Chapter 3
Het middelpunt der gedachte is feitelijk overgebracht van de eeuwigheid op het tijdelijke, van de vereering van God op het dienen der menschen. De eerste opvatting werd belichaamd in een Puriteinsche bijeenkomst, waar elke tegenwoordige in beteekenisvolle afwachting uitkeek naar een teeken van gunst van den Almachtige, of in de cathedraal, waar de menigte in stille aanbidding wegzonk bij het opheffen van de hostie. De andere gedachte is voelbaar in het gebouw, dat meer concertzaal is dan kerk, waar een aantal fatsoenlijke menschen in opgeruimde stemming en vol van vriendschappelijke gevoelens samenkomen om te trachten elkander te bewegen tot goede daden en om liederen te zingen. De oude vreeze des Heeren schijnt geheel verdwenen en met die vrees is eveneens heengegaan het gevoel voor het onzienlijke, wat eens de bezieling van den eeredienst uitmaakte.
Godsdienst, het wordt met grooten nadruk verdedigd, moet niet alleen voldoen aan de behoeften der ziel, maar ook aan die van geest en lichaam, opdat een Christen niet buiten de Kerk gelegenheid tot beschaving of vermaak behoeve te zoeken. Indien hij begeerte heeft naar ontspanning, dan moet zijn Kerk hem de uitspanningen verschaffen, zoodat hij niet noodig heeft in de wereldsche maatschappij te gaan en hoeveel of hoe weinig ontwikkeld zijn verstand ook moge zijn, zijn geestelijk tehuis moet zijn smaak voldoen. Zijn letterkundige vereeniging, zijn bijeenkomsten tot oefening in welsprekendheid, zijn gelegenheid om bezoekers te ontvangen en zijn concertzaal moeten alle onder één dak zijn, opdat de jonge Christen beveiligd worde tegen verleiding.
Daar deze neiging tot het gezellig maken van het Gemeenteleven elk jaar duidelijker wordt en nieuwe uitvindingen op dat gebied voortdurend gedaan worden, is het vergeefsche moeite aan te dringen op terugkeer tot den eenvoud van het verledene, toen een Gemeente een vereeniging van menschen was, die samenkwamen om God te vereeren en Zijn wil te leeren kennen; maar het kan toch zijn nut hebben, te bespreken hoe in sommige opzichten een achteruitgang valt aan te wijzen. Want dat is zeker, indien het Gemeenteleven moet gaan voldoen aan allerlei andere eischen, dan moet er een ander soort van predikanten komen.
Voor deze soort van inrichting is er weinig behoefte aan een leeraar om een Bijbel te verklaren of aan den herder om het karakter zijner kudde te vormen en voorzeker zou zulk een niet worden gewaardeerd. De voornaamste eisch, waaraan voldaan moet worden, is dat de predikant zij een scherpzinnig man, met de talenten van een impressario, een handelsreiziger en een vendumeester in zich vereenigd, met een heel klein tintje van een rondreizend evangelist. Inplaats van een studeerkamer, welks wanden bedekt zijn met boeken van ernstige godgeleerdheid en klassieke letterkunde, geve men hem een kantoor met een loketkastje voor zijn programma's en eindelooze briefwisseling; kasten voor dikke boeken met uitknipsels uit dagbladen en verslagen van andere genootschappen; een altijd tjingelende telefoon en een verzameling van handboeken, als: «Hoe men een preek maakt in een half uur", of «Een duizendtal treffende anecdoten van het zendingsveld".
Hier zit een vlugge, levendige, vindingrijke directeur, met zijn snelschrijfster aan een hoektafeltje, een dik boek opslaande om te zien aan wie het eerstkomende bezoek moet gebracht worden, en een ander boek doorsnuffelende naar bijzonderheden omtrent gezinnen of een haastig onderzoek instellende in aan een lias geregen voordrachten van bekende sprekers over eenig onderwerp, dat dienen kan voor den volgenden Zondag. Van den morgen tot den avond tobt hij zich af met telephoneeren, telegrafeeren, dicteeren, bij elkaar zoeken, rondvliegen, hier een gezelligen avond, daar een «schitterende bijeenkomst" te leiden, «speechen" af te steken, menschen te ontvangen--hij is een onvermoeid, handig, volhardend man. Niemand kan nalaten zijn veelzijdigheid te bewonderen of de eerlijkheid van zijn bedoeling te erkennen; maar als hij nu inderdaad het type is van den dominee der toekomst, dan zal hij een beter mensch terzijde schuiven en uitsluiten.
Er zijn menschen, die alle geëischte talenten van geleerdheid bezitten en aan wier inzicht, toewijding en liefde niets ontbreekt, maar die toch ten eenemale ongeschikt zijn om een kerk te «drijven" naar de hedendaagsche manieren. Zij zouden een ziel in geestelijk gevaar kunnen leiden, maar zij hebben geen talent om jonge lieden te vermaken; zij kunnen het Eeuwig Evangelie van de Goddelijke Offerande verklaren, maar zij hebben geen handigheid in het behandelen eener machine; zij kunnen de beginselen der gerechtigheid uitleggen, maar zij weigeren zich te bemoeien met een onlangs plaats gehad hebbende werkstaking van motorbestuurders.
Wat het voordeel betreft, door die nieuwigheden gebracht, is het de vraag of het gezellig maken van de kerk haar geloof en leven aantrekkelijk zullen maken? Als er een wedstrijd zou komen tusschen de vermaken van de kerk (of haar feesten) en de vermakelijkheden der wereld (en haar feesten,) is er dan één verstandig mensch, die gelooft, dat de kerk zou winnen? Gelijk aan Caesar biedt de wereld haar prachtige schouwspelen aan; de Kerk, als Christus, biedt het overwinnend Kruis.
Waarom zou de Kerk haar verheven standpunt verlaten en nederdalen in het worstelperk, waar zij beschaamd zal worden? Komen de menschen ter kerk voor nietige vermaken, alleen geschikt voor kinderen of om te voldoen aan de behoeften hunner ziel en ter bevestiging van hun geloof? Zou ooit het Christendom een begin van bestaan gehad hebben, indien de Apostelen «aangename preekers" geweest waren en «schitterende mannen", wanneer zij zich hadden ingelaten met «gezellige bijeenkomsten" en «bazars" of «speeches!" De Kerk zegevierde door hun geloof, hun heiligheid, hun moed en door deze verheven deugden moet zij in deze eeuw ook staande blijven. Zij is de getuige der onsterfelijkheid, het geestelijk tehuis van zielen, de dienaresse der armen, de beschermster van wie verlaten zijn; en als zij afdaalt tot een plaats van tweede-rangs-vermakelijkheid, dan ware het beter dat haar geschiedenis eindigde, want zonder haar geestelijke vizioenen en ernstige idealen is de Kerk niet waard in stand te worden gehouden.
IV.
DE OPROERMAKER IN DE KERK.
Om een wereld te maken heeft men alle soorten van menschen noodig, en bijna even veel worden er vereischt tot het vormen van een kerkelijke Gemeente; maar dat er ook een oproermaker in komt is niet noodig voor de gemeentelijke volledigheid. Onder een oproerling verstaat men een persoon, dien men gemakkelijk kan herkennen en onder wiens bemoeiingen de meeste Gemeenten van tijd tot tijd geleden hebben. Men moet hem niet verwarren met een Christen van den ouderwetschen stempel, die bij zekere gelegenheid in de war is gebracht door een preek over «Gods Vaderschap" en dan in de studeerkamer van den dominee komt om te verklaren, dat hij altijd geloofd heeft, dat God een rechter was. Deze man is volmaakt eerlijk en behoort behandeld te worden met alle welwillendheid, omdat hij eenvoudig getrouw is aan zijn overgeërfd geloof en toch wel gaarne het nieuwe Evangelie zou opnemen. Laat hem een warm hoekje hebben in de kamer, en een gemakkelijken stoel en geef hem alle gelegenheid om zooveel teksten aan te halen, als hij wenscht en luister bescheiden naar hem tot middernacht toe. Hij is vatbaar voor overtuiging en zelfs, indien hij u verlaat zonder overtuigd te zijn, zal hij toch de Gemeente niet in vuur en vlam gaan zetten. Hij zal dat niet doen; integendeel zal hij overal gaan verklaren, dat de dominee een eerlijke studie van den Bijbel maakt en een geduldig herder is en dat het een voorrecht is bij hem te kerk te gaan als zelfstandig, verantwoordelijk man.
Ook moet die naam niet gegeven worden aan een van die rustelooze menschen, die altijd ergens een fout ontdekken en die elkeen vervelen met hun onverwachte plannen. De eene week schrijft zoo iemand, dat een vrouw werd weggezonden bij gelegenheid van den bidstond der Kerk, omdat de zaal vol was--de dominee vindt dat altijd verblijdend en zou de mytische persoon wel gaarne eens in levenden lijve zien--en hij oppert het plan om voortaan den weekdienst te houden in de Kerk. Hij kent honderd menschen, die zouden willen komen--en dit verblijdt den dominee ook zeer, omdat de goede man zelf bijna nooit tegenwoordig is. Een volgende week verneemt deze man van een of ander geheimzinnig persoon, dat deze kou heeft gevat door den tocht uit een van de ramen en onze vriend schrijft zestien bladzijden om te pleiten voor gordijnen, die zelfs de St. Pieterskerk afzichtelijk en zeker de godsdienstoefening onmogelijk zouden maken voor ieder, die eerbied voor zich zelf heeft. Een maand later is diezelfde man overtuigd, dat de heele Gemeente als los zand aan elkaar hangt en dat een band behoorde gelegd te worden door een algemeen bezoek van de zijde der ambtsdragers, waarvoor hij wel zoo goed is een plan te schetsen; en elke nieuwe week openbaart hij een nieuw plan in een langen brief, totdat zijn broeders zoover gebracht worden, dat zij harde woorden zeggen over zijn bedilzucht.
Zijn broederen behoorden echter liever hun ziel in lijdzaamheid te bezitten en den waardigen man vriendelijk te behandelen, want er is geen grein boosheid in hem en ook is er geen goedhartiger mensch in de heele Gemeente. Hij zal al heel in zijn schik zijn, als hij een beleefd antwoord ontvangt en ik zou voor zulke gelegenheden dezen vorm aanraden:
_«Waarde Heer Jump_,
Ik heb uw belangrijken brief ontvangen en nam goede nota van uw voorstel omtrent de gordijnen. De zaak is er een, die veel overweging eischt en ik haast mij u te verzekeren, dat het zeer aanmoedigend is voor den dominee en de overige ambtsdragers van de Kerk te zien, dat het welzijn van onze Kerk in elk opzicht u zoo zeer ter harte gaat. Geloof mij, met de meest vriendelijke gevoelens
«Den Uwe «JOB HOUVAST, predikant."
Mijnheer Jump zal zeer tevreden zijn met dezen brief en zal binnen vierentwintig uur vergeten hebben, dat hij ooit een voorstel deed over gordijnen. Het is de moeite waard voor een Gemeente om, laat ons zeggen één Jump aan zich te verbinden om gebreken aan te wijzen en de zaken aan den gang te houden. Twee Jumps zouden misschien te veel zijn voor de Gemeente en men kan den tweeden beter voor wat anders gebruiken.
Er is een andere persoon, die ook niet beschouwd moet worden als een oproermaker, ofschoon hij een echte dwarsdrijver is en veel nadeel kan berokkenen. Het is de man, die vatbaar is om zich beleedigd te gevoelen en die er zich aan stoot, zoo als hij zegt, wanneer iemand hem aan de kerkdeur voorbij loopt zonder spreken of «iets van hem zegt"--hij weet niet wat,--achter zijn rug, of wanneer een ander zich verzet tegen een plan, dat hij voorstelde of weigert iets te doen, wat hij vraagt. Nadat hij zijn vrouw gekweld heeft met de zaak, en zich zelf de koorts op den hals heeft gehaald tengevolge van gekwetste ijdelheid, geeft hij iedereen te verstaan, dat hij een grief heeft en neemt hij een martelaarsvoorkomen aan. Als een vormelijk protest blijft hij zelfs misschien wel twee Zondagen uit de kerk weg en dan wordt hij weer boos, omdat niemand bij hem komt om naar de reden te vragen. Natuurlijk is hij zeer vervelend, maar overigens is er geene boosaardigheid in den man en hij behoort zachtmoedig behandeld te worden. Het is meer zijn ongeluk dan zijn fout, dat hij geen opperhuid heeft en geheel onbeschut is tegen de wrijving des levens. Een zachte aanraking en een mild gebruik van geestelijke zalf zal zijn wonden--of liever zijn schrammen--genezen.
De oproerling is van een ander deeg en is een stevig gebouwd ongeloovige, die, zoodra de gelegenheid zich voordoet en op elk, dien hij bereiken kan, zijn krachtige vuist zal doen neerkomen. Zijn eenige begeerte is leed te doen en hoe meer pijn hij veroorzaakt, hoe beter hij in zijn schik is. Hij schrijft beleedigende brieven aan den dominee, hem beschuldigende van alle mogelijke zonden, van ketterij tot leugen toe. Hij begint een openbaar twistgeschrijf over de zaken der Gemeente in elk nieuwsblad, dat dwaas genoeg is zijn brieven op te nemen. Hij valt de verstandigste voorstellen aan van de ambtsdragers en beticht hen van de afschuwelijkste drijfveeren. Hij trekt de Gemeente door als een brandstichter en zet elk ontvlambaar persoon in vuur. Wanneer hij in zijn glorie is, dreigt hij met aanklachten bij de kerkelijke hoven of bij de burgerlijke rechtbank; en ofschoon hij nooit de bedreigingen uitvoert, daar hij even lafhartig als schreeuwerig is, doet hij toch de voorbereidende stappen, die aanleiding geven tot praatjes en kwaad gerucht.
Het behoort ook tot zijn rol om den schijn aan te nemen van groote oprechtheid en eerlijkheid, een man te zijn van onbuigzame rechtschapenheid en geestelijke bedoelingen. Wat hij doet, doet hij altijd om des gewetens wille en met klankvolle welsprekendheid plaatst hij altijd zich zelf en zijn tegenstanders voor de vierschaar der eeuwige gerechtigheid. Hij is zoo groot en zoo schreeuwerig en de eenvoudige menschen zijn zoo liefderijk en zoo gemakkelijk te overbluffen, dat zij vaak dezen man houden voor den persoon, waarvoor hij zich uitgeeft en hem zijn zin geven.
Feitelijk is hij niets anders dan een uitermate groot bedrieger in elk opzicht en hij verdient geen genade te ontvangen. Noch zijn meeningen, noch zijn gevoelens, noch zijn klachten, noch zijn bedreigingen moeten één oogenblik in overweging genomen worden. Zijn eerste uitdaging moet worden aangenomen als een oorlogsverklaring en dan moet de oorlog gevoerd worden liefst zonder kwartier te geven; en het is opmerkelijk in hoe korten tijd deze struikroover tot bezinning kan gebracht worden en tot lafhartige onderwerping.
Mocht hij zich ergens in een Gemeente genesteld hebben en begonnen zijn van zijn aard te doen blijken, dan is de wijste partij hem te verzoeken heen te gaan. Het is niet gebruikelijk, dat men aan een kerklid vraagt die Kerk te verlaten en zeer ongewoon, wanneer het toevallig een man van beteekenis en stand is, zooals deze knaap dikwijls schijnt; maar Gemeenten zijn in den regel al te bezorgd om ieder te behouden en begrijpen veel te laat, dat de afwezigheid van eenigen veel voordeeliger is dan hun tegenwoordigheid. Hun aanwezigheid beteekent eenvoudig twist en zielskwelling, hun afwezigheid vrede en voorspoed; hun tegenwoordigheid verdrijft rustige menschen, terwijl, als zij wegblijven, men verlost is van een struikelblok.
Mocht hij vragen toegelaten te worden tot een Kerk, waar zijn karakter bekend is, dan behoort hij bedaardweg geweigerd te worden. Waarom zou eenig predikant, als hij er iets aan doen kan, een man opnemen, die het hart van een anderen dominee half gebroken heeft? Waarom zou een Gemeente woning geven aan een man, die de zaken van een andere Gemeente in de war gestuurd heeft? Er is veel kans op, dat hij precies doet als de legers, die na één land opgegeten te hebben naar een ander trekken om dat te gaan verwoesten. Als er eenige kracht is in de Gemeente, waar hij toegang vraagt, laat dan de deur hem voor den neus worden dichtgeworpen en misschien wordt hij verstandig, als hij zonder Kerk rondzwerft.
Mocht iemand zeggen, dat wij den muiteling onvriendelijk en onchristelijk behandelen, dan wordt hij te ver gevoerd door een overmaat van liefde en let hij niet op de feiten. Wie vriendelijk handelt met een oproerling is wreed voor den dominee en de Gemeente. Al staat hij geheel alleen, er is geen eind aan de ellende, die zulk een man kan teweegbrengen. In ieder geval zal hij den predikant ernstig schokken en dat op wijzen en langs wegen, die de Gemeente nauwelijks kan bevroeden. Geen predikant, die dien naam waard is, schrijft zijn preeken zonder eenig verband met zijn Gemeente, alsof hij op een andere planeet leefde en alleen maar rekening hield met afgetrokken denkbeelden. Wanneer hij aan zijn schrijftafel zit, dan staat hij als op den preekstoel en de Gemeente zit voor hem; hij spreekt tot de menschen en zij antwoorden; hij ziet het eene hoofd opgeheven en het andere ter neder gebogen; den een ziet hij ter neder geslagen en een ander opgebeurd, tot dat zijn studieboeken verdwijnen en de kamer vervuld is van menschelijk gevoel. In deze atmosfeer maakt de dominee zijn beste werk en vervult hij het meest zijn roeping. Veronderstel nu, dat aan het hoofd van een bank--en daar is hij altijd, de muiteling, op een goed uitkomende plaats--zulk een oproerling zit, strijdzuchtig, onbeschaamd en wantrouwend: zal hij niet zijn invloed op de preek uitoefenen?
Ongetwijfeld zijn er menschen, die zooveel verstandelijke zelfbeheersching bezitten en zoo totaal onverschillig zijn voor omstandigheden, dat zij kunnen nalaten op hem te letten en zijn bestaan vergeten. Dit zijn mannen van den hoogsten rang en men kan niet verwachten, dat zij talrijk zijn onder de predikanten noch in eenigen anderen stand. Voor hen bestaan er geen regels en ook geen hinderpaal; zij zijn onverstoorbaar en onweerstaanbaar. Op gewone menschen oefent de oproerling een verbitterenden en ontstemmenden invloed uit, zoodat een prediker, bewust of onbewust, altijd rekening met hem houdt en de volgorde van de punten der preek wordt tot op zekere hoogte geregeld door het bestaan van dien man. Als de dominee een vriendelijk en vreesachtig man is, dan kan het gebeuren, dat hij al te zorgvuldig is en dingen verzwijgt, die hij behoorde te zeggen uit vrees van te beleedigen. In plaats dat de preek recht op haar doel afgaat en haar bestemming bereikt met zoo weinig mogelijk verlies van tijd en ruimte, wordt zij vreesachtig en nederig van stijl. De prediker maakt allerlei noodelooze omschrijvingen om toch maar niet gegrepen te worden door zijn vitter of hij maakt voortdurend allerlei voorbehoud uit vrees aanstoot te geven aan dezen machtigen man. De menschen zullen een vaag gevoel krijgen van zwakte, maar zij kunnen de oorzaak ervan niet gissen.
Veronderstel, daarentegen, dat de predikant een sterk en beslist man is, maar niet behoort tot de geestelijk zeer hoogstaanden van ruimer opvatting, dan beroert de oproerling hem op eene andere wijze. Zoodra de predikant begint te spreken, zet hij zich ertoe dezen man onder handen te nemen en hem tot bezinning te brengen. Diens karakter en daden worden omschreven, veroordeeld; de prediker bespot en bedreigt hem. De oordeelen der Heilige Schrift worden hem naar het hoofd geworpen; hare bevelen worden hem als een last op den rug gelegd; hij wordt buiten gesloten van de uitnoodigingen van het Evangelie en hij wordt voorgesteld als sprekend te gelijken op alle slechtaards uit de Bijbelsche Geschiedenis. Iemand, die de toespeling begrijpt, zal meenen, dat deze man hard behandeld is; maar wie iets verder in het geval doordringt, zal inzien, dat de dominee slachtoffer is. De prediker is bitter en wraakzuchtig geworden; de preek heeft bevalligheid en teederheid verloren; en ik weet niet, wat erger is: een prediker zonder grootmoedigheid of een preek zonder adel. Neem dien man weg van zijn plaats in de kerk en de dominee zal er zich toe zetten om vromen en zondaars toe te spreken in de liefde Gods.
De oproerling doet zich ook kennen door het belemmeren van de werkzaamheid der Kerk, zoowel in arbeid als in liefdegaven.
Mocht hij bijvoorbeeld een plaats bekleeden in de Zondagsschool, dan zal hij twist maken niet het hoofd ervan en met elk der andere onderwijzers om beurten, totdat hij heel alleen staat voor de school en dan begint hij te jammeren over het gemis van Christelijke offervaardigheid. Als hij wordt aangesteld tot penningmeester van een fonds, in de gedachte, dat hij daardoor iets te doen zal hebben, dan zal om zijn persoon niemand meer iets willen geven eraan; en als hij geen penningmeester is, zal hij overal gaan vertellen, dat het fonds meer kwaad doet dan goed en dat zij, die het goed meenen met de Kerk, niet eraan moeten bijdragen.
Boven en behalve al deze onheilen, die hij te weeg brengt, vergiftigt hij het kerkelijk leven zoodanig, dat het in plaats van tot zegen en eendracht te voeren, slechts bitterheid en krakeel kweekt. Als er een twist is in de Kerk, dan zal deze man hem opblazen tot een ruzie; en als het mogelijk is twee menschen tegen elkaar op te zetten, zal hij het zeker doen. Als er een eerlijk meeningsverschil is, draagt hij zorg, dat een veete ontstaat en als er een nieuw voorstel te berde gebracht wordt, dan verbittert hij de bespreking ervan.
Wellicht is de beste handelwijze tegenover zoo'n man hem niet uit te schelden of tegen hem te razen, maar hem alleen te laten staan. Even als de natuur soms een ettergezwel vormt en het met de een of andere stof zoodanig omgeeft, dat het afgescheiden wordt van het lichaam, zoo moet die man ingesloten worden in een plaats voor hem alleen.
Mocht hij een aanmerking maken op kerkelijke zaken, laat dan een ander antwoorden met een opmerking over het weer; als hij begint te vitten op een preek, laat dan iemand hem beklagen over zijn slechte spijsvertering. Als hij opstaat om te spreken in een kerkvergadering, laat de stilte dan voelbaar zijn en laat de voorzitter dadelijk, als hij uitgesproken heeft, tot het volgende punt van bespreking overgaan, alsof er niets gezegd was. Als men er niet buiten kan hem toe te spreken, dan is de beste manier hem te behandelen als een onmogelijkheid en hem te omringen met een net van belachelijkheid, want daardoor geeft men veel onschuldig vermaak aan andere menschen en men treft hem in zijn eenige zwakke punt. Zoo verlaten of uitgelachen, zal hij naar een andere Kerk gaan en dan--dan zinge de verloste Gemeente een Te Deum!
V.
BEJAARDE PREDIKANTEN.
Te een of ander tijd, en misschien heel plotseling, komt een Gemeente tot inzicht van het feit, dat een zekere wederwaardigheid den dominee heeft getroffen, die zijn kracht van dag tot dag sloopt en misschien zijn leven zoowel als dat van de Gemeente met den ondergang bedreigt. Het heeft niets te maken met zijn karakter, want hij is werkelijk een veel heiliger man en misschien ook een veel wijzer man dan hij vóór twintig jaren was en stellig begaat hij minder vergissingen in woord en daad dan in de dagen zijner jeugd. Ook staat het niet in verband met zijn herderlijken arbeid--want hij is meer dan ooit de raadgever en vriend der menschen, die tot hen spreekt met rijker levenservaring en grooter liefde. Het zou ook niet geheel juist zijn te zeggen, dat zijn preeken aanstoot geven, want die zijn waarschijnlijk even degelijk en nuttig als vroeger. Inderdaad, hij zegt dezelfde dingen, die hij placht te zeggen tot groote voldoening en op dezelfde wijze als hij gewoon was ze te zeggen... lang geleden.
Er hapert niets aan hem, tenzij dan dat hij niet meer zoo vlug loopt als eertijds, dat hij wat langzamer spreekt en dat hij de vorige week een sterker bril moest aanschaffen, dat hij niet altijd hoort, wat men tot hem zegt, dat zijn haar van grijs tot wit overgaat, dat hij vermoeid wordt bij het beklimmen van een heuvel. Er is met hem gebeurd, wat er met alle andere menschen gebeurt: hij wordt oud.