De Dominee en zijn Gemeente

Chapter 4

Chapter 43,945 wordsPublic domain

Zoodra de Gemeente dat feit merkt--en het kan soms jaren duren, eer men het ziet--beginnen de bestuurders der Gemeente zich minder op hun gemak te gevoelen. Ouderdom heeft zijn voordeelen in de Bediening des Woords, maar hij heeft ook zijn duidelijk merkbare nadeelen en wanneer men de balans opmaakt, heeft de Gemeente misschien gelijk in de meening, dat zij aan den verliezenden kant is en niet aan den winnenden onder de Bediening van een oud man. Eén zaak is zeker--en dat is een zeer ernstige zaak--een dominee wordt op een zekeren leeftijd bijna ontoegankelijk voor nieuwe denkbeelden. Natuurlijk verschilt die leeftijd voor onderscheiden mannen en het is gevaarlijk ook maar een gissing te wagen, daar de lezer altijd wel de een of andere uitzondering zal weten. Er zijn menschen, die na hun dertigste jaar geen nieuwe gedachten toelaten tot hen door te dringen--mannen van hopelooze stompzinnigheid, die al hun levensdagen een nachtmerrie voor hun Gemeente zijn; en er zijn mannen, wier geest op hun tachtigste jaar nog open staat voor de nieuwste ideeën--mannen van buitengemeene verstandelijke frischheid en levendigheid.

Voor den middelmatigen mensch komt er een tijd, dat zijn geest vast wordt en dat zijn meeningen totaal onveranderlijk blijven. Wellicht neemt hij geen aanstoot aan de ontdekkingen der jongeren; maar zich ermee vereenzelvigen doet hij zeker niet. Hij zal zich misschien niet verzetten tegen nieuwe wijzen van optreden maar ze aannemen zal hij stellig niet. Zijn prediking kan juist zoo goed zijn als zij vroeger was, omdat zij dezelfde is, zonder eenige toevoeging of nieuwe gedachte; maar zij kan wellicht verkeerd zijn, vergelijkenderwijs sprekend, omdat er eigenlijk nieuwe stof in wezen moest en dat zij ook meer verband moest houden met den tijd, waarin wij leven.

De middelbare leeftijd is geneigd eenig wantrouwen te koesteren tegen het opkomend geslacht en een zekere jaloerschheid te gevoelen van zijn standpunt, zoodat de man van middelbaren leeftijd soms vervalt tot vitlust en kwaaddenkendheid. Hij wordt langzamerhand een rem aan het rijtuig en hoewel de rem een nuttig ding is in zekere omstandigheden, is zij toch niet geschikt om in de plaats van paarden gebruikt te worden.

Wanneer een predikant geplaatst is in een stad, dan is het een ernstige vraag of hij, na de zestig eenigen tijd achter den rug te hebben, nog wel in staat is zijn werk naar behooren te verrichten. De menigte bijkomende werkzaamheden in een stedelijke parochie, het drukke leven, de groote inspanning van den geest en de zware verantwoordelijkheid eischen een man in den bloei des levens, met een vlug begrip en een sterk lichaam. Zooals de toestand nu is, zou het heel goed zijn, indien mannen na twintig jaren dienst in een stad zich terugtrokken en een rustiger arbeidsveld zochten in een landelijke Gemeente. Zij zouden, als het ware, geplaatst kunnen worden op de lijst der half gepensionneerden.

Daarenboven is het niet te ontkennen, dat de man van middelbaren leeftijd door geheel en al afscheid te nemen voor zich zelf van de jeugd, ook in veel opzichten ophoudt in verbinding te staan met jonge menschen. Zij mogen eerbied voor hem gevoelen en hij moge belang in hen stellen, zij hebben niet meer een gemeenschappelijke wijze van zich uit te drukken en koesteren verschillende sympathieën.

Zij zijn geneigd hem te beschouwen als een «stoffel" (en als man van middelbaren leeftijd, meen ik, dat wij inderdaad wat onnoozel worden), terwijl hij hen allicht wat «wuft" vindt. Er zijn weinig menschen, die de gaping tusschen twee geslachten kunnen overbruggen en even goed kunnen omgaan met de jongen als met de ouden en de moeielijkheid wordt eer grooter dan kleiner. En dit alles is het nadeelig gevolg van het oud worden of zelfs maar het overschrijden van den middelbaren leeftijd.

Wat moet er dan gedaan worden met dien ongelukkigen man? De moeielijkheid wordt zoo klemmend gevoeld, dat een voornaam godgeleerde van onzen tijd--die nu overleden is--voorstelde, dat een dominee, zoodra hij den bloeitijd des levens was gepasseerd, ergens zou heen gebracht (ik vermoed naar de een of andere overdekte plaats) en daar doodgeschoten worden. Zijn meening was, dat rustende geestelijken op dezelfde wijze zouden behandeld worden als versleten paarden. Het is altijd gevaarlijk geweest ironisch te spreken in Engeland sedert den tijd van Swift, want ofschoon het Engelsche volk elke andere deugd van de wereld bezit, het heeft zeker geen vlug begrip voor humor en ik ben er niet zeker van, dat er niet menschen waren, die geloofden, dat dit barbaarsche voorstel ernstig gemeend was. Voorzeker sprak hij in den geest van eenige ondankbare armzalige Gemeenten, voor wie het een heele opluchting zou wezen van een ouden dienaar af te komen op de snelste en goedkoopste manier. Misschien zou het ook een vriendendienst zijn aan den dominee, wanneer deze bemerkt dat hij een sta-in-den-weg wordt voor hen, die hij liefheeft en die hem eens liefhadden, wanneer men hem op de een of andere manier den genadeslag gaf; maar daar zijn wetten, die deze krachtige methode van wegzending verhinderen en men moet het denkbeeld van een slachtplaats voor geestelijken opgeven.

Men heeft dan vier manieren van handelen met dezen ongelukkigen man, die, indien hij eenig gevoel van gepastheid had gehad, fatsoenlijk zou gestorven zijn na een kortstondige en hartroerende ziekte in den leeftijd van zestig jaar en de eerste manier is, dat de Gemeente niets doet en hem zijn leven laat eindigen op den preekstoel. Naar alle waarschijnlijkheid placht hij, ongeveer dertig zijnde, te zeggen, dat hij nimmer dominee zou blijven na het geel worden zijner bladeren; dat hij er zich over verwonderde, hoe oude menschen niet konden zien, dat hun tijd voorbij was en dat zij beter zouden doen kool te gaan planten in een dorpstuintje. Toen hij deze brave dingen zei, stond hij aan den anderen kant van de heg, en nu, nu hij tweemaal zoo oud is, heeft hij een heel anderen kijk op de dingen. Hij verklaart, dat hij zich nooit in zijn leven jonger gevoeld heeft dan thans en nooit geschikter om te preeken. Bij gelegenheid wordt hij heldhaftig en verklaart, dat, zoolang hij de preekstoeltrappen kan opklauteren, hij zal voortgaan en dat hij zal sterven in het harnas.

Dwaze menschen (meestal oude dames) zullen hem wijsmaken, dat hij nooit zoo gepreekt heeft als den vorigen Zondag en hij zal het oor leenen aan dezen kleinen kring van bewonderaars en weigeren raad aan te nemen van verstandige menschen, die zijn welzijn op het oog hebben en die het plan opperen, dat hij vrijwillig een ambt zal nederleggen, dat hij zoo eervol vervuld heeft. Zoo zal het er toe komen, dat Kerk en stad een van de droevigste treurspelen zullen aanschouwen: een man bezig de Gemeente te verstrooien, die hij eens vergaderd heeft en zijn goeden naam weg te werpen, dien hij eens won.

Of de Gemeente kan misschien zich verstouten en er op staan dat de waardige oude heer een medewerker, een collega neemt. «Wij zouden niet gaarne uwe diensten missen," zoo spreekt de een of andere sluwe diplomaat, die weet, dat de dominee, om niet te spreken van diens vrouw, hem voortdurend met wantrouwende blikken gadeslaat. «Wij wenschen alleen u te ontlasten van het zwaarste gedeelte van uwen arbeid. Zou het niet goed wezen, dat wij een sterken, jongen man aanstelden, die de catechisaties op zich nam en al het bijkomstige werk en die één keer per dag zou preeken om u vermoeienis te besparen en u gelegenheid te geven van tijd tot tijd eens vacantie te nemen? Gij zijt wel goed geweest, dat ge geen hulp voor de prediking gevraagd hebt, maar de Gemeente voelt, dat het niet meer dan plicht is u blijvende hulp te geven. Daarenboven," en nu verzwakt de afgezant en voelt, dat de domineesvrouw hem met verachting aanziet als een ontdekt bedrieger en een verbazend leugenaar, «het zou zoo goed zijn voor een jong man het voordeel te hebben uw prediking te hooren en uw raadgevingen in te winnen."

Zeer waarschijnlijk zal de oude heer, na een samenspreking met zijn vrouw en haar vriendinnen, weigeren iets te maken te hebben met een collega; hij zal verklaren, dat hij een dergelijken maatregel zal voorstellen, zoodra hij dien werkelijk noodig acht, en erbij voegen, dat er niets akeliger is voor een jongen man dan zijn tijd door te brengen met niets te doen. Misschien zal hij nog erbij zeggen, en met diep leedwezen zeggen, dat eenige invloedrijke lidmaten van de Gemeente hem verzekerd hebben, dat de inmenging van een collega al het werk zou vernietigen, dat hij heeft opgebouwd en oorzaak van scheuring zou wezen.

Mocht echter de dominee er in toestemmen een collega te hebben, dan zullen de gevolgen in negen van de tien gevallen bedroevend zijn. Een van beiden, of de oude man zal zoo heerschen over zijn jongeren broeder, dat de laatste geen kans zal hebben zelfstandigheid te ontwikkelen en ooit tot volmaking te komen, of de jonge man zal zich tegen den ouden inzetten en gesteund door de jongere lidmaten den ouden dominee uit de Kerk drijven. Het was inderdaad een onverstandige en onnatuurlijke positie, dat twee mannen gelijke macht zouden bezitten en dat wordt er te erger op, naarmate beiden meer afhankelijk zijn van de openbare meening. Heeft men er ooit van gehoord, dat er twee kapiteins op hetzelfde schip waren, twee opperbevelhebbers van één leger of zelfs twee machinisten bij één machine? En toch komt het voor, dat verstandige menschen voorstellen, niet dat een dominee een hulpprediker zal nemen, maar een collega om met hem gelijk te staan in macht en verantwoordelijkheid.

Natuurlijk kan een Gemeente het den man, die haar gediend heeft gedurende de beste jaren van zijn leven, zoo zuur maken, dat hij geen keus heeft en blij is te kunnen heengaan, zelfs al staan eenzaamheid en armoede voor de deur. Wanneer een Gemeente dien weg inslaat om den band te verbreken, dan begint men te wanhopen aan het Christendom. De laaghartigste koopman, die op een cent dood blijft, zou een ouden kantoorklerk niet zoo behandelen als Christenen soms een armen en versleten dominee bejegenen. Zij hebben zijn jeugd en zijn mannelijke krachten verbruikt en al zijn geestdrift en zijn vuur; zij hebben den bloesem van zijn geest en den oogst zijner ziel genoten. Voor hen leefde en dacht hij; voor hen putte hij zich uit in zijn krachtige dagen elken Zondag en is hij voortgegaan zijn laatste krachten te verslijten. Al wat er uit hem te halen was, hebben zij genoten en nu, na een paar jaar hem te hebben gadegeslagen, zijn ze tot het besluit gekomen, dat zijn beste tijd voorbij is en zij doen hem een misleidend aanbod en verzoeken hem heen te gaan. Dan gaan zij, met de pet in de hand, naar den een of anderen bekenden jongen dominee en smeeken om zijn gunst, verklarende dat hunne harten naar hem zijn uitgegaan en dat zij gelooven, dat het overeenkomstig Gods wil is, dat hij hun dominee zij. En hij, op zijn beurt, komt en spoedig hoort men hem zeggen, dat er geen getrouwer menschen zijn. Laat hem maar een poosje wachten.

Zou het niet beter zijn, dat elk kerkgenootschap of elke Kerk een plan voor emeritaat ontwierp op ruime schaal met twee voorwaarden? De eerste voorwaarde behoorde te zijn, dat elke predikant, zeg op vijf-en-zestigjarigen leeftijd zou uittreden uit den werkelijken dienst en dat hij na dien tijd kon optreden als helper zijner broederen of rustig leven, al naar hij verkoos. De tweede voorwaarde moest zijn, dat hij een pensioen ontving van niet minder dan de helft van zijn traktement, tot, laat ons zeggen, een bedrag van drieduizend zeshonderd gulden (£ 300). Mocht iemand beweren, dat zulk een wet willekeurig is, dan antwoord ik daarop, dat zeker elke predikant liever nog door een wet dan door geweld gedwongen zou worden tot aftreden en dat hij in goed gezelschap zou zijn, want hij zou het lot deelen van alle zee- en landofficieren en elken burgerlijken ambtenaar en elken geëmployeerde aan ieder groot lichaam in de gansche beschaafde wereld.

En de Kerk mag niet onderdoen voor den Staat. Zij moet staat maken op de personen, die haar dienen, voor haar zichtbaar wèlslagen en haar doel behoort te zijn, dat elke Gemeente een dominee heeft in de volle kracht zijns geestes en zijns lichaams, en dat elke man, die zich heeft afgesloofd in den dienst der Kerk, behoorlijk onderhouden wordt voor zijn overige levensdagen.

Er is, behalve onzedelijkheid en ongeloof, niets dat een grooter beletsel is voor de geestkracht der Kerk dan naar verhouding een groot aantal oude en zwakke dominees in werkelijken dienst. Want dit beteekent verouderde godgeleerdheid, verwaarloozing van de jongere leden, ontoegankelijkheid voor de nieuwere denkbeelden, en een eindeloos gekibbel. Niets zou zekerder bijdragen tot vernieuwing van de geestkracht der Kerk dan een bij een wet geregeld emeritaat op voldoende voorwaarden voor elken predikant boven de vijfenzestig jaar. Want dit zou beteekenen niet alleen een reserve van geschikte mannen, waarop de Kerk kon rekenen in geval van nood, maar een onophoudelijken toestroom frissche gedachten.

Tegenwoordig hebben de Gemeenten een grief tegen oude dominees, die meenen, dat zij jong zijn en oude predikanten hebben een grief tegen Gemeenten, die geen eerbied hebben voor den ouderdom en tusschen die twee partijen komen vele onaangenaamheden en vredebreuken voor.

Wanneer de Kerk even goed bestuurd wordt als een koopmanszaak van den eersten rang, dan zal die bestaande vijandschap verdwijnen en niemand zal in de Christelijke Kerk meer geëerd en geliefd worden dan de getrouwe predikant, die haar gediend heeft in de volheid zijner kracht en nu gedurende zijn welverdiende rust haar verrijkt met zijn raadgevingen.

VI.

DE DOMINEE EN HET KERKORGEL.

Lofgezangen maken een deel uit van de openbare godsdienstoefening bij elke Christelijke Vereeniging--behalve bij de Kwakers, die ik soms benijd--en ik wensch dadelijk te zeggen, dat ik niet voornemens ben te preeken voor de afschaffing van het loflied. De vromen van het Oude Testament hadden een muzikalen dienst, die voldoende was om het hart van een ritualist met wanhoop te vervullen en men kan zich maar flauwtjes voorstellen wat een zuur leven de priester had, wiens taak het was het tempelorkest te verzorgen en die moest omgaan met de bespelers van instrumenten. De heiligen van het Nieuwe Testament begonnen zonder een orkest, en schenen waarlijk gedurende eenigen tijd bij de regeling hunner lofzangen de beginselen van het gezond verstand toegepast te hebben, zingende zoo goed mogelijk met blijde lippen en kloeke harten in donkere gevangenissen. Maar even als vele andere beste menschen, wisten ze niet precies, wanneer zij gelukkig waren en langzamerhand vonden zij zwaarmoedige liederen uit, die een bijzonder zwak zijn geweest van alle Christenen van alle geslachten.

Men is wel eens benieuwd ernaar, hoe de Kwakers er zoo vreedzaam kunnen uitzien en waarom hun eeredienst zoo heerlijk is, en ik ben eenigszins geneigd te gelooven, dat dit komt, omdat zij geen muziek bij hun godsdienstoefeningen hebben. Hadden wij ze ook niet, dan--zou ik willen zeggen--zou een vaak voorkomende oorzaak van twist zijn weggenomen uit menige Gemeente en de dominee zou haast niet weten, wat hij met zijn tijd moest uitvoeren. Toch wensch ik te gelijkertijd duidelijk te verstaan te geven, dat ik de muziek beschouw als een noodzakelijk onderdeel van den eeredienst, dat organisten een gedeelte van de kracht der Christelijke Kerk uitmaken en dat ieder, die niet ten volle den leider en de leden van het koor waardeert, een onwetende, slechtaardige Philistijn is.

Indien er eenige twist in de Gemeente is door de muziek, en indien de dominee ooit zich ergert, laat ik dan op den voorgrond zeggen, dat alleen de Gemeente en de dominee te laken zijn. Maar er zijn toch moeielijkheden en het kan goed zijn er over te spreken in een geest van gepaste menschlievendheid. In de eerste plaats dan, is de organist een kunstenaar en elke kunstenaar heeft een bijzonder fijngevoeligen aard, die de gewone holderdebolder manieren van het dagelijksch leven niet verdragen kan. Met een man, gevormd uit gewone klei, zoudt gij spreken op praktische, recht op het doel afgaande, desnoods lompe wijze; ge zoudt met hem redeneeren, hem berispen en hem terecht zetten als hij ongelijk had. Maar met een van kostbaar porselein moet niemand op die wijze handelen of, de kunstenaar zal dadelijk gekwetst worden en zijn ontslag nemen en zijn hartroerende geschiedenis overal rondvertellen, want hij staat boven de kritiek en de openbare meening. Het is onmogelijk hem iets te leeren; het is een beleediging te veronderstellen, dat er verbetering mogelijk is; het is het best aan te nemen, wat hij geeft en te erkennen, dat hij recht heeft te doen zooals hem behaagt en het de plicht is van ieder ander te verklaren, dat, hetgeen hij doet, bij elke gelegenheid, te liefelijk is om onder woorden gebracht te worden en dat de uitwerking ervan bijna te sterk is voor de vermoeide menschelijke natuur. Dit is de schatting, welke de Gemeente behoort te betalen aan den meest geestelijke onder de artisten, den organist.

Men wordt werkelijk boos op den dominee, die beter behoorde te weten en toch zijn eigen plaats vergeet, ten gevolge van gemis aan waardeering der kunst en van een overschatting van zijn eigen werk. Hij is aanmatigend tegen den organist en wordt billijkerwijs gestraft. De dominee behoort zich te herinneren--en de Gemeente mag hem wel eens erop wijzen--dat zijn werk ondergeschikt is aan dat van den kunstenaar, en dat het overige gedeelte van den dienst geen andere bedoeling heeft dan een steun en een achtergrond aan de muziek te geven. Wat de Gemeente wenscht te hooren is, niet zijn preek, ofschoon ik nooit een organist zich tegen de preek heb hooren verzetten, tenzij de prediker te veel tijd in beslag nam. Werkelijk heb ik reden om te gelooven, dat vele organisten de preek beschouwen als een welkomen rusttijd voor hun overspannen zenuwen. Wat de Gemeente werkelijk begeert is een lofzang te hooren en het wèlslagen van den dag hangt af van den goeden afloop daarvan. Wanneer een predikant dit feit goed ter harte neemt en zorg draagt, dat de menschen, die opgevoerd zijn tot een hemel, die niet door menschelijk geluid kan beschreven worden, niet onbehoorlijk gekweld worden doorzijn domme praatjes, dan is hij ten minste aan één steen des aanstoots ontkomen.

Het is eveneens zeer kwalijk te nemen, als een dominee zich wil bemoeien met de keuze der liederen en altijd denkend aan zijn preek, liederen wil uitzoeken in verband met den inhoud daarvan. Het is best mogelijk, dat de door hem aangewezen liederen uitstekend passen bij den tekst en zeer geliefd zijn bij het volk, maar alleen de organist weet of de wijzen ervan in het liederenboek verheven of platte muziek zijn. De wijsjes vallen zoo in den smaak van het publiek misschien, dat ieder er naar haakt ze te zingen met zijn geheele hart en uit volle borst, maar de organist verbleekt van schrik eenvoudig bij de gedachte, dat een duizendtal menschen zich, om zoo te zeggen, te goed zullen doen aan zijn lekkernij. Het is een voorrecht, en op zijn minst genomen blijft het altijd nog de vraag of het wel een recht is, dat zij in het geheel mogen zingen; maar als het toegestaan wordt, dan moeten zij met beving en vreeze hun vreugde genieten.

Een van de voornaamste pogingen van een degelijken beschaafden organist--er zijn uitzonderingen, dat herinner ik mij nog dankbaar--is bekende zangwijzen uit te roeien en ze te vervangen door arrangementen, die geschikt zijn om de Gemeente te leeren zwijgen. Ik vernam eens een geval--en als ik zoo iets hoor, dan weet ik niet meer, hoe het met mijn broederen geschapen staat--waarbij een dominee in een gloeienden toorn ontstak tegen een organist, omdat deze verheven persoon een wijs op zijn eigen handje had uitgevonden voor «Rots der Eeuwen," die de vergadering in diepe bewondering deed wegzinken, als het ware in een schoonen droom. Niets verbittert meer een muzikaal gestel dan te hooren, dat het volk, dat altijd bezield is met een ongezonde begeerte om een vreugdevol geraas te maken, zich meester maakt van een werkelijk schoone wijs en haar later totaal ongenietbaar maakt voor fijne ooren. Niets is noodzakelijker dan den lofzang der Gemeente te vrijwaren tegen deze verkeerdheden en daarom dadelijk op te houden met het gebruiken van al was het de edelste wijze, als de menschen haar eindelijk gepakt hebben.

Alleen onafgebroken waakzaamheid van de zijde van den organist kan de muziek behoeden tegen den strooptocht der Gemeente, want de lieden zijn zoo vol zotte eerzucht, dat zij zelfs er zich toe zullen zetten om vreemde wijzen te leeren en in den loop van een maand het koor zullen overstelpen met muziek, die men voornemens was buiten hun bereik te houden; en de dwarsdrijverij van een predikant, die de Gemeente helpt bij dien verraderlijken inval op een andermans grondgebied verdient al de moeielijkheden, die hem daardoor te beurt vallen.

Er waren tijden--en sommigen onzer, die niet meer tot de jonge lieden behooren, herinneren ze zich--dat geen enkel instrument werd gebruikt bij den eeredienst en toen alle hulp van iets dergelijks, met uitzondering van een stemvork, werd beschouwd als een terugkeer tot de beginselen van het Oude Testament. Maar dit waren tijden van duisternis. Heden leven we echter in een meer verlichte eeuw. Een Gemeente zal misschien tegenwoordig zoo weinig aan een dominee geven, dat zijn vrouw nauwelijks weet, hoe ze aan fatsoenlijke kleeren voor het huisgezin moet komen; zij zal wellicht niets, dat de moeite waard is, bijdragen voor uitwendige zending of voor ziekenverzorging--er is geen Gemeente, die eerbied voor zich zelf heeft en niet zal zorg dragen een orgel te bezitten. Menschen, die hun hart verharden tegen de meest nuttige liefdadigheid zullen bijdragen voor een orgelfonds en wat niet door inschrijvingen verkregen kan worden, zal door een bazaar met loterij opgebracht worden. Wanneer het orgel wordt bespeeld door een erkend musicus, die van verre is gehaald, dan zal de Gemeente dien man met ontzag aanzien als een bovennatuurlijk wezen en zij zal de gebeurtenis beschouwen als van meer gewicht dan een herleving van den godsdienst. Men zal ten zeerste verbaasd staan over de kracht en de verscheidenheid van het geluid, dat hij uit het instrument haalt en als hij de Vox-Humana (register der menschelijke stem) gebruikt, dan kunnen moeders van gezinnen niets meer doen dan elkander aankijken en met het hoofd schudden, als hoorden zij geluiden uit de andere wereld. Wanneer hij behendig den donder nabootst door het orgel in volle kracht te zetten, dan zullen de hoofden der Gemeente zich zelf door teekenen gelukwenschen, omdat iedereen nu kan zien, dat men volle waar voor zijn geld heeft gekregen.

Nadat de voordracht is afgeloopen, speelt de groote man nog wat voor zijn eigen genoegen en wanneer gewone menschenkinderen tot hem kunnen doordringen, dan vraagt een groep van eerbiedige ambtsdragers hem, wat hij denkt van het orgel. Wellicht geeft hij dan op beschermende en voorzichtige manier zijn goedkeuring te kennen, maar hij zorgt er voor goed het getal registers aan te geven, die nog aangebracht moeten worden en aan te wijzen, welke verbeteringen nog volstrekt noodzakelijk zijn. Inderdaad doet hij de gedachte oprijzen, dat zij nog maar een begin van een orgel hebben en dat de voltooiing ervan vele jaren zal duren en een eindelooze gelegenheid zal aanbieden tot het uitgeven van geld. Misschien zal hij zoo goed zijn te zeggen, dat een duizend gulden drie, vier, besteed voor een of twee verbeteringen, die hij in de gauwte in schets brengt, het instrument vrij bruikbaar zullen maken voor een gewoon organist; maar hij zal hen verlaten onder den indruk, dat de Gemeente minstens tien jaar lang al haar geldelijke hulpbronnen zal dienen uit te putten om het geschikt te maken voor een meester, zooals hij.