Chapter 2
Zijn eerste ervaring in de nieuwe parochie scheen de droeve voorzegging te bevestigen. Den eenen dag raakte hij in de war in het midden van zijn preek; een anderen keer, terwijl hij bezig was een Zendbrief van Paulus te verklaren, verdwaalde hij zoo te midden van zijn gedachten, dat hij van voren af aan moest beginnen en de helft van zijn tekstverklaring moest herhalen. Bij die gelegenheid was de jonge predikant zoo ontmoedigd, dat hij op den preekstoel zelf een overijld besluit opvatte om ziin ontslag te nemen en hij ging zeer ternedergedrukt de kerkekamer binnen. Daar stond een oude Hooglander, een ouderling, op hem te wachten; deze nam hem bij de hand en dankte hem voor «een welsprekende toespraak."
«Het is wonderbaar," zei hij met zijn zoet, minzaam accent, «dat gij zoo goed preekt, en dat nog zoo jong, en ik zou u willen zeggen, dat gij u nooit ongerust moet maken, als ge soms eens een punt van uw toespraak vergeet. Dan laat ge eenvoudig een psalm zingen en neemt wat rust; wellicht komt het dan weer in uw hoofd terug. Wij hebben allemaal overvloed van tijd en we houden allen heel veel van u. De menschen praten erover, wat een goed spreker gij binnen kort zult zijn en zij zijn nu al trotsch op u."
Den volgenden zondag beklom de dominee den preekstoel vol vertrouwen en werd gedragen door de lichtverheffende atmosfeer der vriendelijkheid en daarom haperde hij niet en vergat hij niets en ook is het sedert dien dag niet noodig geweest, dat hij weer van voren af aan begon.
Het is inderdaad geen wonder, dat zijn hart nog altijd vanuit de stad, waar hij thans is, met dankbaarheid en liefde terugdenkt aan die Hooglandsche parochie; was zijn eerste Gemeente niet zoo vol christelijke liefde voor hem geweest, dan zou hij nu niet in de bediening des Woords zijn.
De leden eener Gemeente zijn verplicht hun dominee bij te staan in de wereld buiten de Kerk. Hij behoort tot hen en zij moeten naijverig zijn op zijn goeden naam. Indien hij iets zegt of doet, wat niet recht is dan mogen zij hem dat zeggen onder vier oogen in alle teederheid en liefde; maar als vreemdelingen hem bevitten, laat dan zijn eigen menschen hem verdedigen en prijzen. Indien iemands eigen huisgezin hem trouw blijft, dan wordt zoo iemand niet ter neder geslagen door de vijandschap van de menschen op de straat. Wanneer dat huisgezin zich tegen hem keert, dan ontzinkt hem het hart. Niets zal een degelijk man meer ertoe brengen streng voor zichzelf te zijn en zijn fouten te erkennen, dan de ontdekking, dat wie hem onder vier oogen berispt, hem in het openbaar verdedigt.
Het kwam eens voor, dat een voornaam Kerklid het als zijn plicht beschouwde zijn dominee, aan wien hij overigens zeer gehecht was, te berispen omdat diens prediking scherp en ongeestelijk was geworden.
Zij waren persoonlijk bevriend en het gesprek werd gevoerd in een volmaakt passenden vorm; maar de dominee voelde zich toch daarna eenigszins gegriefd, wat vrij dwaas was, en hij pijnigde zich met de gedachte, dat zijn vriend en zijne Gemeente iets tegen hem kregen. Eenige dagen later kreeg hij het bezoek van een collega en terwijl zij zaten te praten over verschillende zaken, wenschte zijn bezoeker hem geluk ermee, dat zijn menschen zoo aan hem gehecht waren. «Bijvoorbeeld: gisteren avond aan een diner was de oude doctor Sardine bezig te vitten op uw prediking,--hij noemde u een liberaal en zoo voort--toen de heer Cochrane uit den hoek kwam en den ouden heer vertelde, dat hij niet wist, waarover hij sprak. Ik bezoek zijn kerk, zei uw man, en ik weet, dat ik mijn dominee nooit zal kunnen vergelden, wat hij voor mij en mijn gezin gedaan heeft! Dat was goed Hollandsch en maakte een geweldigen indruk en daar was ten minste één dominee, die u zulk een vriend benijdde."
Terwijl zijn vriend hem flink, onder vier oogen als man tegen man, op zijn fouten had gewezen, en terwijl hij zich persoonlijk had beleedigd gevoeld, als een dwaas kind, had diezelfde vriend met edelmoedige geestdrift gewaakt voor zijn goeden naam en de gedachte daaraan wekte op tot berouw. Het oordeel van zijn vriend kreeg een nieuwe beteekenis, geheiligd als het werd door zulke bewijzen van oprechtheid en grootmoedigheid. Zoo kwam de dominee ertoe ernstig na te denken over zijn toestand en hij gevoelde in uitersten vervallen te zijn. Niets oefent een weldadiger invloed uit op een rijk begaafd man dan het gevoel dat een aantal menschen hem vertrouwen en over hem waken. Dit vertrouwen vervult hem met nederigheid, onderdrukt zijn hoogmoed, leert hem voorzichtigheid en doet hem zijn groote verantwoordelijkheid gevoelen, zich in den strijd des levens flink te houden.
Een verstandige Gemeente zal ook beantwoorden aan het hoogste, wat de dominee geeft en zal onderscheid maken tusschen een tweede- en een eerste-rangsproduct van zijn brein. Daar is zoo iets als een «goedkoope" preek, die misschien heel populair en duidelijk is, met een heel oppervlakkig tintje van knapheid. Vlugge mannen worden vaak verleid zulke preeken te geven, omdat zij heel gemakkelijk voorbereid worden en geen inspanning van de ziel eischen. En een Gemeente houdt wel eens van zulke preeken, omdat zij maar weinig oplettendheid vragen.
Er is ook zoo iets als een «dure" preek, die heel wat strijd voor hoofd en hart gekost heeft--een preek vol gedachten en hartstocht. Zulke preeken worden niet gemakkelijk gemaakt en evenmin gemakkelijk verstaan. Wanneer de predikant zijn ziel in zijn werk gelegd heeft, dan moeten de hoorders ook hun ziel wijden aan het hunne. Natuurlijk zal een sterksprekende persoonlijkheid niet ophouden zijn beste, zijn voortreffelijkste werk voort te brengen, is er al niemand, die het goedkeurt en hij zal in geen geval beneden zijn hoogste standpunt dalen; maar de begeerte naar goedkoope en populaire prediking is een groote verleiding voor een gewoon dominee, zoodat hij soms in de verzoeking komt de dwazen in zijn Gemeente te gelieven en zijn eigen last te verlichten door iets minder goeds te geven, dan hij zou kunnen doen.
En het is het meest bedroevende en het pijnlijkste verschijnsel in het kerkelijk leven, wanneer men een man ziet slagen, voor den uiterlijken schijn ten minste, die zijn talenten heeft begraven en wanneer een Gemeente gelukkig en schijnbaar tevreden is, na haar dominee te hebben verwaarloosd.
Indien een predikant vervuld is van een hoog ideaal en een ijzeren wil heeft, dan zal hij zich zelf tot volmaking brengen in spijt van de meest ontmoedigende omstandigheden, en ofschoon de lieden vragen om goedkoope knapheid, zal hij volhouden hen te voeden met de krachtigste spijzen. Doch vele verdienstelijke mannen zijn noch bijzonder sterk noch geestelijk en indien hun menschen geen lust hebben in stevig voedsel, dan voldoen zij hen met het armzaligste van alle kunstgrepen--godsdienstige liflafjes. Soms is het een evangelisch praatje, soms maatschappelijke bombast of diepzinnige wartaal, altijd is het een bijproduct van den geest des mans en minder dan waardeloos voor de lidmaten zijner Kerk.
Het dient den dominee duidelijk gemaakt te worden, dat zijn Gemeente verwacht te deelen in de rijpste vruchten zijner kennis en zijn meest zorgvuldige overdenkingen op prijs zal stellen. Wanneer hij bij een of andere gelegenheid zijn toppunt bereikt en een «groote" preek preekt, dan komt het er niet op aan of iedere persoon elk woord heeft begrepen of dat wellicht eenigen maar ongeveer de helft gevat hebben. Men behoort hem te zeggen, dat al de leden der Kerk trotsch op hem zijn en God voor hem danken en dat, indien hij misschien door sommigen niet bijgehouden is, dit niet een gevolg was van duisterheid, maar van verheffing, en dat men blij is een dominee te hebben, die op zulk een hoog peil staat.
Hij moet niet tot hen nederdalen, maar zij moeten trachten tot hem op te klimmen. Het is een onwaardige zaak voor een dominee om de gewone praatjes van de gemeenteleden in een toonbaar kleed te steken, zoodat de mindere man naar huis gaat zich zelf gelukwenschend omdat hij zijn armzalige denkbeelden netjes aangekleed en opgedirkt heeft herkend. Het is profetentaak zijn kudde hemelwaarts te leiden zelfs niettegenstaande de weg soms door de woestijn voert en die kudde behoort te volgen dicht achter den profeet en hem te doen weten, dat zij er zijn en dat zij niet zullen ophouden te volgen, totdat hij hen gebracht heeft midden in het Land van Belofte.
In die omstandigheden zal een man zich verplicht gevoelen de beste boeken te lezen en door te dringen tot het hart van elke zaak; hij zal noch verstandelijken arbeid, noch eenige aandoening der ziel schuwen om te gemoet te komen aan de verwachting van een ernstig, ontwikkeld gehoor en indien hij er ten laatste in slaagt een leider te worden, wiens woorden tot in de verte doorklinken, dan zal aan deze Gemeente de eer daarvan toekomen, die in hem geloofde en groote dingen van hem verwachtte en meer van hem maakte dan hij ooit, in zijn eerzuchtigste oogenblikken, gemeend heeft te zullen bereiken.
Het is ook de plicht van de leden eener Gemeente hun predikant aan te moedigen en zij zouden zich in den regel daartoe meer moeite geven, indien zij slechts wisten, hoezeer hij die aanmoediging noodig heeft en hoezeer hij er door zou gedijen. Zij moeten een sterke verbeeldingskracht hebben om de beproevingen van zijn stand te begrijpen, die geheel verschillen van die op ieder ander arbeidsveld, omdat hij werkt bij geloof en niet bij aanschouwing. Wanneer hij in zijn studeerkamer zit en tegen den middag nog niets geschreven heeft, omdat zijn gedachten niet toevloeien of wanneer hij het werk van vier uren verbrandt, omdat het waardeloos is, dan kijkt de dominee eens naar buiten en benijdt den metselaar, die aan de overzijde der straat een zeker aantal voeten metselwerk heeft gemaakt, dat zoo goed en kwaad als het is of wezen kan, vele jaren duren zal. Wanneer hij de zieken zijner kudde bezoekt, bezorgd uitziende naar een teeken of zijn woorden van opbeuring en raad eenige degelijke uitwerking hebben gehad, dan zou hij wenschen een geneesheer te zijn, die kan zien, welk goed hij doet en die zijn oogenblikkelijke belooning vindt in levens, die hij redde van den dood--in lichamen, die hij bevrijdde van pijn. Soms schijnt het den dominee toe, alsof hij week in, week uit zijn woorden verspilt--hij kon even goed trachten de woestijn in een zee te veranderen door er emmers water in te werpen. Uit den aard der zaak kan hij de vrucht van zijnen arbeid niet ontdekken en daarom moeten anderen hem vertellen, dat hij niet te vergeefs gearbeid heeft. De menschen zijn er vlug genoeg bij om een preek te critiseeren of er over uit te weiden, dat het bezoek een weinig minder druk was dan den vorigen keer, maar is er niets anders dat zij zouden kunnen melden aan den predikant? Heeft hij nooit eenig licht geworpen over een of ander moeielijk gedeelte van de Heilige Schrift of het geweten bepaald bij de beteekenis van eenigen nieuwen plicht of troost gebracht aan het hart in de een of andere verdrietelijkheid des levens? Waarom moet hij in onwetendheid gelaten worden, hij die juist zoo smachtend wacht op nieuws, dat niet komt en dat zooveel zou waard zijn?
Laat ik u eens brengen in een studeerkamer, waar de dominee met inspanning van alle krachten tegen stroom op roeit en eraan wanhoopt ooit het strand te bereiken. De morgenpost komt aan en vier brieven worden op zijn tafel gelegd: de eerste is onbelangrijk, de tweede is vervelend, de derde is plagerig en de ontmoedigde man opent den vierden brief met een zucht. Zeker weer een klacht van den een of anderen twistzoeker; zeker weer een speldeprik toegebracht aan een vermoeid man? Wat is dat?
«Mijn waarde dominee!--Een tijd lang heb ik u willen schrijven en u vertellen wat een hulp gij geweest zijt voor personen, die mij zeer dierbaar zijn. Herhaalde malen is mijn echtgenoot opgebeurd en aangemoedigd door uwe flinke woorden in zijn strijd om in zijn zaken te doen, wat goed is. Hij zei mij eens op een avond, dat niets meer ertoe had bij gedragen om hem eerlijk te doen blijven dan uw preeken. Gij weet, dat onze Jack ons een tijd lang zeer verdrietig maakte door zijn zorgeloosheid en onverschilligheid voor het huiselijk leven. Welnu, hij is in den laatsten tijd geheel veranderd en is zeer oplettend voor mij en lief voor zijn vader. En op mijn verjaardig bracht hij mij een zeer mooi geschenk, waarvoor hij bepaald eenige maanden moet gespaard hebben. Toen ik hem vertelde, hoe dankbaar ik was, zei hij alleen: «de preek over zoons en moeders heeft het gedaan!" En nu scheen het mij toe, dat uw preek van verleden Zondag over bezorgdheid voor mij geschreven was, want ik heb zoo weinig geloof en ben zoo angstvallig. Daarom moest ik u even vertellen, dat gij het leven van een geheel gezin hebt bezield en dat wij God danken voor u.
Uw zeer dankbare May Harrison."
De brief schijnt misschien niet lang of niet moeielijk te begrijpen, maar de dominee was toch niet tevreden vóór hij hem zesmaal gelezen had. En ofschoon het wellicht ook geen geleerde brief schijne, hij wierp toch zulk een vloed van licht op den tekst, dat de pen van den dominee over het papier vloog. Hij borg dien brief achter slot in zijn lessenaar, maar merkte, dat hij een zin vergeten had, zoodat het wenschelijker was hem in den zak te dragen. Des Zondags oordeelde hij het noodig dien brief te lezen vóór hij naar de kerk ging en in de kerkekamer sloeg hij er nog een laatsten blik in. En de dominee preekte dien morgen met zulk een kracht en zoo vol opgewektheid, dat zelfs de vitters tevreden waren en de Gemeente ging huiswaarts op vleugelen.
III.
HET «CANDY-PULL" STELSEL.
Terwijl ik schrijf ligt voor mij op de tafel een beroep op de leden van een Christelijke Jongelingsvereeniging (Young Men's Christian Association) en ik schrijf het woordelijk af:
«Vergeet niet De volgende gezellige bijeenkomst, De volgende candy-pull, De volgende feestelijke samenkomst, Den volgenden zangdienst, De volgende evangelische samenkomst, Het volgende diner met kippenpastei, Den volgenden datum, waarop gij den secretaris behoort te verblijden met uw penningen."
Deze merkwaardige opsomming van werkzaamheden, waarin evangelische ijver en bekwaamheid in zaken zich paart aan wat het vleesch aangenaam is, kan zonder uitleggen begrepen worden; de verschillende punten geven ons een duidelijke verklaring van een godsdienstige instelling op de hoogte van den tijd--een waar mengelmoes van een Amerikaansche Y. M. C. A.
Misschien heeft één afdeeling van het werk eene kleine opheldering noodig; er zijn wellicht eenige menschen, die in het algemeen goed op de hoogte zijn van de afdeelingen van Christelijk werk en die toch nog niet zoo ver met hun onderzoekingen gevorderd zijn, dat zij kwamen tot een «candy-pull."
Deze afdeeling, als dit het juiste woord is, is een gezelschap jonge mannen en vrouwen, die te zamen komen om aan reepen kandij te trekken en men zegt dat in het geval, dat de twee sexen er aan mee doen, de bezigheid zeer uitlokkend is. Het kan ook zijn, dat dit kandij-trekken met het oog op de beteekenis van het woord Jongelingsvereeniging zich beperkt tot één sexe en daardoor beroofd wordt van de helft der aantrekkelijkheid, maar men mag aannemen dat in deze dagen van «aangename" godsdienstige avondjes de jonge mannen toch niet behoeven overgelaten te worden aan hun eigen gezelschap.
De Christelijke Kerk en een Jongelingsvereeniging zijn natuurlijk zeer onderscheiden instellingen en de laatste is niet gebonden aan eenige overlevering van strenge waardigheid; maar men mag zich niet erover verwonderen, dat de Kerk ook eenigszins is getroffen door den geest van gezelligheid en ook haar best doet om den godsdienst een weinig onderhoudend te maken. Wanneer men in Amerika binnenkomt in wat men noemt een plaats van godsvereering, dan verbeeldt men zich in een salon te zijn. Er ligt een dik kleed op den vloer, er staan rijen stoelen, zooals men die in een schouwburg verwacht, een groot orgel trekt het oog en bij de plaats van den predikant vindt men een monsterbloemruiker; de menschen komen binnen met een vroolijk gezicht en groeten elkander heel opgewekt; bijna niemand buigt het hoofd tot een gebed en het gebouw wordt vervuld met een vroolijk gebabbel.
Daar maakt een man zich los uit een gesprek en loopt haastig door het gedrang naar het platform even vaak zonder een geestelijk kleed, als niet in leeken-kleeding. Dan treedt een kwartet naar voren en zingt met het gelaat gekeerd naar het gehoor een lofzang voor de vergadering, die niet opstaat, en later zingt datzelfde kwartet een tweede loflied ook voor de vergadering. Dan wordt er een gebed uitgesproken, er wordt uit de Heilige Schrift gelezen en de daaropvolgende preek is kort en schitterend. Onder andere wenken, dringt de dominee aan op het bijwonen van het Avondmaal met Paschen, waar, zoo als vermeld wordt op een papier, geplakt op de banken, oesters en vleeschspijzen zullen voorhanden zijn--ik vermoed een kalkoen--en ijs. Dit maal zal gediend worden in het spreekvertrek der kerk.
Nauwelijks is de zegen uitgesproken, die een oogenblik een ander voorkomen aan de bijeenkomst gaf, of de vergadering loopt haastig naar de deur; en ofschoon niemand kan begrijpen, hoe het in zijn werk is gegaan, staat de dominee daar reeds, handendrukkend en menschen aan elkaar voorstellende, ontsnappend aan menig lastig verzoek en in het algemeen alles luchtigjes opvattend. De een wenscht hem geluk met zijn «speech"--een nieuwe naam voor een preek--terwijl een ander zegt, dat het «prachtig" was.
Er zijn ook in Engeland pogingen aangewend om het kerkelijk leven werkelijk populair te maken, en in zekere stad, die de schrijver kent, zijn die pogingen in een eigenaardige richting niet geheel mislukt. Een der Kerken schafte zich een nieuwe verzameling nachtmaalschotels aan door de alledaagsche kunstgreep van een danspartij; onderscheidene Gemeenten gaven liefhebberij-tooneelvoorstellingen en een zeer ondernemend lichaam had een eigen schouwburgzaal. Bijbellezingen werden besloten, aan het einde van den cursus, met een souper; met Goeden Vrijdag maakte men landelijke uitstapjes, begeleid door een militair muziekkorps en een belangrijk deel van de inkomsten der Gemeente was afkomstig van gezellige vergaderingen van allerlei aard. Deze bijzondere stad is niets dan een staaltje van den algemeenen geest, langzamerhand opkomend in de Kerk in Engeland. De eene dominee gebruikt een tooverlantaarn om kracht bij te zetten aan zijn preek; een ander heeft een kroeg bij de inrichting van zijn Kerk; een derde behandelt het laatste moordenaarsschandaal; een vierde heeft een dienst met zang, een zigeuner of een gewezen bokser om de belangstelling in het Evangelie te doen herleven. Als het zoo voortgaat, dan zullen weldra een schouwburg en andere vermakelijkheden aan de Kerk worden toegevoegd, als aantrekkingsmiddel voor de jongelieden en om te voorkomen, dat de oude menschen zich gaan vervelen bij de godsdienstoefening.
Misschien is het door de boosheid van 's menschen natuur, die ons er toe brengt op nieuwe dingen te vitten en te hunkeren naar den goeden ouden tijd--die niet altijd goed was in alle opzichten--maar men is toch niet zeer ingenomen met de nieuwe verschijnselen en in het geheel niet overtuigd, dat het candy-pullstelsel in eenig opzicht een verbetering van het verleden is.
Na een weinig ondervinding van aangename sprekers en spreekvertrekken en soupers met roomijs en landelijke partijtjes, herinnert men zich met vernieuwden eerbied en diepe waardeering den dominee van den vroegeren tijd, met zijn eenvoudige kleeding, zijn waardige houding, zijn gevoel van verantwoordelijkheid, zijn beschaafd voorkomen, en wien men het aanzag, dat hij in stilte leefde in gemeenschap met God, terwijl hij sprak als een overbrenger van een boodschap van den Eeuwige. Hij maakte misschien niet zoo veel drukte bij het uitgaan van de kerk als zijn opvolger en was misschien ook niet zoo knap in de spelen en niet in staat om een zoo pakkende speech te houden over «liefde, vrijerij en huwelijk." De lidmaten van zijn Gemeente hebben hem wellicht niet genoemd een «schitterend man," en ook niet van hem gezegd, dat hij een «eerste grappenmaker" was; ook hebben zij hem niet zoo dikwijls op de «thee" gevraagd en het is zelfs toe te geven, dat hij bijna te vormelijk was; maar daar staat tegenover, dat zij van hem spraken als van «een man Gods," en «een goed man" en dat zij om hem zonden bij de moeielijkheden des levens, wanneer hun geweten hen pijnigde. Het is mogelijk, dat zij niet zoo met hem dweepten als met den nieuwerwetschen man, maar zij hadden eerbied voor hem, geloofden in hem, wat heel wat meer beteekent.
Men wordt ook getroffen door de verandering in de geheele omgeving van de godsdienstoefening en men kan verschillen van meening erover of het een voor- of een achteruitgang is. De kerk onzer vaderen was noch goed verlicht, noch wetenschappelijk geventileerd, noch voorzien van met zorg bewerkte kussens en het eenige karpet, dat er was, lag op de treden van den preekstoel. De hedendaagsche kerk is bekoorlijk versierd, en schitterend van ontelbare electrische lampen.
De dienst was in het verleden uit een muzikaal oogpunt onvolmaakt en over het algemeen te lang van duur. Tegenwoordig wordt de tenorzanger van het koor ontslagen, indien zijn stem versleten begint te lijken en de menschen spreken er van, hoe de lofzang is «voorgedragen" of «geïntoneerd"--misschien was het «Heilig, heilig, driewerf heilig, almachtig Opperwezen"--en er wordt bekend gemaakt in de kerkekamer (of in de spreekkamer van den predikant) dat de bespreking der Heilige Schrift niet langer moet duren dan vijftien minuten--tien is nog beter--en dat de gebeden geen inbreuk moeten maken op de muziek en dat de preek, onverschillig welke het onderwerp ervan zij, al was het de Oordeelsdag, «belangwekkend" moet zijn. In vroeger tijd noemde de Gemeente een preek «stichtelijk" of «onderzoekend" of «opbouwend." Tegenwoordig zegt zij, dat de predikant «in den stijl" was of zij klaagt er over, dat hij «geen kleur bekende."
Er zijn ongetwijfeld veel punten, waarin de Gemeente van thans vooruitgegaan is bij die van vroeger, maar toch is niet alle verandering winst geweest, want het voornaamste bestanddeel van den eeredienst van het vroegere geslacht was eerbied--de menschen ontmoetten elkaar in tegenwoordigheid van den Eeuwige, voor Wien elk mensch minder is dan niets. En het voornaamste bestanddeel is tegenwoordig voor de kinderen van dat geslacht, die komen luisteren naar een koor en een knap spreker, zelfbehagen.
Het moet toegegeven worden, dat een van de oorzaken voor de verandering in den geest van het gemeente-leven een reactie is van het individualisme en een nieuwe opvatting van het gemeenschapsbegrip der Christelijke Kerk. Een godsdienstig mensch beschouwt zich zelf niet langer als een op zich zelf staande eenheid, afgezonderd van elk ander menschelijk wezen in de wereld en wiens hoofdbezigheid in het leven is, zijn eigen ziel te behouden. Hij heeft ervaren, dat zijn leven verband houdt met dat van zijn naasten en dat hij een deel uitmaakt van een vereeniging die zich over de geheele wereld uitstrekt; dat hij zijn menschheid niet moet verloochenen en dat hij, door anderen te behouden ook zich zelf redt. De wereld is niet langer een woestijn, die hij doortrekt als een pelgrim en vreemdeling, maar zijn geboorteplaats, waaraan hij de vervulling van een taak verschuldigd is en godsdienst is niet zoo zeer een ernstige toewijding aan God als wel een nuttig, liefderijk leven.