De Dominee en zijn Gemeente

Chapter 8

Chapter 84,033 wordsPublic domain

«O!" zei de dominee, «heb ik gelijk of niet? Gij staat nu zes-en-veertig tegen mijn vijftig. Ik moet u gelukwenschen met uw minderheid. Geen dominee klaagt over zijn werk, zelfs niet over de drukte en beslommering van den Zaterdag, maar ik vertel u eerlijk, Dick, er zijn oogenblikken, dat hij een leek den Zondag benijdt, want de Zondag is de rustdag van den leek en voor den dominee de dag van harden arbeid. Op dien dag slapen de meeste menschen des morgens iets langer--ofschoon gij waarschijnlijk des Zondagsmorgens te vijf uur opstaat om Duitsch te bestudeeren--en dan ontbijten zij op hun gemak; want waarom zouden zij zich haasten, het is immers geen werkdag? Tusschen het ontbijt en den kerktijd praten zij over alle soorten van zaken en doorbladeren boeken en lezen brieven, die van verre gekomen zijn en gevoelen zich geheel op hun gemak. Als het mooi weer is, kiezen zij den langsten weg om naar de kerk te gaan, liefst door een plantsoen of een park en zij drentelen kerkwaarts met ongedwongen geest. De vader zit met zijn gezin in hun bank en kan zonder afleiding en zonder vrees zich geheel wijden aan den eeredienst. Misschien denkt hij nooit eens aan de domineesvrouw, die als was zij een weduwe in haar bank zit met hare als verweesde kinderen, want het hoofd des gezins vervult op dien dag zijn zwaarste taak en heeft zooveel te doen bij het leiden van de godsdienstoefening der anderen, dat men nauwelijks kan zeggen, dat hij tijd genoeg heeft om zelf God te vereeren. Wees zoo goed niet in de rede te vallen"--want de jonge man gaf teekenen van toenadering om zich over te geven.

«Weet je," zei de dominee, in het dansende vuur starend, «dat ik eenige jaren geleden eens een Zondag voor mij zelf had met mijn gezin, en ik kan nog het aangename van dien dag smaken in mijn herinnering. Wij begonnen na het ontbijt te praten over Bijbelsche personen en godsdienstige onderwerpen en ik kwam voor het eerst te weten, hoe mijn jongens er over dachten. Wij zochten boeken op, waarover gesproken was en ik las mijn geliefkoosde gedeelten uit dichters en liet zeldzame uitgaven zien en deed mijn kast met gebonden boeken eens open, waar de banden tegen licht en stof beschermd stonden. We babbelden, we verbeuzelden onzen tijd een weinig, we vermeidden ons in onze schatten. We dronken thee in den tuin, we praatten over den ouden tijd, we maakten plannen voor de toekomst. Wel, ik wandelde met mijn gezin naar de kerk, met licht gemoed en zonder reden tot haast. Zoo zeer genoot ik den dag, dat ik besloot er al van te halen, wat te halen was.

«Denkt gij, dat ik in de kerkekamer ging vóór den dienst, omdat het mijn consistorie was en dat ik den dominee inlichtingen gaf omtrent de aankondigingen, omdat het mijn kerk was? Zeker niet. Ik ging binnen door de voordeur, precies als ieder ander lid van de Gemeente en knikte vriendelijk de kerkeknechts toe, als ik hen voorbij ging. Ik liep door de gangen achter mijn gezin en ging zitten aan het eind van de bank net als ieder ander hoofd van een gezin. Na den dienst ging ik naar de kerkekamer en na binnen gelaten te zijn, dankte ik den dominee voor zijn preek als een van zijn hoorders en toen ging ik naar huis en praatte met mijn jongens over den dienst, want het gesprek liep over de preek van een ander en ik kon op al de mooie gedeelten wijzen. Dien achtermiddag tijd te mijner beschikking hebbende, bezocht ik een zaal, waar een man met een eigenaardige gave aan twee honderd ongeleerde boeren de beginselen van den godsdienst ontvouwde en kwam tehuis heerlijk verfrischt en toen lazen wij weer en praatten en mijn gezin en ik werden heel innig, omdat wij tijd hadden en omdat het Zondag was.

«Bij de avondbeurt had ik het genoegen een jongen man aan de deur op te visschen, die op een plaats wachtte en ik nam hem mee naar mijn bank en legde hem uit, dat hij 's avonds altijd daar kon gaan zitten en dat ik blij was, dat hij was gekomen, omdat wij stellig een heerlijke preek zouden krijgen. Hij keek mij eenigszins nieuwsgierig aan en wilde wat zeggen, toen ik hem voor was en uitlegde, dat ik dien dag niet de dominee van de kerk was, maar eenvoudig zelf toehoorder. Ik praatte al weer met mijn gezin na den dienst--het aangename van den hak op den tak springen, wat echter niet nutteloos behoeft te zijn, van menschen, die niet vermoeid, overspannen zijn en zoo eindigde de dag van rust in een vriendelijke gezelligheid en innerlijke rust. Wij moeten allen iets opofferen, Dick, maar de zwaarste opoffering, die een dominee heeft te doen is zijn Zondag, want zij is tot schade van zijn eigen ziel en die van zijn familie. Wees dankbaar voor uw rustige Zondagen en behoud ze met jaloerschheid voor de rust van geest en lichaam."

«Ge hebt uw zaak bewezen," zei Dick; «door vijftig Zondagen en vijftig halve Zaterdagen er bij te voegen, wordt mijn vacantie zes-en-negentig dagen tegenover vijftig van u."

«Het is laag," zei de dominee, «een verslagen vijand af te maken, vooral wanneer hij zoo'n goede kerel is, maar cijfers zijn niet voldoende om de zaak geheel uit te drukken, omdat er ook nog gelet moet worden op het verschil in den aard van het werk, dat verricht wordt, laat ons zeggen in een kantoor en in een studeerkamer. Ik weet, dat zaken nauwkeurigheid vereischen, dat er voortdurende inspanning noodig is en dat men telkens voor verrassingen staat en voor teleurstellingen en dat er kans is op grooten tegenspoed, maar de man van zaken heeft ook zijn eigenaardige voordeelen. In de eerste plaats is er een grens aan zijn werk, en als hij des avonds thuis komt, laat hij zijn werk achter. Aan den arbeid van den predikant nu is geen grens. Hij blijft altijd boven zijn hoofd hangen, roept altijd zijn gedachten tot zich, zijn werk spant altijd zijne zenuwen bovenmate, het drukt altijd op zijn geweten. Wanneer hij zich een gezelligen avond veroorlooft, dan verkeert hij niet in dezelfde gunstige omstandigheden als de andere gasten, omdat zij hun brieven hebben afgeschreven en hun geheele dagtaak hebben afgedaan en wanneer zij naar huis gaan dan zal dat wezen om nog even een laatste hoofdstuk van een boek te lezen vóór zij naar bed gaan; maar hij rukt zich los uit werk, dat half af is en als zijn vrienden reeds zijn ingeslapen, brandt op zijn lessenaar het licht nog. Daarenboven--en, Dick, gij kunt u niet verbeelden, wat dat beteekent--de koopman weet, dat hij een zekere hoeveelheid werk in acht uren kan verrichten, omdat het over zaken handelt; maar de dominee weet nooit wat hij kan doen, omdat zijn werk betrekking heeft op denkbeelden. De noodzakelijkheid van voort te brengen, zelfs wanneer de geest niets heeft te uiten, werkt op de zenuwen van den dominee en kan zijn gezondheid benadeelen.

«De dagbladschrijver schrijft elken dag, maar hij heeft nieuwe onderwerpen om over te schrijven; de letterkundige werkt wanneer hij gestemd is; de dominee moet schrijven over een oud onderwerp--ofschoon het belangrijkste wat de geest kan bevatten--en hij moet schrijven, onverschillig of zijn geest helder of dof is. Misschien is er niemand, die zulke oogenblikken van vreugde kent als hij--wanneer hij bezield is; zeker heeft niemand zulke uren van gedruktheid--wanneer hij niet tot zijn onderwerp kan opklimmen. Alleen door geduldig lezen en onophoudelijk gebed kan hij zijn taak vervullen, en dan is hij steeds zoo sterk mogelijk ingespannen en kent nooit de rust van den man, die zijn werk verricht met overvloed van tijd, kracht en denkbeelden. Wanneer de dominee komt te overlijden, terwijl hij nog in de Bediening is, dan zal hij op zijn sterfbed in zijn laatste oogenblikken van bewustheid nog iets te zeggen hebben omtrent een brief, die niet beantwoord is en nog eenige verklaringen te geven hebben aan een gezin, dat niet bezocht is en wanneer zijn geest begint af te dwalen, zal hij ronddolen tusschen teksten, waarmee hij gestreden heeft en pogingen, die niet tot het doel hebben geleid."

«Hij behoorde elk jaar twee maanden te hebben," riep Dick, «en als ik diaken word, zal ik zorgen, dat mijn dominee daarenboven elke zeven jaar een half jaar vacantie krijgt, opdat hij daarna weer beginne als een geheel nieuw mensch, naar geest en lichaam."

«Ge zijt een beste kerel, Dick, en ge zijt verstandig voor uwe jaren en als de Kerk haar predikanten behandelde op deze wijze, dan zou zij daar veel voordeel bij hebben. Want elke nieuwe gedachte, die doordringt tot den geest van den dominee, en elk nieuw boek, dat hij leest en elke nieuwe landstreek, die hij ziet en elke nieuwe kunstverzameling, die hij in zijn vacantie bezoekt, vermengt zich met zijn woorden, met zijn leven en de goede zorg, de edelmoedigheid der Gemeenten zou met woeker terugkomen tot hun eigen zielen."

XI.

HOE EEN DOMINEE HERLEEFDE.

Men kon niet zeggen, dat de dominee te oud was geworden, want hij was nog in de kracht des levens; ook niet dat zijn gezondheid wankelend was, want hij was sterker dan in de dagen zijner jeugd; ook niet, dat hij had opgehouden te studeeren, want hij las meer dan ooit; ook niet, dat hij zijn tijd niet begreep, want hij was door en door een denker van het heden. Men mocht niet denken, dat hij minder ijverig was in zijn herderlijk werk of minder bekwaam in het regelen van zaken, ook niet, dat hij twist had gehad met zijn Gemeente of zijn Gemeente met hem; ook niet, dat de geest van het district was veranderd of dat de kerk haar lidmaten had verloren. Hij preekte even goed als hij ooit deed, en met meer kracht en wijsheid dan twintig jaar geleden. Er waren evenveel leden op de lijst en er werd evenveel geld gecollecteerd en evenveel werk gedaan en de Kerk had een uitmuntenden naam. Het was moeielijk den vinger te leggen op eenige wondeplek bij dominee of Gemeente en toch was de dominee zich bewust en de menschen hadden een onbepaald gevoel, dat er iets haperde. Er was minder geestdrift in de Gemeente, de plichtsvervulling was trager, men haastte zich minder, gehoor te geven aan een verzoek en er was minder opkomst bij de extra-diensten. Er was minder enthousiasme, minder vrijwillig werk, minder trouw.

Na vijftien jaren dienst in dezelfde parochie, na al dien tijd dezelfde menschen te hebben toegesproken, en noodzakelijkerwijze altijd hetzelfde te hebben gezegd, en altijd zich bewogen te hebben in dezelfde wijk, was de dominee zonder eenige fout van zijne zijde, maar eenvoudig tengevolge van de zwakheid der menschelijke natuur, een weinig moede geworden. Hij had zijn frischheid verloren, niet van gedachte of van uitdrukking, maar de frischheid van geest; hij had die lichtheid van ziel, dat hoopvolle in den toon en die eeuwige opgewektheid in de toespraak verloren, waardoor de menschen eens waren aangetrokken en waardoor hij hun hart had gewonnen. En van hunne zijde hadden zij de frischheid verloren te zijnen opzichte; niet dat zij geen eerbied voor hem hadden of niet dankbaar waren voor vroegere diensten of voor zijn tegenwoordigen arbeid, maar zij misten nu dat gevoel van grootsche verwachtingen van hem en zij konden niet meer zoo liefhebbend genieten in hem en zij spraken niet meer met zooveel blijdschap over hem. Hunne harten klopten niet sneller, wanneer hij preekte; het was niet een merkwaardige gebeurtenis, als hij een bezoek bracht en men voelde geen groot ledig, wanneer hij weg bleef. Er was nog steeds een eerlijke genegenheid tusschen den dominee en zijn menschen, maar zij had den hartstocht en het romantische van vroeger jaren verloren. Zij was nu niet opzienbarend, maar regelmatig; misschien een ietsje te kalm en ingetogen om liefde te heeten.

De menschen waren zoo gewoon geworden aan hun dominee, aan zijn voorkomen, zijn stem, zijn denkwijze, zijn eigenaardigheden, dat zij in staat waren hem te critiseeren en zijn fouten met veel nauwkeurigheid op te merken. Het kon hem niet schelen of hij tegengesproken werd, en hij had aanleg om boos te worden, wanneer men zich tegen zijn plannen verzette; hij was te zeer ingenomen met zekeren gedachtengang en preekte niet altijd om te stichten; hij had neiging om zich binnen een beperkten vriendenkring op te sluiten en was niet voldoende ter beschikking van allen; hij gaf te veel aandacht aan werk buiten de Kerk en verzuimde soms zijn herderlijke taak; hij stond erop zijn vrije uren te gebruiken, zooals hem goed docht en scheen er niet aan te denken, dat hij eigenlijk in het geheel geen vrijen tijd behoorde te hebben; hij was soms knorrig, wanneer hem extra-werk werd opgedragen en hij was niet altijd welwillend, wanneer hij iets doen moest, dat niet tot zijn eigenlijke werk behoorde. Tien jaar geleden zou niemand hebben durven zinspelen op deze fouten, want dan zouden de medeleden hem hebben uitgemaakt voor een onredelijk mensch. De dominee was toen juist zooals hij nu is, maar zijn fouten werden toen eenvoudig beschouwd als groote opgewektheid en ernst en vriendschap en toewijding en geestelijk plichtsgevoel. Hij was toen volmaakt bij de schemering van het morgenlicht; hij is nu een gewoon mensch, wiens onvolmaaktheden duidelijk gezien worden in den glans van het volle zonlicht. De dominee ook is nu in staat zijn menschen op een afstand te beschouwen en hen onpartijdig te beoordeelen, terwijl zij eens hem allen lief toeschenen zonder vlek of rimpel of iets van dien aard en gij hadt veiliger het voorkomen van een bruid kunnen gispen in tegenwoordigheid van haar bruidegom, in de bruidsdagen zelfs, dan dat gij één fout hadt mogen aanwijzen in de Gemeente van dien man. Hetzij dat zijn oogen beter hebben leeren zien of dat zijn hart verkoeld is, hij is niet meer onder bekoring; en ofschoon hij zulke zaken niet in het openbaar zou willen zeggen, weet hij heel goed wat er hapert aan zijn menschen. Eenigen van hen zijn hopeloos ingenomen met hun eigen inzichten en ontoegankelijk zelfs voor het beste licht, wat hij natuurlijk meent, dat het zijne is. Anderen zijn zoo liberaal, dat zij bijna in het geheel geen geloof meer hebben en hij vergeet te bedenken, dat hij verantwoordelijk is voor dit gemis aan geloof. Nog anderen zijn zoo wereldschgezind, dat de ernstigste godsdienstige roepstem geen invloed heeft op hun leven en dan zijn er nog, die zoo liefdeloos zijn, dat zij voor de beste zaak niets over hebben om haar te steunen. Het doet hem pijn, dat jonge menschen, die hij onderwees en liefhad niet langer trouw aan hem zijn, maar anderen stemmen dan de zijne de voorkeur geven en met evenveel geestdrift spreken over anderen, als zij eens spraken over hem; en hij voelt het gemis van die kleine vriendelijkheden, die hem zoo dierbaar waren niet om de waarde ervan, maar omdat zij de heiligheid der vriendschap bezegelden. Hij gelooft nog, dat zijn Gemeente beter is dan eenig andere; hij denkt nog aan hun trouw in het verledene; maar de dagen der eerste liefde zijn voorbij en zijn hart is somtijds bezorgd.

Op een avond waren de ambtsdragers van de Kerk bijeengekomen en toen de zaken waren afgehandeld, raakten zij aan het praten over het kerkelijk leven en over hun dominee. Zij waren over het geheel zeer eerwaarde, gevoelige, goedhartige en oprechte mannen, die wenschten hun best te doen met hun dominee en hem in geen enkel opzicht te ergeren; zij droegen altijd zorg, dat hij behoorlijk zijn salaris ontving en een aangename vacantie had; zij zouden nooit klagen zonder reden en zouden zeker nooit ervan droomen iemand te vragen heen te gaan of hem ter zijde te zetten na langen dienst zonder een fatsoenlijk jaargeld. Maar zij waren niet in hun schik met den gang van zaken en na veel over-en-weergepraat, na veel half uitgesproken plannen, veel wenken, veel aanduidingen en veel omschrijvingen was het bijna een uitkomst, toen de heer Judkin, de voorzitter, en een sterke persoonlijkheid in woord en daad, uitdrukking gaf aan wat in hen omging.

«Er is geen mensch," zei hij, «voor wien ik inderdaad dieper eerbied gevoel dan voor onzen dominee, want hij heeft hard gewerkt en onze Gemeente er bovenop gebracht. Hij is een zeer belezen man en een goed prediker en niemand kan de minste aanmerking maken op zijn leven of zijn gedrag; maar er is geen twijfel en ik meen, dat het beter is zoo iets te zeggen dan dat het in het geheim gevoeld wordt, dat op de een of andere wijze onze dominee langzamerhand zijn invloed op de menschen verliest en dat de Gemeente in toon en in hart niet is, wat zij placht te wezen. Mijn indruk, broederen, is dat, hoewel het een gevaarlijke onderneming voor ons is en hoewel wij waarschijnlijk nooit iemand zullen krijgen, die voor ons doen kan wat onze dominee in het verleden voor ons gedaan heeft, toch zijn werk hier is afgeloopen en dat het best zou wezen, dat hij en wij eens veranderden." En toen Judkin de vergadering rondzag, bemerkte hij, goed begrepen te zijn en daaruit putte hij aanmoediging voort te gaan.

«Onze dominee staat zoo goed aangeschreven in de Kerk en zijn reputatie is zoo groot, dat hij gemakkelijk een andere plaats zou kunnen krijgen, als hij wilde. Inderdaad heb ik reden om te gelooven, dat hij dikwijls in de gelegenheid is geweest om te veranderen, maar hij heeft altijd geweigerd een beroep in overweging te nemen. Er is niemand in de Gemeente, die den dominee zou willen vragen om heen te gaan--zeker zal ik het niet doen; maar ik maak me sterk, dat een nieuw begin in een nieuwe plaats het best zou wezen voor hem en ik voel mij verplicht er bij te voegen, misschien het beste zou zijn voor ons. Eén zaak zou ik echter nog willen zeggen en dat betreft een geldzaak. Wij hebben geen arme Gemeente en wij zullen altijd wel in staat zijn ons te redden, maar wij hebben een vrij groot tekort in kas en bij de laatste aansporing van den preekstoel is er maar weinig weerklank gegeven. Als de leden wat beter gestemd waren, zouden de noodige vijfduizend gulden in een week zijn bijeengebracht."

Er was een pauze, waarin verschillende broederen met knikjes en blikken den heer Judkin te kennen gaven, dat hij in hun geest gesproken had en toen werd het stilzwijgen verbroken door den heer Stonier, die in de Gemeente en er buiten bekend was wegens uiterste zuinigheid in geldzaken, een totale afwezigheid van gevoel en een ijselijke openhartigheid in het spreken. Men voelde, toen hij het woord nam, dat als de heer Judkin een spijker had ingeslagen in de goede richting, de heer Stonier dien zou inslaan tot aan den kop, maar... men kan nooit weten! «We kunnen hier," zei mijnheer Stonier, «veronderstel ik, zeggen wat we denken, en er zijn geen reglementen of orders van den dag. Wat mij aangaat, ik wist niet, dat wij van avond hier kwamen om onzen dominee te oordeelen en ik wist niet, dat de heer Judkin en de overigen van plan waren hem min of meer ronduit op beschaafde, Christelijke, deftige wijze te vragen naar een andere plaats om te zien. O jawel, dat is jelui bedoeling, maar ge zijt een troep van zulke poeslieve menschen, dat ge het woord niet uitspreekt en niet zegt, wat ge meent! Wat mij aangaat, ik ben vijftien jaar lang lid van deze Kerk en toen ik hier kwam, was het huis bijna leeg en nu is het vol en de dominee heeft vijftien jaar lang hard gewerkt. Nu, ik laat mij er niet op voorstaan, dat ik een philanthroop ben, en ik geef nooit een cent voor de «bekeering der Joden" en ook niet voor de «vereeniging tot voeding van de straatslijpers," noch voor eenig ander plan, waarvoor jelui pleit. Ik ben niet, wat men noemt, een milde gever, maar ik hoop, dat ik een eerlijk man ben; en ik zal u zeggen, dat, indien ik een man op mijn kantoor had, die mij vijftien jaar gediend en zijn werk goed gedaan had, en ik stelde dan voor om hem weg te zenden, omdat het mij verveelde altijd hetzelfde gezicht aan zijn lessenaar te zien en hetzelfde handschrift onder de oogen te krijgen, dan zou ik mijzelf beschouwen als een schavuit; en ik dank God, dat ik zoo iets nooit gedaan heb met een van mijn bedienden. Als gij iemand kunt aanwijzen, die in mijn kantoor is werkzaam geweest en dien ik heb weggezonden, omdat ik een nieuw gezicht wenschte te zien, dan geef ik vijfhonderd gulden aan Timbucho of aan welke andere zending gij maar wilt."

Niemand dong naar den prijs, want het was wel bekend, dat, ofschoon de heer Stonier zoo hard was als ijzer voor liefdadigheid onder onbekenden, hij een uitmuntend meester was in zijn eigen zaken.

«Wat betreft het tekort in de fondsen der Kerk, indien dat de reden is, waarom de dominee ontslagen moet worden, dan ben ik bereid om de geheele som zelf bij te passen; en ik doe dat, versta mij wel, als een bewijs van eerbied en dankbaarheid--dankbaarheid, ziet ge, heeren, voor vijftien jaren van harden arbeid!"

Deze man van duidelijke taal was nauwelijks gezeten of de heer Lovejoy, de vriendelijkste en aangenaamste mensch van de heele Gemeente, die eenigen tijd lang zeer beweeglijk was geweest, begon te spreken.

«Ik wensch niet te twisten met de lieve broederen, die gesproken hebben, want de heer Judkin is te sterk voor mij en niemand zou broeder Stonier kunnen beantwoorden op zijn schoon aanbod. Zeer edelmoedig en juist overeenkomstig zijn vriendelijk hart, dat ik sedert vele jaren heb leeren kennen bij mijn kleine werken der liefde; maar dat is een geheim tusschen mijnheer Stonier en mij. Wat ik wensch te zeggen, is, dat ik onzen dominee liefheb om hetgeen hij is en om hetgeen hij geweest is voor mij in tijden van groote droefheid. Toen..... ik mijn lieve vrouw verloor, bracht hij dag aan dag troost aan mijn hart en onze predikstoel zal voor mij nooit dezelfde zijn zonder onzen dominee."

Dat was alles, wat de heer Lovejoy zei.

Het scheen echter, dat hij een verborgen snaar had aangeraakt in elk der aanwezigen en de een na den ander had iets te zeggen. Het leek wel of zij de zaak, waarover gesproken werd, vergeten waren, zoowel als de kiesche opmerking van den heer Judkin. De een stond op om te zeggen, dat de dominee hem getrouwd had, en dat hij nooit de toespraak bij het huwelijk zou vergeten; een ander had eens plotseling een kiemen jongen verloren en hij geloofde niet, dat zijn vrouw en hij ooit de beproeving zouden doorstaan hebben zonder het meegevoel van den dominee; een derde had wereldsche beproevingen doorgemaakt en het was door een preek van den dominee, dat hij was staande gebleven; en een vierde, die zooals iedereen weet, aan vreeselijke verleidingen had blootgestaan, wenschte nederig te verklaren, dat hij dien avond geen ambt in een Christelijke Kerk zou bekleed hebben zonder de hulp van den dominee in tijden van moeielijkheid. Anderen keken, alsof ook zij wel iets te zeggen hadden en een diaken gebruikte heimelijk zijn zakdoek en eindelijk stond de heer Judkin zelf weer op en toonde zich een man, waardig een Kerk te besturen en te leiden.

«Broederen," zei hij, «ik drukte de meening uit, die in mijn gemoed was, en ik ben dankbaar, dat ik haar onder woorden gebracht heb, want het spreken heeft mij verlicht en u goed gedaan. Ik neem nu terug, wat ik zei: ik was een weinig moedeloos. Broeder Stonier heeft volmaakt gelijk en hij heeft ons allen een hart onder den riem gestoken; en als hij het tekort dekt, waarvoor wij hem allen zeer verplicht zijn, dan zal ik gaarne zien, mannen broeders, dat ge mij toestaat de kerk in het najaar te schilderen, want de verf wordt een weinig bleek en ik zou dat willen doen als een erkentelijkheid voor hetgeen de dominee geweest is voor mijn vrouw toen onze jongen tusschen leven en dood zweefde."