Chapter 7
Treuzelaars van allerlei slag dringen de studeerkamer van een dominee binnen bij voorkeur vóór twaalf uur 's morgens, omdat zij dan zeker zijn hem thuis te vinden, en leggen hem in verbazend lange verhalen uit, dat wij de afstammelingen van de verloren tien stammen zijn; dat alle onzedelijkheid reeds lang uit de wereld verdwenen zou zijn, als wij maar wortelen in plaats van vleesch aten; dat het werk, gedaan door zeker iemand, wiens naam de dominee niet kan uitspreken op een plaats in Klein-Azië, waarvan hij nooit gehoord heeft, het allerbelangrijkste is onder dat der uitwendige zending, altijd alleen afgaande op de mededeelingen van den man, die het salaris beurt in Klein-Azië. Indien een van deze woordenrijke menschen en het zijn er nog maar drie van een honderdtal, elk met het een of ander bijzonders in het hoofd, het waagde een koopmanskantoor te bezoeken, dan zou hij waarschijnlijk niet toegelaten zijn in de kamer van den patroon, en als hij wel erin was gelaten, zou hij zeker gauw verzocht worden de deur van achteren te bekijken.
De onbeschaamdheid van een treuzelaar is verbazend, maar zij heeft grenzen en na eenige ervaring laat zoo iemand den koopman met rust en in den regel probeert hij niet eens een geneesheer aan boord te komen, maar hij nestelt zich als bij instinct en met een gevoel van «ik ben hier thuis" in de studeerkamer van een dominee. Als deze een werkelijk goed man is, dan is de bezoeker in zijn nopjes, want hij heeft een hulpeloos slachtoffer gevonden; maar als de dominee maar onvolmaakt heilig is, dan gaat de zeurkous bijna even vlug de deur uit als bij den koopman, maar dan weet de dominee ook, dat zijn leven voortaan in de macht is van de tong des beuzelaars.
Wat den dominee ergert en te meer naarmate hij minder zijn ergenis luchten kan is, dat al die menschen gelooven, dat hij werkelijk niet weet, wat hij met zijn tijd moet uitvoeren en dat die tijd tot ieders beschikking is. Het feit is echter, dat de predikant van een stadskerk, die getrouw zijn plicht doet, harder werkt dan iemand anders in de maatschappij, behalve een arts met dagelijksche praktijk, een dagbladschrijver en een naaister op een atelier, waar de zweep gebruikt wordt. Hij kan des avonds zoo laat op zitten, als hij wil--en inderdaad moet hij, laat ons zeggen, tot minstens twaalf uur op blijven--om niet ten achteren te raken met zijn leesstof, maar hij moet des morgens weer vroeg bij de hand zijn, omdat wellicht een koopman hem komt spreken vóór negen uur, en omstreeks dien tijd moet hij de eerste brievenzending geopend hebben, die zoo ongeveer uit een twaalftal brieven bestaat en als hij het noodig oordeelt--en het is noodzakelijk in een stad--moet hij dan ook een blik geslagen hebben in de feiten, die den vorigen dag voorvielen in zijn stad en in de wereld. Van negen tot een moet hij zich voorbereiden voor zijn taak op den preekstoel, voor avondbeurten in de week, voor catechisaties, en voor toevallig werk in kerk of vergadering, zoo vlug hij kan en het uur, dat hij verliest met het ontvangen van bezoekers, moet laat in den avond met interest ingehaald worden. Te een uur veroorlooft hij zich iets te eten, ofschoon hij vaak niet aan de koffietafel in het gezin kan verschijnen, omdat de een of andere slimme bedelaar weet, dat dit de beste tijd is om hem thuis te treffen en, terwijl hij in het drukst van het gesprek is, betreurt hij het verlies van zijn maaltijd en verlangt naar den dag, dat Amerikaansche vindingskracht, vruchtbaar in denkbeelden en spaarzaam met den tijd, een vloeibare voedingsstof zal uitvinden, die hij door een buis tot zich kan nemen, terwijl hij studeert.
Indien hij niet beloofd heeft de benoeming te ondersteunen van een commissie van veertig leden, die een tehuis voor twintig meisjes moet besturen, dan brengt hij zijn tijd van ongeveer twee tot zeven uur door met het bezoeken van menschen, die ziek zijn of vrienden verloren hebben, die lijden onder wereldsche rampen of die pas tot zijn Kerk zijn toegetreden of haar juist verlaten hebben, die hij wenscht over te halen tot eenigen arbeid of die hij in langen tijd niet gezien heeft en waarmee hij voeling wil blijven houden. Hij komt 's avonds thuis, niet omdat zijn werk gedaan is, want deze soort van werk is nooit afgedaan en het einde is er nimmer van te zien, zelfs niet al begon men het des morgens te negen uur en zette men het voort tot 's avonds negen uur, maar omdat niemand langer dan vijf uur achtereen bezoeken kan afleggen.
Bij zijn thuiskomst--en ik beken dit vrijmoedig--veroorlooft de dominee zich weer wat te eten, maar alweer moet het voor hem bewaard worden, omdat een andere bezoeker, die hem in den namiddag was misgeloopen, van een onnoozele dienstmaagd, die pas in dienst is gekomen en nog niet goed op de hoogte is van de taak van een predikants-dienstbode, het uur heeft vernomen, waarop de ongelukkige man zijn volgenden maaltijd zal gebruiken en nu reeds een half uur op hem gewacht heeft om den steun van den dominee te vragen voor een genootschap van christelijke liefdadigheid, wat in twee van de drie gevallen slechts een uitwas is van philantropie en in het derde geval iets waarmee de dominee niet de minste aanraking heeft.
Menschen, die niet beter weten, zouden misschien veronderstellen, dat de dominee, na zijn zeer bescheiden maal genuttigd te hebben, vrij zal zijn met zijn vrouw en kinderen in de huiskamer te zitten om zijn plicht te vervullen als hoofd van het gezin en zoo het grootste genot van den geheelen dag te smaken. Het is iets zeldzaams als deze ongelukkige man een avond voor zich zelf heeft, omdat hij gewoonlijk dadelijk na het eten naar een of andere bijeenkomst in zijn kerk moet gaan en terwijl de leden der Gemeente zich over de verschillende avonden verdeelen, wat heel billijk en goed is, moet hij altijd bij alles tegenwoordig zijn, want is hij er niet, dan begint het onderdeel, waarvan hij wegblijft, te kwijnen.
Als hij een avond vrij heeft, dan komt een of ander lid van zijn Gemeente hem vragen een bijeenkomst te bezoeken ten bate van iets, waarin hij betrokken is en er zijn redenen, waarom de dominee niet kan weigeren. Het is best mogelijk, dat diezelfde mijnheer de vorige week gezegd heeft, dat de dominee zich overwerkte en niet zooveel op zich moest nemen, maar als de tijd komt, dat hij zelf een bijl heeft, die geslepen moet worden, dan zal hij niet de minste aarzeling hebben den dominee te vragen den molen te draaien. En inderdaad wordt het openbare werk van den dominee sterk vermeerderd door zijn eigen gemeenteleden, die aan de secretarissen, de treuzelaars en de rest van tijdroovers aanbevelingsbrieven geven met een slot, als: «Ik hoop, dat ge het verzoek van mijnheer Tootle zult inwilligen als een persoonlijke gunst aan mij." Dezelfde heer doet dat misschien maar eens in een halfjaar, maar er zijn er een honderd, die hetzelfde met tusschenpoozen doen en zoodoende wordt de dominee aan handen en voeten gebonden door zijn eigen Gemeente.
Was ik een leek en de een of andere gesalariëerde secretaris, die niets anders te doen heeft--zooals het mij soms toeschijnt--dan noodelooze brieven te schrijven en vervelende vergaderingen bijeen te roepen en dominees te ergeren, kwam bij mij en vroeg mij om mijn dominee te plagen totdat hij zijn eigen werk liet staan en de bijeenkomst van den secretaris bezocht, dan zou ik dien secretaris mijn gemoed bloot leggen in de woorden, die een vriendelijke Voorzienigheid mij op dat oogenblik zou ingeven en één dominee zou ten minste geen last hebben van dien secretaris. Als het godsdienstig publiek ooit eenigen twijfel heeft omtrent het geld, dat uitgegeven wordt aan secretarissen en omtrent het nut van hun arbeid, dan kan het misschien een troost wezen voor dat publiek, te weten, dat, zoo lang er gesalariëerde secretarissen van philantropische instellingen zijn, geen stadsdominee ooit er toe zal kunnen komen zijn tijd te verluieren, hetzij door moderne godgeleerdheid te bestudeeren of door te praten met zijn gezin.
Veronderstel echter, dat door den een of anderen buitengewonen zegen, de dominee een avond vrij heeft, werkelijk vrij--wat zoo ongeveer zesmaal per winter voorkomt--en hij begint aan zijn vrouw eens iets voor te lezen, of zij onthaalt hem op wat muziek of de heele familie bladert een kunstwerk door, of--want ik wil zijn zwakke zijde niet verbergen--zij spelen een spelletje samen, zijn vrouw, zijn kinderen en hijzelf. De bel gaat over en de dominee ziet zijn vrouw aan; hij weet, wat dat beteekent. Het is in zulke oogenblikken, dat zijn geloof in een persoonlijken duivel, wiens slimheid even groot is als zijn boosaardigheid, ten sterkste bevestigd wordt.
Niet dat de bezoeker op een vreemde zoo'n duivelachtigen indruk maakt, want hij is eenvoudig een fatsoenlijk, niet bijzonder opmerkelijk burgerman, behoorende tot de Gemeente van den dominee of tot die van een anderen predikant, die even goed op elk ander uur had kunnen komen en zeker op een anderen tijd zou gekomen zijn, als hij een koopman had willen spreken, maar die inbreuk maakt op des dominees vrijen tijd met de stille, doch onbepaalde gedachte, dat, daar de dominee den geheelen dag voor zich zelf had, de avonduren wel ter beschikking van het publiek konden zijn. Wat de boodschap van den bezoeker betreft, hij had even goed kunnen schrijven, maar hij gevoelde, dat het beter kon behandeld worden bij een persoonlijk onderhoud--een kwartier was lang genoeg. Wat ten slotte erop uitloopt, dat deze spraakzame heer den heelen avond bij den predikant in de studeerkamer zit en wanneer hij heen gaat, vol van spijt, dat hij den dominee zoo lang heeft opgehouden, dan zijn de kinderen naar bed en de domineesvrouw zit eenzaam in de leege voorkamer.
Daar is geen tweede mensch, die op deze manier lijdt, zelfs een geneesheer niet, want de menschen dringen niet in zijn consultkamer en blijven er zitten, terwijl zij bij hun gezin behoorden te zijn en hij bij het zijne zou willen wezen. Dokters hebben een hard leven, want zij kunnen op elk uur worden geroepen en beziggehouden van 's morgens tot 's avonds, maar zij hebben ten minste geen last van toevallige bezoeken en beuzelachtige gesprekken om de eenvoudige reden, dat als iemand bij hen komt, hij niet langer dan een kwartier mag blijven en hij moet betalen voor den tijd, dien hij blijft. Natuurlijk is een dominee ten dienste van zijn Gemeente op elk redelijk uur en op elk uur is hij bereid den stervende en den achterblijvende te dienen; maar als elke vreemdeling, die geen enkel recht op hem heeft en die tot hem komt voor zijn eigen zaken, een billijk honorarium moest betalen en het dubbele ervan, indien hij des avonds kwam, dan zouden wellicht de kinderen van een predikant hun vader leeren kennen en de domineesvrouw zou niet behoeven te klagen, dat zij bijna nooit haar man ziet.
Als een koopman zijn kantoor verlaat en naar zijn huis gaat, zou hij zeer verwonderd zijn, indien daar een makelaar hem kwam opzoeken en een zaak voorstellen. Een arbeider heeft rust in zijn eigen huis, maar een domineeshuis is een doorloop, waarin alle soorten van menschen zich bewegen. Waarom kan het tehuis van een predikant niet even heilig zijn als dat van een handelaar? Waarom mag hij niet even goed als een advocaat zijn uren van dagelijksche rust hebben? Wanneer zullen de Gemeenten en het publiek toch eens begrijpen, dat indien een man verplicht is op de hoogte te blijven van de beste gedachten van den tegenwoordigen tijd en zich meester te maken van de schoonste denkbeelden uit het verleden, wanneer hij zijn herderlijke plichten behoorlijk moet vervullen en zijn aandeel moet hebben in de voornaamste zaken der gemeenschap, zijn tijd dan beschermd moet worden tegen indringers en zijn krachten niet moeten verknoeid worden in onbeduidende vergaderingen? Wanneer zullen de menschen begrijpen, dat zijn arbeid even ernstig is en even geregeld is als die van elk anderen man, die een ambt bekleedt en dat, dewijl zijn tijd behoort aan zijn Meester, even goed als zijn talenten en al wat hij overigens bezit, diezelfde tijd niet behoort aan gesalariëerde beambten en spreekgrage bezoekers? Wanneer dat duidelijk begrepen wordt, dan zal het voor de eerste maal tot zekere verstanden doordringen, dat, hoewel de predikant vele zaken moet doen, een daarvan niet is, dat hij in de maatschappij de plaats moet innemen van menschen, die het druk hebben, of dat hij een spreekmachine is op tweede-rangs godsdienstige bijeenkomsten.
X.
VACANTIE.
Daar is geen predikant, met een gezond hoofd en gevoelig hart, die niet in vrede en vriendschap wenscht te leven met alle afdeelingen zijner Gemeente, maar in het bijzonder is elke dominee gesteld op den eerbied en het vertrouwen der jonge lieden. Dit is niet, omdat dezen wijzer dan de oudere menschen; ook niet omdat zij geestelijker zijn, maar omdat zij minder vormelijk en in hooge mate oprecht zijn.
Een vrouw zal, uit welwillendheid en eerbied een dominee eer bewijzen, omdat hij dominee is; een jonge man respecteert hem wegens zijn persoonlijke eigenschappen. Als de predikant een ondegelijk, gekunsteld, laf of lui man is, dan, al was hij twaalf maal geordend en zoo welsprekend als Apollo en al had hij een zalvende stem en voordracht en al was hij nog zoo innemend in zijn omgang, doorzien jonge mannen hem; zij verachten hem, willen niets met hem te maken hebben, en weigeren naar de kerk te gaan om zijnentwil, terwijl zij daarentegen, al is de dominee niet knap en zijn preek oppervlakkig, al praat hij maar heel eenvoudig en heeft hij weinig verstand van de gebruikelijke godsdienstige termen, naar hem zullen gaan luisteren, en voor hem zullen opkomen, als achter zijn rug over hem gesproken wordt, hem zullen bezoeken in zijn studeerkamer en hem raadplegen, zoodra zij in de klem zitten, indien zij hem kennen als een degelijk man, die hard werkt en den moed zijner overtuiging bezit in woord en daad.
Zij zijn geen rechters in heiligheid en loopen gevaar werkelijk goede mannen te onderschatten, omdat dezen soms week en verwijfd zijn, maar zij zijn onfeilbare rechters in manlijkheid en bovenal gelooven zij in een dominee, die een flink man is. Zij vragen niet van hem, dat hij meedoet aan hun spelen, want hij wordt misschien al wat oud of heeft een gebrekkig lichaam, maar zij eischen van hem, dat hij in de levenssport zich dapper en eervol gedrage.
De ware dominee is er volmaakt mee tevreden geoordeeld te worden naar den maatstaf der jonge lieden--hoe hij het groote levensspel speelt--maar het hindert hem soms, dat jonge mannen denken, dat hij op één punt een bijzonder voordeel heeft, en hij is de laatste man om een voorgift in den wedstrijd te begeeren. Hij wenscht niet beschut te zijn tegen kritiek of iets toe te krijgen wegens zijn positie, maar hij wil zijn werk doen en gebruik maken van zijn goede kansen, hij wil zijn tegenspoed verdragen en zijn strijd strijden precies als elke andere man. En daarom is de dominee terecht prikkelbaar omtrent één punt van beoordeeling en dat is zijn vacantie.
Verleden zomer--willen we aannemen--bracht hij de maand Augustus op het land door en deed daar niets noemenswaard, behalve wandelen en klimmen en visschen en kolven en rijden en vijftig andere dingen, die hij als jongen ook gedaan had. Hij had zijn vacantie verdiend met elf maanden te preeken, te onderwijzen, te studeeren, vergaderingen te presideeren, raad te geven, te troosten, te berispen, te bezoeken, te regelen en vijftig anderen dingen, die hij, toen hij een jongen was, nooit gedacht heeft ooit te zullen doen. Zijn geweten was aan het einde van den dag volmaakt zuiver, ofschoon hij geen woord geschreven had, omdat hij den volgenden Zondag geen preek behoefde te hebben, en ofschoon hij geen enkel bezoek had afgelegd, omdat er geen mensch te bezoeken was, en hij wenschte zich zelf geluk, omdat hij in de lange dagen van ledigheid lichaamskracht opdeed en zijn geest nieuw leven verwierf voor het werk, dat in den winter hem wachtte.
Eens op een avond kwam een tweewieler langs den eenzamen weg in vollen spoed en de rijder sprong eraf aan de poort; hij kwam, gekleed in zijn luchtig costuum en blootshoofd door den tuin; zijn gezicht was verbrand tot chocolade-kleur toe, hij zelf overdekt met stof, prettig vermoeid na zijn rit van veertig mijlen, maar vol gezondheid, kracht en vroolijkheid. Hij daagde den dominee uit als eerlijk man precies te zeggen of hij hem kende.
Hem kende! de dominee, zonder te kort te doen aan de deugd der waarheidsliefde, mocht zeggen, dat hij wist, wie hij was; want hij was immers de jonge man, die Zondags morgens altijd op de punt van de voorste bank in den zijvleugel zat en des Zondags avonds orde hield in een jongensschool in het Oost-einde en die altijd bereid was een oogje te houden op den een of anderen kameraad en die zoo'n flink jongmensch was, als er maar konden wezen.
Hij werd in vroolijken triomf binnengehaald en na zich gewasschen te hebben en een stevig maal te hebben gebruikt, zwierven de dominee en hij rond langs de helling van den heuvel en zij spraken over vele zaken; toen zij terugkwamen, zetten zij zich neder in den tuin te midden der geurige bloemen, totdat zij van slaap niet langer konden spreken. Des morgens beklommen zij den heuvel van de achterzijde en bekeken de landstreek en toen aanvaardde de jonge man zijn reis weer en bij een kromming van den weg nam hij afscheid; en terwijl hij vaarwel zei, schudde hij eenigszins treurig het hoofd, want hij ging naar het naaste spoorwegstation en den volgenden dag zou hij weer hard aan het werk zijn in het brandende kantoor in de city. «Mijn laatste dag", zei hij tot den dominee, toen zij scheidden, «en het is een allerprettigste geweest" en ofschoon de jonge man den dominee niet benijdde, dat hij nog veertien dagen vacantie had, kon deze toch niet nalaten te gevoelen, dat zijn vriend wel dacht, dat de dominee beter af was dan hij.
Toen die gelukkige zomerdag alleen nog maar in de herinnering bestond, zaten beiden eens weer te zamen in de studeerkamer van den dominee--dezen keer voor de brandende houtblokken. Zij spraken over vele dingen--onder andere ook over dien tuin met zijn rijkdom aan anjelieren--en de dominee maakte den jongen man deelgenoot van zijn overdenking en verklaarde te gelooven, dat elke jonge man dezelfde meening koesterde in den grond van zijn hart. Men kwam overeen, dat men dadelijk een bespreking zou openen en de dominee nam op zich te bewijzen, dat hij minder vrijen tijd had dan een kantoorklerk en dat niet om een belachelijke stelling te verdedigen, maar omdat hij meende, dat het de waarheid was. De jonge man had er schik in om tegenpartij te wezen.
Het was inderdaad een eenvoudige rekensom om twee rijen cijfers neer te zetten op een velletje papier en het kleinste getal van het grootste af te trekken; het verschil zou over den uitslag van het twistgesprek beslissen.
Daar de dominee een stadsparochie had en een voorname Gemeente, werd hij edelmoediger behandeld dan menig ander van zijn collega's en had hij zes vrije weken per jaar, welke hij verdeelde in twee deelen, een maand aan het eind van den zomer en veertien daag in de lente, wanneer het zware winterwerk geëindigd was. En dit maakte samen twee en veertig dagen. Tusschen Januari en December had hij waarschijnlijk behalve zijn vacantietijd nog wel eens een dag, dat hij uit de stad ging of een halven dag, dien hij in de stad naar vrije verkiezing besteedde. De heele dag buiten werd zeer dikwijls doorgebracht met kolven en den halven dag in de stad gebruikte hij om in een bibliotheek te snuffelen en de boekwinkels te plunderen. Laten al die halve en heelen dagen in het geheel te zamen acht dagen uitmaken, zoodat des dominees vacantie in alles en alles vijftig dagen bedroeg.
Terwijl de dominee zelf dit totaal nederschreef, meende zijn tegenstander, dat het nauwelijks de moeite waard was zijn zaak te verdedigen. Toen de dominee aanhield en den jongen man een blad papier gaf en een potlood, had het er veel van, dat de geheele zaak niet veel meer dan op een grap zou uitloopen.
«Twaalf dagen is de regel in ons kantoor en het is een bijzondere tref, wanneer men in Augustus kan gaan, want het kunnen ook dagen in April zijn," zei de jonge man. En hij was reeds bezig twaalf af te trekken van vijftig en benieuwd wat de dominee zou zeggen over een meerderheid van acht en dertig.
«Tellen de Zondagen mee bij uw verlof?" vroeg de dominee. De jonge man gaf toe, dat dit niet zoo was en zoodoende werd het getal twaalf veranderd in veertien, maar dat maakte niet veel verschil.
«Is uw kantoor open op Kerstdag?" ging de dominee voort. «Ik denk van neen; evenmin als op Nieuwjaarsdag, op Paaschmaandag, of op Pinkstermaandag. Gewoonlijk is de tweede Kerstdag ook een vrije dag en Goede Vrijdag ook. Zoo gaan we aardig de hoogte in; dat zijn zes dagen, die gij niet gerekend hadt en dan is er een vrije beursdag in het begin van Augustus, dien gij liefst buiten uw jaarlijksche vacantie sluit. Hoever zijn wij nu? Een en twintig dagen, dat wil zeggen--drie weken. Het is niet veel voor iemand, die zoo hard werkt; maar het is toch meer dan gij hadt uitgerekend."
«Ja, het vermindert uw meerderheid, maar die is toch altijd nog aanmerkelijk--negen en twintig dagen meer voor den dominee dan voor den klerk."
«Misschien," antwoordde de predikant, «maar uw firma moest zich toch eigenlijk schamen,--en zij heeft zoo'n goeden naam en doet zulke groote zaken!--dat haar klerken den geheelen Zaterdag moeten werken inplaats van een halven vrijen dag te hebben. Niets, zou ik zoo zeggen, zou voor een jongmensch aangenamer zijn dan eens op zijn fiets naar buiten te gaan op den Zaterdag-achtermiddag, in den tijd, dat de bloemen beginnen uit te komen en dat de heggen het eerste groen vertoonen of op een anderen tijd een paar uur te gaan schaatsenrijden in het heldere, reine versterkende winterweer. Ik heb medelijden met u," zei de dominee, «dat gij dien halven vrijen Zaterdag niet hebt. Gij zijt al even slecht af als ik, voor wien Zaterdag op een na de drukste dag van de week is."
De predikant stond op en wierp een nieuw blok op het vuur, want hij was een edelmoedig man, met een tikje humor, en hij wilde zijn vriend niet verlegen maken.
«Daar heb ik nooit aan gedacht," zei de jonge man rondborstig, «dat is eerlijk waar. Ik herinner me, dat ik eens medelijden met u kreeg, toen ik ging schaatsenrijden en bij u aanliep om te vragen of ge meegingt en dat ge bezig waart met het maken van uw avondpreek."
«Welnu," zei de dominee, «twee-en-vijftig maal een halve dag is zes-en-twintig heele dagen, en daar afgetrokken de twee halve dagen, die in uw geregelde vacantie vallen, blijven er vijf-en-twintig heele dagen over, die moeten opgeteld worden bij uw een-en-twintig dagen, dat maakt zes-en-veertig, of ik moet heelemaal niet kunnen tellen.