De Dominee en zijn Gemeente

Chapter 5

Chapter 54,006 wordsPublic domain

Indien de Gemeente een weinig in de hoogte gestoken is door het bezit van een orgel, dan zal niets zoo zeer de ijdelheid en de zelfmisleiding kastijden dan het bezoek van een musicus, die een examen heeft afgelegd en verscheidene letters achter zijn naam heeft; en indien iemand zijn raad verdacht maakt als die van een al te vitlustig speler en veronderstelt dat er nu verder geen twist over dat orgel zal wezen, dan is zeker zijn onnoozelheid aandoenlijk en een bewijs, dat hij nooit iets te maken heeft gehad met muziekinstrumenten op plaatsen van openbaren eeredienst.

Welke beproevingen de Gemeente te voren moge gehad hebben door tocht in het gebouw of kwesties over verwarming of geldelijke moeielijkheden of rustverstoring door oproerlingen, al deze zaken zijn minder dan niets in vergelijking van de buitensporigheden en eischen in verband met haar nieuwe orgel. Als de lucht erin gebracht wordt door werken met de hand, dan blijkt het zoo groot, dat twee blazers noodig zijn en daarom wordt er voorgesteld een hydraulische machine aan te schaffen. Deze machine werkt gewoonlijk twee van de vier Zondagen niet, omdat er geen druk genoeg te krijgen is en dan moeten eenige leden der Gemeente de blaasbalgen bewerken--als men ten minste zoo wijs is geweest die te laten zitten voor voorkomende gelegenheden en vóórdat zij klaar zijn met hun werk hebben de diakens, wel forsch gebouwd maar niet gewoon aan handenarbeid, een heel nieuwe gedachte omtrent dat orgel gekregen en bepalen zij zich voortaan bij hun plichtplegingen tot de Hebreeuwsche taal.

Langzamerhand zal iemand de meening trachten ingang te doen vinden, dat het orgel behoort bespeeld te worden met electriciteit en de Gemeente, maar vooral de dominee en zij, die bevel voeren in de afdeeling muziek, komen nu te weten, wat eigenlijk wederwaardigheid beteekent. De verandering zal, naar gezegd wordt, zes weken duren en betrekkelijk weinig te beduiden hebben. Inderdaad is er een jaar mee gemoeid, met nog eenige maanden als toevoegsel, en gedurende dien tijd heeft de Gemeente de gelegenheid de verschillende samenstellende deelen van haar orgel te bezichtigen in de zaal en in de lokalen voor bijbellezing en de doorgangen en in de nevengebouwen, waar het ligt in geheimzinnige stukjes en brokjes.

In dien tusschentijd zullen de leden der Gemeente vergeten hebben, dat het onmogelijk is voor welopgevoede lieden God te loven zonder instrumentale muziek en in loutere onnadenkendheid zullen zij hartelijker zingen dan zij in de laatste tien jaar gedaan hebben. Daar er geen orgel is, moeten bekende wijzen worden opgegeven en de menschen zullen verlof hebben God te vereeren uit volle borst. Wanneer onwetende vreemdelingen in de kerk komen, die zich niet herinneren dat er een orgel is, dan zeggen zij, dat zij nooit in hun leven beter hebben hooren zingen en het koor zal zich beleedigd gevoelen door de complimenten over de manier, waarop het de vergadering leidt, daar er immers geen deftig koor is--een paar uitgezonderd--dat het niet als een onbeschaamdheid beschouwt, wanneer de Gemeente het durft volgen en dat er niet op staat alleen zijns weegs te gaan.

Als het orgel eindelijk weer in elkaar zit en de dag aanbreekt, dat er weer op gespeeld kan worden, beweert de Gemeente verrukt te zijn; maar zij heeft toch een boosaardig gevoel, dat de dagen harer vrijheid voorbij zijn. Het was voor de leden der Kerk misschien nog mogelijk, te trachten uit de verte een orgel te volgen, door water gedreven, en gesteund door een daaraan geëvenredigd koor; maar zij zullen niet de stoutheid hebben zich te bemoeien met een orgel, dat electrisch in beweging gebracht wordt en dat bijgestaan wordt door een nog verhevener koor. Indien de Gemeente echter al gewillig is uit een gevoel van beleefdheid te zwijgen, dan wordt het electrische orgel niet door zulke teere beweegredenen beheerscht, want de buitensporigheden ervan zijn eindeloos. Als het vrijwillig er in toestemt vooruit te spelen, dan zal het eindigen in een lang, welluidend gejank, waarvoor niemand den organist aansprakelijk kan stellen, en het zal een even welluidend getoet doen hooren onder het gebed, welke geluiden misschien bedoeld zijn als antwoorden, maar niet als zoodanig zijn gearrangeerd; en dan midden in een Te Deum zal het, ten gevolge van den eenen of anderen bijzonderen aanleg tot het stichten van verwarring, heil zoeken in een hardnekkig zwijgen. Gedurende de eerste zes maanden na de opening zal het onder dokters handen blijven en gedurende het daaraanvolgende jaar zal het min of meer behept blijven met de gewoonten van een vroolijke en wispelturige jeugd en de Gemeente zal heen en weer slingeren tusschen twee meeningen, een geheime tevredenheid, wanneer het orgel niet speelt, zoodat er een kans is op vrijheid bij het zingen en een sterke begeerte om het op een kar te laden en het in de eerste de beste rivier te doen werpen.

Wat het orgel, bij bouw en vernieuwing en vergrooting en stemming, elk jaar kost aan rente van kapitaal en aan loopende uitgaven, zou voldoende zijn om een zendeling te onderhouden in eenig vreemd land of om een dominee te steunen in een arme stadswijk; en wat het den organist, die zoo ongeveer van alles de schuld krijgt, kost aan bezorgdheid, terwijl de goede man gewoonlijk een uur vóór den dienst in zijn hemdsmouwen aan het tobben is in zijn schuilhoek en wat het der Gemeente kost aan voortdurende verbittering, zou, indien het in gelds waarde kon worden uitgedrukt en vermenigvuldigd met het aantal der Kerken, die dan van een orgel verlost zouden zijn, voldoende zijn om de schulden te delgen van de geheele uitwendige zending van de Angelsaksische wereld.

Mijn eigen ondervinding van een koor en ook van een organist is een zeer aangename en een van de bijzondere zegeningen, die ik niet waardig ben; maar ik beweeg mij in de wereld en ik hoor van tijd tot tijd iets. Daar een koor, zooals men vermoedt, bestaat uit een zeker aantal uitgelezen personen, mannen en vrouwen, die begaafd zijn met muzikaal gehoor en prachtige stemmen en die liefde hebben voor de meest teedere en geestelijke van alle kunsten--de meest beschaafde lieden feitelijk in een Gemeente--is men geneigd aan te nemen, dat de heele atmosfeer van een koor vol liefde en vrede is. Toch worden soms geruchten vernomen, alsof de twisten in sommige kerkkoren alleen in hevigheid kunnen overtroffen worden door de vurigheid van een vereeniging van Iersche patriotten en dat er niets zoo kleingeestig en onbeteekenend kan zijn of het is in staat een koor in vlam te zetten. Alles is aanleiding tot ergernis, zelfs een niets: de directeur van het koor geeft iemand een plaats, die hem niet bevalt, laat hem of haar een partij zingen, die haar of hem niet aanstaat, maakt een aanmerking of geeft een pluimpje aan den verkeerden persoon, een korist waagt een opmerking,--dit alles zijn even zoo veel bronnen van ergernis voor den fijngevoeligen koorzanger. Hij begint te pruilen, maakt onaangename opmerkingen, neemt ontslag of is oorzaak, dat eenige anderen het doen en dan bij de een of andere groote gelegenheid nemen al de koorleden ontslag en nemen een zoo gewichtige houding aan, dat de gebeurtenis even belangrijk beschouwd wordt als een oorlog. In het algemeen mag een koor zoo'n standje wel, want het geeft een prikkel aan een kunstenaarsgestel. Maar er zijn toch eenige menschen, die niet ten volle deelen in die blijdschap. Een van dezen is de arme dominee, die zich op een goeden Zondag in de moeielijkheid bevindt zijn eigen voorzanger te zijn en die als middelaar moet dienst doen bij elk twistgesprek; en de anderen zijn de lidmaten der Gemeente, die gevaar loopen ook in vlam gezet te worden door de vonken van dezen muzikalen brand en die nooit zeker ervan zijn of zij niet den een of anderen Zondag verplicht zullen zijn zelf te zingen.

Er zijn oogenblikken, maar misschien zijn het dwaze, dat een zeker iemand met overdreven en beteekenisvollen spijt terugdenkt aan een dorpskerk, waar een voorzanger het van ouds bekende en geëerde schotsche wijsje «Martelaarschap" aanhief met een krachtigen toon en waar een vergadering van mannen en vrouwen met heldere stemmen en sterke longen die wijs volgde, terwijl geen enkele zweeg en het geheele lied gezongen werd vol vuur, met hier en daar een bas- en een tenorstem, zelfs misschien een altstem er tusschen in om de muziek voller te doen klinken. En er zijn andere tijden, dat diezelfde zeker iemand, die toch eigenlijk beter moest weten, zeer ontroerd is in zijn hart, wanneer hij bij een zendingsbidstond de menschen een van die wijzen hoort zingen die misschien geen zeer goede muziek zijn en die voornamelijk zich leenen tot luid gezang, maar terecht opwekkingsliederen genoemd worden, omdat zij de ziel verkwikken en uitdrukking geven aan de blijdschap dier ziel, die voor het eerst ervaart, dat God haar lief heeft en tot haar redding Zijn eenigen en veel geliefden Zoon heeft gegeven.

Het is een goed ding, dat men hij den lofzang ter eere Gods de hulp heeft van den goeden smaak en de muziek, ondergeschikt aan de rechten der menschen, maar het beste is, dat de menschen zingen met lippen, die God opent en uit harten, die verlost zijn op Golgotha.

VII.

EEN EIGEN BANK.

Er zijn heel wat veranderingen gekomen in de inwendige inrichting van de kerk sinds de tijden onzer vaderen, maar geen verandering is van meer beteekenis dan die vrije plaatsen, die in verhouding van evenveel gewicht is als de vermindering van de voorrechten in Engeland en de afschaffing van staatkundige onbevoegdheid. Men herinnert zich de goede dagen van ouds, die wij voor een groot gedeelte goed noemen, omdat zij oud waren en nu omsluierd zijn door een nevel van eerbiedige genegenheid. Men ziet de lange rijen van familiebanken, elk zorgvuldig afgescheiden van alle andere en door een deur, die van binnen gesloten werd met een stevigen grendel of in geval dat de bezitter van hoogeren stand was met een klein koperen boutje, afgescheiden van het publiek in de gangen.

Indien de huurder van de bank behoorde tot de hoogste kringen van het district, dan bedekte hij haar met laken--rood of groen--, legde er een kussen in van drie duim diep--, dat in zijn plooien het stof verborg van vijfentwintig jaar--en een kastje voor Bijbels, goed gesloten, waarin de boeken voor de godsdienstoefening beveiligd waren tegen vreemde handen. Er waren ook bankjes van een zeer stevige makelij, niet om er op te knielen--want niemand, die in zulk een bank thuis hoorde, zou er ooit aan gedacht hebben zulk een ongepaste houding aan te nemen--maar om er gemakkelijk de voeten op te zetten.

En er was zelfs zoo iets als een plankje, waarop de elleboog gemakkelijk kon leunen, opdat een arme zitter gelegenheid had zijn hoofd op te houden met zijn hand, terwijl hij naar de preek luisterde.

Het was een belangwekkend gezicht en men denkt er nog met genoegen aan, hoe de plaatselijke waardigheidsbekleder des Zondagsmorgens de kerk inkwam om bezit van zijn sterkte te nemen en deel te hebben aan den eeredienst. De bankopsluiter, een slimme oude man, opgebracht in een kerkatmosfeer en op wiens gezicht zelfs de meest duistere leerstellingen te lezen stonden, die een ambtelijk gesprek had gevoerd met de diakens en die vijftig leden van de smalle gemeente had laten voorbij gaan zonder hun meer dan een nauw merkbaar knikje en een opmerking over het weer waard te keuren--met heel onderdrukte stem geuit--komt naar voren om de hoofden der synagoge te ontvangen en hen naar hunne zetels te geleiden. Hij gaat hen voor met statigen tred door de gangen, noch ter rechter- noch ter linkerzijde omziende, gevolgd door de vrouw van Dives, achter haar de kinderen, achter dezen den vreemdeling, die tijdelijk binnen hunne poorten gehuisvest was, en, eindelijk heel achteraan, den zelf-voldanen en verheven Dives zelf.

Bij aankomst aan de deur van de versterkte heerenplaats, kijkt de bankopsluiter, terwijl hij behendig de deur opent met één hand en ronddraait op één voet, den optocht achter de open deur in het gezicht, terwijl deze nog halfweg de doorgang is. Hij maakt een lichte buiging en kijkt recht voor zich uit, eerbiedig, maar toch niet onbewust van de plaats, die hij inneemt onder de bestuurders der Kerk, terwijl de leden van de familie een voor een binnenkomen en hunne plaatsen innemen, totdat er eindelijk nauwelijks plaats overblijft voor den grooten man zelf. Het is echter voldoende, als hij zich maar juist kan neerzetten, want in dat geval is de invloed van een zwaar lichaam zoodanig, dat de ruimte er door ingenomen, langzamerhand grooter wordt, terwijl de lichtere lichamen in de bank als van zelf inkrimpen onder den dienst, totdat Dives eindelijk op zijn gemak zit.

Zeker, het had eenige moeite gekost om de deur te sluiten en onder den dienst hoorde men haar vaak kraken en men kon niet helpen, dat men hoopte--maar dat was, toen men nog jong was--dat door het een of andere fortuintje de deur eens zou losschieten, en dat Dives, die er al te sterk op leunde, terneer zou komen in de doorgang.

De bout echter, om niet te zeggen de scharnieren er bij, was stevig gemaakt en de bankopsluiter zag wel, dat alles in orde is zoowel met het oog op veiligheid als op waardigheid, en dan ging hij statig weer terug naar de kerkdeur, niet onbewust ervan, dat hij zich loffelijk had gekweten en dat hij tenminste eenigen indruk had gemaakt bij het plechtstatig nederzetten van den rijken man en zijn familie in hun bank.

Dives ontsluit het bijbelkastje met een sleutel, die bevestigd is aan zijn ring en deelt de boeken uit, alsof het een prijsuitdeeling was in een school, terwijl de moeder van het gezin aan de jongste leden zoodanig voorraad lekkers geeft als voldoende zal zijn om uitgeputte schepsels tegen de twee volgende uren te doen stand houden.

Het geval kwam voor, dat Dives ongehuwd was en niets anders had dan zijn eigen hoogwaardigheid om zijn heerlijkheid te bezetten; maar de plechtige binnenkomst geschiedde geheel op dezelfde wijze en hij zette zich met waardigheid aan het einde der eenzame bank. En als gij zoudt veronderstellen, dat de een of andere vreemde, die een plaats wilde hebben, in Dives' bank werd ondergebracht, dan zoudt gij toonen geen verstand te hebben van de bescheidenheid van den bankopsluiter; en als gij u verbeeldt, dat iemand, die zoo maar eens de kerk binnenliep, zou probeeren om binnen te dringen in die majestueuze ledige plaats, dan kan uw verbeelding sterk genoeg zijn, maar zij is nog niet bestand tegen de uitdrukking op het gelaat van Dives.

Vreemdelingen kwamen in vroeger dagen niet in kerken, tenzij als gasten van een der families, omdat ieder zijn eigen kerk had en daar ging hij heen door regen en in de brandende zon, wie er ook preekte en wat er ook daar of elders te doen was. De menschen pochten er in die dagen op, dat zij nooit rondzwierven en het had kunnen gebeuren, dat een geheel onbekende vreemdeling den bankopsluiter had doen wankelen, maar dan zou hij hem, daar hij steeds zich zelf gelijk bleef, in elke gebeurlijkheid, naar zijn eigen bank gebracht hebben, die, met het oog op omstandigheden, dicht bij den preekstoel was, zoodat de zwerver niet behoefde inbreuk te maken op het eigendom van een en ander en tevens onder behoorlijk toezicht gesteld werd.

Wanneer de kerk vol was, dan zag men het haar aan, dat zij stevig en eerbiedwaardig was; dan wekte zij ook de gedachte op aan waardigheid en welvaart en het is billijk erbij te voegen, dat ook een geur van gezinseenheid en huiselijken welstand u zeer aangenaam en troostend aandeed in die gemeente van den ouden tijd.

Als een ouderwetsch man en iemand, die misschien al te zeer ingenomen is met het verledene, met al zijn fouten, wenscht geschokt te worden, dan heeft hij alleen maar een van de hedendaagsche kerken te bezoeken van den nieuwsten trant, die gewoonlijk vrij en open heeten, alsof het herbergen waren of stukken waardeloos land, waar een hoop vuilnis was neergegooid. Het open zijn is zoo ver mogelijk uitgestrekt, want niet alleen zijn er geen deuren aan de banken en geen kastjes voor de Bijbels en geen rugbekleeding en geen kussens, waarin gij kunt weg zinken,--misschien zijn er vloermatten en bidbankjes--en is er nauwelijks eenige afscheiding tusschen de banken, maar wellicht zijn er in het geheel geen banken, alleen stoelen, en gij steekt uw psalmboekje in een rekje aan den rug van den stoel van uw voorman, die gaat verzitten, als gij dat doet en gij knielt tegen dien stoel--als er tenminste mogelijkheid is om te knielen--en dan geeft gij uw voorman een duw, wat hij natuurlijk kwalijk neemt. Het spreekt vanzelf, dat er geen bankopsluiter is, omdat er geen banken behoeven open gedaan te worden en meer dan dat, er is geen bijzondere plaats voor u om te gaan zitten, om de eenvoudige reken, dat ge u kunt nederzetten, waar ge wilt en elken keer ergens anders kunt neervallen, indien ge dat wilt.

Geen pelgrim of vreemdeling behoeft zich te schamen in een hedendaagsche kerk, want alle menschen die er zijn, verkeeren in dezelfde omstandigheden als hij; allen zijn vreemdelingen, daar zij geen recht hebben op een duim breed gronds, en allen zijn pelgrims, daar zij geen tweemaal op dezelfde plaats behoeven te zitten. Niemand kan zich beklagen over de zelfzucht van anderen, want alle dingen zijn gemeenschappelijk bezit.

Wanneer Dives, opgesloten achter zijn deur, deed denken aan uitsluiting, dan kan tot zijn verdediging worden aangevoerd, dat het de uitsluiting was, die huiselijkheid beteekent, en in die bank was een kleine gemeenschap--die het huisgezin is. En als er iets gezegd kan worden voor algemeene vrijheid en openheid op grond van de Christelijke broederschap en menschelijke gelijkheid, dan klampt men zich toch nog vast aan het geloof, dat men recht erop heeft onder zijn »eigen" te zijn--dat is te zeggen, met zijn vrouw en zijn eigen kinderen--in het huis van God, en dat men het best God zal vereeren, wanneer men in eenigszins afgesloten kring is.

Misschien zal een bezoeker zich vrijer gevoelen in een vrije en open kerk, maar daar staat tegenover, dat het huisgezin in stukken gebroken wordt aan de deur en geen gemengde menigte kan ooit een zoo sterke Gemeente vormen of een, die een zoo geweldigen indruk maakt op het gezicht als de lange rij van banken, laat ons in dit geval zeggen, zonder deuren en stoffeering, maar waar toch in elk een huisgezin zit, met de moeder aan het hoofd van de bank, den vader aan het achtereind en de jongelingen en jonge dochters tusschen die beiden in. Want de familie bestond eer dan de Kerk en als de Kerk iets anders zal zijn dan een priesterlijk eigendom of een zaal voor voordrachten, dan behoort zij te berusten op het huisgezin.

De bank is een getuigenis voor de familie en behoort gehandhaafd te blijven, zonder de deuren, en het komt er volstrekt niet op aan of iemand honderd gulden per jaar huur betaalt voor zijn bank of drie gulden. De machthebbenden in de Kerk moeten er voor zorgen, dat ieder gezinshoofd zijn eigen bank heeft, met voldoende ruimte erin voor hem zelf, zijne vrouw en de kinderen, die God hun gegeven heeft. Er is geen enkele reden te bedenken, waarom de rijke niet een flinke som zou betalen voor zijn tehuis in het kerkgebouw. En velen onzer hebben nooit kunnen begrijpen, waarom niet een handwerksman ook iets zou geven voor zijn kerkelijk tehuis. Behoort een Christen niet te doen wat goed is om zijn Kerk te steunen? Ieder man, die zich zelf acht, wenscht te betalen voor zijn huis, hetzij het groot of klein is, en iemands eer is er mee gemoeid te wonen in een armhuis, waar hij geen huur betaalt en afhankelijk is van het publiek. Het is volstrekt niet noodig, dat dit gevoel voor een eigen tehuis en persoonlijke onafhankelijkheid verloochend wordt in het Huis Gods, maar het schijnt eer wenschelijk, dat de man, die werkt en genoeg verdient om een huis te onderhouden waar hij en zijn kinderen zes dagen van de week in een zekere weelde en zelfachting samenleven, ook zijn deel draagt in de onderhouding van het Huis, waar zij God vereeren op den zevenden dag. Het is een armzalig schepsel, die wil dulden, dat een rijke man zijn huishuur betaalt voor de zes dagen, en ik ben nooit in staat geweest eenig onderscheid te zien tusschen het zijn van bedelaar op Zondag of een bedelaar te wezen op Maandag.

Ik zou er echter willen bijvoegen, en met nadruk, dat het bezit van een bank in den zin, waarin iemand zijn huis bezit, een maatstaf is voor karakter en een gelegenheid tot gastvrijheid. Daar is een soort van menschen, wie het niet alleen spijt, dat zij geen deur aan hun bank mogen hebben, maar die liefst hun bank zouden willen afsluiten met een dak, die het een vreemdeling kwalijk nemen als hij er in komt--ofschoon er overvloed van ruimte is--als was dat een persoonlijke beleediging en die vreemdelingen zullen verjagen, indien zij bij ongeluk erin gebracht zijn vóór hun aankomst. Als zoo'n man maar een halve bank gehuurd heeft, dan durven de kerkedienaars geen andere huurders aannemen voor de andere helft, omdat hij met hen twisten zal over de vraag welke helft zij mogen bezetten, over de kwestie, wie het eerst moet binnen gaan, over een liederenboek, dat niet op zijn plaats ligt of over een vriend, dien zij eens meebrachten en die twee duim van zijn plaats in bezit nam. Billijkerwijze zij gezegd, dat die man in de kerk niet erger is dan elders, want hij is overal een vlegel--jaloersch, twistziek, onherbergzaam, onhandelbaar.

Maar zet als een tegenwicht tegen zulk een misbruik van de bank nu eens mijn besten ouden vriend Jeremias Goedhart. Hij is nu alleen met zijn lieve, beminnelijke gade, want de kinderen hebben zich een eigen tehuis gevormd; maar hij houdt de familiebank en wil in geen geval die opgeven. Somtijds lijkt het den bestuurders van de kerk toe, dat Goedhart wel een banklooze familie bij zich kan nemen, maar zij dringen niet op de zaak aan, daar zij er aan denken, hoe lang hij en de zijnen de bank voor zich gehad hebben en hoe goed hij de ledige ruimte gebruikt. Hij heeft een tal van boezemvrienden, die nu oud en grijs zijn en die van tijd tot tijd met hem en zijn vrouw naar de kerk komen en voelen, dat zij in zeer goed gezelschap zijn. Hij heeft ook een grooten kring van kennissen, die bij honderden geteld kunnen worden, en de personen van dien kring hebben ook de gewoonte wel eens binnen te komen en in zijn bank te gaan zitten; en als hij een vreemdeling aan de kerkdeur ziet, dan kan Goedhart niet laten een woordje tot hem te zeggen, hem welkom te heeten en het beste te wenschen. Als de vreemdeling toevallig een jonge man is, dan neemt hij hem onder den arm en mee naar zijn bank en er bestaat veel kans, dat hij hem naar zijn huis brengt en ten eten vraagt en hem zegt, dat hij maar nooit alleen op zijn kamers moet blijven zitten, maar zijn huis moet beschouwen als een tehuis.

En mevrouw Goedhart vertelt haar vriendinnen met veel voldoening de grootte van den kalfsbout, dien zij op Zondagen hebben, omdat, ofschoon hun eigen zoons zijn heengegaan, zij toch nooit nederzitten zonder eenige jonge mannen als gasten en mijnheer Goedhart leerde hen kennen door de kerkbank. Indien de een of andere familie in de Kerk logés heeft en behoefte aan zitplaatsen, wel dan komen de kinderen van de familie in de bank van Goedhart zitten en worden met open armen ontvangen. Gezegend mogen zijn witte haren en scherpzinnig gelaat zijn, nooit is hij volkomen gelukkig of geniet hij de preek ten volle, tenzij hij zijn behoorlijk aantal gasten heeft; daar zijn tijden, dat hij er een teveel meebrengt en dan wedijveren de andere bankbezitters om het eerst een plaats aan Goedhart aan te bieden.