij de man, die met Zwarten Peter rhum met water zat te slurpen in het holle van den nacht? Was het zijn profiel, hetwelk twee nachten vroeger op de gordijnen is gezien? Neen, neen, Hopkins, wij moeten naar een ander en meer gevaarlijk persoon zoeken."

Het gezicht van den detective werd gestadig langer, terwijl Holmes sprak. Zijn hoop en eerzucht kregen het zwaar te verantwoorden. Maar hij wilde zoo maar zijn stelling niet prijs geven.