De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal

Part 7

Chapter 74,079 wordsPublic domain

Op de 1ste November 1687 liep de retoervloot uit Indië de Tafelbaai binnen, en Hartog was er niet weinig verheugd over, want nu konden zijn brieven naar Holland weg. Maar toch was hij blij, dat de vloot niet vroeger was gekomen, want dan zou hij verplicht geweest zijn, er mede naar Holland terug te gaan en de kans verloren hebben om Kapitein van de Centaurus te worden.

Op de 9de van diezelfde maand staken de schepen weer in zee, en in de avond van die dag kwam de jonge Kapitein afscheid nemen van Kapitein Knijf en diens dochter, want daags daarna zou hij de reis naar Natal aanvaarden.

De eerste dagen na 't vertrek van de Centaurus waren gunstig, en Hartog voelde zich niet weinig trots op zijn boot, die zich uitmuntend hield en met zijn nieuw tuig beter zeilde dan ooit.

Ten oosten van de tegenwoordige Mosselbaai sloeg de wind om naar 't zuidoosten en werd daarna bijna vlak oost, terwijl de zee vrij stormachtig werd en men bovendien met 'n sterke stroming naar 't westen had te kampen.

Maanden lang kon men geen stap vooruitgaan zonder te laveren, en eerst op de 6de Februarie 1688 bereikte men de mond van de Keirivier.

De wind was nu gaan liggen en er heerste 'n doodse kalmte, en daar de roeiriemen uit de Centaurus waren genomen, was er niet alleen geen middel om 't schip verder te krijgen, maar dreef het zelfs door de stroming uit 't oosten terug, zodat men op de middag van de 7de weer tegenover de grote rots was, die toen de "Doodkist" werd genoemd, en tans bekend is als de Bat's Cove, even ten oosten van 't tegenwoordige Oost-Londen.

Hartog liet 't anker uitwerpen en zond 'n boot naar de kust om te zien of er ergens een geschikte plaats was, waar men landen kon.

Terwijl de boot hiermede bezig was, zag men 'n aantal personen op het land, die signalen maakten, doch op die afstand was 't onmogelik om te zien of zij die dit deden, blanken dan wel Hottentotten waren.

Toen de boot terugkwam, bracht men 't bericht mede dat de branding op de kust zo sterk was, dat er geen kans bestond om ergens 'n landing te doen.

Intussen was er 'n vrij sterke bries opgekomen, en daar de ankergrond los zand was, en de Centaurus zijn ankers reeds begon te slepen, besloot Hartog zo spoedig mogelik deze gevaarlike plaats te verlaten; hij liet dan ook de ankers lichten en stak daarna in zee.

De volgende morgen toen de wind was gaan liggen en de zee kalm was, ging 't schip terug naar de Bat's Cove, omdat Hartog zich nu wilde verzekeren of de personen die signalen gemaakt hadden, blanken of gekleurden waren.

Men had juist 't anker opnieuw geworpen, toen Kingston, die naar 't land stond te turen, uit die richting iets zag aankomen, doch hij kon eerst, zelfs met behulp van de verrekijker, niet uitmaken wat 't was.

Eindelik bleek 't dat dit voorwerp niets meer of minder was dan 'n ruw vlot, waarop zich drie naakte personen bevonden, en toen dit kort daarna 't schip bereikte en de mannen ervan aan boord waren geklommen, vertelden dezen dat ze drie van de schipbreukelingen van de Stavenisse waren, waarop Hartog hen ook dadelik herkende.

Verder gaven ze te kennen, dat nog 18 medeschipbreukelingen aan land waren, benevens een jonge Fransman, die deel had uitgemaakt van de bemanning van 'n boot die door 'n Engels schip naar land was gezonden. Deze bemanning was door 'n klomp Kaffers aangevallen en allen waren vermoord, met uitzondering van de jonge Fransman.

Na 't horen van dit bericht, deed Hartog opnieuw de zeilen hijsen, en trachtte zo dicht mogelik bij de kust te komen, totdat hij 't anker in 80 voet water wierp en toen de Kompanjie's vlag in top liet halen.

Kort daarop bereikte 'n vierde schipbreukeling de boot door er heen te zwemmen.

Op de 9de was de zee doodkalm, zodat de Kapitein van de Centaurus 't wagen kon, om 'n boot uit te zetten, die zonder moeite 't land bereikte. Door middel hiervan werden 14 man van de Stavenisse en de jonge Fransman aan boord van de Centaurus gebracht, alsmede 't vlees van 'n vette os, die men van 't Kafferopperhoofd had gekocht voor 'n koperen ring ter waarde van 4 shillings.

De volgende dag maakte de boot weer een reisje naar 't land en kocht men nog twee ossen, maar voor die geslacht konden worden, kwam de wind op, en Hartog liet dadelik signalen geven, dat de boot naar 't schip terug moest komen, zodat men verplicht was de ossen achter te laten en aan 't bevel van de Kapitein gehoor te geven; kort daarop vertrok de Centaurus van deze gevaarlike plaats.

Enige uren later bereikte men de monding van 'n rivier, die tans de naam van de Buffalo draagt, doch toen onder de Hollanders bekend was als de Eerste Rivier. De branding op de zandbank aan de mond van die rivier was echter zo sterk, dat 't voor 'n kleine boot onmogelik was, de rivier binnen te gaan en de Centaurus moest dus enige mijlen van 't land ankeren.

Er waren nu nog drie schipbreukelingen van de Stavenisse op 't land, maar uit de mededelingen van de anderen maakte Hartog op, dat deze blanken niet gaarne wilden scheiden van hun zwarte metgezellen en zich derhalve verborgen hadden.

De ankergrond was slecht, de kust was gevaarlik en de jonge Kapitein besloot dus niet langer op de drie blanken te wachten, maar de terugreis naar de Tafelbaai te aanvaarden.

De reis naar 't Oosten had de Centaurus bijna drie maanden genomen; de terugreis werd in 8 dagen afgelegd en op de 19de Februarie zeilde het schip met zijn niet talrijke bemanning de Baai binnen.

HOOFDSTUK XVII.

HET VERHAAL VAN DE JONGE FRANSMAN.

De geschiedenis van Zuid-Afrika is zo vol merkwaardige en belangwekkende gebeurtenissen, dat 'n geoefend schrijver, wie 't niet aan verbeeldingskracht ontbreekt, daarin wel genoeg stof zou kunnen vinden voor 'n vijftigtal romans.

Onder die wetenswaardige voorvallen mogen ongetwijfeld gerekend worden de avonturen van de jonge Fransman, die tesamen met de schipbreukelingen van de Stavenisse door de Centaurus naar de Kaap werd gebracht.

Zijn naam was Guillaume Chenut, en hij was toen iets over de 17 jaar oud.

Hij kon slechts Frans spreken, maar 'n korte schets van wat hij doorgemaakt had, was reeds ter ore van Kapitein Hartog gekomen, en daar deze wat meer ervan wilde weten, bracht hij op zekere dag de jonge Fransman naar de Stadsherberg, om hem daar aan Katrijn en haar vader zijn verhaal te laten doen.

Een soldaat van het Kasteel, die van geboorte Fransman was, doch reeds lang genoeg in de dienst van de Kompanjie om Hollands goed te kunnen spreken, werd door Hartog ook medegenomen, om als tolk te dienen.

De jongeling vertelde dan het volgende:

"Ik ben de tweede zoon van Baron Louis Chenut, die omtrent 20 jaar geleden 'n klein kasteel bezat, niet ver van 't stadje Guyon in de provinsie Guyenne.

"Onze familie was vroeger zeer rijk en in 't bezit van grote landerijen, maar daarvan werd gedurende de godsdienstoorlogen veel verkocht tot ondersteuning van de zaak van onze geloofsgenoten, de Hugenoten. Mijn vader was zodoende slechts in 't bezit gebleven van 't oude kasteel met niet meer dan 'n paar honderd morgen grond; maar de opbrengst daarvan was voldoende om onze kleine familie te onderhouden.

"In 1680 begonnen onder Koning Lodewijk XIV, opnieuw de vervolgingen van de Hugenoten, en daar mijn vader een man was, die grote invloed uitoefende in zijn omgeving, werd hij 't mikpunt van de Roomse Geestelikheid, en op alle mogelike manieren getergd en geplaagd.

"Mijn oudste broer, die zes jaar ouder dan ik was, studeerde te Parijs, en ik zelf bezocht 'n Protestantse school te Nantes.

"Ik was nog maar 12 jaar, toen ik plotseling het bericht kreeg, dat 'n aantal Katholieken uit de lagere klassen van 't volk, daartoe aangehitst door de priesters van Guyon, een nachtelike aanval gedaan hadden op 't kasteel van mijn vader en dit in brand gestoken; mijn beide ouders waren in de vlammen omgekomen.

"Te Nantes woonde een oom van mij, de jongere broeder van mijn vader, en daar men ook op die plaats heftig optrad tegen de Hugenoten, besloot mijn oom naar Engeland te vluchten en mij met zich te nemen.

"Een jaar lang woonden we in Londen, waar mijn oom 'n karig bestaan vond door 't geven van lessen in 't Frans en op de viool, 'n instrument dat hij zeer goed bespeelde.

"Hij vatte echter een kou, kreeg een ontsteking in de longen en stierf na 'n kort ziekbed, mij niets nalatende als zijn viool en enkele losse shillings.

"Ik verkocht de viool voor enige ponden, en deze hielden me 'n paar weken in 't leven, maar daarna was ik zonder enig middel van bestaan.

"Terwijl ik rondzwierf in de straten van de grote Engelse stad, ontmoette ik onverwacht 'n Engelse zeekapitein, die vroeger dikwels Nantes had bezocht en toen goed bekend was met mijn oom en mij.

"Ik vertelde hem de ongelukkige omstandigheden waarin ik verkeerde, en hij nam mij met zich naar zijn huis en onderhield me daar voor meer dan een jaar.

"Na verloop daarvan nam hij mij aan boord van zijn schip en ik zeilde met hem naar New-York, waar we geruime tijd vertoefden, daar de Kapitein verscheidene reizen langs de kust van Amerika deed met volle vrachten, en hij rijkelik geld verdiende.

"Drie jaar geleden kreeg hij 'n grote vracht om naar Engels-Indië te vervoeren, en vertrok met zijn schip daarheen. De reis was aanvankelik zeer voorspoedig, maar toen we langs de kust van Zuid-Afrika kwamen, kregen we enige dagen lang zulk een windstilte, dat de schipper genoodzaakt was het anker in een baai, niet ver van Natal, te werpen.

"Daar de zee zo kalm was, besloot de Kapitein een boot te bemannen en een bezoek te brengen aan 't land; ik ging met hem mede. Niemand op de kust ziende, namen we geen wapens hoegenaamd met ons.

"Toen we geland waren en ons omtrent een mijl van de kust begeven hadden, werden we plotseling aangevallen door 'n bende Kaffers, die de Kapitein en alle anderen vermoordden. Ik zelf werd zwaar gewond, maar de Kaffers doodden me niet, doch brachten me naar hun dorp of kraal en verzorgden me daar, totdat ik geheel hersteld was. Toen ik weer gezond was, nam 't Kafferopperhoofd, Sotopa genaamd, me onder zijn bescherming en zorgde voor me.

"Ik had 't er niet slecht, kreeg 'n hut voor mezelf en genoeg kost. Al spoedig leerde ik de kaffertaal en hoorde dat de naam van het volk, de Amaxosa was, en dat het groot-opperhoofd van de stam Togu heette.

"Na meer dan twee jaar bij deze Kaffers gebleven te zijn, vernam ik, dat er in de buurt kleine troepjes blanken rondzwierven. Ik vatte nu 't plan op om uit de kafferkraal te ontsnappen en de blanken op te zoeken. Dit gelukte me en ik vond omtrent een twintigtal van de bemanning van de Stavenisse, bij wie ik me aansloot en bleef totdat we door de Centaurus gered werden.

"Ik had een zware tijd met de blanken, want ze hadden geen voedsel en geen ruilmiddelen om iets van de Kaffers te kopen; ze waren dus verplicht hun karig bestaan te vinden, door op de rotsen mosselen en oesters te zoeken en eetbare bolgewassen, die ik bij de Kaffers had leren kennen, uit te graven."

Hier eindigde 't verhaal van de jonge Fransman en allen betoonden hun deelneming met zijn ongelukkig lot.

"En wat ga je nu beginnen, m'n jongen?" vroeg Katrijn.

"Er zit niets anders voor me op, dan om dienst te nemen bij de Kompanjie, hetzij als matroos of als soldaat," was 't antwoord.

Gelukkig voor de jongen, behoefde dit niet, want 't bleek spoedig daarna, dat Kapitein Dominique de Chavonnes, die kort daarop uit Holland aan de Kaap kwam, als bevelhebber van 't garnizoen, goed bekend was met de familie Chenut, en wist dat de oudste broeder van Guillaume 'n hoge betrekking bekleedde aan het Hof van de Stadhouder van Friesland.

Er werd toen over deze zaak geschreven aan de Kamer van Zeventien, met verzoek hieromtrent inlichtingen in te winnen, en het gevolg was, dat de oudere Chenut niet alleen een som gelds zond ten behoeve van zijn jongere broeder, maar tevens aan de Kompanjie verzocht, om deze zo spoedig mogelik naar Holland terug te sturen.

Een volledig verhaal van de wonderbare lotgevallen van de jonge Chenut vindt men in het deeltje van deze serie: De Zoon van de Hugenoot.

HOOFDSTUK XVIII.

DE REIS VAN DE NOORD.

De Centaurus werd na zijn terugkomst weer in dienst gesteld als kustboot tussen Saldanha Baai en Tafelbaai, Hartog bleef er nog enige maanden Kapitein op, maar in Oktober 1688 werd hij als zodanig overgeplaatst op 'n groter schip, de Noord, die reeds geruime tijd had gevaren als kustboot, doch op 19 Oktober 1688, de Tafelbaai verliet om opnieuw een onderzoek in te stellen naar de nog vermiste schipbreukelingen van de Stavenisse. Behalve Hartog had de Noord een bemanning van 18 koppen, waaronder ook William Christian, die als Eerste stuurman dienst deed.

Hartog had bevel om eerst naar Delagoa Baai te zeilen, die Baai goed te onderzoeken en alle mogelike inlichtingen in te winnen omtrent de landstreek in de buurt er van. Op zijn terugreis moest hij dan onderzoek doen naar de vermiste schipbreukelingen.

Op 15 November van 't zelfde jaar kwam de Noord in Delagoa Baai aan, en vond er twee schepen, 't ene Engels, en 't andere Portugees. De bemanning van het Engelse schip had op een klein eiland een tent opgeslagen en dreef handel met de naburige Kafferstammen, die zich zeer vriendschappelik gedroegen.

De Portugezen hadden een gebouwtje opgericht op 't vaste land, nabij de mond van de Manisa rivier, en van daar uit zonden ze kleine expedities naar 't binnenland en zelfs naar de St. Lucia Baai, waardoor ze heel wat ivoor verkregen.

De Hollanders onderzochten de Baai en maakten kennis met de inboorlingen, die hen vriendelik ontvingen, maar ten slotte sluwe dieven bleken te zijn.

Aan 't einde van het jaar vertrok de Noord weder, met vier man ziek aan de koorts. Vijf dagen later wierp men het anker in de Baai van Natal, en zag daar toen enige mensen op 't land signalen maken.

Een boot werd er heen gezonden en kwam terug met twee man, die tot de bemanning van de Stavenisse hadden behoord.

Hartog liet peilingen doen op de zandbank, gelegen voor de ingang van de binnenste baai, en daar hij er een diepte van 15 voet vond, zeilde hij over de zandbank en wierp 't anker op korte afstand van de kust.

De zieken werden aan land gebracht en in een tent geplaatst, waar twee van hen aan de koorts stierven, die ze in Delagoa Baai hadden opgedaan.

Men vond dat de Abambo's zeer vriendschappelik waren en geredelik voedsel verkochten tegen zeer lage prijzen: voor drie kralen kocht men 'n hoender, voor vier kreeg men drie grote pompoenen; melk en kafferkoren waren ook zeer goedkoop.

Hartog zond vier man, waaronder 'n mijnwerker, 't binnenland in, om te zien of men metaalertsen kon vinden, maar ze kwamen onverrichter zake terug, na 'n afwezigheid van acht dagen.

Toen de Centaurus bijna twee jaar geleden zijn reis naar de Kaap begon, liet hij vier Engelsen en een Fransman in Natal achter, maar de bemanning van de Noord hoorde niets van dezen. Voordat de Noord weder vertrok, gaf William Christian echter op 't laatste ogenblik drie brieven aan een zekere kaffer, Panda genaamd, met wie hij vroeger zeer goed bevriend was, en 't is zeer waarschijnlik dat die brieven geadresseerd waren aan z'n oude makkers, die misschien verder in het binnenland woonden.

Op 23 Januarie verliet de Noord Natal, doch werd door een storm zeewaarts gedreven, zodat hij eerst twee dagen later, de mond van de Buffalo bereikte, waar men het anker wierp.

Men stuurde een boot naar 't land, doch deze was niet in staat om door de sterke branding te komen. Een der matrozen echter sprong in 't water en bereikte veilig de kust, waar hij enige Kaffers ontmoette en van hen vernam, dat twee Hollanders zich in de buurt ophielden.

Die middag trachtte de boot opnieuw door de branding te gaan, doch slaagde er niet in, maar 't gelukte een van de bemanning van de Stavenisse om van de kust naar de boot te zwemmen en veilig aan boord te komen.

De volgende dag deed men een poging om de andere schipbreukeling te redden door middel van een uitgeworpen lijn, maar deze kon door de branding 't land niet bereiken en de Noord moest die avond zonder hem vertrekken.

Op 6 Februarie was de Noord weer in de Tafelbaai.

De reizen van de Centaurus en de Noord waren van groot nut, want door de geredde schipbreukelingen van de Stavenisse, werd men bekend met 't leven en de gewoonten van de verschillende kafferstammen.

De beschrijvingen door hen gegeven, stemden volkomen overeen met wat we tans van de Kaffers weten, en bewijzen dat de mannen van de Stavenisse hun ogen en oren goed hadden gebruikt.

In Oktober 1689 vertrok de Noord voor de tweede maal naar de Oostkust, doch toen was Hartog niet meer z'n Kapitein, maar voerde zekere Pieter Timmerman 't bevel.

Nog drie schipbreukelingen van de Stavenisse werden op deze wijze gevonden, maar ongelukkig kwam de Noord tot 'n treurig einde, want op 16 Januarie van 't volgende jaar strandde hij niet ver van de plaats, nu bekend als Kaap St. Francis.

De bemanning, 18 in aantal, bereikte veilig 't land en trachtte de Kaap te voet te bereiken.

De stuurman Teunis van der Schelling kwam met drie anderen op 27 Maart bij het Kasteel aan en toen pogingen gedaan werden om de rest van de bemanning op te zoeken, slaagde men er in slechts twee man meer te redden; de anderen waren of door de Bosjesmannen vermoord, of van honger omgekomen.

HOOFDSTUK XIX.

TWEE BRIEVEN VAN BELANG.

In 't begin van Oktober 1689 kwam de uitgaande vloot van Holland naar Oost-Indië de Tafelbaai binnen, en onder de brieven, die deze van Patria meebracht, waren er twee voor Abraham Hartog.

Aan het adres te zien, waren ze van één persoon, en toen Hartog ze opende, bleken ze dan ook beide te zijn verzonden door de oudste zoon van Notaris van Doorn.

De eerste brief luidde als volgt:

Geachte Heer,

Uw brief van 5 Oktober 1687 bereikte mij veilig. Hij was geadresseerd aan mijn vader, doch deze heeft zich meer dan een jaar geleden van alle zaken teruggetrokken en ik sta tans aan 't hoofd van 't kantoor.

Wat aangaat de gelden ten bedrage van 1950 gulden, die u bijna 9 jaar geleden aan mijn vader overhandigd hebt, kan ik u de volgende mededelingen doen.

Daar u de vrije beschikking over uw geld aan mijn vader hebt gelaten, heeft deze goedgevonden, het dadelik te beleggen in aandelen van de Oost Indiese Kompanjie, en aangezien de dividenden door de Kompanjie uitbetaald, aanzienlike sommen bedroegen, heeft hij ook die in dezelfde aandelen gestoken, met 't gevolg dat 't oorspronkelik kapitaal tans vermeerderd is tot 'n bedrag van 6025 gulden.

Dit bedrag is te eniger tijd te uwer beschikking, en indien u zulks verkiest, zal ik de gehele som aan u overmaken door middel van de Rotterdamse Kamer van de Kompanjie.

Met achting

de Uwe

Eduard van Doorn.

De tweede brief was 14 dagen later gedateerd en bevatte 't volgende:

Geachte Heer,

De brief door u aan uw vader geschreven, is mij ter hand gekomen in mijn hoedanigheid van Exekuteur in de boedel van uw vader, want deze is na een ziekbed van enige maanden in Maart van dit jaar overleden.

Enige weken na uw vertrek heeft mijn vader voor de uwe een testament opgetrokken, waarbij hij de helft van zijn vermogen naliet aan zijn zuster Anna en de andere helft vermaakte aan verschillende liefdadige instellingen, terwijl slechts honderd gulden aan u nagelaten werd; omtrent één maand voor zijn dood, toen ik reeds aan 't hoofd van het kantoor stond, had hij echter een vertrouwelik onderhoud met mijn vader, en werd ik later door hem geroepen om een nieuw testament op te trekken, waardoor natuurlik het vroegere verviel.

Bij dit laatste testament vermaakte hij aan zijn zuster Anna het huis te Rotterdam door hem bewoond, benevens een som van tien-duizend gulden, en aan liefdadige instellingen enige kleine legaten tesamen ten bedrage van vijf-duizend gulden, en benoemde hij u tot zijn erfgenaam van 't overige.

De boedel is nog niet geheel vereffend, aangezien er zekere vaste eigendommen zijn, die nog niet getakseerd werden, maar volgens 'n matige berekening door mij gemaakt, zal uw aandeel omtrent zeventig-duizend gulden wezen.

Wij hadden allen gemeend, dat uw vader veel meer bezat, maar 't blijkt dat hij enige jaren voor zijn dood zeer belangrijke verliezen leed door 't faljiet gaan van twee grote kooplieden te Venetië en te Konstantinopel, waarbij hij meer dan de helft van zijn kapitaal verloor.

Zodra de boedel vereffend is, zal ik u een afschrift zenden van de goedgekeurde boedelrekening.

Hebt u echter intussen geld nodig, dan kunt u op mij trekken, door middel van de Rotterdamse Kamer van de Oost Indiese Kompanjie, ten bedrage van niet meer dan dertig-duizend gulden.

Ik mag hierbij voegen, dat bij 't maken van dit testament uw vader zijn innig berouw heeft te kennen gegeven over de houding, die hij indertijd tegenover u aangenomen had, en u alles vergeven heeft, wat door u misdaan was.

In de hoop spoedig van u te vernemen, heb ik de eer te zijn.

Uw dw. dienaar,

Eduard van Doorn.

Men kan zich begrijpen dat de jonge Kapitein deze brieven met verschillende aandoeningen ontving.

Hij was natuurlik diep bedroefd over 't bericht dat zijn vader overleden was, maar daarentegen was 't met een gevoel van dankbaarheid, dat hij vernam dat hem ten slotte alles vergeven, en hij in al zijn rechten hersteld was.

Hij gevoelde ook diepe erkentelikheid jegens de oude Notaris, die op zulk een verstandige wijze zijn geld belegd had, zodat 't kapitaal meer dan verdrievoudigd was.

Maar, en dit bovenal, verheugde hem de gedachte, dat hij tans in staat zou zijn om naar Katrijn te gaan en haar om een afdoend antwoord te vragen, want 't leed geen twijfel, dat hij nu in staat was, 'n vrouw behoorlik te onderhouden.

Kapitein Knijf en zijn dochter woonden niet meer in de Stadsherberg, want ook hij had goed nieuws uit Holland ontvangen. Zijn vaste goederen in Vlissingen waren tegen buitengewoon hoge prijzen van de hand gezet, en toen alles bij elkaar gerekend werd, vond hij zich in 't bezit van een kapitaal van ongeveer tien-duizend gulden, op de rente waarvan hij met enige zuinigheid vrij wel kon leven.

Hij had daarom 'n kleine, maar nette woning gehuurd voorbij het Kasteel, op de weg naar Simonsstad, op de tegenwoordige Sir Lowry's Road.

Bij 't huis behoorde omstreeks een halve morgen grond en 't grote genoegen van de Kapitein was om die tuin te bewerken en er voldoende groenten van te winnen voor eigen gebruik.

De Kapitein was zijn zwaarmoedigheid te boven gekomen, niet alleen omdat zijn financiële zaken zo goed gebleken waren, maar voornamelik omdat hem door de Kompanjie 't bevel was aangeboden over een nieuw schip van de 2de klasse.

Dit aanbod had hij weliswaar afgeslagen, maar 't bewees hem toch dat de Kompanjie er niet aan dacht hem verantwoordelik te stellen voor 't vergaan van de Stavenisse.

Diezelfde avond bracht Abraham Hartog, die nog steeds zijn intrek had in de Stadsherberg, 'n bezoek aan de kleine woning van Kapitein Knijf. Toen hij daar kwam, was Katrijn juist bezig om na 't avondeten de tafel af te dekken, en nadat zij dit gedaan had, ging ze rustig naast de grote leuningstoel van haar vader zitten. Hartog overhandigde haar de eerste brief van de jonge Van Doorn en zij las die aandachtig door. Nadat zij daarmede klaar was, keek ze de jonge man recht in de ogen, terwijl haar gelaat zich met 'n donkere blos overdekte. Vervolgens stond zij kalm op, vatte Hartog bij de hand en zei tot haar vader:

"Vader, Hartog en ik hebben ons met elkaar verloofd, en wij vragen daarop uw toestemming en uw zegen."

De oude Kapitein glimlachte van genoegen en zei: