De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal

Part 9

Chapter 94,052 wordsPublic domain

Katrijn antwoordde: "Dat u verkiest buiten te slapen, kan ik me begrijpen, maar ik hoop dat UEdele en luitenant Bergh ons de eer zullen aandoen om uw maaltijden in ons huis te gebruiken."

"Dat zullen we met genoegen doen, Mevrouw, en ik ben er zeker van, dat uw kookkunst ons bevredigen zal."

Toen Katrijn zich verwijderd had en de wagen van de Kommandeur was aangekomen, sprak Van der Stel de wens uit om eens buiten naar de boerderij te gaan kijken, en begaf men zich toen eerst naar 't tuintje van de oude Kapitein, waar deze zich juist bevond.

De oude man was erg in zijn schik en wees de Kommandeur met zekere trots, hoe mooi zijn bloemen er uitzagen en hoe heerlik zijn groenten groeiden.

Van der Stel glimlachte en zei, dat dit de eerste keer in z'n leven was, dat hij gezien had hoe er van een oude zeebonk een goede landrot kon worden.

Hij vroeg aan de oude man, of hij somtijds niet naar de zee terug verlangde, waarop de Kapitein antwoordde, dat dit niet het geval was, want dat hij tans rustig en in vrede leefde, niet naar stormen behoorde uit te zien en geen weerspannige bemanning in bedwang had te houden.

"Ik ben nu Kapitein te land," voegde hij er schertsend bij, "en daar staat mijn stuurman, die zijn werk goed doet,"--bij welke laatste woorden hij op de nabij staande Hottentot wees.

"Ge zoudt 'n aardig stuivertje uit die tuin kunnen maken," meende Van der Stel, "wanneer u van uw groenten aan de andere inwoners van Drakenstein zou verkopen."

"Zoveel heb ik niet," antwoordde de oude man, "en bovendien heeft bijna elke inwoner van het dorp zijn eigen tuintje en wint daarin genoeg om in zijn eigen behoeften te voorzien."

Van de tuin ging men naar de landerijen, waar 't koren en de haver reeds aren begonnen te vertonen en 'n veelbelovende oogst voorspelden.

Van der Stel onderzocht 't koren, en toen hij bevond dat 't een Hollandse soort was, zei hij:

"Meneer Hartog, als u weer in de stad komt, en me een bezoek brengt, vergeet dan niet om me te vragen u een zak koren te geven. Verleden jaar heb ik er een uit Indië gekregen, oorspronkelik uit Bengalen afkomstig, en dat koren heb ik bij 't Rondeboschje laten zaaien, waar 't zó uitmuntend beantwoordde, dat we van dat ene mud er bijna 40 hebben gewonnen; ik zou graag zien, dat onze boeren zich op 't kweken van dat soort koren toelegden. Ook zou ik u willen aanraden om een nieuw stuk land aan te leggen, en daarop bonen en erten te zaaien, want die beide artikelen worden door de schepen zeer verlangd, en wij zijn bij verre niet in staat om aan de aanvraag te voldoen."

Hartog vroeg, wat de Kompanjie dan wel voor die artikelen betaalde, waarop de Kommandeur antwoordde: "zeven gulden voor een zak bonen en acht gulden voor een zak erten."

"En moeten we daarvan ook tienden betalen?" vroeg Hartog nu.

"Natuurlik," zei de Kommandeur.

De jonge boer glimlachte en hernam: "De Kompanjie zal 't wel eisen, maar ik ben niet zo zeker er van dat hij daartoe 't recht heeft, want onze grondbrieven houden alleen in, dat wij tienden moeten betalen op graan, en ik geloof niet, dat erten en bonen als graan kunnen worden beschouwd."

De Kommandeur lachte en antwoordde: "U schijnt voor advokaat in de wieg gelegd te zijn, meneer Hartog, maar ik ben blij dat u mijn aandacht op dit punt gevestigd hebt, want nu zal ik voortaan in de uit te geven grondbrieven de woorden: "granen en andere veldgewassen" laten zetten."

Hartog beet zich op de lip, toen hij zag dat de Kommandeur hem te slim af was.

Men stapte nu naar de wingerd, die door de Kommandeur nauwkeurig werd onderzocht, en waar hij voorgesteld werd aan de jonge Nortier, die hij enige vragen deed en daarop zijn hoge tevredenheid te kennen gaf over 't gedane werk.

Men ging daarna terug naar het huis en Van der Stel bezichtigde het wagenhuis en de veekralen, waarop hij vroeg of Hartog geen paarden aanhield.

Hierop een ontkennend antwoord ontvangende, begon Van der Stel de kwestie van paardeaanteelt te bespreken. Hij vertelde dat men in 't begin paarden uit Java had gekregen, doch bevonden had, dat die hier verbasterden en aanzienlik kleiner werden; om die reden had hij de Raad van Indië verzocht hem enige Perziese hengsten te sturen, om daarmee een beter ras van paarden aan te telen. Er was, deelde hij mede, een grote schaarste van paarden in de kolonie en 't werd meer en meer nodig om bereden militairen te hebben, want die te voet waren van geen nut bij 't vervolgen van de Bosjesmannen en andere veedieven.

De zon begon nu onder te gaan en nadat Van der Stel aan zijn bedienden order had gegeven om de tenten op te slaan, ging men het huis weer binnen.

Daar gekomen, bood Hartog de Kommandeur een glas wijn aan, en na deze geproefd te hebben, vroeg hij of ze van Hartog's eigen wingerd was.

De gastheer antwoordde, dat hij dit jaar voor 't eerst zou persen, en dat hij deze wijn had gekocht van een zekere Willem van Zijl, die een van de oudste inwoners van Drakenstein was en vroeger aan de Wijnberg had gewoond, waar hij zich ook voornamelik met de wijnbouw had bezig gehouden.

"Deze wijn smaakt uitmuntend," zei Van der Stel daarop, "en gelijkt veel op de wijnen van de Rijn, al heeft ze juist niet dezelfde geur, en als ze wat ouder is, zal ze nog beter smaken."

"Dat is ook 't gevoelen van Nortier," antwoordde Hartog, "maar de oude Abraham de Villiers, die zoals u weet, in Frankrijk een grote wingerd bezat en een jaren lange ondervinding heeft, meent dat deze wijn te licht is en waarschijnlik spoedig zuur zal worden, zodat ze alleen bewaard kan worden door toevoeging van alkohol, wat natuurlik de wijn heel wat zwaarder zal maken."

"Ik ken de oude Willem van Zijl heel goed," zei de Kommandeur, "uit de tijd toen hij nog bij de Wijnberg woonde, en ik zal trachten 'n legger van deze wijn van hem te krijgen, en die naar Holland te sturen, om te zien, of ze de zeereis verdraagt. Doet ze dat, dan zou men heel wat kopers in Holland daarvoor krijgen."

Katrijn trad nu de kamer binnen en deelde mede, dat 't avondeten gereed was, waarop men zich naar de eetkamer begaf.

Schoon zij niet veel tijd had gehad, was door de jonge vrouw haar uiterste best gedaan, zodat er toch een heerlik maal op tafel stond, dat hoog door de gasten gewaardeerd werd, en waarvoor Katrijn dan ook èn van Zijn Edele, èn van de Luitenant een welverdiend kompliment kreeg.

HOOFDSTUK XXIII.

DE KOMMANDEUR WORDT PROFETIES.

Na 't avondeten ging men weder naar 't voorhuis, waar bij 't licht van enige kaarsen--want lampen waren nog niet algemeen in gebruik,--een levendig gesprek plaats vond, waaraan ook Katrijn, nu zij met haar huishoudelik werk klaar was, deel nam.

Dit gesprek werd ingeleid door een vraag van de Kommandeur, hoe Hartog en z'n vrouw klaar kwamen met hun buren, waarop Hartog zei, dat men op zeer goede voet stond, niet alleen met de oude Hollandse bewoners, maar ook met de Franse vluchtelingen.

Toen de Kommandeur daarop aan de gastheer vroeg wat hij van de vluchtelingen dacht, antwoordde deze, dat ze ongetwijfeld hardwerkende lieden waren, die zuinig en voorzichtig leefden en met de grootste lijdzaamheid alle ontberingen en ongemakken droegen, wat te meer trof, daar velen van hen vroeger in goede doen en 'n beter leven gewoon geweest waren. Hij prees niet alleen hun godsdienstzin, maar ook hun bereidwilligheid om anderen met raad en daad te helpen. Zij waren van een meer levendige aard en daardoor ook voortvarender dan de enigszins langzame Nederlanders. Tevens maakte hij de opmerking, dat er reeds verscheidene huweliken hadden plaats gevonden tussen deze Franse vluchtelingen en de oude Hollandse kolonisten, en dat eerstgenoemden hoe langer hoe meer met de Hollandse taal bekend raakten.

Van der Stel had met aandacht geluisterd naar hetgeen de jonge boer zei, en toen deze geëindigd had, zweeg hij enige ogenblikken en begon toen:

"Ik ben blij van u te vernemen, meneer Hartog, dat er te Drakenstein zulk een goede verstandhouding bestaat tussen de twee rassen, en dat deze blijkbaar veel beter is dan die welke te Stellenbosch heerst. Ik ben Nederlander van geboorte en natuurlik voel ik meer voor mijn landgenoten dan voor de vreemdelingen; van mijn jeugd af heb ik daarenboven altijd 'n soort van antipathie gehad tegen de Fransosen.

"Toen de Direkteuren in Holland mij berichtten, dat zij van plan waren om 'n aantal uitgeweken Franse Protestanten naar Zuid-Afrika te zenden, was ik allesbehalve gesticht over dat nieuws, want ik vreesde dat de aankomst van zoveel vreemdelingen van 'n ander ras tot grote onaangenaamheden zou kunnen leiden, en zelfs botsingen veroorzaken.

"Natuurlik moest ik echter aan de bevelen van de Kompanjie gehoor geven, en ik geloof dat niemand kan zeggen, dat ik op enige wijze mijn plichten op dit punt verzaakt heb. Ik erken gaarne, dat de Franse Hugenoten hard werkende en eerlike lieden zijn, die trachten in de wereld vooruit te komen, en ik geloof ook, dat ze 'n nuttige invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling en vooruitgang van de landbouw, en vooral van de wijnbouw; maar zoals u zegt, zijn ze levendiger en voortvarender van aard dan de meeste Nederlanders.

"Dit is waarschijnlik te wijten aan 't warmere Zuid-franse bloed, dat in hun aderen stroomt.

"Het is volstrekt niet 't doel geweest van de Kamer van Zeventien, om hier in Zuid-Afrika twee zeer verschillende rassen onafhankelik en afgescheiden van elkaar te doen voortbestaan, want zulk een toestand zou zeker met grote gevaren gepaard gaan. Daarom was mij dan ook opgedragen, om de nieuw aangekomenen zoveel mogelik te midden van de oude bevolking te plaatsen, en schoon ik aan enigen van hen elders gronden heb toegekend, hier zowel als in Franschhoek, heb ik 't grootste gedeelte woonplaatsen aangewezen tussen de oude Hollandse Kolonisten in en om Stellenbosch. Reeds van 't begin af was dit een steen des aanstoots voor de Fransen, die blijkbaar verwacht hadden allen bij elkaar te kunnen wonen, en 't gevolg is dan ook geweest, dat velen van hen, die ik te Stellenbosch gevestigd had, liever verkozen om in dienst te treden van hun land- en geloofsgenoten hier en te Franschhoek, dan om hun eigen gronden te bewerken tussen de oude kolonisten. Ik had dit niet kunnen voorzien, of liever gezegd, ik was dom genoeg om het niet te voorzien, anders had ik in hun grondbrieven zeker een bepaling gemaakt, waarbij deze verhuizing belet werd.

"Het is niet te betwijfelen dat er bij de Hugenoten een geest van onafhankelikheid heerst en vrijheidsdenkbeelden bestaan, die gelukkig niet onder de Nederlanders gevonden worden, en een geest die waarschijnlik 't gevolg is van de geschiedenis der Hugenoten in Frankrijk, waar ze sedert het Edikt van Nantes niet alleen vrijheid van godsdienst, maar ook zekere politieke voorrechten genoten, en tot 'n zekere mate zelfbestuur hadden. Het is waar dat kardinaal Richelieu hun veel van hun voorrechten ontnomen heeft en feitelik 'n einde maakte aan hun zelfbestuur, schoon hij hen volkomen godsdienstvrijheid toeliet; en dit is dan ook een van de hoofdgrieven die de vluchtelingen tegen 't Goevernement van Frankrijk hebben en die van geslacht tot geslacht overgeërfd zijn.

"Nu ze op vreemde bodem en onder een nieuw bestuur zijn, schijnt 't dat velen van hen menen, dat zij de gelegenheid hebben om hun rechten te herkrijgen, niettegenstaande zij in Holland vóór hun vertrek hierheen, 'n verklaring hebben afgelegd, zich aan de wetten van de Kompanjie te onderwerpen en die te zullen gehoorzamen. Dat is reeds gebleken in 1689, toen ze er op stonden om hun eigen en zichzelf besturende kerkelike gemeente te hebben, iets dat ik beslist weigerde toe te staan, omdat ik daarin 't indrijven zag van 't dunne einde van de wig, en dit later kon leiden tot een eis van zelfbestuur ook op politiek gebied, hetgeen ten slotte zou leiden tot een gehele scheiding tussen twee rassen.

"Na mijn weigering hebben de Eerwaarde Simond en de andere leiders van de Fransen zich direkt tot de Kamer van Zeventien gewend en zij kwamen dus in beroep van mijn uitspraak. Ongelukkiger wijze hebben de Direkteuren de zaken niet zo helder ingezien, als ik dat hier kon doen en stonden zij 't verzoek van de Fransen toe. Ik beschouw de Heer Simond als een trouwe herder van zijn kudde en als een braaf en godsdienstig man, maar zijn liefde voor zijn godsdienst en landgenoten drijven hem te ver, en hij wordt te lijdzaam gevolgd door de leden van zijn gemeente. Mijns inziens belooft die geest niet veel goeds voor de toekomst van deze volkplanting, en ik vrees dat men weldra zal inzien, dat de aankomst van de Franse vluchtelingen alhier, een niet onverdeelde zegen is geweest, maar dat zij hier een geest van verzet hebben gebracht, die, wanneer voortgeplant in 't nageslacht, tot grote verwikkelingen kan aanleiding geven, en heel wat hoofdbreken zal kosten aan hen die na mij hier 't bestuur zullen voeren."

Het was Katrijn die 't eerst na de Kommandeur sprak en zei:

"Ik wil me niet met politieke zaken bemoeien, want dat past een vrouw niet, maar ik leef onder de mensen, waarvan u gesproken hebt, en ik ben 't niet geheel met u eens. Het is wel waar dat de Franse vluchtelingen wat meer levendig van aard en opgewonden zijn dan wij Nederlanders, maar die eigenschappen lossen zich meer op in woorden dan in daden, en ik vind ze even prakties als onze eigen mensen. Daarbij hebben ze over 't algemeen 'n betere opvoeding genoten dan de meesten van de onzen, en in vele van hun huizen vindt men leesboeken, iets wat zelden 't geval is bij onze boeren. Dat zij hun onafhankelikheid en de vrijheid in 't algemeen liefhebben, kunnen we hen niet kwalik nemen, want wij, Nederlanders, hebben ook 80 jaar voor onze vrijheid gestreden. Bovendien hebben er heel wat huweliken plaats tussen de beide rassen en 't karakter van beide zal daardoor aanmerkelik veranderd worden. Dat zij de heer Simond aanhangen, strekt hen tot eer, want de man heeft veel voor hen gedaan, en met hen gestreden en geleden, alhoewel ik erken, dat hij wel iets fanatieks in zijn karakter heeft."

"U zult hem spoedig beter leren kennen, Mevrouw," antwoordde de Kommandeur, "want ik verneem, dat hij van plan is om zich binnenkort hier te vestigen, in plaats van te Stellenbosch, waar zijn gemeente bijna verlopen is."

Hartog brak nu het stilzwijgen door te zeggen: "Mijn vrouw weet minder van de Fransen af dan ik, want zij kent hun taal niet zoals ik, die steeds met hen in hun eigen taal praat, en schoon ik u niet op alle punten gelijk kan geven, ben ik toch ook van oordeel, dat de vluchtelingen een woelig volkje zijn, dat heel wat moeite aan de Regering kan geven, als er iets gebeurt, dat hen niet bevalt. Zij koesteren niet de minste kwade gevoelens tegen de Hollanders, maar hebben 't alleen gemunt op 'n Regering, die hun wensen niet tegemoet komen kan of wil."

Het gesprek nam nu 'n andere wending en liep verder over landbouw en zulke zaken meer, waarin ook vader Knijf 'n woordje kon meespreken, en toen men nog 'n goed glas wijn had gedronken, dat de Kommandeur uit zijn wagen had laten halen, wenste deze zijn gastheer en diens huisgenoten goede nacht, en ging zijn legerstede in zijn tent opzoeken.

Vroeg, de volgende morgen, vertrok het hoofd van de Kolonie weder naar Stellenbosch, nadat hij tot Katrijn's grote teleurstelling, haar aanbod om 't ontbijt op Goede Hoop te gebruiken, had afgeslagen.

HOOFDSTUK XXIV.

EEN NIEUWE VIJAND.

De eerstvolgende jaren die verliepen, waren over 't algemeen niet ongunstig voor de nieuwe kolonisten te Drakenstein, schoon er nu en dan 'n misoogst was, en nieuwe ziekten onder 't vee uitbraken. Die kleine ergernissen trokken de boeren zich echter niet aan, en zelfs Hartog kwam tot de overtuiging, dat de boer zich moest gewennen aan heel wat jaarliks verlies, waarop hij niet gerekend had.

In 1692 was Pierre Simond, de Franse predikant, werkelik te Drakenstein komen wonen, waar zich toen 't merendeel van zijn gemeente bevond.

Hartog ging hem beleefdheidshalve een bezoek brengen, en vond hem een zeer ernstig man, steeds bezig om de eeuwige zowel als de wereldse belangen van zijn gemeente te behartigen. Hij liet zich zeer vriendschappelik uit over de oude kolonisten, maar 't was duidelik, dat hij niet goed overweg kon met de heer Simon van der Stel, want hij sprak met enige verbittering over diens handelwijze tegenover de Hugenoten.

Zijn invloed op de Drakensteiners was niet gering, hij hield 'n strenge tucht onder hen en waakte met biezondere nauwgezetheid tegen elke ontheiliging van de Sabbat.

De jonge boer ging zo nu en dan naar de kerk van de Franse predikant en bevond dat deze een goed redenaar was, wiens preken veel indruk op zijn gemeente maakten.

Niettegenstaande de kleine onheilen, die hem nu en dan overkwamen, ging de boerderij van Abraham Hartog vooruit. Zijn eerste wijnoogst bleek uitstekend te zijn, en daar hij geen kosten of moeite spaarde bij 't bereiden van de wijn, kreeg deze niet alleen een goede naam in Drakenstein en Stellenbosch, maar ook in Kaapstad, zodat de Kompanjie ten laatste al de wijn, die Hartog kon leveren tegen een goede prijs opkocht en daarvan zelfs een gedeelte naar Europa zond. Bovendien had hij ook de raad van de Kommandeur aangenomen en zich op de paardeteelt toegelegd. Niet te duur kocht hij een twaalftal merries en schafte zich, toen de Perziese hengsten aangekomen waren, één daarvan aan, zodat hij reeds spoedig verscheidene veulens had. Het jaar 1693 was nog niet voorbij, toen hij uitvond dat voor de eerste maal sedert hij begonnen was te boeren, zijn inkomsten aanmerkelik hoger waren dan zijn uitgaven.

Het echtpaar had dus geen reden van klagen, behalve over één treurig feit, namelik dat het kinderloos bleef.

In datzelfde jaar maakte echter een nieuwe vijand voor de boeren zijn verschijning in de buurt van Drakenstein. Men wist reeds lang, dat er Bosjesmannen waren op de bergen in de buurt van de zogenaamde Heksrivier, op een afstand van enige uren te paard, doch tot nu toe hadden dezen geen last veroorzaakt.

Toen evenwel deed 'n klompje Bosjesmannen een onverwachte aanval op een der verst afgelegen plaatsen en slaagde er in een aanzienlik aantal beesten weg te voeren. Wel werden de dieven achtervolgd, maar zij bereikten met hun buit veilig hun schuilplaatsen in de bijna ontoegankelike bergen.

Aangemoedigd door deze eerste, voor hen gunstige uitslag herhaalden zij hun rooftocht enige maanden later en ontkwamen weder met hun buit.

Dit maakte hen nog driester, en ze kwamen zelfs tot dicht bij het dorp, zodat de inwoners beangstigd werden, en de hulp van de Regering inriepen.

De Kommandeur zond daarop een twaalftal mannen te paard, ter bescherming van de boeren en tevens om de rovers te vervolgen, maar dit had niet de goede uitkomst, die men er van verwachtte. Wel werd nu en dan een Bosjesman doodgeschoten, maar meestal ontkwamen de vlugge dieven, en als ze eenmaal in de bergen waren, was 't zelfs de paarderuiters onmogelik om hen in de ruwe rotskloven en steile kransen in te halen.

Ten laatste besloten de Drakensteiners zich zelf te helpen, en toen van een van de Franse vluchtelingen een twintigtal beesten waren gestolen, werden dadelik allen die paard, zadel en toom bezaten, en tevens geweren hadden, opgeroepen om de vijand onmiddellik te vervolgen. Men slaagde er in de Bosjesmannen vast te keren, alvorens zij de bergen konden bereiken, en de gehele bende, omtrent 30 man sterk, werd als wilde dieren doodgeschoten. De boeren toch waren woedend over de door hen geleden verliezen, en hun toorn werd nog aangewakkerd door de wrede wijze waarop de vijand, toen hij zich in 't nauw voelde, de buitgemaakte beesten verminkte, door hen de hakpezen af te snijden, en het arme vee daardoor aan een wisse hongerdood prijs te geven.

Jaren lang bleven de veedieven weg en eerst in 1720 hoorde men opnieuw van roverijen in die streek.

HOOFDSTUK XXV.

EEN OUDE KENNIS.

Het was in de maand Mei van het jaar 1696, en Abraham Hartog was druk bezig met ploegen, want enige dagen te voren waren er mooie regens gevallen die de grond goed doorweekt hadden.

Het was nog tamelik vroeg in de morgen, niet later dan 10 uur, toen hij in de verte langs de weg van Stellenbosch 'n kapkar zag aankomen, die door zes ossen getrokken werd.

Hij schonk eerst weinig aandacht aan de kar en ging door met ploegen, daar hij meende, dat 't een van de Drakensteiners was, die van een bezoek aan Stellenbosch terugkwam.

Toen echter de kar de weg naar 't huis insloeg, gaf hij zijn zweep over aan Nortier en stapte huiswaarts om te zien, wie op dit ongewone uur hem een bezoek kwam brengen. De kar hield evenwel reeds voor 't huis stil, toen Hartog nog minstens 200 tree daarvan verwijderd was, en toen hij de stoep opkwam, vond hij zijn vrouw in gesprek met iemand, gekleed in het uniform van een zeeoffisier; hij hoorde haar juist zeggen: "Nee Meneer, ik herinner me niet u ooit gezien te hebben," waarop de vreemdeling in een luid gelach uitbarstte.

Het was die lach, die maakte, dat Hartog de zeeoffisier dadelik herkende, zodat hij met één sprong op de stoep stond en uitriep: "Wel alle mensen, 't is werkelik Willem Tuijl, onze oude bootsman!"

De twee mannen drukten elkaar stevig de hand en ook Katrijn heette haar oude vriend nu hartelik welkom.

"Je hebt gelijk Abraham, ik ben Willem Tuijl, maar niet meer opperbootsman, doch Kapitein van 't schip de Prins te paard, dat op 't ogenblik in de Tafelbaai ligt zonder fokkemast en grote mast, die we in 'n storm bij Madagascar hebben verloren."

"Kom binnen Tuijl, kom binnen," riepen beide echtgenoten als uit één mond, en trokken hun oude vriend 't huis in.

"Hoe met je kar?" vroeg Hartog, "zal je de ossen niet uitspannen?"

"Ja," antwoordde Tuijl, "maar ik moet vanmiddag nog weg naar Stellenbosch, en daarvandaan naar de Kaap. De kar en ossen heb ik in Stellenbosch gehuurd, en beloofd ze vanavond terug te brengen," zei Tuijl.

"Ben je mal?" viel Hartog in, "je blijft vandaag en morgen hier. We sturen de kar vanmiddag weer naar Stellenbosch terug en overmorgenochtend breng ik je met mijn eigen kar en paarden naar Stellenbosch. Als je schip twee masten heeft verloren, en die hersteld moeten worden, kan je er op rekenen, dat je niet binnen een maand van de Tafelbaai weg komt, en je hoeft je dus niet te haasten."

Tuijl gaf de zaak gewonnen. De Hottentot die bij de kar was, kreeg order om de ossen uit te spannen, en ze 't veld in te jagen, maar te zorgen dat ze niet wegliepen.

"Vertel me nu eerst," zei Hartog, "hoe je uitgevonden hebt dat ik hier woon."

"Ik ontmoette eergisteren Kingston, die nu Kwartiermeester op de Centaurus is, en ik vroeg hem naar verschillende van de oude vrienden en hij was 't, die me vertelde dat je hier woont. Diezelfde middag zag ik de Kommandeur, die me verder inlichtte, en beduidde hoe ik je 't beste vinden kon, maar wat me 't meeste plezier deed, was te vernemen, dat je met Katrijn getrouwd bent. Maar waar is de oude Kapitein? Ik heb gehoord dat hij bij je inwoont."

"Dat doet hij ook," antwoordde Hartog, "maar op 't ogenblik werkt hij in z'n tuintje, doch zal tegen half twaalf hier zijn voor 't middagmaal."

Katrijn kwam nu de kamer binnen met twee koppen koffie en zei: "kijk hier, Tuijl, ik heb 'n uurtje de tijd, en nu moet je ons eens haarfijn vertellen, wat je in al die negen jaren gedaan hebt."

"Ja, ja," voegde Hartog er bij, "biecht nu al je zonden op."

Tuijl schraapte zijn keel, nam een flinke teug koffie en begon toen:

"Zoals jullie weten, ben ik hiervandaan met de Rotterdam naar Indië gegaan, en kwam na 'n uitmuntende reis te Batavia aan.