De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal

Part 6

Chapter 64,085 wordsPublic domain

"Dan heeft niemand van de bemanning nog iets van zijn traktement ontvangen," merkte de Kommandeur op. "Volgens de bepalingen van de Kompanjie, zijn de offisieren en de manschappen gerechtigd op vol traktement van af de datum van 't vertrek van 't schip, tot op de dag waarop de schipbreuk plaats vond, en indien later blijkt, dat 't schip vergaan is zonder blaam van de Kapitein of de bemanning, wordt het halve salaris betaald van af de dag van de schipbreuk tot op die, dat de bemanning aankomt in 'n Hollandse haven of volkplanting. Dit laatste gedeelte van 't salaris kan natuurlik niet uitbetaald worden vóór de afloop van 't in te stellen onderzoek, maar in alle geval hebben de offisieren en manschappen recht op hun volle gage van 4 November 1685 tot 16 Februarie 1686, de dag waarop 't schip gestrand is; dat wil dus zeggen over drie maanden en twaalf dagen. Daar 't zeker is, dat zowel offisieren als manschappen geld nodig hebben om zich van de nodige kleren en andere benodigdheden te voorzien, gelast ik u hierbij, meneer de Boekhouder, om die gelden zodra mogelik uit te betalen en daarvan kwitantie te nemen.

"Intussen, meneer de Kapitein, moet u en de bemanning deze nacht nog doorbrengen op de Centaurus, totdat morgen andere schikkingen gemaakt kunnen worden, en vergeet niet om morgenochtend om tien uur allen hier te zijn."

Daarop groette de Kommandeur zijn drie bezoekers en verlieten dezen de kamer.

HOOFDSTUK XIV.

HET ONDERZOEK.

Zodra de drie bezoekers van het Kasteel op de Centaurus terugkwamen, gaven ze 'n verslag van 't besprokene en deelden aan de anderen de blijde tijding mede, dat ze 3 maanden en 12 dagen salaris zouden ontvangen, en dat de Boekhouder last had dit dadelik uit te betalen.

Als 'n echte Schot was MacIntosh degene die dadelik opstond en de Boekhouder toeriep: "Boekhouder, dok maar op, zo gauw als je kan. Ik heb in 16 maanden niet gezien hoe 'n dubbeltje er uit ziet."

"Wacht 'n ogenblik," zei de Boekhouder, "ik moet eerst de kwitanties gaan uitschrijven, en dan kunnen jullie het geld krijgen."

Binnen 'n uur had ieder z'n geld en nu stelde MacIntosh voor, dat men naar 'n herberg zou gaan en 'n lekker glas bier drinken.

Maar hiertegen verzette Kapitein Knijf zich ten sterkste, en zei: "Jullie moeten wachten tot morgenmiddag, want ik ken jullie goed genoeg om te weten, dat als jullie nu aan land gaan, jullie vannacht met verhitte koppen aan boord zullen komen en morgenochtend haarpijn hebben, dat zal volstrekt niet gaan, want om 10 uur moeten jullie dan op het Kasteel zijn en verklaringen afleggen, en daarvoor is 'n helder hoofd nodig, anders loopt de boel mis."

Er was wel 'n beetje gemopper, maar men onderwierp zich toch aan 't bevel van Kapitein Knijf, vooral omdat Hartog en de bootsman, de Kapitein gelijk gaven.

De volgende morgen om 10 uur waren allen op het Kasteel, en nam de Sekretaris hun de verklaringen af; eerst die van de Kapitein, daarna van de offisieren, en ten slotte van de manschappen. Ook Christian en Kingston legden verklaringen af omtrent 't bouwen van de Centaurus.

De mededelingen van Hartog en de matroos Reich, die de uitkijk op de mast was, toen 't schip in gevaar raakte, waren de belangrijkste, want daarin werd verklaard, dat stuurman Hogesaad geen de minste maatregelen had genomen, toen de uitkijk voor de eerste maal uitriep, dat hij land zag.

Toen de verklaringen alle afgenomen waren door de Sekretaris, bracht deze ze aan de Kommandeur, die kort daarop 't vertrek binnenkwam en zei:

"Ik zal deze verklaringen aan de Raad voorleggen op de eerste vergadering, die vrijdag a.s. plaats vindt, en de Kapiteins van de twee in de Baai liggende schepen, de Rotterdam en de Nieuwe Middelburg, verzoeken om als assessoren de Raad bij te wonen, en ge zult opgeroepen worden om voor de Raad getuigenis af te leggen, indien zulks nodig bevonden wordt. Zorg dus dat ge Vrijdagmorgen om 10 uur weder hier verschijnt. Ondertussen kunnen de offisieren en manschappen van de Centaurus vrije slaapplek en rantsoenen krijgen op het Kasteel, volgens de bepalingen van de Kompanjie omtrent schipbreukelingen. De bemanningen van de Good Hope en de Bona Ventura zijn eigenlik daartoe niet gerechtigd, maar dit recht wordt hun door mij geschonken, wegens de edele wijze, waarop ze de bemanning van de Stavenisse hebben behandeld."

Kingston en Christian verklaarden echter, dat ze verkozen op de Centaurus te blijven en Kapitein Knijf zei, dat hij van plan was, om voor zich en zijn dochter intrek te nemen in de Stadsherberg, de anderen namen 't voorstel van de Kommandeur met dank aan.

Toen onze vrienden voor 't laatst weder op de Centaurus bijeen waren, vond er 'n niet onaardige plechtigheid plaats.

Op verzoek van de bootsman kwamen allen, en dus ook Katrijn, op 't dek te zamen, en daar hield hij de volgende aanspraak:

"Juffrouw Katrijn, zoals u weet, hebben alle offisieren en manschappen van de Stavenisse, die hier zijn, 'n gedeelte van hun gage ontvangen, en de enige die niet betaald werd is u. U hebt ons echter van af de dag van de schipbreuk zo goed en vriendelik behandeld, dat we ons gedwongen voelen u een klein bewijs te geven van onze achting en dankbaarheid, en onze waardering van uw flink gedrag; daarom hopen we dan ook dat u zo goed zult wezen om 't kleine bedrag, dat dit zakje bevat van ons te willen aannemen." Na deze woorden overhandigde hij 't meisje het zakje, dat 25 blanke rijksdaalders bleek te bevatten.

Katrijn was zo verbaasd, dat ze eerst geen woord kon zeggen en barstte daarna in 'n luid gelach uit, en toen ze zich eindelik bedwongen had, sprak ze:

"Kerels, zijn jullie nou mal! Wat ik gedaan heb voor jullie, was uit puur plezier, en niet meer dan mijn plicht, als de dochter van jullie Kapitein. Jullie hebben het geld zelf hard nodig en ik zal dit geschenk niet aannemen, want als ik iets wil hebben, kan mijn vader 't mij geven."

Maar na lang aandringen van al de gevers nam 't meisje ten slotte 't geld toch aan, en zei, dat ze 't gebruiken zou om 'n sieraad te kopen, als een aandenken aan de schipbreuk van de Stavenisse.

Daarop gingen de Kapitein en zijn dochter naar de Stadsherberg, kregen daar twee vrij goede kamers en maakten er schikkingen voor 't gebruiken van hun maaltijden tegen een zeer redelike prijs.

De anderen gingen naar het Kasteel, terwijl Kingston en Christian aan boord bleven.

Op de volgende Vrijdag kwamen allen weer bijeen op het Kasteel en traden om half elf de grote zaal binnen, waar de Politieke Raad vergaderd was.

Aan 't hoofd van de lange, met groei baai beklede tafel zat de Kommandeur in een grote leuningstoel. Aan weerszijden van hem was een Kapitein gezeten, en dan volgden de andere leden naar hun rang.

Kapitein Knijf was de eerste die getuigenis moest afleggen. Nadat hij 'n omstandig verhaal van alles had gedaan, werd hij aan een scherp kruisverhoor onderworpen door een van de Kapiteins.

"Ge zegt dat volgens uw berekening het schip nog minstens 100 mijl van 't land zou zijn geweest; waarop hebt ge die berekening gegrond?" vroeg hij.

"Aangezien de lucht bewolkt bleef, en ik daardoor niet in staat was waarnemingen te doen, kon ik niet anders dan de gemiddelde vaart van 't schip per dag nemen en daarnaar mijn berekening maken," was 't antwoord.

"Waaraan schrijft ge het dan toe dat ge u zoveel mijl misgist hebt?"

"Daaraan, dat 't schip sneller zeilde dan ik meende, en ook aan 'n stroming die zich sterk in westelike richting bewoog."

"Hoe laat hebt u op de 16de Februarie 't dek verlaten?"

"Even vóór acht uur loste de Eerste stuurman mij af, en ik ging dadelik daarop naar bed."

"De eerste wacht was eigenlik de uwe, en u hebt dus omgeruild met de Eerste stuurman?"

"Dat is zo."

"Hebt u daarvan aantekening gemaakt in uw scheepsjournaal?"

"Ja," antwoordde Knijf, "voordat ik naar beneden ging, deed ik dat."

"Waar was de Eerste stuurman toen u om zo wat 10 uur op 't kampanjedek kwam?"

"Hij was niet op 't dek, maar 'n half uur later kwam hij uit zijn kajuit, en ik vroeg hem naar de reden van zijn afwezigheid, waarop hij antwoordde, dat hij zo zenuwachtig was over 't ongeluk, dat hij half van z'n verstand was geraakt."

"Hoe was de verstandhouding tussen u en de Eerste stuurman?"

"Ik had niets tegen hem," zei Knijf, "maar vanaf de eerste dag dat ik 't dek van de Stavenisse betrad, was hij nors en stuurs tegenover mij, en vond ik het zeer moeilik met hem klaar te komen."

"Wat was de oorzaak daarvan?"

"Bepaald weet ik dit niet, maar ik heb vernomen, dat hij verwacht had om zelf Kapitein van de Stavenisse te worden, en dat hij erg teleurgesteld was, toen hij vernam, dat die betrekking aan iemand anders was opgedragen. Hij was zeer opgewonden van aard en kon erg te keer gaan tegen 't scheepsvolk."

Abraham Hartog was de volgende getuige, en ook hij moest 'n kruisverhoor doorstaan, waarin hij verklaarde, dat, wanneer stuurman Hogesaad op de eerste waarschuwing van de uitkijk, dadelik de nodige maatregelen had genomen, het schip naar zijn mening 't gevaar ontkomen zou zijn.

Een van de Kapiteins vroeg hem om dit wat duideliker te verklaren, waarop Hartog antwoordde: "Toen de uitkijk voor 't eerst land zag, moet 't schip omtrent vijf of zes kabellengten van de kust geweest zijn. Er was toen niet veel wind, maar genoeg om de zeilen te vullen, en als de Eerste stuurman order gegeven had om de raas te brassen en 't roer te wenden, zou 't schip, dat uitmuntend naar het roer luisterde, gemakkelik van koers zijn veranderd; wanneer de steven Oost-Zuid-Oost was gekeerd, zou 't uit de bocht geraakt zijn, waarin 't nu strandde, want tussen 't eerste en tweede geroep van de uitkijk ging 'n kwartier voorbij."

De andere Kapitein vroeg op scherpe toon:

"U wijt dus 't verlies van de Stavenisse aan de onverschilligheid of onbekwaamheid van de Eerste offisier?"

"Het spijt mij dat ik niet anders zeggen kan," antwoordde Hartog bedaard.

Reich, de matroos die op de uitkijk was geweest, legde 'n dergelijke verklaring af als Hartog en ook hij wierp de schuld op Hogesaad.

De uitkijk op de voorboeg was niet tegenwoordig, daar hij een van de 47 was die over land waren getrokken.

Van de andere tans tegenwoordige offisieren en manschappen was er geen een op 't dek geweest in de kritieke ogenblikken, en hun verklaring was dus niet van veel belang, behalve wat betreft de verhouding, die tussen Hogesaad en de bemanning bestond.

Na afloop van 't verhoor, zei de Kommandeur, dat de Raad in z'n volgende zitting uitspraak in de zaak zou geven.

Deze zitting zou in de gewone loop van zaken eerst op de volgende Vrijdag plaats gevonden hebben, maar daar de Kapiteins van de twee schepen zeer verlangden om zo spoedig mogelik hun reis naar Indië voort te zetten, deed de Kommandeur 'n buitengewone zitting bijeenroepen tegen de volgende Maandag, en liet daarvan kennis geven aan allen van de Stavenisse en tevens aan Kingston en Christian.

Om half elf op die morgen werden ze in de raadzaal toegelaten, waarop de Kommandeur de volgende uitspraak gaf:

"De Politieke Raad heeft na gedaan onderzoek, waarin hij uitmuntend bijgestaan werd door de Kapiteins van de Rotterdam en de Nieuwe Middelburg, bevonden, dat de Stavenisse, 'n derde klas schip van de Achtbare Kompanjie, omtrent 600 ton groot, op de Oostkust van Afrika, ongeveer 70 mijl van de Baai van Natal, met zijn gehele lading, vergaan is op de 16de Februarie 1686.

"Dat zulks waarschijnlik geschied is tengevolge van de onachtzaamheid of onbekwaamheid van de tans overleden Eerste Stuurman IJsbrand Hogesaad, en geen blaam dienaangaande rust op de bevelvoerende Kapitein, Willem Knijf.

"Dat de manschappen zich ijverig en behoorlik hebben gedragen, en dat vooral 't gedrag van de Derde stuurman, Abraham Hartog, zeer prijzenswaardig was.

"Dat dientengevolge de offisieren en manschappen ten volle gerechtigd zijn op hun half salaris of wachtgeld van af de 16de Februarie 1686 tot op de 18de Maart 1687, en de Raad hierbij de geredde Boekhouder van de Stavenisse machtigt aan de offisieren en manschappen het hun toekomende geld uit te betalen, met de bepaling dat, indien gezegde Boekhouder, niet in 't bezit is van de nodige kontanten, hij voor 't hem ontbrekende bedrag, aanzoek kan doen bij de Sekretaris van deze volkplanting."

Een ogenblik zweeg de Kommandeur nu, doch vervolgde daarna:

"John Kingston en William Christian, volgens uw verklaringen en verdere door de Raad ingewonnen inlichtingen, behoort 't scheepje de Centaurus aan u beiden, te zamen met drie andere Engelsen, tans of onlangs wonende aan de Baai van Natal. De Raad heeft 't scheepje laten onderzoeken door de assessoren, die de waarde ervan hebben geschat op een duizend gulden, waarvan dus 400 gulden aan u toekomt, welk bedrag aan u uitbetaald zal worden. De overige 600 gulden zullen hier ter beschikking blijven van de andere eigenaars, en uitbetaald worden zodra zij zich daarvoor aanmelden. Doch dit alles op voorwaarde, dat ge beiden dienst neemt bij de Kompanjie als kwartiermeester, tegen 'n salaris van 25 gulden per maand met rantsoenen, en dat de Kompanjie de tans nog op de Centaurus voorhanden proviand, alsmede 't zich daarin bevindend ivoor tegen taksatie overneemt. Zijt ge genegen dit voorstel aan te nemen?"

De twee Engelsen verklaarden, dat ze dit voorstel goedkeurden, zowel voor zichzelf als namens hun maats, waarop Van der Stel antwoordde, dat zij dan te eniger tijd de 400 gulden bij de Sekretaris konden ontvangen.

Nog diezelfde namiddag betaalde de Boekhouder allen van de Stavenisse uit.

Kapitein Knijf, wiens maandeliks salaris 50 gulden bedroeg, ontving bijna 325 gulden, en Abraham Hartog, die 20 gulden per maand verdiende, kreeg 125 gulden; de vier matrozen ieder 50 gulden.

Reeds de volgende dag vertrokken MacIntosh, de zeven man van de Bona Ventura, de vier matrozen, alsmede de bootsman, de Barbier en de Boekhouder van de Stavenisse met de Rotterdam naar Oost-Indië. Er bleven van de Centaurus slechts 5 personen achter, namelik: de Kapitein, zijn dochter, Abraham Hartog en de 2 Engelsen.

Men had Hartog ook een betrekking op de Rotterdam aangeboden, doch hij had daarvoor bedankt, omdat hij meende, dat aangezien hij op reis was naar 't vaderland, toen de Stavenisse schipbreuk leed, de Kompanjie hem alleen kon verplichten, dienst te doen op 'n schip dat naar Patria ging. De Sekretaris erkende dat hij hierin geen ongelijk had, maar tevens werd hem aangezegd, dat hij tengevolge van die weigering niet langer vrij kost en inwoning in het Kasteel kon krijgen, waarna Hartog, die toen nog in 't bezit van bijna 200 gulden was, ook zijn intrek in de Stadsherberg nam.

De Centaurus werd in de Roggebaai op 't strand gehaald en opnieuw nauwkeurig onderzocht.

Zijn zijkanten werden behoorlik gelijkgeschrapt en groen geschilderd, en in plaats van de takelage voor een visserschuit, kreeg hij een nieuwe mast en werd als kotter opgetuigd, wat hem niet alleen 'n beter aanzien gaf, maar ook zijn snelheid vermeerderde.

Gedurende de eerste maanden werd 't scheepje gebruikt om tochten naar Saldanha Baai en Simonsstad te maken, en 't scheen alsof Simon van der Stel zijn belofte aan Kapitein Knijf vergeten had, en men geen pogingen aanwendde om een onderzoek in te stellen naar de vermiste schipbreukelingen van de Stavenisse.

HOOFDSTUK XV.

KATRIJN VERANDERT VAN PLAN.

Tengevolge van 't feit dat Hartog nu ook zijn intrek in de Stadsherberg had genomen, bleef de jonge stuurman in voortdurende aanraking met de zeekapitein en diens dochter.

De oude Kapitein was opnieuw in zijn vroegere moedeloosheid vervallen, en klaagde steen en been over 't ongeluk dat hem overkomen was door het vergaan van de Stavenisse.

Tevergeefs trachtten Katrijn en Hartog hem moed in te spreken door te zeggen, dat 't Hof hem van alle blaam vrijgesproken had, en dat als hij naar Holland terug ging, hij ongetwijfeld 't bevel zou krijgen over 'n ander schip van de Kompanjie. Maar de oude man antwoordde:

"Wat 't Hof van onderzoek gezegd heeft, is één ding, maar wat de Direkteuren er van denken is een ander. Die denken slechts aan 't geldelik verlies dat ze geleden hebben, en de Stavenisse had 'n lading, die minstens 200,000 gulden waard was. Een Kapitein, die zulk 'n lading van de Kompanjie verliest, heeft maar weinig kans om weer 'n schip te krijgen, en ik heb geen lust om op mijn oude dag nog eens voor Tweede of Derde stuurman te gaan spelen.

"Ik heb in Holland nog 'n klein kapitaaltje, dat ik opgespaard heb, en ook enige huizen in Vlissingen, die ik uit de boedel van mijn vader geërfd heb. Ik zal naar Holland schrijven om die huizen te verkopen, en al 't mij toekomend geld hierheen te sturen; met zuinigheid zal ik dan wel in staat wezen, om van de rente van mijn kapitaaltje te leven."

Dit gesprek deed Katrijn er aan denken dat Hartog ook nog geld in Holland had liggen, en op haar aansporen schreef de jonge stuurman inderdaad een brief aan Notaris Van Doorn en ook aan zijn vader.

Natuurlik konden die brieven niet naar Europa gaan voor er 'n schip uit Indië kwam, en 't duurde verscheidene weken voor dit 't geval was.

Omstreeks 't einde van Oktober, ontving de Kapitein een brief van de Sekretaris van de Politieke Raad, dat hij hem gaarne wilde spreken en daarom verzocht op het Kasteel te komen.

Toen Knijf hieraan gehoor gaf, vertelde de Sekretaris hem, dat men van plan was zo spoedig mogelik, de Centaurus langs de Oostkust te zenden, om te zien of men enig nieuws kon inwinnen omtrent de verloren schipbreukelingen van de Stavenisse, en dat men nu aan de Kapitein 't bevel van de Centaurus aanbood, niet alleen omdat hij met al de schipbreukelingen bekend was, maar ook omdat hij 't meeste recht op zulk 'n betrekking had.

Kapitein Knijf meende echter dat bevel niet te kunnen aanvaarden, en gaf als reden op, dat hij zich niet wel genoeg bevond, en dat hij moe was van 't zwalken op de zee; zijn oude dagen wilde hij in rust aan land doorbrengen.

Drie dagen later bracht Hartog 'n bezoek aan de oude man, die toen samen met Katrijn was. Het meisje begroette hem schertsend met 'n "Goede middag, Stuurman," waarop Hartog een hoge borst zette en op kwazie hooghartige toon antwoordde: "Alsjeblieft, Juffer, ik ben nu Kapitein Hartog."

Vader en dochter vroegen: "Kapitein? en van welk schip dan?"

"Van de Centaurus," antwoordde de jonge man, "die in 't begin van November de oostkust opgaat om naar de 47 man van de Stavenisse te zoeken. Zij hebben me 'n salaris van 35 gulden in de maand gegeven, en dat is mooi genoeg voor 'n kapitein van zulk 'n klein scheepje.

"Kingston en Christian gaan samen als kwartiermeesters. Hebt u al 't laatste nieuws omtrent hen gehoord?"

"Nee," zei Katrijn, "wat is het?"

"Zij hebben voor de proviand van de Centaurus 25 gulden gekregen en voor 't ivoor 9 stuivers per pond, zodat ze daarvoor 2400 gulden zullen ontvangen."

De Kapitein zei, dat hij verblijd was dit te horen, want de twee Engelsen verdienden het, en daarop vertelde hij aan Hartog, dat 't bevel van de Centaurus eerst aan hem aangeboden was, maar dat hij 't niet aangenomen had.

Diezelfde avond ging de Kapitein kort na 't avondeten slapen, en daar 't mooi maanlicht was en vrij warm, zaten Hartog en Katrijn op de buitenveranda van de Stadsherberg nog wat te gezelsen.

"Nu je Kapitein bent, meneer Hartog, mag ik je zeker niet meer zo familiaar behandelen," begon Katrijn op spottende toon.

"Ik hoop, en geloof ook niet, dat 't enig verschil tussen ons zal maken," zei Hartog lachend, en daarop vervolgde hij:

"In uw leven is tans ook 'n hele verandering gekomen, juffer Katrijn."

"Hoe zo?" vroeg 't meisje verwonderd.

"Wel, u bent tans weduwe," was 't antwoord.

"Weduwe? Ik begrijp niet wat je meent, Kapitein Hartog," zei Katrijn.

"Uw vader gaat nu voor goed de zee verlaten, en u doet dat ook. Herinnert ge u niet, dat u eens aan mij gezegd hebt, dat u niet kon trouwen, want dat de zee uw man was en u geen andere hebben wilde?"

Katrijn lachte en zei schalks: "Ik zal wel van mijn man gescheiden zijn, maar 't is maar 'n scheiding tussen tafel en bed, en wie weet, hoe spoedig wij ons weder verenigen zullen."

"Zolang uw vader leeft, niet," merkte Hartog op, "want u zult hem zeker niet eenzaam en verlaten willen zien."

Katrijn bracht nu snel 't gesprek op 'n ander onderwerp en vroeg:

"En wat zijn je plannen, Kapitein Hartog, ga je op zee blijven, als zeeman tegen wil en dank?"

"Dat hangt geheel van omstandigheden af, en van 't antwoord dat Notaris Van Doorn mij zendt. Is 't geld nog tot mijn beschikking, dan zal ik 'n stuk grond uitkiezen in of bij 't nieuwe dorp Stellenbosch. Ik verneem dat 't biezonder goed gaat met de kolonisten, die zich daar gevestigd hebben, en grond is er tegen zeer voordelige voorwaarden te krijgen," was 't antwoord van Hartog.

"En als 't geld weg is?" vroeg het meisje weer.

"Dan blijf ik 'n zeeman tegen wil en dank," zei de jonge Kapitein.

"Van zeeman tot boer is 'n hele sprong," hervatte Katrijn. "En als je boer wilt worden, moet je 'n vrouw nemen, want ik heb dikwels gehoord, dat 'n boerderij zonder 'n vrouw iets onbestaanbaars is."

"Zoudt u dan die plaats niet willen innemen, Katrijn?" vroeg de jongeling op ernstige toon, en tegelijk waagde hij 't zijn arm om 't middel van 't meisje te slaan.

Katrijn sloeg niet als 'n zenuwachtige maagd, die arm weg, maar zei rustig en bedaard:

"Hartog, je bent de enige man, van de velen die ik ontmoet heb, die ik zou kunnen liefhebben en als man begeren. Maar volgens mijn denkbeeld, als volwassen vrouw, moet een huwelik niet alleen op de hartstochten gebouwd zijn, maar ook op 't gezond verstand. Nu wil ik je zeggen dat ik van jongsaf, 'n bedorven kind ben geweest. Mijn wensen waren, zover ik weet, nooit van buitensporige aard, maar wat ik hebben wilde, heeft mijn vader me altijd verschaft, en nooit heb ik honger geleden of gebrek aan iets gehad. En wanneer ik trouwde, zou ik dat ook niet willen, want ik weet hoe treurig 't lot is van de vrouw van 'n arm man; 't is slaven en zwoegen van de morgen tot de avond, en dit slechts voor 'n bete broods. Zulk 'n lot zou ik niet kunnen dragen. Een rijke man verlang ik niet, maar wel een die me behoorlik onderhouden kan. 't Is beter voor ons beiden dat ik je dit zeg, vóór we ons tot iets verbinden, want anders zouden we, na 't huwelik, elkander verwijten maken en beiden 'n ongelukkig en diep treurig leven leiden. Daarom, mijn vriend, kan ik je tans geen antwoord op je vraag geven, want 35 gulden in de maand is 'n gering bedrag om op te trouwen, en je weet zelfs niet hoelang je dit behouden zult. Wacht dus tot je 'n antwoord van de Notaris ontvangt, en als dat bevredigend is, herhaal dan je vraag, en ik zal je 'n bepaald antwoord geven."

"En intussen?" vroeg Hartog op weifelende toon.

"Intussen blijven we wat we zijn: goede vrienden, die elkaar eerbiedigen en liefhebben," zei 't meisje.

"En als intussen een rijker en meer verkieselike man aanzoek doet om uw hand, wat wordt er dan van mij?" vroeg de jongeling opnieuw.

Katrijn bleef enige ogenblikken 't stilzwijgen bewaren, en antwoordde toen:

"Abraham, ik geloof niet, dat ik ooit iemand anders zou kunnen beminnen als jou, maar om je gerust te stellen, wil ik zo ver gaan om je hierbij te beloven, dat ik geen ander huweliks-voorstel in overweging zal nemen, vóórdat je antwoord uit Holland hebt ontvangen. Meer kan ik niet doen."

Hartog scheen blijkbaar teleurgesteld, doch hij begreep, dat hij 't meisje niet verder kon dwingen.

"'t Is al laat, ik ben moe en ga nu slapen. Goede nacht." Met deze woorden bood 't meisje de jongeling haar hand aan.

Hij greep die, trok zijn geliefde zachtjes naar zich toe, en drukte 'n zoen op haar maagdelike lippen, 'n behandeling waaraan Katrijn zich zonder tegenstribbelen onderwierp.

Toen scheidden ze.

HOOFDSTUK XVI.

DE REIS VAN DE CENTAURUS.