Chapter 9
Het voorbeeld van den heer Judkin bracht de ambtsdragers op een nieuw spoor; de een bood aan nieuwe liederenboeken te geven voor de Zondagsschool, waaromtrent eenige moeielijkheid was gerezen; een ander verklaarde, dat als de kerk opnieuw geschilderd werd, hij er voor wilde zorgen, dat ook het wijkgebouw een nieuw kleed kreeg; een derde bood aan een vierde gedeelte te betalen van het salaris voor een zendeling om den dominee er van te ontlasten en drie andere ambtsdragers eigenden zich de overblijvende drievierden toe, totdat er op het laatst niemand was, die zich niet het recht had verzekerd, persoonlijk voor zichzelf, om iets te doen, klein of groot, voor de Kerk, en iedereen deed, wat hij aanbood, uit dankbaarheid aan den dominee voor al wat hij voor hen was geweest en gedaan had gedurende vijftien jaar. En ten slotte maakte de heer Lovejoy al zijn broederen week in een gebed, waarin hij dominee en lidmaten bracht voor den Troon der Genade en zoo pleitte, dat elk, toen hij de plaats verliet, voelde, dat de zegen des Heeren op hem rustte.
De preekbeurt in de week werd gehouden op Woensdagavond en werd in den regel zeer slecht bezocht. Dezen keer was de dominee naar de consistorie gekomen met een benepen hart, en hij bad om de genade den heer Lovejoy en een handvol vrome en eerzame vrouwen te kunnen toespreken zonder blijk te geven van ontmoediging en zonder hen moedeloos te maken. Daar waren tijden geweest in het verleden, dat de dienst in de kerk was gehouden en de heer Judkin placht in de stad op de opkomst te pochen; toen was men uit de kerk naar de groote zaal gegaan; maar in den laatsten tijd werden de weinigen, die kwamen, bijeengeroepen in een kamer, omdat het aangenamer is een kamer bijna vol te zien dan een voor driekwart ledige zaal.
De kamer was vlak naast de kerkekamer en vóór hij naar binnenging, kon hij tellen of er meer of minder dan het gewone dertigtal zouden zijn. Dezen avond gingen zoovele voeten voorbij zijne deur en er was zoo'n levendige drukte, dat hij geloofde, dat er wel veertig zouden wezen, wat een belangrijk aantal was en hij begon zich lafheid en ongeloof te verwijten. Hij keek den liederenbundel door om een keus te doen, toen de deur openging en de heer Lovejoy binnenkwam met zooveel blijkbare tevredenheid op zijn beminnelijk gelaat, dat de dominee zeker was van iets prettigs. «Vergeef me, dat ik u stoor," zei de goede man, «maar ik kwam vragen of gij niet in de groote zaal zoudt gaan van avond? De kamer is al vol en er komen elke minuut meer menschen. Het zou mij niets verwonderen, als er honderd, misschien tweehonderd kwamen," en mijnheer Lovejoy's gelaat straalde en zonder het te weten drukte hij voor de tweede maal des dominee's hand.
«Ge kunt zeker zijn, dat ik maar al te blij zou zijn, maar.... wat beteekent dit? Weten zij, dat ik zelf zal preeken?" En de dominee leek bezorgd, uit vrees dat de menschen misschien toegestroomd waren in de hoop, dat de een of andere vreemdeling van naam zou spreken.
«Natuurlijk weten zij het en daarom zijn ze gekomen," antwoordde de heer Lovejoy met groote blijdschap; «voor geen mensch anders zouden er zooveel gekomen zijn en als gij van avond niet preektet, zou dat de grootste teleurstelling zijn, die de menschen ooit ondervonden; maar ik moet mij haasten om toe te zien, dat alles in de zaal in orde komt," en een minuut later hoorde de dominee het geluid van vele stemmen, toen de menschen vroolijk verhuisden van de kamer naar de zaal en zelfs in de consistorie was het te merken, dat er een groote schare zou zijn. Terwijl hij peinsde over de beteekenis hiervan, werd al weer de deur geopend en weer kwam de heer Lovejoy binnen.
«We hadden niet genoeg geloof," riep hij, «we hadden dadelijk naar de kerk moeten gaan. Broeder Stonier zei op zijn gewone besliste manier: 'geen halve maatregelen, vooruit naar de kerk;' maar ik was bang, dat er niet genoeg zouden zijn. Ik had ongelijk, heelemaal ongelijk, de kerk zal mooi vol worden van onder tot boven, want de menschen komen gestadig toestroomen--het is een prachtig gezicht, zoo'n stroom. Ik zal u komen halen, als zij allen gezeten zijn; maar geef hun tijd, want het is niet gemakkelijk van de eene plaats naar de andere te gaan, zooals wij van avond gedaan hebben; maar we zullen het anders aanleggen den volgenden Woensdag, dan gaan we dadelijk in de kerk juist als in vroeger tijden" en de heer Lovejoy verliet de consistorie als op vleugelen.
Toen de dominee in de kerk kwam, was deze bijna vol en hij gaf met eenige moeite den eersten psalm op, want het schoot in zijn ziel, dat deze menschen gezien hadden, dat hij moedeloos was en dat dit een vernieuwde genegenheid was. Het gebed viel hem zelfs zwaarder dan het lied, ofschoon zijn hart diep bewogen was door dankbaarheid aan God en teeder pleitte voor de menschen. En toen hij genaderd was aan de toespraak, wierp hij zijn papier met punten ter zijde, want het leek hem te koud en te vormelijk en hij las den honderd-zesentwintigsten psalm langzaam en met bevende stem en in plaats van uitlegging, hield hij op tusschen de verzen en de menschen begrepen. Toen hij het laatste vers las: «Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en weenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijne schoven"--aarzelde hij een oogenblik en toen.... sprak hij den zegen uit. Na een oogenblik stil gebed lichtte hij het hoofd op en zag, dat de menschen nog wachtten. De heer Judkin stond op, en naar voren komende voor den lessenaar, dankte hij den dominee verstaanbaar voor al zijn werk--en toen kwamen zij allen, mannen, vrouwen en kinderen--en elk zei op eigen manier hetzelfde; en het gerucht heeft geloopen, dat Richard Stonier, die het laatst kwam en niets zeide, voor de eerste en eenige maal in zijn leven van zijn stuk was gebracht.
+-------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: VI. De oproermaker in de kerk | | C: IV. De oproermaker in de kerk | | B: op den inhoud van het geen hij | | C: op den inhoud van hetgeen hij | | B: grondbeginselen moet worden uitgewerkt in | | C: grondbeginselen die moet worden uitgewerkt in | | B: zorgvuldige overdenkingen zal op prijs stellen. | | C: zorgvuldige overdenkingen op prijs zal stellen. | | B: May Harrison. | | C: May Harrison." | | B: dienst met zang een zigeuner | | C: dienst met zang, een zigeuner | | B: Oordeelslag, «belangwekkend" moet zijn. | | C: Oordeelsdag, «belangwekkend" moet zijn. | | B: Waarde Heer Jump | | C: «Waarde Heer Jump | | B: jaar geen nieuwen gedachten toelaten | | C: jaar geen nieuwe gedachten toelaten | | B: Een van de voornaamste pogingen van een | | C: [Alinea-break ingevoegd] | | Een van de voornaamste pogingen van een | | B: Wanneer Eives, opgesloten achter zijn deur | | C: Wanneer Dives, opgesloten achter zijn deur | | B: zijn geld een maatstaf heeft voor zijn karakter | | C: zijn geld een maatstaf is voor zijn karakter | | B: Dezelfde heer doet dat misschen maar | | C: Dezelfde heer doet dat misschien maar | | B: versterkende winterweer. «Ik heb medelijden | | C: versterkende winterweer. Ik heb medelijden | | B: «Weet je," zei de dominee, in het dansend | | C: [Alinea-break ingevoegd] | | «Weet je," zei de dominee, in het dansend | | B: Wees dankbaar voor uw rustigen Zondagen | | C: Wees dankbaar voor uw rustige Zondagen | | B: woeker terugkomen tot hun eigen zielen. | | C: woeker terugkomen tot hun eigen zielen." | | B: te koud en te vormemelijk en hij | | C: te koud en te vormelijk en hij | | | +-------------------------------------------------------+
End of Project Gutenberg's De Dominee en zijn Gemeente, by Ian Maclaren