De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes

Chapter 12

Chapter 124,034 wordsPublic domain

"Toen Lord Saltire's verdwijning ontdekt was, liet ik terstond alle personen in mijn inrichting bij elkander komen, onderwijzers, dienstpersoneel en de jongens. Toen bemerkten wij, dat Lord Saltire waarschijnlijk niet alleen was geweest bij zijn vlucht. Heidegger, de onderwijzer in het Duitsch, werd ook vermist. Zijn kamer was op de tweede verdieping, aan het andere eind van het gebouw en kwam op dezelfde zijde uit als het vertrek van Lord Saltire. Hij had ook geslapen; maar klaarblijkelijk was hij slechts gedeeltelijk gekleed weggegaan, daar zijn boord en zijn sokken nog in zijn kamer lagen. Hij was ongetwijfeld ook langs het klimop naar beneden geklauterd, want wij konden zijn voetsporen zien, daar waar hij op den grond was neergekomen. Zijn fiets werd bewaard in een klein huisje naast de laan en deze was weg.

"Hij was twee jaar bij mij geweest en kwam met zeer goede getuigschriften; hij was echter een stil en in zich zelf gekeerd man en niet bijzonder populair bij de leerlingen, evenmin als bij de onderwijzers. Van de vluchtelingen kon geen spoor ontdekt worden, en thans op Donderdagmorgen zijn wij even wijs als wij Dinsdag waren. Op Holdernesse Hall werd natuurlijk terstond navraag gedaan. Het is slechts eenige mijlen ver en wij dachten, dat de jongen in een plotseling verlangen naar huis, naar zijn vader was teruggekeerd; daar had men echter niets van hem gehoord of gezien. De hertog is zeer opgewonden--en wat mij betreft, wel, u hebt zelf gezien, in welk een staat van overspanning ik mij bevind ten gevolge van deze zaak. Mijnheer Holmes, indien u ooit al uw vermogens aan het werk zette, smeek ik u het nu te doen, want nooit in uw leven zult u een geval krijgen, dat meer waard is al uw aandacht er aan te besteden."

Sherlock Holmes had met gespannen aandacht geluisterd naar de mededeelingen van den ongelukkigen schoolmeester. Zijn saamgetrokken wenkbrauwen en de diepe rimpels in zijn voorhoofd toonden aan, dat hij geen aanmoediging behoefde om al zijn aandacht te concentreeren op een probleem, dat, afgescheiden van de groote belangen, die er bij waren betrokken, zoo direct zijn liefde voor het ingewikkelde en ongewone moest opwekken. Hij haalde zijn notitieboekje voor den dag en krabbelde eenige aanteekeningen neer.

"U zijt zeer nalatig geweest door niet eerder bij mij te komen," zei hij streng. "U begint zoodoende mij bij mijn onderzoek reeds dadelijk te dwarsboomen. Het is bijvoorbeeld niet aan te nemen, dat de klimop in de laan voor een opmerkzaam toeschouwer niets merkwaardigs opgeleverd zou hebben."

"Mij kan geen blaam in dat opzicht treffen. Zijne Genade wilde in elk geval alle publiek schandaal vermijden. Hij was bang, dat zijn ongelukkig familieleven zoodoende al te ruchtbaar zou worden. Hij zou voor geen geld ter wereld willen, dat dit gebeurde."

"Maar er is toch zeker een officieel onderzoek ingesteld door de politie?"

"Ja, mijnheer, maar dat heeft al zeer weinig opgeleverd. Oogenschijnlijk was reeds dadelijk een spoor ontdekt, daar gemeld werd aan een naburig station, dat men 's morgens vroeg een jongen en een man gezien had, die met den trein waren vertrokken. Eerst gisteren avond kregen wij bericht, dat men deze beiden had opgespoord in Liverpool en dat daar gebleken is, dat zij hoegenaamd niets met het geval hadden uit te staan. Daarna kwam ik in mijn wanhoop en teleurstelling, na een slapeloozen nacht, regelrecht naar u toe met den vroegtrein."

"Ik vermoed, dat het plaatselijk onderzoek verslapte tijdens dat het valsche spoor werd gevolgd."

"Men deed in dien tusschentijd niets."

"Zoodat drie dagen zijn verloren gegaan. De zaak is allertreurigst behandeld."

"Dat weet ik en stem ik toe."

"En toch is het vraagstuk nog wel op te lossen. Ik zal althans met genoegen het onderzoek op mij nemen. Is u er in geslaagd eenig verband te vinden tusschen den vermisten knaap en dien Duitschen onderwijzer?"

"In het geheel niet."

"Kreeg de knaap reeds onderricht van dezen onderwijzer?"

"Neen, hij heeft, voor zoover ik weet, geen woord ooit met hem gewisseld."

"Dat is zeker zeer vreemd. Had de knaap een fiets?"

"Neen."

"Werd een fiets van een anderen knaap vermist?"

"Neen."

"Is dat zeker?"

"Bepaald."

"Wel, u zult zeker niet willen beweren, dat de Duitscher op een fiets in een donkeren nacht is weggereden, terwijl hij den knaap in zijn armen hield?"

"Zeker niet."

"Wat is dan de theorie, die u er op nahoudt?"

"De fiets kan gediend hebben om ons op een dwaalspoor te brengen. Zij kan hier of daar verborgen zijn en het paar dan te voet zijn weggegaan."

"Juist; maar het schijnt dan toch wel een eigenaardig dwaalspoor, niet waar? Waren er nog andere fietsen in dat schuurtje?"

[Illustratie: Welke theorie houdt u er op na?]

"Verscheidene."

"Zouden zij er geen twee hebben verstopt, indien zij het denkbeeld wilden opwekken, dat zij per rijwiel waren vertrokken?"

"Dat denk ik wel."

"Natuurlijk zouden zij dat gedaan hebben. Deze theorie deugt dan ook niet. Maar het incident is een uitstekend punt van uitgang voor een onderzoek. Een fiets is nu eenmaal niet gemakkelijk te verbergen of te verruilen. Nog een vraag. Is er iemand geweest om naar den knaap te zien op den dag, vóór hij verdween?"

"Neen."

"Heeft hij toen een brief gekregen?"

"Ja, een brief."

"Van wien?"

"Van zijn vader."

"Opendet u de brieven van den knaap?"

"Neen."

"Hoe weet u dan, dat hij van zijn vader kwam?"

"Het wapen stond op de enveloppe en het adres was geschreven in het stijve handschrift van den hertog. Bovendien herinnert de hertog zich, dat hij geschreven heeft."

"En heeft hij daarop geen brief ontvangen?"

"Niet in de laatste dagen."

"Kreeg hij geen brief uit Frankrijk?"

"Neen, nooit."

"U ziet natuurlijk waarheen ik wil. Of de knaap is ontvoerd met geweld, of hij is uit eigen vrijen wil gegaan. In het laatste geval mag men verwachten, dat eenige pressie van buiten noodig was, om zulk een jongen knaap tot zulk een stap te krijgen. Indien er geen bezoekers bij hem zijn geweest, moet die pressie zijn uitgeoefend per brief. Vandaar dat ik tracht uit te visschen, wie aan hem heeft geschreven."

"Ik vrees, dat ik u niet veel wijzer kan maken. De eenige, die hem schreef, was, voor zoover ik weet, zijn vader."

"Die hem een brief zond op den dag van zijn verdwijnen. Was de verstandhouding tusschen vader en zoon goed?"

"Zijne Genade is nooit vriendelijk tegen iemand. Hij wordt geheel en al in beslag genomen door algemeene openbare aangelegenheden en is onvatbaar voor alle gewone emoties. Maar op zijn manier was hij vriendelijk jegens den knaap."

"Deze genoot de sympathie van zijn moeder?"

"Ja."

"Heeft hij het wel eens gezegd?"

"Neen."

"De hertog dan?"

"Goede hemel, neen."

"Maar hoe weet u dit dan?"

"Ik heb met mijnheer James Wilder, den secretaris van Zijne Genade, een vertrouwelijk gesprek gehad. Hij was het, die mij voorlichtte omtrent de gevoelens van Lord Saltire."

"Ik begrijp het. Is misschien de brief, dien de hertog zijn zoon geschreven had, in dat vertrek achtergebleven?"

"Neen, dien had hij meegenomen. Ik denk, mijnheer Holmes, dat het tijd wordt, dat wij naar Euston gaan."

"Ik zal een rijtuig voor laten komen. Over een kwartier zijn wij tot uw dienst. Indien u naar huis telegrafeert, mijnheer Huxtable, zou het goed zijn de lieden in den waan te laten, dat het onderzoek nog steeds te Liverpool wordt voortgezet, of waar elders uw politie het gelieft in te stellen. In den tusschentijd zal ik eenige naspeuringen doen op het terrein zelf en misschien is het spoor nog niet zoo oud, of twee oude speurhonden als Watson en ik kunnen het wel volgen."

* * * * *

Dien avond bevonden wij ons in de koude frissche atmosfeer van de Peah-landstreek, waarin de beroemde school van dr. Huxtable is gelegen. Het was reeds donker, toen wij er aankwamen. Een kaartje lag op de tafel in de vestibule en de huisknecht fluisterde zijn meester iets in het oor, dat deze dadelijk opgewonden naar ons deed toe komen.

"De hertog is hier," zei hij. "De hertog en mijnheer Wilder zijn in de spreekkamer. Komt, heeren, ik zal u even voorstellen."

Ik kende natuurlijk den beroemden staatsman van aanzien, maar de man was nu geheel anders dan hij gewoonlijk werd afgebeeld. Het was een forsch en statig persoon, in de puntjes gekleed, met een lang smal gelaat, waarvan de neus ietwat gebogen was. Zijn gelaat was doodsbleek, hetgeen meer uitkwam door het contrast, dat gevormd werd door den langen rooden baard, die op zijn wit vest neerhing. Aldus was de deftige verschijning, die ons ijzig aanstaarde. Naast den hertog stond een jongmensch, dat, naar ik vermoedde, de secretaris was. Hij was klein, zenuwachtig beweeglijk, met verstandige, lichtblauwe oogen. Hij was het, die dadelijk op een koelen, snijdenden toon het gesprek opende.

[Illustratie: Naast den hertog stond een jongmensch.]

"Dr. Huxtable, ik kwam heden morgen te laat om u te weerhouden van uw reis naar Londen. Ik vernam, dat uw doel was den heer Sherlock Holmes uit te noodigen het onderzoek in deze zaak op zich te nemen. Zijne Genade is verbaasd, dr. Huxtable, dat u zulk een stap hebt genomen zonder hem te waarschuwen."

"Toen ik vernam, dat de politie er niet in was geslaagd--"

"Zijne Genade is in geenen deele overtuigd, dat de politie niet is geslaagd."

"Maar gewis, mijnheer Wilder--"

"U weet toch, mijnheer, dat Zijne Genade voor alles een publiek schandaal wil vermijden. Hij neemt liefst zoo weinig mogelijk personen in zijn vertrouwen."

"De zaak kan gemakkelijk verholpen worden," zei de verslagen onderwijzer. "Mijnheer Sherlock Holmes kan morgen ochtend naar Londen terugkeeren."

"Niet zoo haastig, dr. Huxtable, niet zoo haastig," zei Holmes langs zijn neus weg. "Deze noordelijke lucht is zeer gezond en derhalve denk ik hier een paar dagen te blijven en mijn tijd te besteden, zooals ik dat noodig acht. Of ik daarbij onder uw dak zal slapen of in de dorpsherberg, moet u natuurlijk beslissen."

Ik kon zien, dat de ongelukkige onderwijzer nog altijd besluiteloos was, uit welken toestand hij gered werd door de zware welluidende stem van den roodgebaarden hertog, die klonk als een zware etensbel.

"Ik ben het met mijnheer Wilder eens, dr. Huxtable, dat ge wijs zoudt gedaan hebben met mij te raadplegen. Maar nu mijnheer Holmes eenmaal door u in het vertrouwen is genomen, zou het inderdaad al te gek zijn, indien wij niet van zijn diensten zouden gebruik maken. In plaats van naar de herberg te gaan, mijnheer Holmes, zal het mij aangenaam zijn, wanneer u bij mij op Holdernesse Hall zoudt willen logeeren."

"Ik dank Uwe Genade zeer, maar in het belang van mijn onderzoek, denk ik, dat het beter is te blijven op het terrein van het geheim."

"Zooals u wilt, mijnheer Holmes. Alle inlichtingen, die mijnheer Wilder of ik u kunnen verstrekken, staan u natuurlijk ten dienste."

"Het zal waarschijnlijk noodig zijn, dat ik u op de Hall kom bezoeken," zei Holmes. "Ik zou u nu alleen willen vragen, mijnheer, of u eenige verklaring weet te geven over het verdwijnen van uw zoon?"

"Neen, mijnheer, in het geheel niet."

"Wil mij niet kwalijk nemen, wanneer ik zaken aanroer, die voor u pijnlijk zijn, maar er zit niet anders op. Gelooft u, dat de hertogin iets met de zaak te maken heeft?"

De staatsman aarzelde een oogenblik.

"Ik geloof het niet," zei hij eindelijk.

"De verklaring, die het meest voor de hand ligt, is deze, dat de knaap is opgelicht ten einde een hoog losgeld voor hem van u te krijgen. Er is toch nog geen brief door u ontvangen?"

"Neen, mijnheer."

"Nu nog een vraag, Uwe Genade. Ik meen begrepen te hebben, dat u uw zoon hebt geschreven op den dag, dat het incident plaats had."

"Neen, ik schreef hem den dag te voren."

"Juist. Maar hij ontving uw brief toch eerst op den volgenden dag."

"Ja."

"Stond er iets in uw brief, dat hem er toe kon brengen zulk een stap te doen?"

"Neen, mijnheer, zeker niet."

"Hebt u dien brief zelf op de post gedaan?"

Het antwoord van den edelman werd voorkomen door zijn secretaris, die eenigszins haastig tusschenbeide kwam.

"Zijne Genade is niet gewoon zelf zijn brieven op de post te doen," zei hij. "Deze brief werd met andere op tafel gelegd, en ik zelf heb hem gepost."

"U is er zeker van, dat die brief er bij was?"

"Ja, ik zag hem er bij."

"Hoeveel brieven heeft Uwe Genade dien dag geschreven?"

"Twintig of dertig. Ik heb een uitgebreide correspondentie. Maar zeker doet dit niets ter zake."

"Toch wel," zei Holmes.

"Wat mij betreft," ging de hertog voort, "ik heb de politie geraden haar aandacht op het Zuiden van Frankrijk te vestigen. Ik heb reeds gezegd, dat ik niet geloof, dat de hertogin zulk een ellendige daad zou aanmoedigen, maar de knaap had de onzinnigste denkbeelden, en het is mogelijk, dat hij naar haar gevlucht is, geholpen en geleid door dezen Duitscher. Ik geloof, dr. Huxtable, dat wij thans naar de Hall kunnen terugkeeren."

Ik kon zien, dat Holmes nog gaarne eenige andere vragen had willen richten tot den hertog, maar aan het optreden van den edelman was duidelijk te merken, dat hij het onderhoud als geëindigd beschouwde. Klaarblijkelijk was het voor zijn aristocratische natuur uiterst hinderlijk over zijn intieme aangelegenheden met een vreemdeling te spreken en vreesde hij, dat elke nieuwe vraag een nieuw licht zou verspreiden over de verborgen hoeken van zijn hertogelijke geschiedenis.

Zoodra de edelman en zijn secretaris vertrokken waren, toog mijn vriend met een merkwaardigen ijver aan het werk en ging op onderzoek uit.

De kamer van den knaap werd zorgvuldig onderzocht en niets bleef over dan de overtuiging, dat hij alleen door het raam ontsnapt kon wezen. De kamer van den Duitscher leverde ook geen enkele ontdekking op. Hier had een stuk van den klimop het begeven onder zijn gewicht en wij zagen bij het licht van een lantaarn, waar zijn voeten waren neergekomen. De indruk in het korte groene gras was het eenige bewijs, achtergelaten bij deze onverklaarbare, nachtelijke vlucht.

Sherlock Holmes verliet alleen het huis en kwam eerst over elven terug. Hij had zich een groote kaart van de omstreken laten geven en deze bracht hij in mijn kamer, waar hij haar op het bed uitspreidde en na de lamp er boven te hebben gehangen, ze begon te bestudeeren onder het rooken van een pijp, nu en dan bijzonder belangrijke punten aanwijzend.

"Deze zaak begint mij te boeien, Watson. Ongetwijfeld zijn er eenige belangrijke feiten, die er mede in verband staan. Nu wij nog zoo goed als aan het begin zijn, moet je je op de hoogte stellen van de geographische ligging dezer streek, hetgeen ons onderzoek later ten goede zal komen.

"Kijk eens naar de kaart. Deze donkere vlek is de school. Ik zal er een speld insteken. Nu, deze lijn is de hoofdweg. Zooals je ziet, loopt hij ten oosten en ten westen van de school en er is geen zijweg. Indien de beide personen den weg gevolgd hebben, moeten zij langs _dezen_ weg zijn gekomen.

"Door een toevallige, gelukkige omstandigheid zijn wij in staat om na te gaan, wie zoo aldaar gepasseerd zijn. Op dat punt, waar mijn pijp nu ligt, heeft een veldwachter van 's nachts twaalf uur tot zes uur in den morgen op wacht gestaan. Zooals je ziet, scheidt de weg zich hier voor de eerste maal in tweeën. Deze man verklaart, dat hij geen oogenblik zijn post heeft verlaten en dat het onmogelijk is, dat een man of een knaap daar langs konden gaan, zonder dat hij hen zag. Ik heb dezen agent van avond gesproken en hij maakte op mij den indruk volkomen geloofwaardig te zijn. Daardoor kan deze kant verder buiten beschouwing blijven. Wij komen nu aan de andere zijde. Hier staat een herberg, "De Roode Stier" geheeten en de herbergierster is ernstig ziek. Zij had naar Mackleton om een dokter gezonden, maar deze kwam niet vóór 's morgens, daar hij was opgehouden door een ander geval. De bewoners van de herberg waren den geheelen nacht opgebleven, in afwachting van zijn komst en om beurten schijnen zij telkens gekeken te hebben of zij ook iets op den weg zagen aankomen. Zij verklaren, dat in elk geval niemand voorbijgekomen is. Indien hun verklaring juist is, volgt daaruit, dat wij tegelijkertijd kunnen vaststellen, dat ook niet langs dezen kant de vluchtelingen zijn gekomen, ergo dat zij in het geheel geen gebruik hebben gemaakt van den weg."

"Maar de fiets?" bracht ik in het midden.

"Juist zoo. Wij zullen dadelijk tot de fiets komen. Maar laat ons onze redeneering volgen: indien deze personen niet langs den weg zijn gegaan, moeten zij dwars het land hebben overgestoken aan de noord- of de zuidzijde van het huis. Dat is zeker. Laat ons nu de kansen tegen elkander opwegen. Aan de zuidzijde van het huis is, zooals je ziet, een groote uitgestrektheid bouwland met slooten tot afscheiding. Daar is, dat stem ik toe, een fiets van geen waarde. Wij kunnen dan ook deze zijde gerust buiten beschouwing laten en moeten onze aandacht richten op de streek ten noorden van het huis. Hier staan een aantal boomen, aangeduid als de "Ragged Shaw" en verder strekt zich een groote golvende heide uit, Lower Gill Moor geheeten, die tien mijl voort gaat en zacht glooiend oploopt. Hier, aan een zijde van de wildernis, ligt Holdernesse Hall, tien mijl van de school, wanneer men den weg volgt, maar slechts zes mijl, wanneer men de heide oversteekt. Het is een zeer eenzame vlakte. Een paar boeren wonen er en hebben er kleine plaatsen. Zij leven van de veeteelt, hoofdzakelijk door schapen opgebracht. Behalve deze, zijn de kievit en de snip de eenige bewoners, totdat men komt aan den hoofdweg, die naar Chesterfield leidt. Daar staat een kerkje, zooals je ziet, met een paar huisjes en een herberg. Verderop worden de heuvels steiler. Zeker moeten wij ons onderzoek in deze richting leiden."

"Maar de fiets," hield ik vol.

"Wel, wel," zei Holmes ongeduldig. "Een goed wielrijder heeft geen straatweg noodig. De heide wordt doorkruist door paden en het was volle maan. Hallo, wat is dat?"

Er werd zenuwachtig geklopt op de deur, en een oogenblik later was dr. Huxtable in de kamer. In zijn hand droeg hij een blauwe muts met een witten knoop in het midden.

"Eindelijk hebben wij een aanwijzing," riep hij. "Den hemel zij dank, eindelijk zijn wij den knaap op het spoor! Hier is zijn muts."

"Waar werd die gevonden?"

"In den wagen van de zigeuners, die op de heide gekampeerd hebben. Zij gingen Dinsdag weg. Vandaag heeft de politie hen achterhaald en hun karavaan geïnspecteerd. Dit werd gevonden."

"Wat zeggen zij naar aanleiding van deze vondst?"

"Zij aarzelden en logen--zeiden, dat zij de muts gevonden hadden op de heide op Dinsdagmorgen. Zij weten, waar hij is, de schurken. Maar gelukkig zitten zij nu achter slot en de vrees voor de wet of de beurs van den hertog zullen zeker alles uit hen halen, wat zij weten."

"Tot dusverre gaat het goed," zei Holmes, zoodra de onderwijzer het vertrek weder had verlaten. "Wij zijn ten minste zoo ver, dat de theorie, dat aan de zijde van de Lower Gill Moor gezocht moet worden, de juiste is gebleken. De politie heeft werkelijk nog niets gedaan. Alleen heeft zij deze zigeuners gearresteerd. Kijk hier, Watson. Er loopt door de heide een stroompje, zooals je ziet. Op sommige plaatsen verbreedt het zich tot een moeras. Dat is voornamelijk het geval in de streek tusschen Holdernesse Hall en de school."

Later merkte Holmes aan, na het terrein nogmaals te hebben opgenomen: "Met dat droge weer behoeven wij elders niet naar sporen te zoeken, dat zou vergeefsche moeite zijn, maar op dat punt is vrij zeker een of ander spoor achtergelaten. Ik zal je morgen ochtend vroeg roepen en wij zullen dan samen trachten eenig licht over dit geheim te verspreiden."

De dag brak juist aan, toen ik wakker werd en de magere, hoekige gestalte van Holmes voor mijn bed ontwaarde. Hij was reeds gekleed en scheen ook al naar buiten te zijn geweest.

"Ik heb de laan en de fietsenbergplaats reeds doorzocht," zei hij. "Ook heb ik een wandeling gedaan door het bosch. Nu, Watson, in de kamer hiernaast staat chocolade. Ik verzoek je een beetje voort te maken, want wij hebben een drukken dag voor ons."

Zijn oogen schitterden en zijn wangen waren rood van opgewondenheid, evenals dat het geval zou zijn bij iemand, die den weg open ziet om tot succes te komen. Deze werkzame, koene man vormde een groot verschil met den lusteloozen droomer uit Baker-Street. Ik voelde, terwijl ik keek naar de smalle gestalte, die vol energie was, dat inderdaad een moeilijke dag voor de deur stond.

En toch begon hij met de grootste teleurstelling. Vol hoop liepen wij over de bruine heide, die doorkruist werd door wel duizend paden, door de schapen gemaakt, totdat wij kwamen aan een breede lichtgroene vlakte, als een teeken, dat hier het moeras begon tusschen ons en Holdernesse Hall. Indien de knaap naar huis gegaan was, moest hij hier zijn gepasseerd en hij kon dat niet doen zonder sporen achter te laten. Maar van hem noch van den Duitscher vonden wij een teeken. Met een donker gelaat liep mijn vriend langs den kant, nauwlettend uitkijkende naar iets, dat ook maar de minste aanwijzing zou kunnen geven. Indrukken van schapenpooten waren er genoeg en eenige mijlen verder op een plaats ook sporen van koeien. Anders niets.

"Dat is de eerste tegenvaller," zei Holmes, terwijl hij peinzend over de golvende vlakte staarde. "Er is daar verderop nog een ander moeras, waartusschen een smalle begaanbare strook gronds loopt. Hallo, hallo, wat hebben wij hier?"

Wij waren gekomen aan een smal pad. In het midden, duidelijk zichtbaar op den vochtigen bodem, liep het spoor van een fiets.

"Hoera," riep ik. "Nu hebben wij het."

Holmes echter schudde zijn hoofd, en zijn gelaat drukte eerder verlegenheid en teleurstelling uit dan vreugde.

"Een fiets, juist, maar niet _de_ fiets," antwoordde hij. "Ik ben bekend met twee en veertig verschillende indrukken, die rijwielbanden achterlaten. Dit is, zooals gij ziet, een Dunlopband. Heidegger reed op Palmer's banden, en het spoor, dat deze achterlaten, heeft veel van dunne lange draden naast elkander. Aveling, de onderwijzer in wiskunde, was er zeker van, dat het Palmer's banden waren. Dit is derhalve niet het spoor van Heidegger."

"Dat van den knaap dan?"

"Misschien, indien wij konden bewijzen, dat hij een fiets in zijn bezit had. Maar dit hebben wij in het geheel niet kunnen doen. Dit spoor is van een rijder, die, zooals gij ziet, kwam uit de richting van de school."

"Hij kan er ook heengegaan zijn."

[Illustratie: Een indruk als van een bundel fijne telegraafdraden was in het midden zichtbaar.]

"Neen, neen, mijn waarde Watson. Het diepste spoor is natuurlijk dat van het achterwiel, waarop het gewicht rust. Je ziet, dat op verschillende punten, waar het over het ondiepe spoor ging, dit laatste is uitgewischt. Derhalve kwam de rijder ongetwijfeld van den kant van de school. Dit kan of kan ook niet in verband staan met ons onderzoek. Maar wij zullen toch, alvorens verder te gaan, het eerst moeten volgen."

Dit deden wij en na een paar honderd meter verloren wij het spoor uit het oog, daar wij ons nu weder op een harder gedeelte van den grond bevonden. Teruggaande langs het spoor, kwamen wij op een plek, waar een beekje het kruiste. Hier was het echter bijna uitgewischt door de sporen achtergelaten door koeien. Daarna was er geen spoor meer, maar het was duidelijk, dat de wielrijder regelrecht was gekomen uit de "Ragged Shaw", het bosch dat zich achter de school uitstrekt. In dit bosch was de fietser derhalve geweest. Holmes ging zitten en liet zijn kin in zijn handen rusten. Ik had twee cigaretten opgerookt alvorens hij zich bewoog.

"Wel, wel," zei hij eindelijk. "Het is natuurlijk mogelijk, dat een geslepen man van banden kon verwisselen om een ander spoor achter te laten. Een misdadiger, die op zulk een gedachte is gekomen, moet iemand zijn, waarmede ik gaarne zaken zou willen doen. Wij zullen dit vraagstuk niet verder trachten op te lossen en weer naar ons moeras trekken, want een groot gedeelte hebben wij nog niet doorzocht."