De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal

Part 4

Chapter 44,279 wordsPublic domain

Evenals op de reis van 't wrak liep men langs 'n voetpad, de een achter de ander, doch na verloop van drie dagen eindigde het voetpad bij 'n zekere kraal en moest men met behulp van 'n kompas, dat Christian bij zich had, de weg zoeken door de bossen en over de grasvlakten.

We zullen de tocht niet beschrijven, maar slechts melden dat deze uitmuntend afliep.

De twee Engelsen, die natuurlik het leeuwe-aandeel in de jacht hadden, schoten over de twintig olifanten, waarvan sommige heel wat ivoor opleverden.

De handel slaagde eveneens uitstekend en de dragers hadden werk om de zware pakken naar de baai terug te brengen. Ook bracht men 'n achttal beesten en 25 geiten met zich mede.

Driemaal werden in vier maanden tijd zulke reizen gemaakt, alle met even groot sukses. Slechts op de laatste reis, waarop men in aanraking kwam met 'n vreemde stam, die zich niet al te vriendschappelik betoonde, liep men groot gevaar om vermoord te worden en 't was slechts aan de takt van de twee Engelsen te danken, dat men heelhuids uit die streek terugkwam.

Omstreeks 't einde van 1686, kwamen plotseling acht mannen en een jongen uit 't Noorden bij de Baai van Natal aan, en verhaalden dat zij de bemanning waren van 'n klein Engels schip, de Bona Ventura, dat bij de St. Lucia Baai vergaan was, en dat zij nu op weg waren naar de Kaap de Goede Hoop.

Zij waren allen Engelsen, en toen zij nu in de Baai waren aangekomen, maakten de andere daar reeds wonende Engelsen het hun duidelik, dat het dwaasheid was om te trachten de Kaap de Goede Hoop te voet te bereiken. Ze moesten liever in Natal blijven en men was geheel bereid om alles met hen te delen, mits zij hun aandeel namen in 't werk dat men te doen had.

Wat dat werk was, zullen we in 'n later hoofdstuk verhalen.

HOOFDSTUK X.

EEN ZEEMAN TEGEN WIL EN DANK.

Gedurende de tijd, dat de anderen op expeditie waren, leidden de drie achtergebleven Engelsen, de Kapitein, zijn dochter en Abraham Hartog 'n rustig leven.

De drie Engelsen waren dikwels afwezig en bij de grote kraal van de Abambo's; er was dan voor de schipbreukelingen meestal geen ander gezelschap dan dat van de drie kaffermeiden.

Met hen was Katrijn nu op goede voet en dit kwam haar in menig opzicht best te pas.

De manskleren waarin zij geland was, hadden reeds zoveel geleden, dat ze bijna onbruikbaar waren, en Katrijn moest op de een of andere manier 'n plan maken, om nieuwe kleren in handen te krijgen.

Wat haar onderkleren betrof, had zij geen moeite want op haar verzoek gaf Kingston haar wat zij nodig had van katoen of linnen, maar iets dat kon dienen voor bovenkleren, had hij niet in z'n bezit.

De kaffermeiden waren gekleed met rokken van zeer fijn gelooid, dun leer, meestal dat van geiten of wilde bokken, en ze waren niet ongewillig om 't blanke meisje te wijzen, hoe die vellen gelooid en voor dragen gereed gemaakt werden.

Kingston voorzag Katrijn daartoe gaarne van de nodige vellen, enige dikke naalden, en ook van uit de darmen van verschillende dieren vervaardigde draden of pezen, waarmede de kaffers gewoon waren de bereide vellen aan elkaar te werken.

Nadat zij de vellen op kafferwijze had gelooid en deze mooi zacht waren--'n werk dat heel wat moeite en tijd kostte--vervaardigde zij er 'n rok van, en ook een lijfje, dat zij met gekleurde kralen versierde, zodat toen alles klaar was, zij er heel netjes uitzag.

Laat in de namiddag, als 't meisje met haar werk klaar was, kwam Abraham Hartog haar en haar vader meestal 'n bezoek brengen.

Hij trachtte dan de oude man wat op te vroliken en onderhield zich op aangename wijze met Katrijn.

Daardoor raakten de twee jongelieden goed bekend met elkander, en hoe meer dit geschiedde des te beter leken ze mekaar, zodat zij na verloop van enige maanden op vertrouwelike voet stonden.

Op zekere middag toen de oude Kapitein zich niet heel wel gevoelde, en in zijn hut was gaan liggen, zaten Hartog en Katrijn op 'n bankje buiten de hut. Reeds menigmaal had Katrijn gedacht dat Hartog van betere familie was, dan men wel op 't eerste gezicht zou menen, en dat 't zeemansberoep hem eigenlik niet paste. Die middag waagde zij het om daarover een opmerking aan Hartog te maken.

De jonge stuurman zweeg enige ogenblikken en zei toen: "Wel, juffer, u heeft gelijk, voor zeeman ben ik niet in de wieg gelegd, en 't is dan ook wel m'n eigen schuld, dat ik hier nu in 'n woest land heb schipbreuk geleden. Als ik u niet verveel, ben ik niet ongewillig om u te vertellen, hoe dit alles gekomen is."

Katrijn antwoordde, dat niets haar meer genoegen zou doen dan dat verhaal aan te horen, waarop Hartog begon:

"Ik ben in Rotterdam geboren, en verloor mijn moeder, toen ik nauweliks twee jaar oud was. Mijn vader had als koopman 'n grote zaak, vooral in goederen die uit de Levant kwamen, en reeds bij mijn geboorte was hij 'n wel-af man en wegens zijn eerlikheid, algemeen onder de kooplui gezien.

"Schoon hij zelf geen hoge opvoeding genoten had, wilde hij dat ik, z'n enige zoon, zou gaan studeren, en met dat doel werd ik op m'n dertiende jaar naar 't gymnasium te Rotterdam gezonden. Maar dat eeuwige zitten over boeken, en dat gedurig leren van Latijn en Grieks, beviel me volstrekt niet, en ik wenste soldaat te worden, en 'n leven van avonturen te leiden.

"Mijn vader was niet hertrouwd en na de dood van mijn moeder, had zijn oudste zuster die ongehuwd was, 't bestuur van zijn huishouden op zich genomen.

"Tante Anna was geen slechte vrouw en zorgde goed voor ons, maar ze had 'n grote vrees voor mijn vader en keurde daarom alles goed wat deze zei of deed.

"Toen ik 't gymnasium doorlopen had, wilde mijn vader mij als student naar Leiden sturen, maar ik verzette me daar hevig tegen en verklaarde hem ronduit, dat ik geen lust had in studeren, en dat ik soldaat wilde worden.

"Er had toen 'n vrij heftig toneel tussen mij en de oude heer plaats, en 't einde er van was dat hij zeide: 'Abraham, met mijn verlof zal je nooit soldaat worden, want in mijn oog is 't 'n gemeen en laag baantje. Als je niet studeren wilt, zal ik je op m'n kantoor nemen, je 't koopmansvak leren, en dan kan je later als ik oud ben, de zaak overnemen.'

"Maar om de hele dag aan een lessenaar te zitten, kolommen cijfers op te tellen en eentonige handelsbrieven te schrijven, had ik ook geen lust.

"Die laatste weigering van mij, maakte mijn vader woedend en hij antwoordde: 'Ik zal je twee dagen tijd geven om je te bedenken, wat je gaat doen; of je naar Leiden zal gaan, of op m'n kantoor zal komen. Als je geen van beide aanneemt, dan ga je mijn huis uit en dan kan je zien hoe je in de wereld klaar komt, maar dan wil ik ook niets meer met je te doen hebben.'

"Die twee dagen waren voor mij dagen van inwendige strijd, maar ten slotte besloot ik mijn eigen hoofd te volgen, zelfs op gevaar van aan de toorn van m'n vader overgeleverd te zijn.

"Tante Anna, die natuurlik 't plan van mijn vader goedkeurde, trachtte tevergeefs mij op mijn voorgenomen besluit te doen terugkomen en aan de wens van mijn vader te voldoen; toen de derde dag daar was, en mijn vader mij vroeg wat ik zou doen, zei ik dat ik noch naar Leiden zou gaan, noch op zijn kantoor komen.

"Ik zag dat mijn vader boos werd, doch hij bedwong zich en zei zo kalm mogelik: 'dan moet je om 12 uur maar bij mij op kantoor komen.'

"Dat deed ik, en toen ik z'n kantoor was binnengetreden, sloot hij de deur en zei: 'Je bent oud genoeg om te weten wat je doet. Je weigert om aan de wensen van je vader te voldoen en je wilt de wijde wereld ingaan, zonder dat je 't minste begrip hebt van de behandeling, die je daar zal ondervinden, want je hebt wel wat geleerd op 't gymnasium, maar bent onervaren en hebt geen praktiese kennis van de wereld. Ik heb je reeds gezegd, dat als je mijn beide voorstellen weigert, ik niets meer met je te doen wil hebben, en je moet niet verwachten dat ik je hulp zal verlenen, als je ooit in moeilikheid mocht komen. Ik wil je echter niet als 'n bedelaar de wereld insturen. Hier is 2000 gulden, begin daarmee de strijd om 't bestaan, maar is je geld op, denk dan niet dat je weer bij mij behoeft te komen aankloppen.'

"Daarop haalde mijn vader vier rolletjes goud uit z'n lessenaar en overhandigde die aan mij.

"Zonder ze te tellen stak ik ze in m'n zak, waarop de oude heer zonder enig verder liefdesbewijs en blijkbaar zonder aandoening mij de hand gaf en slechts zei: 'Goeden dag, Abraham.'

"Voor 'n ogenblik voelde ik 'n heftige aandrang om voor mijn vader op de knieën te vallen, hem om vergiffenis te vragen, en te zeggen dat ik aan zijn wensen zou voldoen, doch mijn hoogmoed en eigenzinnigheid beletten mij aan die roepstem gehoor te geven, en met 'n 'Goeden dag, Vader', stapte ik de kamer uit.

"Ik ging rechtuit naar huis, pakte mijn kleren en andere bezittingen in 'n grote kist en liet die door de knecht naar 'n kleine herberg aan de Maaskant brengen.

"Ik wilde tante Anna nog groeten, doch bevond dat ze uitgegaan was en zonder dralen verliet ik 't huis en begaf me naar de herberg.

"Die nacht dekte de slaap mijn ogen niet, want mijn gedachten waren gedurig bezig met wat ik zou beginnen.

"Ik had die avond in de herberg enige soldaten ontmoet en aan hen mijn plan medegedeeld om ook dienst te nemen, maar ze raadden mij dit sterk af, omdat 't 'n hondeleven was en je meer straf kreeg dan kost; zij waren zelf ten minste van plan 't Staatsleger te verlaten, en zich in dienst van de Oost Indiese Kompanjie te begeven. Ze haalden verscheidene voorbeelden aan van mannen, die als soldaat bij de Kompanjie waren begonnen en nu hoge betrekkingen bekleedden en schatrijk waren geworden.

"Natuurlik vertelde ik hun niet dat ik in 't bezit van 2000 gulden was.

"Na lang 't voor en tegen overwogen te hebben, kwam ik, toen de morgenstond aanbrak, tot 't besluit, dat ik 't voorbeeld van de soldaten zou volgen en dienst nemen bij de Oost Indiese Kompanjie.

"Ik was pas 17 jaar, maar krachtig, en flink opgegroeid, want ik had toen reeds 'n lengte van over de vijf en 'n halve voet.

"Ik bood me dus aan voor dienst bij de Kompanjie, werd dadelik aangenomen en moest me reeds drie dagen daarna aanmelden bij zekere Kapitein Reiniers, die met 'n detachement soldaten naar Indië zou vertrekken met het schip "de Draak".

"Ik was op tijd aan boord en de volgende dag vertrok 't schip.

"Toen we bij de Kaap aankwamen, was er juist 'n tekort bij 't garnizoen aldaar en werd de helft van ons detachement, waaronder ook ik, door de Goeverneur gelast er te blijven; we kregen onze intrek in het Kasteel.

"Een jaar lang ging 't vrij goed, maar de gewenste bevordering, waarvan men mij zoveel gesproken had, bleef uit en 't soldateleven beviel me ook volstrekt niet, te meer daar destijds in de Kaap de soldaten voor allerlei werkzaamheden gebruikt werden, en zelfs naar de bossen werden gestuurd om bomen te kappen.

"In 't tweede jaar kwam de vloot van Holland naar Indië de Tafelbaai binnen, en ik maakte kennis met verscheidenen van de onderoffisieren en matrozen aan boord van die vloot, o. a. met onze opperbootsman Willem Tuijl, die toen nog bootsmansgezel was.

"Het was op zijn raad dat ik verlof vroeg om als soldaat uit de dienst te treden, en me opnieuw te laten inschrijven als matroos; dit werd mij geredelik toegestaan, en Tuijl maakte dat ik op 't zelfde schip kwam als hij.

"De goede opleiding die ik op 't gymnasium had ontvangen, kwam me nu te pas en op de tweede reis, die ik van Holland naar Indië maakte, begon ik de theorie van 't zeewezen te bestuderen, want 't praktiese gedeelte, leerde ik natuurlik op 't schip zelf en dit te beter, omdat Willem Tuijl mij veel nuttige wenken en heel wat inlichtingen gaf.

"Bij mijn derde aankomst in 't Vaderland deed ik aanzoek om bewijzen te mogen afleggen van mijn bekwaamheid voor stuurman en werd toen door vier kapiteins geëksamineerd.

"Enige dagen daarna was ik in 't bezit van mijn certificaat, maar 't duurde nog 'n jaar voor ik op 'n groot schip de betrekking van vierde stuurman kon krijgen. Tuijl en ik waren echter zulke grote vrienden geworden, dat we niet zonder elkander konden klaarkomen, en toen twee jaar geleden de "Stavenisse" uit Holland zou vertrekken, en 'n derde stuurman nodig had, deed ik bij de Kompanjie aanzoek voor die betrekking en kreeg ik die.

"Zo ben ik als 't ware 'n zeeman tegen wil en dank."

"En bevalt het leven je?" vroeg Katrijn.

"Om de waarheid te zeggen," antwoordde Hartog, "nee. Wanneer alle zeelui waren zoals Tuijl, zou ik er nog vrede mede kunnen hebben, maar de meesten van de tegenwoordige zeelieden, in dienst van de Kompanjie zijn schuim van de ergste soort van alle naties; ik geloof niet dat men 'n enkel schip van de Kompanjie zal krijgen, waarvan de bemanning alleen uit Hollanders bestaat. Anders is 't leven niet zo slecht, want de gage is goed en over de kost valt niet te klagen."

"En heb je ooit iets verder van je vader gehoord?" vroeg het meisje.

"Ik heb hem nooit meer persoonlik gezien," antwoordde de jonge man, "maar ik heb drie brieven aan hem en aan tante Anna geschreven."

"In die brieven heb ik niet om hulp gevraagd, maar slechts medegedeeld, waar ik was en hoe 't met me ging, maar op geen een er van heb ik ooit antwoord ontvangen."

"En wat heb je met je twee duizend gulden gedaan?" vroeg het meisje.

"Voordat ik de eerste keer Rotterdam verliet, ben ik naar de Notaris Jan van Doorn gegaan, die steeds de zaakwaarnemer van mijn vader was. Ik vertelde hem wat er met me gebeurd was, dat ik naar Indië ging, en 't gevaarlik vond om zoveel geld bij me te hebben, daar 't gestolen kon worden, of misschien bij 'n schipbreuk verloren gaan.

"Vijftig gulden hield ik bij me, maar de rest overhandigde ik hem, met verzoek die voor mij te bewaren, of ze te beleggen, naar hij goeddacht."

"En waar zijn ze nu?" vroeg Katrijn weer.

"Zover ik weet," was 't antwoord, "zijn ze nog bij de Notaris, wiens kwitantie ik in m'n bezit heb, maar ik heb nooit de moeite genomen om er navraag naar te doen; zodra ik echter weer in Holland kom, zal ik er eens naar vernemen."

Katrijn lachte en zei: "je bent zeker 'n zorgeloos mens op 't gebied van geldzaken, meneer Hartog. Die 1950 gulden is 'n grote som, waar men veel mee kan doen en in de zeven jaren die verlopen zijn, moet de rente 't kapitaal aanzienlik vermeerderd hebben."

"Het is juist daarom dat ik het bij de Notaris heb laten blijven," was 't antwoord, "want dan heb ik op m'n oude dag toch nog 'n appeltje voor de dorst.

"Maar ik ben benieuwd of ik ooit Holland weer zal zien."

"Waarom niet?" vroeg het meisje. "Als de anderen de Kaap bereikt hebben, zullen er wel maatregelen genomen worden om ons op te zoeken."

"Hoe eerder hoe beter," zei Hartog, "want ik ben 't luie, nutteloze leven al lang moe."

HOOFDSTUK XI.

EEN GOED PLAN.

Het was op zekere avond in 't eind van Augustus 1686, dat MacIntosh en Hartog de hut binnentraden, waarin Kingston en Christian woonden, en om 'n onderhoud met dezen verzochten. Toen dit door de twee Engelsen toegestaan was, begon MacIntosh aldus:

"Vrienden, in de eerste plaats verzoeken we jullie om toch niet te denken, dat we komen om te klagen of onze ontevredenheid te kennen te geven. Integendeel zijn we jullie en de drie andere Engelsen zeer dankbaar voor alles wat jullie voor ons, schipbreukelingen van de Stavenisse, hebt gedaan. Je hebt ons van de hongersnood gered, ons hier naar deze prachtige plek gebracht, en edelmoedig en rojaal van alles voorzien; we kunnen jullie dat nooit vergelden.

"Maar er zijn er onder ons, vooral van de Hollanders, die verlangen om naar hun vaderland terug te gaan, en dit is voornamelik 't geval met de kapitein en z'n dochter.

"Jullie zijn al gewoon aan dit land en deze leefwijze, wij nog niet.

"We hadden gehoopt dat er spoedig een schip hier in de baai zou binnenlopen, dat ons ten minste naar de een of andere Portugese bezitting kon vervoeren, van waar er meer gelegenheid zou zijn om naar Europa terug te gaan, maar we zijn hier nu al bijna vijf maanden, en in die tijd heeft geen schip de baai van Natal bezocht, en wie weet wanneer dit gebeuren zal. Bovendien vrezen we, dat de kaffers niet altijd jegens ons zo vriendelik gestemd zullen blijven, als ze nu zijn, en wanneer ze vijandig worden en ons aanvallen, zijn wij niet bij machte hen tegen te staan, doch zullen we allen vermoord worden.

"We hebben gisteren avond raad gehouden, en mijn vriend Hartog hier, gaf aan de hand, een grote, sterke boot te bouwen, en te trachten daarmee de Kaap te bereiken.

"Daar we dat echter niet zonder jullie hulp kunnen doen, zijn Hartog en ik afgevaardigd om van jullie en je drie metgezellen te vernemen, wat jullie van ons plan denken. Keuren jullie 't goed, dan beloven we om met onze uiterste krachten te helpen 't ten uitvoer te brengen."

De twee Engelsen hadden met aandacht naar MacIntosh geluisterd, en toen deze geëindigd had, nam William Christian 't woord en zei:

"Het plan door jullie voorgesteld, is voor ons volstrekt niet nieuw, want verleden jaar hebben Kingston en ik deze kwestie reeds herhaaldelik besproken, maar er waren toen moeilikheden in de weg, die 't plan onuitvoerbaar maakten. In de eerste plaats waren we te weinig in aantal om zulk 'n groot werk te ondernemen, en in de tweede plaats hadden we niet 't allernodigste gereedschap. Toen de kapitein van de Good Hope met negen van de onzen naar Mozambique vertrok, nam hij al 't bruikbare gereedschap met zich, en liet slechts enige versleten en nutteloze artikelen achter. Eerst toen in 't begin van dit jaar het tweede Engelse scheepje hier aankwam, gelukte het ons om enige dingen te ruilen, en kwamen we zodoende in 't bezit van 'n stuk of wat bijlen, 'n paar hamers, drie boren en 'n zaag. Maar toen we die kregen, hadden de andere drie reeds kaffervrouwen genomen en bestond er bij hen geen biezondere lust meer om dit land te verlaten. Met ons tweeën konden we natuurlik niets uitrichten. Nu is de zaak echter anders. We zijn met ons allen 16 man sterk, en ofschoon we met heel wat moeilikheden zullen moeten kampen, is 't plan toch uitvoerbaar, naar ik meen. We zijn natuurlik niet in staat om jullie vanavond 'n beslist antwoord te geven, want we zijn verplicht om onze drie vrienden te raadplegen en hun oordeel te vragen; als zij er echter in toestemmen, moeten we bespreken, hoe we 't op de beste wijze kunnen aanleggen, en welke middelen te onzer beschikking staan.

"We kunnen zo iets niet hals over kop beginnen, om later uit te vinden, dat we te veel hooi op onze vork hebben genomen. Morgen zullen we met hen spreken, en als ze 't plan goedkeuren, zullen Kingston en ik, en misschien ook de anderen, jullie daarna bezoeken en dan verdere biezonderheden gezamenlik bespreken."

De Tweede en Derde stuurman namen genoegen hiermede en gingen welgemoed naar hun hut terug.

De volgende avond kwamen Kingston en Christian werkelik naar de hut van de kapitein en maakten 'n verontschuldiging voor hun drie maats, die, naar ze zeiden, voor belangrijke zaken naar 't dorp van de Abambo's waren gegaan.

De andere schipbreukelingen van de Stavenisse werden toen geroepen, en daar 't een warme en heldere avond was, besloot men de vergadering buiten te houden. Wie een bankje of houten stoeltje had, ging dat halen, de anderen vleiden zich neer op de grond. Katrijn was natuurlik ook op de vergadering tegenwoordig.

Deze avond was 't John Kingston, die 't eerst sprak, en zijn woorden werden door MacIntosh vertolkt, schoon Katrijn een handje meehielp, als de Schot het juiste Hollandse woord niet kon vinden.

Kingston zei dan: "Vrienden, volgens belofte gisteren avond aan jullie afgevaardigden gedaan, hebben we vandaag onze drie maters geraadpleegd.

"Het kostte ons wel wat moeite om ze te overreden, maar ten laatste stemden ze volmondig met ons plan samen en beloofden om eerlik hun aandeel in 't werk te verrichten.

"Het plan om 'n boot te bouwen, groot en sterk genoeg om ons veilig naar de Kaap de Goede Hoop te brengen, gaat dus door. Tans moeten we de biezonderheden bespreken, en zien welke moeilikheden we te boven moeten komen.

"Vooreerst wil ik mededelen, dat alhoewel we enigszins weten hoe 'n boot moet gebouwd worden, geen van ons vijven dit ooit werkelik heeft gedaan, en we hopen dus voor een groot deel op jullie inlichtingen, altans als er iemand onder jullie is, die er meer van weet, dan wij."

Op dat ogenblik viel stuurman MacIntosh de spreker in de rede, en zei:

"Daar kan ik jullie in helpen, want vóór ik op zee ging, heb ik zes jaar gewerkt op 'n scheepstimmerwerf te Glasgow, waar men voornamelik boten voor de haringvisserij bouwde, en zo 'n haringbuis, indien goed gemaakt, kan heel wat zee en wind verdragen en zou ons gemakkelik naar de Kaap brengen."

"En hoe groot zou zo 'n boot wezen?" vroeg William Christian.

"Minstens 60 voet lang bij 9 voet breed en niet minder dan 8 voet diep, maar nog liever 10 voet, om hem zonder veel ballast toch standvastigheid te geven," antwoordde de Tweede stuurman.

"Goed, dat is reeds heel wat gewonnen," zei Kingston lachend en toen vervolgde hij:

"Hout, en goed hout ook, hebben we in overvloed, en als we de nodige bomen hebben gekapt, zullen we geen moeite hebben dragers te krijgen om ze naar 't strand te brengen. Bovendien zijn er nog 'n aantal planken in het stuk romp van de Good Hope, dat op 't strand ligt, die misschien te pas kunnen komen. Bouten kunnen we ook krijgen, maar wat we voornamelik nodig hebben, zijn spijkers. Nu zou ik wel zelf die spijkers kunnen maken, want ik ben niet onbekend met het smidsambacht, maar daarvoor moet ik ijzer van de rechte soort hebben, b.v. een anker. Bij 't stranden van de Good Hope zijn al de ankers verloren gegaan."

Hier sprong Willem Tuijl op en zei:

"Er moet nog heel wat ijzer op 't wrak van de Stavenisse zijn, als dit ten minste bij deze tijd niet geheel uit elkander is geslagen, en ik meen ook dat ik op 't strand een oud anker heb zien liggen, maar of dat aan de Stavenisse behoorde, weet ik niet. In alle geval waren er nog heel wat goede planken, vooral in 't dek, en zelfs als 't schip uit elkaar geslagen is, zal zonder twijfel 'n gedeelte van de planken aan land zijn gespoeld."

"Dan is er slechts één goed plan," merkte Christian op, "namelik dat een of twee van ons met 'n klompje dragers teruggaan naar de plek waar de Stavenisse gestrand is, om te zien wat er aan land gespoeld is, en al wat bruikbaar is, naar de Baai te brengen."

"En nu wil ik weten, hoeveel en welk gereedschap de bemanning van de Stavenisse bezit," zei Kingston verder.

Na enig narekenen, was het antwoord hierop, 5 bijlen, 2 graven en 3 pikken.

"En één mes," riep Katrijn lachend uit, terwijl ze 't grote mes, dat ze van 't schip meegenomen had, voor den dag haalde, en aan Kingston overhandigde, die zei dat dit van groot nut kon zijn.

Daarop verklaarde MacIntosh, dat men nog meer gereedschap uit 't wrak had gered, maar dat 't merendeel bij 't omslaan van de door hen gebouwde boot verloren was gegaan.

"En nu komt de laatste vraag," vervolgde Kingston, "waar is de tent van zeilen, die jullie bij de Stavenisse hadden?"

"Die heb je op de plek laten staan, waar hij stond," antwoordde de barbier, die een van de herstelde zieken was, "en de kaffers hebben die zeker ingepikt."

Kingston bedacht zich 'n ogenblik, sloeg toen met z'n vuist tegen z'n voorhoofd, en riep uit: "Dat is werkelik zo, en dat is de domste streek, die ik ooit in m'n leven uitgehaald heb. Doch 't zou me niet verwonderen als die tent er nog stond, want kaffers hebben geen nut van 'n zeil, ofschoon ze 't uit pure moedwilligheid mogen vernield hebben."

"Hoe omtrent proviand voor de reis, meneer Kingston?" vroeg Katrijn, die dit als haar eigen speciaal departement beschouwde.

"Daar zullen we voor zorgen, en ge zult geen honger lijden," antwoordde de Engelsman lachend; "we hebben ruilwaren genoeg om voldoende proviand voor tien zulke boten te krijgen. Laat dat maar gerust aan ons over, op voorwaarde dat u de kost voor ons aan boord kookt, als uw aandeel in 't werk. Wij zullen voor 'n behoorlik kombuisje zorgen."