De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal
Part 8
"Kinderen, dit is de vervulling van een hoop, die ik al maanden lang in mijn hart heb gevoed. Ik wenste vóór mijn dood de toekomst van mijn enig kind verzekerd te zien, en ik hoop, Hartog, dat je haar gelukkig zult maken en goed voor haar zorgen, alhoewel je het met je salaris van 40 gulden per maand, heel zuinig zult moeten aanleggen."
Katrijn las toen de brief van de Notaris voor en zei:
"U ziet, Vader, dat we wat meer hebben dan 40 gulden in de maand en dat Hartog de beschikking heeft over 'n vrij grote som, waarmee hij heel wat kan doen."
Hartog haalde nu de tweede brief van de jonge Van Doorn uit z'n zak en gaf die ook ter lezing aan 't meisje, dat toen ze die brief geëindigd had snel opsprong en zei:
"Abraham, je hebt me gefopt; je bent niet alleen 'n wel-af man, maar 'n schatrijke, en ik weet niet of ik je nu nemen kan, want ik ben niet 'n meisje, dat de hoge positie in de wereld kan innemen en de stand ophouden, die 'n vrouw als de jouwe zal passen."
Hartog glimlachte en antwoordde:
"Katrijn, maak je daarover maar niet ongerust. Al bezat ik tien ton gouds, en al was ik de rijkste man in deze volkplanting, dan zou ik toch nog eenvoudig leven, en zonder praal en weelde de wereld doorgaan, want geld maakt niet gelukkig en hoe meer geld, hoe meer zorgen."
Dat de Kapitein, toen ook hij de tweede brief gelezen had, niet weinig verbaasd was over de inhoud daarvan, behoeven we nauweliks te zeggen. Hartog was nu verplicht zijn gehele levensgeschiedenis aan de oude man te verhalen, evenals hij dit in Natal aan Katrijn had gedaan.
"En wat ga je nu beginnen?" vroeg de Kapitein. "Als ik jou was, kocht ik me 'n mooi schip en dreef daarmee handel op de Oostkust van Afrika, vooral in slaven, waarmee heel wat geld te verdienen is."
"Dank u hartelik, Kapitein," zei de jonge man. "In de eerste plaats heb ik geen lust meer om op zee te gaan, en ten tweede is het handelen in slaven 'n baantje, waarvoor ik me niet geschikt acht, want daarvoor moet je 'n hart als 'n klip en al je zelfrespekt verloren hebben. Ik heb 'n beter plan: de Regering is juist begonnen met 't uitgeven van nieuwe plaatsen te Drakenstein, en ik wil me daar ook 'n goed stuk grond uitzoeken en 'n boerderij beginnen. Daar kunnen we dan rustig wonen, wat vee houden en ons voornamelik toeleggen op de wijnbouw, waarvoor de grond uiterst geschikt is naar ik hoor. Ik heb kennis gemaakt met 'n jonge Hugenoot, Jean Nortier, de zoon van een wijnboer in 't zuiden van Frankrijk, die veel kennis heeft van de wijnbouw, en die gewillig is, om voor een tamelik loon het toezicht over de plaats te houden en me alle nodige inlichtingen te geven."
De Kapitein vond dit 'n goed plan en Katrijn zei: "Natuurlik, Vader, als Abraham en ik getrouwd zijn, en we op de plaats gaan wonen, dan komt u bij ons uw intrek nemen; daar kunt u dan uw oude dag in rust en vrede doorbrengen, zonder u om iets te bekommeren."
Op deze woorden sloot de oude man, met tranen in de ogen, zijn dochter in z'n armen, en kuste haar hartelik. Daarop zei hij: "Katrijn, haal me eens 'n bottel van de Bourgondiese wijn, die ik drie maanden geleden van de Kapitein van 't Franse schip heb gekocht, want op deze gelukkige avond, kunnen we wel 'n potje breken."
Het was half elf, toen Abraham Hartog afscheid van Vader en dochter nam, en met een gelukkig, weltevreden hart zich naar zijn kamer in de Stadsherberg begaf.
HOOFDSTUK XX.
VAN ZEEMAN TOT BOER.
In 't jaar 1687 had Kommandeur Simon van der Stel 'n bezoek gebracht aan een prachtige vallei, die dertig jaar te voren aan de voet van de Simonsberg ontdekt was door de Fiskaal Abraham Gabbema.
Deze vallei had nog geen naam en de Kommandeur noemde ze Drakenstein, naar 'n zeker landgoed van de heer van Mijdrecht in Holland.
Tijdens dat bezoek liet hij langs de Bergrivier 23 plaatsen uitmeten, ieder van omtrent 60 morgen, en deze werden uitgegeven aan burgers, tegen betaling van één tiende van 't graan, en de kosten van de opmeting en de grondbrief. Bij betaling daarvan verkregen de burgers 't volle eigendom van de grond, op voorwaarde dat, wanneer de eigenaar niet binnen één jaar begonnen was om de grond te bebouwen, of de plaats later verliet, deze aan de Regering zou terugvallen.
Die voorwaarde was nodig omdat de ondervinding geleerd had, dat velen van de burgers die grond kregen, ongeschikt bleken voor de boerderij, en de plaatsen verlieten of de grond verkochten.
Abraham Hartog was niet tevreden met 'n stukje grond van 60 morgen, maar deed aanzoek voor drie aan elkander grenzende stukken: één voor hemzelf, één voor Willem Knijf en één voor Catharina Knijf.
Dit werd hem toegestaan, want de Goeverneur was niet weinig verblijd om een kolonist te krijgen, die niet alleen uit liefhebberij wilde boeren, maar ook 't nodige kapitaal bezat, om de grond behoorlik te bewerken.
Zodra alles geregeld was, en hij de grondbrieven in zijn bezit had, trok de jonge man, door middel van de Kompanjie een wissel op de heer Van Doorn voor de 6025 gulden en liet daarna dadelik 'n klein, doch geriefelik huis op de plaats bouwen, terwijl hij de jonge Nortier aan 't werk zette met 't aanleggen van de wingerd.
Vervolgens kocht hij op krediet, van de Kompanjie 'n twaalftal koeien, een bul, alsmede 100 schapen, en 't nodige boeregereedschap, dat de Kompanjie hem, als naar gewoonte, verschafte tegen de inkoopsprijs in Holland.
Hierna verzocht de jongeling aan Katrijn om de dag voor 't huwelik te bepalen, en deze stelde daarvoor de 4de Julie 1689 vast.
Tegen die tijd zou 't huisje op de plaats nog niet klaar zijn, maar men zou zolang in 'n ruime tent gaan wonen, totdat men z'n intrek in 't huis kon nemen.
Toen de grond voor de wingerd bestemd, behoorlik ommuurd en gedolven was, en de tijd van planten aangekomen, kocht Hartog 'n tien-duizend jonge wijnstokken en ontving bovendien als geschenk van de Kommandeur, duizend stokken van diens plaats te Constantia.
De bruiloft werd op zeer eenvoudige wijze gevierd en de huweliksknoop gelegd door Ds. Leonardus Terwold, die in Januarie van dat jaar, als predikant te Kaapstad was aangesteld.
Drie dagen daarna vertrok 'n grote huif- of kapkar, waarop 't jonge echtpaar en Kapitein Knijf waren gezeten, en die getrokken werd door acht ossen, met twee slaven als drijver en leider, uit de Kaap, en op de tweede dag bereikte men de plaats te Drakenstein, die reeds door Katrijn gedoopt was met de naam van Goede Hoop. Het meest nodige huisraad, dat voornamelik bestond uit datgene wat de Kapitein in zijn huis had gebruikt, was reeds enige dagen te voren naar de plaats gezonden; als 't huis klaar was, zou Abraham Hartog voor 't verder benodigde zorgen.
Zowel op de eerste kar of wagen, zoals men die toen reeds noemde, als op de tweede was genoeg proviand voor enige maanden, want men wist niet of men 't nodige kon krijgen op 't nieuwe dorp Stellenbosch.
Katrijn was opgetogen toen zij de ligging van de plaats en de prachtige vallei zag, want daar 't reeds winter was, waren er zware regens gevallen en had 't veld een waas van fris groen.
Omstreeks 200 tree van de plek waar 't huis gebouwd werd, stroomde de Bergrivier, die reeds tamelik gezwollen was door de regens, en aan de oevers waarvan talrijke treurwilgen groeiden.
Naar de kant van de berg verhief zich een nogal groot bos van geelhout- en andere bomen, en aan de rivierzijde van dit bos lag, niet ver van de kleine bergstroom, de nieuw aangelegde wingerd. Tussen deze en het huis graasden de koeien en de schapen en vonden daar volop kost.
Was 't daar toen reeds schoon en aangenaam, 't werd onbeschrijflik mooi in 't begin van de maand Oktober, toen de zon zijn kracht had herkregen, de wilgebomen met jonge blaren waren bedekt en de wingerd reeds begon te botten, terwijl op de velden 't gras bijna twee voet hoog stond en daartussen talrijke veelkleurige bloemen 't geheel als een rijk tapijt deden voorkomen.
Het was juist in die maand dat de jonggetrouwden 't nieuwe huis introkken, dat op eenvoudige doch nette wijze gebouwd was. Door de voordeur kwam men in het voorhuis, ter linkerzijde waarvan 'n deur toegang gaf tot het slaapvertrek van de echtgenoten, terwijl rechts de kamer van de Kapitein was. Een derde deur, in 't midden, leidde naar een flinke eet- en zitkamer, en daarachter bevonden zich de kombuis en dispens.
Het huis was van baksteen gebouwd en had een strodak. Op ongeveer 20 tree afstand van 't huis stond een tweede gebouw, dat voor wagenhuis en stal moest dienen, en dat evenals 't woonhuis zelf, 'n grote zolder bevatte.
Natuurlik voelde Abraham Hartog zich in de eerste maanden als 'n kat in een vreemd pakhuis, en raakte hij in zaken, die de boerderij betroffen, dikwels de kluts kwijt. Maar hij begreep, dat hij 't nodige moest leren van anderen, en zijn buren, waarvan 'n groot deel landgenoten waren, toonden zich steeds bereid om hem nuttige raad te geven en te wijzen, hoe hij moeilikheden kon overwinnen. Er waren echter ook enige Franse vluchtelingen, die in de nabijheid grond bezaten, en van hen kreeg de jonge man menige nuttige wenk omtrent de wijnbouw, want Nortier, schoon met 't bedrijf niet onbekend, was pas 22 jaar oud en dus nog niet zo ervaren.
Kort na de aankomst op de plaats, had de oude Kapitein zich 'n stukje grond uitgekozen, ter grootte van omstreeks drie kwart morgen, op 'n plek niet ver van het punt waar de bergstroom zich met de Bergrivier verenigde, en dit beschouwde hij als zijn privaat eigendom, waarop hij kon doen, wat hij verkoos.
Tot verbazing van zijn schoonzoon toonde de oude heer niet alleen heel wat geestkracht, maar ook nog veel lichaamskracht te bezitten. Met geen andere hulp als die van een oorlamse Hottentot, die goed Hollands sprak, maakte hij een wal van enige voeten hoog om 't stukje grond, dat hij voor het grootste deel omspitte en daarna beplantte en bezaaide met kool, bloemkool, erten, bonen en andere groenten.
Het bovenste gedeelte van de grond herschiep hij in een bloemetuin, en zijn vreugde steeg ten top toen Hartog, na een van zijn reizen naar Kaapstad, terugkwam met een kistje bloemzaden van verschillende soorten, die hij bij de tuinier van de Kompanjies tuin gekocht had.
Het was 'n aardig gezicht om de oude Kapitein op 'n warme dag, dikwels van baadje en onderbaadje ontdaan, in de tuin te zien werken, nu eens wiedende, dan weer de paden harkende, of jacht makende op schadelike insekten; want deze laatste waren de oude heer een vreeslike plaag, en hij zei vaak, dat hij niet begrijpen kon, waarvoor de Heer zulke nutteloze goggas geschapen had, die net tot ergernis van de mens strekten.
Hartog was natuurlik altijd in de weer. Meermalen moest hij naar Kaapstad en naar Stellenbosch, terwijl hij ook niet zelden bezoeken bracht aan zijn naburen.
Zijn aangename manieren, zijn gewilligheid om steeds naar raad te luisteren en zijn goedhartige natuur maakten, dat hij spoedig de achting van de oudere kolonisten won; bij de Franse vluchtelingen, stond hij in hoog aanzien, vooral omdat hij hun taal kon spreken, en zij steeds grote moeite hadden zich te wennen aan het Hollands.
Reeds in die dagen begon de Afrikaanse gewoonte zich te ontwikkelen die nog lang niet verdwenen is. Wij bedoelen het zogenaamde "kuieren", of het aan elkander brengen van bezoeken door buurlieden en vrienden. Dit werd voornamelik veroorzaakt door het overigens eenzame en eentonige leven, dat de kolonisten leidden, vooral in de binnenlanden waar de boereplaatsen soms uren ver van elkander lagen. Karren en paarden waren toen nog zeldzaam, want de meeste boeren bezaten nog niet de middelen om zich zulke weeldeartikelen aan te schaffen; bovendien hadden de jonge kolonisten in de Drakenstein vallei nog niet genoeg land onder de ploeg om 't nodige voer voor paarden te kunnen winnen; zelfs Hartog had er nog geen.
Het kuieren werd dus gedaan met 'n kleine kapkar door twee of vier makke ossen getrokken, en op die wijze had ook Katrijn reeds verscheidene bezoeken ontvangen van de buren en hun vrouwen.
Van deze laatsten leerde zij veel, vooral op 't gebied van de kookkunst, terwijl zij zelf in andere opzichten weer goede raad aan haar bekenden kon geven. De buurvrouwen waren niet weinig verwonderd om te zien, hoe deze jonge vrouw die haar gehele leven op zee had doorgebracht, zich gewende aan haar nieuwe toestand en omgeving, en hoe prakties zij alles behandelde; ofschoon het meisje geen hoge opvoeding had genoten, was deze echter in menig opzicht heel wat beter geweest dan die van de meeste boerevrouwen.
Katrijn was gewoon meermalen geheel alleen lange wandelingen te maken in 't bos langs de bergen, en zij was niet weinig verwonderd, om van haar man te vernemen, dat ze hiermee moest ophouden, want dat, naar hij vernomen had, er nog tigers in de bergen waren, en dat men er enige dagen geleden zelfs een grote leeuw had geschoten, tussen Drakenstein en Stellenbosch; na die waarschuwing vermeed de jonge vrouw voortaan die gevaarlike plek.
HOOFDSTUK XXI.
DONKERE DAGEN.
"Die boer krij maar swaar," hoort men tegenwoordig nog dikwels zeggen, en daarmee wordt niets nieuws verteld, want 't is in werkelikheid 'n oude, oude storie.
Toch zijn er veel mensen, vooral onder onze Engelse bevolking, die om dit gezegde lachen, en beweren, dat de boeren de meeste ongelukken aan zichzelf te wijten hebben, doch dat zij over 't algemeen geld maken, en er veel beter aan toe zijn dan de stedelingen. Hoe dit ook zij, het is waar dat onze boeren nog lang niet zo op de hoogte van hun zaken zijn, als in andere landen 't geval is, en ook is 't niet minder juist, dat over de gehele wereld, de landbouwer zowel als de veeboer, een ontevreden en zelfzuchtig karakter heeft, en steeds vol klachten is. Zelfs de grote Bismarck, die 't kon weten, omdat hij zelf uit 'n boerefamilie was gesproten, zei eens tot de zogenaamde agrariese partij in Pruisen, dat hij gewillig was op alle mogelike manieren die partij te steunen en te beschermen, maar dat hij nooit zou toelaten, dat ze aan 't roer van zaken kwam, daar ze in dat geval alleen hun eigen belangen zou behartigen, en die van 't overig gedeelte van de bevolking uit 't oog verliezen. Dat is ook 't geval in Zuid-Afrika en een van de grootste moeilikheden, waarmee de Regering in 't Parlement te kampen heeft.
Van 't begin af heeft de boer in dit land 'n zware strijd gestreden. Hij woont in een werelddeel, waarvan het klimaat zeer wisselvallig is en de natuur grillig; hij kan daardoor nooit op zijn oogst rekenen; als zijn koren reeds rijp is voor de sikkel, en hij al berekend heeft, wat het hem dat jaar zal opbrengen, komt er misschien plotseling een hagelbui, die al zijn zoete verwachtingen in rook doet vervliegen.
Is het niet de weersgesteldheid, dan zijn er dikwels plagen, als sprinkhanen, rupsen en allerlei andere insekten, die hem grote schade veroorzaken, of is 't de een of andere veeziekte die zijn kudden te gronde richt.
Toen Abraham Hartog begon te boeren, was hij met al die tegenslagen nog onbekend, en zag hij de dingen veel te rooskleurig in. Hij meende dat er voor iemand met een klein kapitaal, doch grote werklust geen lonender arbeid bestond dan die van de boer, en hij droomde reeds van vette koeien, grasrijke velden en zwaar beladen wingerden,--maar de ervaring zou hem nog vele dure lessen leren.
In 't eerste jaar gingen de zaken op Goede Hoop werkelik uitmuntend. De nieuwe wingerd groeide uitstekend, maar toch zou 't nog drie jaar duren, voor hij daarvan een redelike opbrengst kon verwachten. De landerijen, waarop hij voornamelik koren en haver had gezaaid, leverden een rijke oogst op. Zijn koeien en schapen waren vet, en ook de lammertijd was bevredigend. Maar in 't tweede jaar ging alles verkeerd. Het was een droog jaar, en de winter bracht wel veel wind, maar weinig regen, en reeds vóór 't midden van de zomer was 't gras verdord en had de gloeiende zon de graanlanden verschroeid. In de wingerd hingen de blaren van de stokken slap en half verbrand. Gras voor het vee was er niet, en de dieren vermagerden niet alleen, maar stierven zelfs van honger. De Bergrivier was niet meer 'n heldere, vloeiende stroom, doch slechts 'n aaneenschakeling van poelen modderig water, die met kroos en allerlei andere waterplanten bedekt waren.
In de tuin van de oude Kapitein zag 't er ook treurig uit. Van bloemen was er bijna geen spoor te zien, en niettegenstaande alle pogingen, die de oude heer aanwendde, kon hij nauweliks in de dagelikse behoeften van groenten voorzien.
De Bergstroom, die uit een fontein in de rotsen gelegen ontsprong, had nog een goede straal water, meer dan genoeg om mens en dier van drinkwater te voorzien, en had Hartog genoeg ervaring bezeten en ook 'n ruimere blik in de toekomst gehad, dan zou hij misschien maatregelen genomen hebben om landen en tuin te besproeien, en daardoor een groot deel van zijn oogst gered hebben. Maar zover dacht de onervaren boer nog niet.
Men droeg 't juk met gelatenheid en geduld, omdat het de Voorzienigheid was, die wegens de zonden van de mens, hem aldus met zware hand kastijdde.
Dit was ook 't gevoelen van Katrijn; het stemde haar treurig en zij vergeleek het leven op 't land met dat op de zee, en onwillekeurig kwam bij haar, de geuzedochter, 'n bijna onweerstaanbaar verlangen op, om weer op het grote, ruime water te wezen, waar wel gevaren waren, maar men die van het land niet kende.
Zij was echter verstandig genoeg om deze gedachten niet te uiten tegenover haar man, want zij kon zien dat hij zelf zijn lot al zwaar genoeg droeg en zij wilde dit niet erger maken door ontevredenheid van haar kant.
De kosten van 't aanleggen van de plaats, van 't bouwen van het huis, en het aanschaffen van 't vee en de gereedschappen, waren groter geweest, dan waarop de jonge boer wel gerekend had, en schoon hij 'n aardig duitje gemaakt had met de oogst van 't eerste jaar, wogen die winsten lang niet op tegen de verliezen van 't tweede; zo was reeds meer dan de helft van de 6000 gulden verdwenen, ook doordat Hartog, om 't Katrijn thuis zo aangenaam mogelik te maken, heel wat geld had uitgegeven voor nieuw huisraad.
Toen echter 't derde jaar even ongunstig, indien zelfs nog niet erger was dan het tweede, en ziekte bijna al zijn vee deed sterven, was Hartog verplicht om naar de jonge Notaris Van Doorn te schrijven en hem te verzoeken een aanzienlike som over te zenden.
Hij deed dit zeer tegen zijn zin, want hij had die gelden willen sparen tot later tijd, en wel met de gedachte, dat hij 't merendeel daarvan aan zijn kinderen zou kunnen nalaten, en dezen daardoor iets zouden hebben wanneer ze de wereld ingingen. Evenwel zij hier gezegd, dat ofschoon Abraham en Katrijn reeds drie jaar getrouwd waren, er nog geen tekenen waren, die op een nageslacht deden hopen.
Toen 't gevraagde geld uit Holland kwam, kocht Hartog zich nieuw vee en bracht hij ook enige zeer nodige verbeteringen op de plaats aan.
Het feit dat hij nog over kapitaal te beschikken had, was natuurlik een zegen voor hem. Veel moeiliker was de toestand in dat opzicht van de hem omringende boeren, en vooral van de Franse vluchtelingen, die geen stuiver van zichzelf bezaten en alleen moesten leven van de opbrengst van hun landen en hun vee.
Drakenstein was ontzettend in omvang toegenomen, want de vluchtelingen, die te Stellenbosch waren gevestigd, hadden langzamerhand dat dorp verlaten en zich aangesloten bij de inwoners van Drakenstein en Franschhoek; in 't jaar 1691 waren er dan ook reeds niet minder dan 80 families in de vallei gevestigd, zodat deze meer op een lang uitgestrekt dorp begon te lijken, dan op een aaneenschakeling van boereplaatsen.
Meer dan de helft van die families behoorden tot de Hugenoten. Het noodlot dat hen trof en de gelegenheid die hun bij elkaar wonen aan hen gaf, om met elkander over hun bezwaren te spreken en hun klachten te uiten, veroorzaakten dat er een geest van ontevredenheid onder hen begon te ontstaan, en we zullen dan ook zien, dat zij later daardoor in botsing kwamen met de Regering van de Kolonie.
Doch aan alle dingen komt 'n einde, ook aan tegenspoed, zowel als aan voorspoed.
Het vierde jaar was even gunstig als de vorige twee jaren ongunstig waren geweest. Er viel volop regen; 't gras begon welig te groeien, 't vee geraakte in goede toestand en daarmee hielden de veeziekten op; de landerijen gaven 'n goede oogst en de wijnstokken waren zo volgeladen met heerlike druiven, dat ze nauweliks in staat waren die last te torsen. Al was de winst die men in dat jaar maakte, niet groot genoeg om de geleden schade te dekken, zo was de boer toch uit de nood, en vrolik ging hij weer de toekomst tegemoet.
HOOFDSTUK XXII.
EEN ONVERWACHT BEZOEK.
Abraham Hartog had op zijn vele tochten naar de Kaap dikwels een bezoek gebracht aan het Kasteel, en daar een onderhoud gehad met de Kommandeur, die in de jonge energieke boer belang stelde, en hem zoveel mogelik aanmoedigde, zoals hij dan ook bewees, toen hij hem de 1000 wijnstokken ten geschenke gaf.
Reeds verscheidene malen had de Kommandeur beloofd een bezoek te zullen brengen aan Goede Hoop, maar eerst in 1692, was hij in staat, om aan die belofte te voldoen.
Het was op een mooie dag in Oktober van dat jaar dat Abraham Hartog in de achtermiddag naar zijn wingerd ging om te zien hoe 't daar gesteld was. Hij kwam er met een vrolik hart vandaan, want de druivestokken waren beladen met jonge trossen, die er gezond en veelbelovend uitzagen.
Op de terugweg zag hij in de verte iets aankomen dat op een rijtuig geleek, en op enige afstand daarachter een tweede voertuig, en toen hij wat wachtte, bleek 't dat het eerste rijtuig een karos was, getrokken door vier paarden, terwijl het tweede 'n zware wagen was, waarvoor zestien ossen waren gespannen.
Hartog begreep niet van wie die karos kon zijn, want hij wist, dat niemand in Stellenbosch, in Drakenstein of Franschhoek, in het bezit was van zulk een weeldeartikel.
Het rijtuig scheen blijkbaar naar Goede Hoop te gaan, want het sloeg 't zijpad in, dat van de grote dorpsweg naar de plaats van Hartog leidde.
Abraham snelde dus naar huis om daar zijn bezoeker af te wachten en aan zijn vrouw kennis te geven dat er mensen kwamen. Daarop ging hij op de stoep staan, waarvoor dan ook de karos enige ogenblikken later stilhield. Uit 't rijtuig stapte toen tot niet geringe verbazing van de jonge boer, Simon van der Stel, gevolgd door luitenant Oloff Bergh, die tot het Kaapse garnizoen behoorde.
Abraham groette de hoge bezoekers met alle verschuldigde eerbied, waarop de Kommandeur zei: "Ja, meneer Hartog, eindelik ben ik hier, en ik moet zeggen, dat ik de Heemraden van Stellenbosch, bij mijn terugkomst aldaar een lelik standje zal maken over de wijze, waarop zij de weg bij Drakenstein in orde houden. Mijn paarden hadden moeite om de karos hierheen te trekken en mijn lichaam doet me pijn van al de schokken en stoten, die ik in de laatste uren gekregen heb."
De jonge boer nodigde de Kommandeur uit, het huis binnen te gaan, en toen men in 't voorhuis gezeten was, zei Zijn Edele:
"Je hebt bijna 't beste huis in Drakenstein, meneer Hartog, en 't verschilt heel wat met de krotjes, waarin de meeste Hugenoten wonen."
Hartog antwoordde dat 't hem speet, dat de arme Franse vluchtelingen nog zo slecht behuisd waren, en zei dat zij ook twee zware jaren achter de rug hadden en in die tijd moeite genoeg hadden gehad om ziel en lichaam bij elkaar te houden, en er dus geen sprake kon zijn van 't bouwen van nieuwe huizen.
Juist op dat ogenblik kwam Katrijn in 't voorhuis en groette de Kommandeur, die zij vroeger reeds in de Kaap 'n enkele keer ontmoet had. Zij maakte haar verontschuldiging dat ze er niet op gerekend had zulke hoge gasten te ontvangen, en zei dat ze trachten zou het Zijn Edele zo behaaglik mogelik te maken.
"Doe toch asjeblieft geen moeite, Mevrouw," zei Van der Stel, "mijn wagen zal spoedig hier wezen en we zullen onze eigen tenten opslaan en hebben genoeg proviand bij ons. Het weer is prachtig en de nachten zijn al zo warm, dat ik liever in een tent slaap dan in een kamer."