De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal
Part 5
"Hoe zult ge de weg naar de Kaap vinden?" vroeg Kapitein Knijf, die tot nu toe 't stilzwijgen had bewaard.
"Turnbull, een van onze kameraads, heeft een kompas, dat we altijd gebruiken op onze landreizen," antwoordde Christian, "en dat kan ons op zee ook van dienst zijn. 't Is wel klein, maar vrij juist, en bovendien kunnen we altijd de kust in 't gezicht houden."
Kapitein Knijf mompelde iets van "onderzeese riffen", maar zei verder niets.
Na nog 'n aantal punten van minder belang besproken te hebben, kwam men ten laatste tot de volgende besluiten:
1. Dat aangezien het nu Woensdag was, en er eerst heel wat schikkingen en toebereidselen moesten gemaakt worden, men de volgende Maandag met 't bouwen van de boot zou beginnen.
2. Dat de volgende middag William Christian en MacIntosh met 'n twintigtal kafferdragers dadelik naar 't wrak van de Stavenisse zouden vertrekken en van daar alles zouden brengen, wat van nut zou kunnen zijn bij de bouw van de boot.
3. Dat Kingston ondertussen de verder nodige toebereidselen zou maken, en elk persoon daartoe opgeroepen, hem alle hulp zou verlenen.
Het was reeds laat toen de vergadering verdaagde, doch iedereen ging met een hoopvol hart slapen.
HOOFDSTUK XII.
HET BOUWEN VAN DE BOOT.
De volgende dag, kort na twaalven, waren William Christian en stuurman MacIntosh met 20 kaffers gereed om te vertrekken en na nog enige aanwijzingen van Kingston te hebben ontvangen, aanvaardden ze de reis. Zonder enig ongeval bereikten ze op Zaterdagavond de plaats waar de Stavenisse gestrand was.
Van 't wrak was niets meer te zien, maar tot grote vreugde van Christian vond men de tent, schoon omvergewaaid, nog in z'n geheel, terwijl het zeil door weer en wind wel wat geleden had.
Daags daarna ging Christian reeds vroegtijdig met zowat de helft van de kaffers naar 't nabijzijnde inboorlingedorp en kwam nog vóór de middag met 'n aanzienlike hoeveelheid proviand terug.
Intussen had MacIntosh 't strand in de buurt van 't wrak onderzocht en heel wat van waarde gevonden. Het eerst ontdekte hij 't oude anker, waarvan de bootsman had gesproken. Het was oud en verroest en de stuurman zag spoedig dat het aan een ander schip als de Stavenisse behoord had. Zonder veel moeite sleepten de kaffers 't naar de plaats, waar de tent lag.
Van 't wrak waren 'n aantal balken en planken aangespoeld. De meeste daarvan waren zodanig gebroken en beschadigd, dat ze geheel nutteloos waren, maar 'n viertal balken van eikehout en 'n twintig planken waren nog gaaf, en ook die werden door de kaffers geborgen, waarna de stuurman het volk aan 't werk zette om al de bouten en 't ijzer uit 't onbruikbare hout te halen.
Men was hiermee nog bezig toen Christian met de proviand aankwam.
Na 'n goed middagmaal zette men 't werk voort.
Enige losse ijzeren stangen en twee kisten werden ook nog gevonden. De ene kist, of liever koffer, droeg de naam van C. Knijf en behoorde dus blijkbaar aan Katrijn. De tweede kist, die beschadigd was, bevatte 'n aantal in teelood verpakte pakketten Chinese tee. De inhoud van 't merendeel dier pakketten was echter door 't zeewater bedorven, maar Christian vond er toch nog zes met goede tee, en de beide blanken waren niet weinig verheugd over deze vondst. Er lagen ook nog meerdere pakken en zakken, die suiker, nootmuskaat en andere specerijen hadden bevat, maar waarvan natuurlik de inhoud geheel bedorven was.
Laat in de namiddag vond men 'n hoopje touwen en takelwerk, dat goed te pas kon komen en meende MacIntosh, enige schreden van 't strand, 'n stuk van 'n dikke kabel op 't water te zien drijven. Snel ontdeed hij zich van z'n kleren, en waadde door 't vrij ondiepe water om dit stuk kabel te bemachtigen, maar toen hij 't beet kreeg en er aan trok, bleek 't onbeweegbaar te zijn. Op eens riep de Schot uit: "Mijn machtig, dat is de kabel van een van de ankers, die we uitgeworpen hebben, toen 't schip in de branding kwam, en ik geloof dat 't anker er nog aan vastzit."
Daarop ging de Tweede stuurman, die 'n uitmuntende zwemmer was, wat dieper de zee in, dook naar beneden, en toen hij weer aan de oppervlakte verscheen, riep hij tot Christian:
"Het anker ligt hier in omtrent 8 voet water, maar als ik de hulp van drie of vier man kan krijgen, denk ik dat we 't wel los kunnen werken, al is 't wat zwaar."
In 'n ogenblik was Christian, die ook goed zwemmen kon, uit z'n kleren en in 't water, en werd door drie kaffers gevolgd, want alle kaffers kunnen zwemmen als waterhonden. Op bevel van de Engelsman begaven zich de overige kaffers in 't ondiepe water en grepen 't losse einde van de kabel.
Na drie vergeefse pogingen gelukte 't de twee blanken en de drie kaffers om 't anker uit 't zand los te woelen, en toen de andere kaffers vereend hun krachten inspanden, slaagde men er in 't zware anker met omtrent 80 voet van de kabel er aan, op 't droge te brengen.
Zij waren er vermoeid van en gingen rusten bij de tent, en daar de zon weldra zou ondergaan, gebruikte men kort daarna 't avondeten.
Na afloop daarvan hielden de twee blanken raad. Men had heel wat meer gevonden dan men verwacht had, en 't was duidelik dat er niet genoeg dragers waren om al dat zware goed naar de Baai van Natal te vervoeren.
Het grote anker zou alleen minstens tien dragers vereisen, 't kleine verroeste zeker zes man; en dan waren er nog de kist, 14 planken en de balken, 't zeil, de daarbij behorende stukken mast, 't ijzer, enz.
Er werd dus besloten dat Christian de volgende dag nog 'n vijf-en-twintig tal dragers bij 't kafferdorp zou trachten te krijgen.
"Het zal ons verscheidene koperen ringen kosten, maar daaraan is nu niets te doen. De ankers alleen zijn ons op dit ogenblik meer waard dan 200 koperen armbanden," zei de Engelsman.
Nadat Christian de volgende morgen vertrokken was, ging de Tweede stuurman 'n eind verder langs het strand, aan beide zijden van 't wrak, om te zien of hij nog iets van z'n gading kon vinden, maar hij vond niet veel: slechts wat touwen en katrollen.
Plotseling echter viel z'n oog op 'n klein ijzeren kistje, dat half met zand bedekt, tussen de rotsen lag, en 't opschrift "Stavenisse" en ook 't naamcijfer van de Oost Indiese Kompanjie droeg.
Het kistje woog zwaar en MacIntosh kwam tot de overtuiging dat dit de geldtrommel van de boekhouder of kargadoor moest zijn en dus grote waarde had, om welke reden hij 't door twee kaffers in veiligheid liet brengen.
Vrij laat die middag kwam Christian met de nieuwe dragers van de kafferkraal terug, en werden schikkingen getroffen om de volgende morgen naar de Baai terug te gaan.
Die morgen deed zich echter een nieuwe moeilikheid voor. De kaffers, die aangewezen waren om de beide ankers te dragen, weigerden beslist dit te doen, tenzij ze het dubbele van 't gewone loon kregen, omdat de ankers niet alleen zeer zwaar waren, maar ook lastig te dragen, daar ze deze niet, zoals andere dingen op 't hoofd konden plaatsen, doch met touwen over de schouders moesten dragen.
"Die duivels zijn slim genoeg om te begrijpen dat we in 't nauw zitten, en trekken daarvan nu partij," bromde Christian, doch ten slotte beloofde hij de zestien ankerdragers dubbel loon.
De reis ging nu heel wat langzamer dan de vorige keer, en 't was Zaterdagmiddag voor men bij de Baai aankwam.
Intussen hadden Kingston en de anderen niet stil gezeten en vooral de Engelsman toonde dat hij 'n buitengewone werkkracht bezat en niets aan zijn aandacht ontsnapte.
Het eerste werk dat hij begon, was 't oprichten, van een smederij. Van klippen, klei en modder liet hij de kaffers een ronde muur van omtrent 8 voet doorsnede bouwen, richtte toen aan de ene zijde een soort van haard in, en plaatste in 't midden, niet ver van die haard, 'n grote vierkante ijzerklip, die als aanbeeld moest dienen. Bij de haard bracht hij 'n blaasbalg aan, zoals door de kaffers gebruikt, en die uit twee gelooide en toegenaaide geitevellen bestond.
De Abambo's waren goed bekend met 't bewerken van ijzer, dat ze uit 'n rijk erts wisten te smelten. Daarvan smeedden ze dan uitmuntende en zeer harde assegaaispitsen, niet alleen voor eigen gebruik, maar ook ter ruiling met andere kafferstammen, die er 'n hoge prijs voor betaalden.
Eigenlik was 't bewerken van ijzer 'n soort van geheim, maar Kingston had hen menigmaal zien werken en die kunst van ze afgekeken.
Toen de smederij in orde was, moest hij de kwestie van brandstof oplossen.
Hout deugde niet, omdat 't geen hitte genoeg gaf om 't ijzer wit-gloeiend te maken. De kaffers gebruikten houtskool, maar hoe ze dit vervaardigden wist de Engelsman niet, en hij wilde 't hun niet vragen, uit vrees van hun achterdocht op te wekken.
Toen hij over deze zaak met de schipbreukelingen van de Stavenisse sprak, gaf een der matrozen, Reich geheten, te kennen, dat hij 'n Duitser uit 't Zwarte Woud was, waar zijn vader als kolebrander werkzaam was geweest, en hij zelf ook in z'n jonge jaren dat ambacht had geleerd. Hij kon goed een kolemijt pakken, maar de grote vraag was of men hier 't geschikte hout voor goede kolen kon krijgen.
Op verzoek van Kingston ging Reich met 'n andere matroos en vergezeld van drie kaffers het bos in, enige bijlen met zich mede nemende. Na geruime tijd zoeken, vond hij eindelik een soort hout dat hem geschikt voorkwam. Het was het hout dat tans bekend is als "paardepis-hout", een eigenaardige naam, die 't ontvangen heeft naar de reuk, die het groene hout van de pas omgekapte boom verspreidt. Dat hout is sterk harsachtig, en daarom geschikt om er goede houtskolen van te maken. De boom is gewoonlik niet meer dan 30 voet hoog en niet veel dikker dan één voet in doorsnede.
Reich liet de kaffers 'n tiental van deze bomen omkappen en 't hout toen kloven in stukken van omtrent 2 1/2 voet lang en 3 duim dik. Deze stapelde hij behendig op tot een mijt, overdekte die met natte kleimodder en vóór de avond viel, had hij 't hout in brand gestoken, dat door gebrek aan genoegzame lucht langzaam smeulde.
Toen de mijt, enige dagen later uitgebrand en afgekoeld was, probeerde Kingston de kolen die er uit kwamen, in de smederij en hij was met de uitslag zo tevreden, dat hij Reich verzocht, dadelik nog twee mijten aan te leggen en in brand te steken.
Ook Hartog en de bootsman Willem Tuijl hadden niet geluierd, maar waren 't bos ingegaan om geschikt hout voor de kiel van de boot.
Gemakkelik ging dit niet, want de kiel moest uit één stuk bestaan en van zwaar hout zijn.
Ten laatste vonden zij 'n prachtige stinkhoutboom, waarvan de rechte stam 80 voet hoog was. De twee blanken en 'n paar kaffers begonnen nu deze boom te vellen, maar het hout was zeer hard en de bijlen waren stomp en moesten telkens gescherpt worden, zodat 't avond was vóór de boom viel.
Met pikken, die de kaffers gebruikten voor 't bewerken van hun landen--want met ploegen waren ze onbekend--moest de stam nu zo goed mogelik vierkant gekapt worden, en dit gaf natuurlik verscheidene dagen werk.
Toen de mannen die 't wrak bezocht hadden, terugkwamen, helderde 't gelaat van John Kingston nog meer op bij 't zien van 't grote anker, en 't was moeilik te zeggen, wie blijder was: de Engelsman met z'n anker, de boekhouder met zijn teruggevonden geldkistje, of Katrijn met haar koffer, die bijna al haar kleren bevatte.
Reeds de volgende Maandag begon Kingston 't anker te bewerken, en 't eerste wat hij maakte, was 'n nieuwe zaag en daarna vervaardigde hij twee grote beitels en één kleinere. Vervolgens maakte hij 'n paar vijlen en toen die klaar waren, herstelde hij de oude zaag en scherpte die. Daar de beitels goed uitgevallen waren, besloot hij er ook een te maken voor een schaaf, waarvan hij het houten blok nog had.
Enige dagen later kwam Hartog naar de hut waar Katrijn was en vroeg of ze haar kist al geopend had, waarop 't meisje bevestigend antwoordde.
"Hebt u dan ook misschien wat papier en pen en inkt voor me?" vroeg de jonge stuurman.
Katrijn ging de hut binnen en keerde 'n ogenblik later terug met twee vellen oud-Hollands papier, 'n paar ganzepennen, en 'n potje inkt, welke ze aan Hartog overhandigde.
"Wat wil je daarmee doen?" vroeg 't meisje.
"MacIntosh wil 'n plan hebben van de boot en heeft me gevraagd er een te tekenen. Het behoeft niet zo mooi te wezen, als de afmetingen maar nauwkeurig zijn," zei de Derde stuurman, die daarop haastig de hut verliet.
De tekening, die Hartog werkelik zeer goed maakte, stelde 'n boot voor van 70 voet lang en 14 voet breed, bij een diepte van 10 voet; er was 'n behoorlik dek van planken op, en 'n mast met 'n bezaanszeil en twee gaffels, terwijl daarenboven voorziening was gemaakt voor acht roeiers, voor 't geval omstandigheden beletten om de zeilen te gebruiken.
In de achtersteven waren twee kajuiten aangebracht voor Kapitein Knijf en diens dochter, terwijl in de voorsteven, de slaapplaatsen waren voor de rest van de bemanning.
In 't midden was 'n klein kombuisje met een haard en aan iedere zijde daarvan, een ruim ter berging van de proviand en de andere goederen.
De boot had 'n vrij hoog boord, vooral aan de voorsteven om 't inslaan van de zeeën zoveel mogelik te beletten.
We zullen geen verdere beschrijving geven van al de biezonderheden aangaande het bouwen van dit vaartuig, maar slechts zeggen dat tengevolge van te weinig gereedschap en andere moeilikheden, 't werk slechts langzaam vorderde.
Op 20 November kwamen de reeds gemelde 9 man van de Bona Ventura aan de Baai van Natal aan en waren de anderen tot grote hulp.
Op de 1ste Februarie 1687 werd 't scheepje te water gelaten.
Kingston had aan Katrijn verzocht om 't schip te dopen, en toen zij vroeg met welke naam, antwoordde hij: "natuurlik Katrijn", doch dat wilde 't meisje niet, en op voorstel van de grappige barbier, noemde men 't schip de Centaurus, omdat het naar zijn mening even sterk was en net zo snel zou lopen als de beroemde paardmensen uit de oudheid.
Het eerstvolgende werk was nu 't schip van de nodige proviand te voorzien, en dat de Engelsen hun ruilmiddelen niet gespaard hadden, blijkt uit de lijst van goederen, die er in geladen werden; deze waren:
7000 pond kafferkoren, 1000 pond gezouten en gerookt vlees, 400 pond kafferkorenmeel, 20 geiten, 250 hoenders, 150 pompoenen en 17 vaten water.
Het laatste dat men inschepen wilde, was 't ivoor, dat omtrent 7000 pond woog, doch toen John Kingston met 'n aantal kaffers aankwam om het te halen, kwamen de andere drie Engelsen hem tegemoet, en zei een van hen, Turnbull: "Kijk, John, je kunt jouw aandeel en dat van Christian, te zamen 3000 pond gewicht inladen, maar de rest moet hier blijven."
"Waarom?" vroeg Kingston verbaasd.
"Omdat wij drieën niet met jullie samen gaan," antwoordde de ander.
"Dat is 'n vrij plotselinge verandering in jullie plannen," meende Kingston te moeten opmerken.
Een der andere Engelsen zei nu: "Zie eens hier, John, we willen in vrede en liefde van jullie scheiden, maar we zien geen kans om met jullie mee te gaan. We hebben do drie kaffermeiden als onze huisvrouwen genomen, ze volgens kafferwet van hun ouders gekocht en betaald, en 't zou onbillik en oneerlik zijn om ze nu te verlaten, te meer daar ze ieder reeds een kind hebben. Die vrouwen zouden daardoor geminacht worden door hun stamgenoten, en wij zouden de naam van de blanken groot nadeel gedaan hebben.
"Bovendien bevalt ons dit wilde leven en we hebben geen lust om tot de zogenaamde beschaving terug te keren. We hebben lang geweifeld wat te doen, maar zijn nu tot dit besluit gekomen, dat onwrikbaar vast staat."
Kingston haalde de schouders op en zei: "Jullie moeten weten, wat je doet, want 't is natuurlik jullie eigen zaak; ik zal dan de 3000 pond ivoor nemen, die mij en Christian toekomen."
Enige uren daarna gaven twee leden van de bemanning van de Bona Ventura ook kennis dat ze zouden blijven, waar ze waren.
Er zouden dus met de Centaurus vertrekken, 11 man en 1 meisje uit de Stavenisse, 7 man van de Bona Ventura, benevens John Kingston en William Christian van de Good Hope.
Het enige waartegen Kingston bezwaar had, was dat Turnbull niet alleen niet meeging, maar ook weigerde om tegen welke prijs dan ook, afstand te doen van zijn kompas.
Op 17 Februarie 1687, één jaar en één dag na de schipbreuk van de Stavenisse, ging de Centaurus de zee in.
HOOFDSTUK XIII.
DE REIS NAAR EN DE AANKOMST TE KAAPSTAD.
Er valt niet veel te vertellen omtrent de reis van de Centaurus naar Kaapstad.
Het bleek spoedig dat de boot op uitstekende wijze gebouwd was; hij was niet alleen 'n snelle zeiler, maar lag ook zo vast en stevig op 't water als 'n eend.
Op aanraden van Kapitein Knijf, die, nu hij weer op zee was, zijn moedeloosheid te boven was gekomen en zelfs heel wat van zijn oude geestkracht had herkregen, hield men wel de kust van Afrika in 't gezicht, maar bleef toch op 'n afstand van drie of vier mijl er van; en dit niet alleen om alle onbekende onderzeese riffen of klippen te vermijden, maar ook omdat op die afstand van 't land de zeestroming gewoonlik van 't Oosten naar 't Westen liep, terwijl die nader bij de kust in tegenovergestelde richting ging.
De wind, die zich geen enkele dag boven 'n flinke bries verhief, bleef in 't Noord-noord-oosten, en deed de boot als 'n meeuw door de vrij stille wateren schieten. In één woord, wat verondersteld was een gevaarlike tocht te zullen wezen, bleek nu bijna een plezierreisje te zijn.
Offisieren en manschappen waren in uitstekende stemming en niet weinig verheugd, dat ze geen enkele keer de roeiriemen ter hand behoefden te nemen.
Katrijn zong de gehele dag, en tijdens de uren die er tussen de maaltijden verliepen, zat ze gewoonlik naast haar vader bij 't roer en vermaakte zich zo nu en dan met 't plagen van de bemanning.
Dertien dagen na 't vertrek uit Natal, namelik op de 1ste Maart, stevende de Centaurus de Tafelbaai binnen, en zijn diepgang liet juist toe, dat hij bij de trap van de landingsplaats kon liggen.
Kapitein Knijf was niet onbekend met Kaapstad en de havenbepalingen, die daar van kracht waren, want met de Waterslang had hij verscheidene malen de Kaap aangedaan.
Ook Hartog herinnerde zich Kaapstad zeer goed, daar hij er 'n jaar in garnizoen had gelegen.
De Kapitein liet dus de boot vastleggen, en wachtte geduldig op de komst van de Havenmeester, die niet lang op zich liet wachten.
Aan deze ambtenaar, die allerlei vragen deed, gaf Knijf 'n kort verhaal van de schipbreuk van de Stavenisse, en overhandigde hem een lijst met de namen van de offisieren en manschappen, die op de Centaurus waren.
Hij vroeg daarop of men iets vernomen had van de andere 47 man van 't Hollandse schip, en was niet weinig verbaasd om te horen, dat niet alleen geen hunner alsnog was aangekomen, maar dat men ook niets vernomen had van 't vergaan van het schip.
Het was nu omtrent 1 uur in de namiddag en de Kapitein wilde zich zo spoedig mogelik naar het Kasteel begeven, om daar de autoriteiten bekend te stellen met 't gebeurde. Maar nu kwam er 'n moeilikheid in de weg. De kleren van de Kapitein geleken wel op 't bonte pak van 'n cirkusklown, want overal hadden ze lappen van allerlei kleuren, en hij begreep dat hij zo geen bezoek kon brengen aan Zijn Edele de Kommandeur.
Gelukkig hadden Christian en Kingston nog enige ordentelike kleren in hun kisten, en de Kapitein leende van de een 'n schoon hemd, van de ander een broek en van de bemanning van de Bona Ventura een baadje en onderbaadje.
Wel pasten al die kledingstukken hem niet precies, maar in alle geval waren ze toch beter dan zijn eigen gelapte plunje.
Katrijn en de Boekhouder zouden hem naar het Kasteel vergezellen. Het meisje trok haar beste kleren aan en zag er werkelik niet slecht uit, maar de Boekhouder leek al te koddig in zijn eigenhandig gemaakt pak van gelooide geitevellen.
Ten laatste begaf men zich op weg; de Kapitein met zijn dochter voorop, de Boekhouder, met z'n geld trommeltje in de rechterhand, achter hen aan.
De Kapitein stapte over de Parade rechtuit naar de Kasteelspoort, en vroeg of hij dadelik de Kommandeur over 'n belangrijke zaak kon spreken.
Kommandeur van de volkplanting aan de Kaap was toen Simon van der Stel, in die dagen nog in de kracht van z'n leven, en hoog geacht en gezien bij de kolonisten, wat in latere jaren niet meer 't geval was.
Na 'n korte tijd gewacht te hebben, werden de drie personen in de tegenwoordigheid van de Kommandeur toegelaten, die hen welwillend ontving en aan de Kapitein vroeg wie hij was.
"Ik ben Kapitein Willem Knijf van de Stavenisse," was 't antwoord. "Deze dame is mijn dochter, en dit is de Boekhouder van 't schip," en zonder te wachten, begon de Kapitein 'n omstandig verhaal te geven van de schipbreuk en alles wat daarna gebeurd was.
Simon van der Stel had aandachtig geluisterd, en gaf na het door de Kapitein medegedeelde zijn leedwezen over 't gebeurde te kennen, en vroeg waar de Centaurus en z'n bemanning was. Kapitein Knijf zei toen dat zij bij de landingsplaats waren, en vroeg tevens of de Kommandeur iets afwist van de 47 man die de reis over land naar de Kaap hadden aanvaard.
Van der Stel deelde daarop mede dat hij tot zijn spijt taal noch teken van die mannen had gehoord.
"Het is nu één jaar en 14 dagen geleden sedert zij van 't wrak zijn vertrokken," merkte Knijf op, "en in die tijd konden ze zeker hier geweest zijn."
"U vergeet, meneer de Kapitein," antwoordde de Kommandeur, "dat de afstand van daar tot hier minstens 1000 mijl is; dat men wilde volksstammen moet voorbijgaan, grote rivieren over trekken, zich 'n weg banen door ontzaggelike bossen, en dat 't land wemelt van wilde dieren. Zulk een tocht is 'n zeer gevaarvolle onderneming, en 't zou me volstrekt niet verwonderen, als al de 47 mannen op de een of andere manier omgekomen waren."
"Ja," zei de Kapitein, "dat is natuurlik mogelik, maar ik meen toch, dat men onderzoek behoort te doen, wat er van die mensen geworden is."
"Dat zal ook wel geschieden," antwoordde de Kommandeur, "maar dit is 'n zaak die de Politieke Raad moet beslissen, en die ik alleen niet kan behandelen. Doch 't eerste wat gedaan moet worden, is 't instellen van 'n onderzoek naar 't vergaan van de Stavenisse, en daarvan dadelik verslag te zenden aan de Kamer van Zeventien. Ik zou u dus willen verzoeken om morgenochtend om 10 uur met al de personen die op de Centaurus zijn, op het Kasteel te verschijnen, zodat de nodige verklaringen kunnen worden afgenomen en aan de Politieke Raad voorgelegd." En zich daarop tot de Boekhouder wendende, vroeg hij: "wat hebt u in dat kistje meneer?"
"Dat is 't geldkistje van de Stavenisse, meneer de Kommandeur, en daarin bevindt zich ook mijn aantekenboekje, waarin de uitgaven en ontvangsten behoorlik geboekt zijn, alsmede 'n lijst van de maandelikse gages van de offisieren en bemanning," en met deze woorden overhandigde hij aan de Kommandeur 't kistje met de daarbij behorende sleutel, die aan 'n zijden koord om de hals van de Boekhouder hing.
De Kommandeur opende 't kistje en haalde er 'n klein blauw boekje uit, dat hij even inkeek.
"Op welke datum bent u uit Batavia vertrokken?" vroeg hij daarop aan de Kapitein.
"Op de 4de November 1685," luidde 't antwoord.