De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes
Chapter 13
Wij vervolgden onze systematische enquête en onderzochten stuk voor stuk de randen van het moeras en de heide. Spoedig werd onze volharding beloond. Recht door het langste gedeelte van het moeras liep een pad. Holmes slaakte een kreet van voldoening, toen hij dit naderde. Een indruk als van een bundel telegraafdraden was in het midden. Dat was het spoor van den Palmerband.
"Dat is ongeveer het spoor van Herr Heidegger," riep Holmes opgewonden. "Mijn redeneering schijnt dus wel goed geweest te zijn, Watson."
"Ik feliciteer je."
"Maar er ligt nog heel wat voor ons te doen. Wees zoo goed en loop niet in het spoor. Laat ons het nu volgen. Ik vrees, dat het niet ver zal leiden."
Wij vonden echter, dat dit gedeelte van de heide doorkruist werd door weeke strooken gronds en ofschoon wij dikwijls het spoor bijster waren, slaagden wij er telkens weder in het terug te vinden.
"Merk je op," zei Holmes, "dat de rijder hier merkbaar sneller is gaan rijden? Daar valt niet aan te twijfelen. Kijk eens naar dezen indruk, waar de beide banden zijn te onderscheiden. De indrukken zijn even diep. Dat kan alleen verklaard worden, doordat de rijder zijn gewicht heeft overgebracht naar het stuur, hetgeen alleen gedaan wordt bij zeer hard rijden. Bij Jupiter, hij is gevallen ook." Er was een plek, waar de grond omgewoeld was. Dan volgden eenige voetstappen en toen weer de indruk van den band.
"Zeker geslipt," merkte ik op.
Holmes trok een bremstruik naar zich toe. Tot mijn schrik bemerkte ik, dat de blaadjes gedeeltelijk rood gekleurd waren. Ik zag nu ook op het pad donkere vlekken en verdroogd bloed.
"Slecht," zei Holmes. "Slecht! Blijf staan, Watson. Geen onnoodige voetstappen. Wat kan ik hier lezen! Hij viel gewond neer, stond op, steeg weer op en ging verder. Maar er is geen ander spoor. Hier aan dezen kant heeft een koe geloopen. Hij kan toch niet door een stier aangevallen zijn? Onmogelijk. Maar ik zie geen andere sporen. Wij moeten verder gaan, Watson. Met bloedvlekken op den grond als hier om ons te leiden, kan hij ons nu niet ontsnappen."
Ons zoeken duurde niet lang. De indruk van den band begon allerlei onregelmatige bochten te vertoonen op het vochtige, glibberige pad. Plotseling zag ik, terwijl ik voor mij uitkeek, iets glinsteren te midden van de dichte struiken. Wij haalden er een fiets uit met Palmerbanden, een pedaal verbogen en het geheele voorgedeelte vol bloed. Aan de andere zijde van het boschje was juist een schoen zichtbaar. Wij renden er heen en daar lag de ongelukkige wielrijder.
Het was een lange man, met een zwaren baard en een bril op, waarvan een glas gebroken was. De oorzaak van zijn dood was een zware slag op het hoofd, waardoor een gedeelte van de hersenpan was verbrijzeld. Dat hij na het ontvangen van zulk een wonde nog verder had kunnen gaan, pleitte wel voor zijn volhardingsvermogen en zijn moed. Hij had schoenen aan, maar geen sokken en van onder zijn jas kwam een nachthemd te voorschijn. Het was ongetwijfeld de Duitsche onderwijzer.
Holmes keerde voorzichtig het lijk om en onderzocht het met groote nauwkeurigheid. Hij bleef vervolgens langen tijd in gedachten verzonken en ik kon zien aan zijn saamgetrokken wenkbrauwen, dat volgens zijn meening de ijselijke ontdekking ons niet veel verder gebracht had bij ons onderzoek.
[Illustratie: Daar lag de ongelukkige wielrijder.]
"Het is nu een weinig moeilijk om te weten, wat wij thans moeten doen, Watson," zeide hij eindelijk. "Mijn eigen meening is, dat wij dit onderzoek moeten voortzetten, want wij hebben reeds zooveel tijd verloren, dat wij geen uur meer hebben te verliezen. Aan den anderen kant zijn wij verplicht de politie in kennis te stellen met onze ontdekking en te zorgen, dat het lijk van dezen ongelukkigen man naar elders wordt overgebracht."
"Kan ik niet even een boodschap wegbrengen?"
"Maar ik heb je gezelschap en je hulp noodig."
"Wacht even. Daar in de verte zie ik iemand bezig op de heide. Ik breng den man hier en hij zal de politie den weg kunnen wijzen."
Ik bracht den boer bij Holmes en deze zond den verschrikten man met een briefje naar dr. Huxtable.
"Nu, Watson," zeide hij, "hebben wij van morgen twee uitgangspunten opgediept. Het eene was de fiets met de Palmerbanden en je ziet, waar ons dat gebracht heeft. Het andere is de fiets met de Dunlopbanden. Voordat wij echter beginnen met een onderzoek hiervan, moeten wij trachten hetgeen wij weten te ontleden en het toevallige van het niet-toevallige te scheiden.
"In de eerste plaats wil ik je er op wijzen, dat de knaap zeker en gewis uit vrijen wil is weggegaan. Hij is uit het raam geklommen en hij ging of alleen weg of in gezelschap. Dat staat vast."
Ik knikte.
"Goed, laten we ons nu bezighouden met dezen ongelukkigen Duitscher. De knaap was geheel gekleed, toen hij de vlucht nam. Hij heeft derhalve te voren geweten, dat hij weg zou gaan. De Duitscher ging echter zonder zijn sokken. Hij had haast om weg te komen."
"Zonder twijfel."
"Waarom ging hij? Omdat hij van uit zijn raam den knaap zag vluchten. Omdat hij hem wenschte in te halen en terug te brengen. Hij haalde zijn fiets te voorschijn, achtervolgde den knaap en kwam op den tocht om het leven."
"Zoo schijnt het gegaan te zijn."
"Nu kom ik tot het critieke punt van mijn redeneering. In een gewoon geval zou een man bij het vervolgen van een kleinen jongen hem achterna ijlen. Hij kon immers weten, dat hij hem gemakkelijk zou kunnen inhalen. De Duitscher doet dit echter niet. Hij neemt zijn fiets. Men heeft mij verteld, dat hij een uitstekend wielrijder was. Hij zou echter niet aan zijn fiets gedacht hebben, indien hij niet gezien had, dat de knaap op de een of andere wijze sneller kon wegkomen dan hij kon loopen."
"De andere fiets."
"Laat ons de feiten verder onderzoeken. Hij vindt den dood vijf mijlen van de school--niet, let wel, door een kogel, welke zelfs een knaap zou kunnen afschieten, maar door een geweldigen slag, toegebracht door een krachtigen arm. De knaap _had_ derhalve iemand bij zich, toen hij vluchtte. En hij vluchtte snel, daar eerst na het afleggen van vijf mijl een goed wielrijder hem kon achterhalen. Wij hebben den grond om en nabij de plek, waar het treurspel is afgespeeld, onderzocht. Wat vonden wij daar? Niets anders dan eenige sporen van koeienpooten. Ik maakte een groote bocht, maar binnen een omtrek van vijftien meter ontdekte ik geen enkel begaanbaar pad. Een ander wielrijder kon derhalve niet betrokken zijn bij dezen moord. Maar er waren evenmin sporen van menschen."
"Holmes," riep ik, "dat is onmogelijk."
"Bewonderenswaardig!" zei hij. "Een opmerking, die hout snijdt. Het _is_ onmogelijk, zooals ik het uitleg en daarom moet ik mij in een of ander onderdeel vergist hebben. Toch heb je zelf ook alles kunnen zien. Heb je iets op mijn redeneering aan te merken?"
"Zou hij die wonde niet hebben opgedaan ten gevolge van een val?"
"In een moeras, Watson?"
"Ja, dan begrijp ik er niets meer van."
"Tut, tut, wij hebben nog wel eens moeilijker vraagstukken opgelost. Wij hebben in elk geval feiten genoeg voor ons, als wij ze maar in verband met elkander weten te brengen. Komaan, nu wij niets meer aan de Palmerbanden hebben, moeten wij zien, wat wij van de Dunlop kunnen leeren."
Wij volgden het eerste spoor over een grooten afstand. Weldra bereikten wij echter een punt, waar de heide begon te glooien en het drassige gedeelte plaats maakte voor harden grond. Hier konden wij niet meer hopen op de hulp van een spoor. Op de plek, waar de indruk van de Dunlop het laatst was te onderscheiden, viel niet na te gaan, waar de wielrijder heen gegaan was. Het kon naar Holdernesse Hall, waarvan de statige torens zich eenige mijlen links van ons verhieven, zijn, maar even goed naar een klein dorpje, dat recht voor ons lag en aanwees, waar de groote weg naar Chesterfield gezocht moest worden.
Toen wij de onaanzienlijke en vervallen herberg met een haan boven de deur naderden, slaakte Holmes plotseling een pijnlijken kreet--greep mij bij den schouder om niet te vallen. Hij had zijn enkel zoodanig verzwikt, dat hij bijna niet meer kon loopen. Zoo goed en zoo kwaad als 't ging, hinkte hij naar de deur, waarin een zwaar gebouwde, donker uitziende man op leeftijd een steenen pijp stond te rooken.
"Hoe gaat het u, Reuben Hayes?" vroeg Holmes.
"Wie ben je en hoe weet je zoo goed hoe ik heet?" vroeg de man op zijn beurt, met een achterdochtigen blik van zijn sluwe oogen.
"Wel, het staat op het bord boven je hoofd. Het is gemakkelijk aan iemand te zien of hij de heer des huizes is, ja of neen. Hebt u misschien ook een rijtuig in uw stal?"
"Neen, dat heb ik niet."
"Ik kan ternauwernood mijn voet op den grond zetten."
"Zet hem dan niet op den grond."
"Maar ik kan niet loopen."
"Wel, dan moet je dansen."
De manieren van mijnheer Reuben Hayes waren alles behalve beleefd, maar Holmes toonde zich heelemaal niet uit het veld geslagen.
"Kijk eens hier, man," zei hij. "Dit is werkelijk een lastige geschiedenis voor mij. Het kan mij niet schelen op welke wijze ik verder kom."
"Mij ook niet," zei de onvriendelijke herbergier.
"De zaak is van het hoogste gewicht. Ik zou je graag twaalf gulden willen geven voor het leenen van een fiets."
De herbergier spitste de ooren.
"Waar wil je heen gaan?"
"Naar Holdernesse Hall."
"Lieden van den hertog, is het niet?" zei de herbergier, onze met modder bevlekte kleederen met een ironischen blik beschouwend.
[Illustratie: Met moeite hinkte hij tot aan de deur.]
Holmes lachte goedhartig.
"In elk geval zal hij blij zijn, wanneer hij ons ziet."
"Waarom?"
"Omdat wij hem nieuws brengen van zijn verloren zoon."
De man schrok merkbaar.
"Wat, ben jullie hem op het spoor?"
"Men heeft in Liverpool van hem gehoord. Men verwacht, dat hij elk oogenblik gevat zal worden."
Weder kwam er een snelle verandering in het ongeschoren gelaat. De man werd plotseling vriendelijk.
"Ik heb al heel weinig redenen om den hertog een goed hart toe te dragen," zeide hij, "want ik was indertijd zijn eerste koetsier en hij heeft mij gemeen behandeld. Hij gaf mij mijn ontslag op staanden voet naar aanleiding van hetgeen een onbetrouwbare marskramer geliefde te vertellen. Maar ik ben blij, dat men te Liverpool van den jongen lord gehoord heeft en ik zal jullie helpen om het nieuws naar de Hall te brengen."
"Dank u," zei Holmes. "Wij zouden eerst echter wel wat willen eten. Daarna kunt ge de fiets voorbrengen."
"Ik heb geen fiets."
Holmes hield zijn portemonnaie op.
"Ik zeg je man, dat ik er geen heb. Ik zal je echter met twee paarden naar de Hall laten brengen."
"Wel," zei Holmes, "daar zullen wij nader over praten, wanneer wij gegeten hebben."
Toen wij alleen waren in de keuken was het opmerkelijk, zoo spoedig als de enkel van Holmes weer normaal werd. Het was bijna avond en wij hadden sedert den vroegen morgen niets gehad, zoodat wij tamelijk lang over ons maal deden. Holmes zat in gedachten verdiept, liep een- of tweemaal naar het raam en keek met ernstig gelaat naar buiten. Het raam kwam uit op een vierkante plaats. In den versten hoek was een hoefsmederij, waar een jongen aan het werk was. Aan den anderen kant was de stal. Holmes was, na voor het raam gestaan te hebben, weer gaan zitten en zat te denken. Plotseling sprong hij met een uitroep van zijn stoel.
"Bij den hemel, Watson, ik geloof, dat ik het gevonden heb," riep hij. "Ja, ja, zoo moet het zijn. Watson, herinner je je vandaag sporen van koeien te hebben gezien?"
"Ja, verscheidene."
"Waar?"
"Wel, overal. Zij waren in het moeras en ook op het pad evenals op de plek, waar de arme Heidegger den dood vond."
"Juist. Welnu, Watson, hoeveel koeien heb je op de heide gezien?"
"Ik herinner mij niet er een te hebben gezien."
"Vreemd, Watson, dat wij langs den geheelen weg sporen van koeien zagen, maar op de heide zelf niet een enkele koe. Zeer vreemd, is 't niet, Watson?"
"Ja, zeer vreemd."
"Nu, Watson, span je eens even in. Kunt ge je nog herinneren, hoe die sporen er uitzagen?"
"Ja, dat kan ik."
"Kunt ge je herinneren of de sporen er uitzagen ongeveer zoo?"--hij legde een aantal broodkruimpjes in groepjes op tafel-- : : : : --"en soms-- : · : · : · : --en eindelijk-- . · . · . · . · --Kunt ge je dat herinneren?"
"Neen, dat weet ik niet meer."
"Maar ik wel. Ik zou er op kunnen zweren. Wij zullen echter teruggaan en het op ons gemak nog eens nagaan. Wat ben ik een blinde ezel geweest om niet eerder die gevolgtrekking te maken."
"En welke conclusie is dat?"
"Alleen, dat het een merkwaardige koe moet zijn, die loopt, draaft, springt. Bij George, Watson, het was geen boertje, dat zulk een list wist te verzinnen. De kust schijnt veilig te zijn, wanneer wij dien jongen in de smederij niet meetellen. Laat ons naar buiten gaan en trachten te zien, wat er te zien is."
Er stonden twee paarden in den stal. Holmes tilde den achterpoot van een dezer op en lachte luid.
"Oude hoefijzers, maar pas beslagen, oude hoefijzers en nieuwe spijkers. Dit geval behoort te worden gerangschikt onder de klassieke gevallen. Laat ons eens in de smederij gaan zien."
De jongen ging door met zijn werk zonder acht op ons te slaan. Ik zag de oogen van Holmes links en rechts gaan over de massa ijzer en hout, die over den vloer verspreid lag. Plotseling hoorden wij echter voetstappen achter ons en daar stond de herbergier met van woede verwrongen gelaatstrekken en met oogen, die fonkelden van onder de zwarte wenkbrauwen.
Hij hield een korten, met koper beslagen stok in zijn hand en kwam zoo dreigend naar ons toe, dat ik werkelijk blij was mijn revolver in mijn zak te voelen.
"Gij, ellendige spionnen!" riep de man. "Wat doen jullie hier?"
"Wel, mijnheer Reuben Hayes," antwoordde Holmes koel, "men zou denken, dat gij bang zijt, dat wij iets kwaads zullen ontdekken."
De man herstelde zich en zijn strenge mond plooide zich tot een valschen lach, die meer dreigend was dan zijn woede.
"Gij moogt in de smederij zoeken, wat gij er kunt vinden," zei hij. "Maar hoor eens, heeren, ik houd er niet van, dat de menschen in mijn huis rondscharrelen zonder mijn permissie, dus hoe gauwer jullie je vertering betaalt en weggaat, hoe liever het mij zal zijn."
"All right, mijnheer Hayes--wij bedoelden niets kwaads," zei Holmes. "Wij hebben eens naar uw paarden gekeken, maar ik denk, dat ik toch maar zal wandelen. Het is, geloof ik, niet ver."
"Niet meer dan twee mijl tot aan de poorten van de Hall. Daar links loopt de weg." Hij keek ons met nijdige oogen na, totdat wij zijn huis hadden verlaten.
Wij gingen niet ver langs den weg, want Holmes bleef staan, zoodra wij door een kromming uit het gezicht van den herbergier waren.
"Wij waren warm, zooals de kinderen zeggen, in die herberg," zei hij. "Ik schijn kouder te worden bij elken stap, dien ik verder wegga. Neen, neen. Ik kan met geen mogelijkheid weggaan."
"Ik ben overtuigd," zei ik, "dat deze Reuben Hayes er alles van weet. Aan alles kan men bemerken met een schurk te doen te hebben."
"O, kreeg je dien indruk van hem? Daar zijn de paarden, daar is de smederij. Ja, deze herberg "De Vechtende Haan" is een interessante plek. Ik denk, dat wij er nog eens zullen moeten kijken, maar dan minder opzienbarend."
[Illustratie: De man vloog ons voorbij op den weg.]
Een lange, glooiende weg, aan weerszijden waarvan grijze steenen palen stonden, strekte zich achter ons uit. Wij waren van den weg afgegaan en wilden den heuvel opgaan, toen ik uit de richting van Holdernesse Hall een wielrijder in volle vaart zag naderen.
"Bukken, Watson," riep Holmes en met zijn hand drukte hij mij op den schouder. Nauwelijks waren wij onzichtbaar geworden, of de man snorde langs ons. Te midden van een rollende golf stof zag ik iets van een bleek, opgewonden gelaat, een gelaat met schrik geteekend in elken trek, den mond open, terwijl de oogen wild vooruitstaarden.
Het was een vreemd uitstapje van den dapperen James Wilder, dien wij den vorigen avond hadden ontmoet.
"De secretaris van den hertog," riep Holmes. "Kom, Watson, laat ons eens zien, wat hij doet."
Wij klauterden van heuvel tot heuvel, tot wij na eenige oogenblikken een punt bereikt hadden, waar wij de raadselen van de herberg konden zien. Niemand bewoog zich buiten het huis en Wilder's fiets stond tegen den muur. Langzaam werd het duister, nadat de zon verdwenen was achter de hooge torens van Holdernesse Hall. Eindelijk zagen wij in de duisternis de twee lichten van een tilbury, die stond nabij de herberg, en kort daarop hoorden wij het geratel van het rijtuigje, dat in woedende vaart verdween in de richting van Chesterfield.
"Wat denk je daarvan, Watson?" fluisterde Holmes. "Het heeft veel van een vlucht."
"Een enkel man in de tilbury, voor zoover ik kon zien. Wel, in elk geval was het James Wilder niet, want daar komt hij aan de deur."
Een roode lichtstraal werd zichtbaar in de duisternis. In het midden stond de zwarte gestalte van den secretaris, die langs den donkeren weg tuurde. Het was duidelijk, dat hij iemand verwachtte. Eindelijk hoorden wij iemand langs den weg komen, voor een oogenblik werd een tweede gestalte zichtbaar tegen het licht, de deur werd gesloten en alles was weder duister. Vijf minuten later werd op de eerste verdieping een lamp aangestoken.
"Het schijnt, dat men in "De Vechtende Haan" er zonderlinge manieren op nahoudt," zei Holmes.
"De bar is aan den anderen kant."
"Juist. Dit zijn, wat wij zouden kunnen noemen bekende klanten. Maar wat ter wereld zou mijnheer James Wilder op dat uur in dit krot doen, en wie is de man, die hem daar komt opzoeken? Kom, Watson, wij moeten iets wagen en dat een weinig nader trachten te onderzoeken."
Samen slopen wij langs den weg en kropen tot aan de deur van de herberg. De fiets stond nog tegen den muur. Holmes stak een lucifer op, hield dien bij het achterwiel en ik hoorde hem zacht lachen, toen het licht op een Dunlopband viel. Boven ons was het verlichte venster.
"Ik moet daar even naar binnen kijken, Watson. Als je je rug buigt en je aan den muur vasthoudt, zal het wel gaan."
Een oogenblik later stond hij op mijn schouders. Nauwelijks er op, sprong hij er echter weer af.
"Kom, mijn vriend," zei hij, "onze dagtaak is reeds lang genoeg geweest. Ik denk, dat wij alle gegevens verzameld hebben, die wij noodig hebben. Het is een verre wandeling naar de school, en hoe eerder wij teruggaan, hoe beter."
Hij deed ternauwernood onderweg een mond open en hij ging ook de school niet binnen, toen wij deze hadden bereikt, maar ging naar het station Mackleton, om van daar eenige telegrammen te verzenden. Laat in den nacht hoorde ik hem dr. Huxtable toespreken, daar de goede man geheel van streek was door den dood van zijn onderwijzer en even later kwam hij mijn kamer binnen, even opgewekt en frisch als toen wij 's morgens waren vertrokken. "Alles gaat goed, vriend," zeide hij. "Ik geloof, dat wij voor morgen avond de oplossing van het geheim zullen hebben."
* * * * *
Om elf uur wandelden wij den volgenden dag door de beroemde eikenlaan van Holdernesse Hall en wij werden, na binnengeleid te zijn, gebracht naar het studeervertrek van den hertog. Daar vonden wij den heer James Wilder, hoffelijk en deftig, maar toch droeg zijn gelaat nog de sporen van den wilden schrik van den vorigen nacht en in zijn oogen was nog iets van den doorgestanen angst te lezen.
"U is gekomen om den hertog te spreken? Het spijt mij, maar Zijne Genade is zeer onwel. Hij is zeer terneergeslagen door het treurige nieuws. Wij ontvingen gisteren een telegram van dr. Huxtable, waarin hij mededeeling deed van uw ontdekking."
"Ik _moet_ den hertog spreken."
"Maar hij is nog op zijn kamer."
"Dan moet ik daarheen gaan."
"Ik geloof, dat hij nog te bed ligt."
"Nu, dan maar naar zijn bed."
De koele, kalme manier van Holmes toonde den secretaris, dat er niets tegen in te brengen was.
"Zeer goed, mijnheer Holmes, ik zal zeggen, dat u hier is."
Na een half uur wachtens verscheen de groote edelman. Zijn gelaat was lijkkleurig, zijn schouders leken veel smaller en hij scheen mij veel ouder toe dan den vorigen dag. Hij groette ons met statige hoffelijkheid en ging aan zijn schrijfbureau zitten, waar zijn roode baard tot op de tafel afhing.
"Wel, mijnheer Holmes?" vroeg hij.
De oogen van mijn vriend waren echter gevestigd op den secretaris, bij den stoel zijns meesters staande.
"Ik denk, Uwe Genade, dat ik vrijer zou kunnen spreken, wanneer mijnheer Wilder er niet bij was."
De man verbleekte en wierp Holmes een nijdigen blik toe.
"Als Uwe Genade 't wenscht?"
"Ja, ja, ga. Nu, mijnheer Holmes, wat hebt u te zeggen?" Mijn vriend wachtte tot de deur gesloten was achter den secretaris.
"Het feit is, Uwe Genade," zei hij, "dat mijn collega dr. Watson en ik de verzekering van dr. Huxtable hadden gekregen, dat een belooning was uitgeloofd in deze zaak. Ik zou gaarne zien, dat u dit persoonlijk bevestigdet."
"Zeker, mijnheer Holmes."
"Het bedrag, ten minste als ik wel ben ingelicht, was 5000 pond voor hem, die zegt waar uw zoon is."
"Juist."
"En nog eens duizend pond voor hem, die zegt, wie de personen waren, die hem gevangen hielden."
"Juist."
"Onder de laatsten zijn ongetwijfeld ook begrepen degenen, die er toe bijdragen, dat hij in zijn tegenwoordigen toestand blijft?"
"Ja, ja," riep de hertog ongeduldig. "Indien u uw werk goed doet, mijnheer Holmes, zult gij u niet over een schrale behandeling hebben te beklagen."
Mijn vriend wreef zich in de handen met een schijn van begeerigheid, die voor mij een verrassing was, daar ik zijn gewoonten tamelijk wel kende.
"Ik meen uw chèque-boek daar te zien liggen," zei hij. "Het zou mij aangenaam zijn, indien Uwe Genade een chèque wilde uitschrijven voor 6000 pond. Misschien is het niet kwaad de chèque te endosseeren. De Capital and Counties Bank zijn mijn agenten."
Zijne Genade ging rechtop zitten en keek mijn vriend ijskoud aan.
"Is dit scherts, mijnheer Holmes? Het is toch waarlijk geen onderwerp voor zoodanige grap."
"In het geheel niet, Uwe Genade. Ik was nooit ernstiger in mijn leven dan op dit oogenblik."
"Wat bedoelt u dan?"
"Ik bedoel, dat ik de belooning heb verdiend. Ik weet, waar uw zoon is en ik weet, wie hem hebben vastgehouden."
De baard van den hertog scheen nog rooder te worden, vergeleken bij het bleeke gelaat.
"Waar is hij?" stamelde hij.
"Hij is of was gisteren avond in "De Vechtende Haan", de herberg hier twee mijl vandaan."
De hertog leunde achterover in zijn stoel.
"En wien beschuldigt gij dan?"
Het antwoord van Holmes was verrassend. Hij stapte snel naar voren en tikte den hertog op den schouder.
"Ik beschuldig _u_," zei hij. "En nu, Uwe Genade, mag ik u om die chèque verzoeken?"
Nooit zal ik het voorkomen vergeten van den hertog, toen hij opsprong en met zijn handen zwaaide als iemand, die in een afgrond zinkt. Maar dadelijk zat hij weder met een buitengewone poging van aristocratische zelfbeheersching neder en liet het gelaat in de beide handen zinken. Het duurde eenige minuten voor hij sprak.
"Hoeveel weet gij?" vroeg hij eindelijk zonder op te kijken.
"Ik zag u beiden gisteren avond bij elkander."
"Weet iemand behalve uw vriend hiervan iets?"
"Ik heb er met niemand over gesproken."
"Ik zal mijn woord gestand doen, mijnheer Holmes. Ik zal de chèque schrijven, hoe onwelkom de informatie, die ik van u heb gekregen, ook voor mij is. Toen de belooning werd uitgeloofd, kon ik niet vermoeden, dat de zaak zulk een wending zou nemen. Maar gij en uw vriend zijn mannen, die weten te zwijgen."
[Illustratie: De moordenaar is ontsnapt.]
"Ik begrijp Uwe Genade niet."
"Ik moet mij duidelijker uitdrukken, mr. Holmes. Als gij alleen met dit incident bekend zijt, is er geen reden, dat we er nog meer van hooren. Ik denk, dat ik u twaalf duizend pond schuldig ben, is het niet?"
Holmes glimlachte en schudde het hoofd.
"Ik vrees, Uwe Genade, dat de zaak niet zoo gemakkelijk kan worden afgedaan. Wij mogen den moord op den schoolmeester niet uit het oog verliezen."