De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal

Part 3

Chapter 34,170 wordsPublic domain

Werkelik werden dan ook gedurende vier dagen de bezoeken herhaald, zodat de schipbreukelingen een nog al aanzienlike hoeveelheid eetwaren machtig werden, schoon dit veroorzaakte, dat driemaal 'n tocht naar 't wrak moest worden gedaan, om de nodige ijzerwaren voor ruiling te bekomen.

Op de vijfde dag echter toonden de kaffers dat zij niet tot de domste behoorden. Ze brachten deze keer geen proviand met zich, kwamen ook niet bij de tent, maar begaven zich rechtstreeks naar 't wrak, dat zij zonder blijkbare moeite bereikten en waaruit ze zich spoedig door middel van hun strijdbijlen in 't bezit stelden van 'n aantal bouten en spijkers.

Dit was een hele teleurstelling voor de schipbreukelingen, die nu niet in staat waren om op deze goedkope wijze aan kost te komen, want hoezeer men ook door gebaren de kaffers trachtte te doen verstaan dat zij meer voedsel moesten brengen, en men de prijs daarvoor te geven meer dan verdubbelde, schudden de zwartjes slechts 't hoofd en kwamen elke dag naar 't wrak terug, totdat zij alle te bemachtigen ijzer er uit hadden weggevoerd.

Nu scheen de toestand van de blanken hopeloos en inderdaad gaven sommigen zich geheel aan de wanhoop over.

Katrijn en Hartog, zowel als de bootsman, bleken echter onversaagd en legden lange afstanden aan 't strand af om mosselen en oesters te vergaren, doch op dit armoedig voedsel konden de schipbreukelingen niet lang leven, en de dood scheen al nader en nader te komen.

HOOFDSTUK VII.

ER KOMT HULP.

Het was op de morgen van de 2de April 1686 dat Katrijn Knijf, die gewoonlik vroeg opstond, uit de tent van de schipbreukelingen kwam en naar buiten staarde. Het eens zo krachtige meisje zag er nu vervallen en vermagerd uit, en haar vroeger schitterende ogen waren nu dof en weemoedig. Zij zuchtte op treurige wijze, terwijl ze naar de bossen keek, die zich ver landwaarts uitstrekten.

Plotseling verhelderde haar gezicht, want ze zag in de verte iets aankomen.

Snel liep ze de tent binnen en haalde bij haar vader de verrekijker, om die te richten op hetgeen zij ginds zag bewegen.

Zij tuurde lang voordat zij kon uitmaken dat het mensen waren, en blijkbaar blanken, want ze waren in Europese klederdracht.

Zodra zij hiervan overtuigd was, riep 't meisje in de richting van de tent: "kom uit, kom uit, er komen blanke mensen aan!"

Allen, behalve de drie zieken, holden op dit geroep de tent uit en de verrekijker ging van hand tot hand, totdat er geen twijfel meer bestond of de aankomende personen waren blanken.

Geen half uur later kwamen twee mannen, ongetwijfeld van Europese afkomst, op de schipbreukelingen af, en een van die twee riep in 't Engels uit: "Verstaan jullie Engels?"

"O yes, O yes!" riepen Katrijn en stuurman MacIntosh als uit één mond.

"Mijn naam is John Kingston en die van mijn maat is William Christian," zei een der beide vreemdelingen. "Wij zijn schipbreukelingen van de "Good Hope", die verleden jaar bij de Baai van Natal gestrand is. Vier-en-twintig van ons bereikten levend 't land; we hebben toen 'n boot gebouwd en de Kapitein en negen man zijn daarin naar Mozambique gegaan. Later zijn vier anderen met 'n klein Engels scheepje vertrokken, terwijl vijf van ons aan buikloop zijn gestorven, zodat er nu nog vijf in Natal zijn. Verleden week hebben we gehoord dat er zuidelik en niet ver van ons 'n schip was vergaan en daarop besloten wij tweeën te gaan zien of we jullie niet konden helpen. Jullie zien er uit alsof je niet te veel te eten hebt."

MacIntosh en Katrijn vertelden toen aan de twee Engelsen alles wat er gebeurd was en gaven hun te kennen, dat ze bijna verhongerd waren en geen raad wisten hoe aan voedsel te komen.

"O," zei Christian, "dat zullen we gauw verhelpen," en na 'n paar woorden in kaffertaal met z'n maat gesproken te hebben, namen ze afscheid en beloofden in de middag terug te zullen komen.

De schipbreukelingen wisten niet waarheen de Engelsen gegaan waren en wat hun doel was, zodat de Kapitein z'n vrees uitsprak, dat ze wellicht verraders waren, die de kaffers zouden aansporen de blanken te overvallen, doch MacIntosh sprak dit met kracht tegen en ook Katrijn was van mening, dat de Engelsen het goed met hen meenden, want waarom zouden ze anders de 70 mijl afgelegd hebben om hen te bezoeken?

Het was even over twaalven toen men de Engelsen weder zag aankomen, gevolgd door omtrent 25 kaffers.

Toen dit troepje bij de tent kwam, bleek 't dat de twee Engelsen voedsel waren gaan halen voor de schipbreukelingen, want Christian had in 'n zak die hij op z'n rug droeg, heel wat gekleurde kralen van allerlei soort en ook koperen ringen, beide artikelen die als ruilmiddelen zeer bij de kaffers in trek waren.

Er was heel wat door de kaffers meegebracht, o. a. 1 jonge os, 4 bokken, 20 hoenders, 5 grote manden met kafferkorenmeel, 6 manden met kafferkoren en ook enige kannen met kafferbier, benevens 'n mand met veldvruchten, en enige eetbare bolgewassen.

Katrijn nam 't voedsel in ontvangst. De bokken werden vastgemaakt, maar de os werd dadelik geslacht en spoedig genoten de schipbreukelingen de aangename en voor hen ongewone geur van bradend vlees.

"Vrienden," zei Christian, "eet nu zoveel ge wilt, en als jullie magen gevuld zijn, zullen we raad houden, en zien wat ons te doen staat."

Daarop wenkte hij de kaffers naar huis toe te gaan, waarop Katrijn op stukken platte klip 't voedsel uitdeelde, dat gretig door de anderen verslonden werd.

Een van de kaffers had 'n klein mandje met zout meegebracht, en daar de schipbreukelingen in meer dan 'n maand geen zout hadden geproefd, was dit hen zeer welkom, terwijl het verse kafferbier 'n uitmuntende verfrissende drank uitmaakte.

Toen 't maal geëindigd was, kwamen allen bij elkaar en nu begon Kingston de vergadering toe te spreken in 't Engels, dat door MacIntosh vertolkt werd.

"Vrienden," zei hij, "ge begrijpt dat 't onmogelik is voor jullie om hier alleen te blijven. Ik geloof niet dat de kaffers jullie kwaad zullen doen, maar daar ge geen ruilmiddelen hebt, zullen ze jullie ook geen voedsel verkopen, en ge zoudt dus ten slotte van honger omkomen. We zijn met ons vijven aan de Baai van Natal en hebben genoeg kralen, koperen ringen, en andere ruilmiddelen, om gedurende 50 jaar voedsel voor ons allen te kopen en behalve dat, hebben we omtrent 8000 pond ivoor, dat we bij de schepen die in de Baai komen, kunnen verruilen voor levensmiddelen. Ge zult welkom zijn om alles met ons te delen, we wonen in kafferhutten en leven op kafferwijze; drie van ons hebben zelfs kaffervrouwen en we leiden 'n gemakkelik leven.

"We zijn goed gewapend, hebben geweren, kruit en lood in overvloed, en ook twee koperen kanonnen die we uit ons schip gered hebben. Een groot deel van 't schip ligt nog op 't strand, en bevat nog veel dat we gebruiken kunnen.

"Ik stel dus voor, dat ge zo snel mogelik met ons vertrekt naar de Baai van Natal. De afstand is maar 70 mijl, of niet meer dan drie dagen. Er is 'n voetpad, want onze kaffers bezoeken dikwels de stam die hier woont, en ook wij blanken zijn verscheidene malen hier geweest om handel te drijven. Jullie goederen en de nodige proviand kunnen door kaffers hiervandaan tot de Baai worden gedragen, want 't zal ons min moeite kosten om de nodige dragers te krijgen. Zijn we eenmaal aan de Baai, dan kunnen we daar verdere plannen maken."

Het spreekt vanzelf dat dit edelmoedige voorstel zonder de minste aarzeling aangenomen werd, en men kwam overeen, dat de tocht de volgende middag zou beginnen.

Er was slechts één moeilikheid, namelik wat men met de drie zieken moest doen. Kingston zei, dat de kaffers zich niet zouden laten overhalen om hen te dragen.

Daarom besloot men ten laatste, dat Kingston bij de zieken in de tent zou blijven, niet alleen om voor hun voedsel te zorgen, maar ook om hen te beschermen en dat Christian met de overigen naar Natal zou gaan.

Toen dit alles afgesproken was, vertrokken de twee Engelsen naar 't omtrent 6 mijl verwijderde kafferdorp, waar ze de nacht zouden doorbrengen en dan de volgende dag terug komen met de nodige dragers en proviand voor de reis.

De schipbreukelingen waren natuurlik hoogst verheugd over deze redding uit de nood en zelfs de Kapitein kon op dit punt niets vinden om over te klagen.

Allen brachten 'n rustige nacht door, maar waren reeds voor dag en voor dauw op de been, en na 'n haastig maal van kafferkorenpap en gebraden vlees, hielp iedereen mee om al hun bezittingen te pakken in bundels van omtrent 40 tot 60 pond gewicht, zoals Christian dit voorgeschreven had. Zulk 'n bundel, had hij gezegd, zou 'n kaffer vandaar naar de Baai dragen voor 'n koperen ring ter waarde van sixpence.

De zon stond nog niet op midderhoogte, toen de twee Engelsen bij de tent terug kwamen met omtrent 30 kaffers. Snel werd aan elke drager z'n pakje toegewezen, terwijl de vier matrozen ieder 'n bok aan 'n touw meenamen, of beter gezegd meesleepten, en de overigen van 't gezelschap ieder 'n paar hoenders onder de arm droegen.

Nadat men Kingston en de drie zieken gegroet had, begon men de reis.

HOOFDSTUK VIII.

DE REIS NAAR DE BAAI EN DE AANKOMST ALDAAR.

Het was een aardig gezicht, dat deze uittocht aanbood. Christian liep voorop met een lange, zware kafferkierie in de hand; dan kwamen een voor een in een ganzerij, de Kapitein, diens dochter, de offisieren en onderoffisieren, vervolgens de manschappen en ten slotte de dragers.

Dezen schenen goed gehumeurd, want onder 'n enigszins eentonig, maar niet onaangenaam gezang, hielden zij de maat in hun gang, en elke paar minuten hieven zij een luid hu! hu! of au! au! aan, waarbij zij dan een soort van bokkesprong maakten.

Katrijn wilde ook wat leven onder de blanken brengen en begon 'n vrolik en welbekend zeemansliedje te zingen, waarbij de anderen als een koor invielen. Slechts de Kapitein bleef somber en stil, totdat zijn dochter hem met 'n stok die ze droeg, begon te plagen, door hem in de rug te porren, natuurlik tot groot vermaak van de anderen.

Het voetpad dat niet breder dan omtrent 18 duim was, slingerde zich nu eens door 'n dik bos, dan weer over 'n schone grasvlakte, of over 'n rijk begroeide en met bloemen bedekte hoogte. Hoge bergen of rotsgevaarten vond men er niet.

Er waren niet lang geleden regens gevallen, zodat 't veld er prachtig uitzag, en hier en daar 't gras aan de kanten wel 4 of 5 voet hoog stond. Niet zelden zag men in de verte op de velden, aanzienlike troepen wilde bokken, en nu en dan sprong 'n duiker of een bosbok in de nabijheid van Christian op, die zich echter niet de moeite getroostte er op te schieten.

Toen men omtrent 2 1/2 uur gelopen had, kwam men bij 'n helder stroompje, waar Christian bevel gaf halt te houden, en waar men wat beschuit van kaffermeel gebruikte, waarvan sommige dragers 'n aanzienlike hoeveelheid bij zich hadden.

Na 'n uur rusten, ging men weer op weg, en kwam eerst in 'n groot dik bos, waarin verscheidene bomen 'n hoogte van over de 100 voet hadden.

Christian liet nu de mannen die geweren bij zich hadden, deze evenals hij zelf deed, gereed houden, want er waren, naar hij zei, nog olifanten in 't bos.

Gelukkig echter ontmoette men geen enkele van deze reuzen van 't woud en na 2 uur gelopen te hebben, was men 't bos uit. De zon begon reeds sterk naar 't westen te dalen, en toen men nog 'n uur verder was, kwam men opnieuw bij 'n riviertje, waar de Engelsman voorstelde te overnachten.

Daar er aan de oever van de rivier 'n aantal bomen stonden, kapte men spoedig 'n hoeveelheid grote takken af, waarmede men 'n soort van lager vormde. Daarin zouden de blanken slapen, terwijl de dragers de nacht er buiten doorbrachten.

Plotseling hoorde Christian 't eigenaardige geluid dat de tarantalen maken; hij riep 'n paar van hen die geweren hadden, men sloop behoedzaam onder de bomen door en kwam weldra in 't lager terug met meer dan twintig van de smakelike vogels.

Katrijn liet ze door de manschappen en zelfs door de offisieren zo snel mogelik plukken, en toen ze op braadspitten gaar gemaakt waren, had men er met warme koeken van kafferkorenmeel 'n smakelike maaltijd van.

Onder het nuttigen van dit maal vroeg MacIntosh aan Christian, of er ook leeuwen of andere wilde dieren in deze streken waren, waarop deze antwoordde, dat dit deel van 't land dicht bevolkt was met kaffers, die uit zelfbehoud de leeuwen hadden uitgeroeid. Wel waren er nog tigers en luipaarden, doch die hielden zich meest in 't gebergte op, en vielen slechts zeer zelden de mens aan.

De nacht ging zonder enige stoornis voorbij en toen de volgende morgen de zon opkwam, zette men met frisse moed de reis voort.

Na 'n wandeling van drie uur kwam men op 'n steile rand, aan welks voet 'n grote rivier liep. Op die rand stond 'n kafferkraal of dorp, bestaande uit over de 200 ronde hutten; Christian leidde z'n reisgenoten rechtuit naar de kraal, waar hij als 'n oude bekende begroet werd. Hij liet de blanken en de dragers omtrent 'n honderd tree van de kraal wachten, en nadat hij z'n geweer aan Kapitein Knijf had overhandigd, stapte hij alleen 't dorp binnen om de hoofdman ervan te bezoeken, want hij wist dat dit kaffergebruik was.

Na 'n half uur kwam hij terug en deelde mede dat ze er 'n weinig zouden uitrusten.

Niet lang daarna kwamen enige kaffervrouwen die gekookt geitevlees, kafferkoren, boontjes en ook 'n twaalftal kalabassen met kafferbier brachten. Zij zeiden dat dit 'n geschenk van de induna was.

Men liet zich alles goed smaken en toen 't maal afgelopen was, ging Christian weder naar de hoofdman om hem te bedanken en tevens te beloven, dat hij, zodra hij kon, hem 'n tegengeschenk zou zenden.

Na een goed uur gerust te hebben, trok men verder en ging de rivier door op 'n doorwaadbare plaats, waar 't water echter een voet diep was, zodat de blanken toch hun schoenen moesten uittrekken om er doorheen te komen.

De doortocht geschiedde niet zonder 'n lachwekkend toneel, want de zeilmaker gleed uit op 'n gladde klip, viel in 't water, dat juist daar iets dieper was en werd natuurlik papnat op 't droge gesleept. De arme kerel, die bibberde van 't koude bad dat hij gehad had, kreeg van Christian de troost, dat de zon warm was en hij wel gauw zou opdrogen.

Zonder verdere wederwaardigheden bereikte men die avond 'n tweede aanzienlike rivier en overnachtte aldaar.

Voor 't geheel donker was, verliet Christian 't kamp, doch kwam binnen 'n half uur terug met 'n bosbok en twee duikers, die hij nauweliks dragen kon, zodat er toen weder voldoende vlees was, zowel voor de avond als voor de volgende morgen.

Men had die dag 'n flinke afstand afgelegd en allen waren moe en stijf, zodat 'n ieder blij was om na het maal zo spoedig mogelik zijn slaapplek op te zoeken.

De volgende dag kwam men weder bij 'n kraal en werd ook daar goed ontvangen en onthaald.

Eén uur voor zonsondergang, kwamen de blauwe wateren van de Indiese Oceaan in 't gezicht, en de zon was juist aan 't verdwijnen toen men bij 'n kleine kraal kwam, waarin zes kafferhutten stonden, die omringd waren door 'n tamelik hoge aarden wal.

"Zo," zei Christian, "nu zijn we thuis," en gevolgd door de anderen, stapte hij de kraal binnen, waar hij spoedig zijn metgezellen voorstelde aan de drie achtergebleven Engelsen, die de nieuw aangekomenen hartelik verwelkomden.

Men wees Kapitein Knijf en z'n dochter 'n lege kafferhut aan, die er zeer eenvoudig doch zindelik uitzag; de anderen moesten de eerste dagen nog maar buiten slapen, totdat er nieuwe hutten voor hen opgericht waren.

De dragers legden hun vrachten neder, waarop Christian hen ieder 'n grote koperen ring en 'n handvol blauwe kralen als hun betaling gaf.

Daarop gingen ze vergenoegd heen, naar de grote kraal van de Abambo's, die zoals Christian zei, 'n half uur te voet aan de andere kant van de heuvel of 't kopje lag.

HOOFDSTUK IX.

VIER MAANDEN EEN LEKKER LUI LEVEN.

Toen de schipbreukelingen de volgende morgen na 'n geruste slaap opstonden, was de zon reeds 'n half uur op, en vertoonde zich aan hen een schoon toneel.

De kraal van de Engelsen was gebouwd op de helling van 'n heuvel, die men tans de Berea noemt.

Vóór hen strekte zich de Baai van Natal uit, met z'n blauwe wateren, die zachtjes tegen 't zonnige strand bruisten.

Rechts van de Baai verhief zich de steile Kaap, die gewoonlik bekend is als "de Bluff" en waar tegenwoordig de vuurtoren staat.

Tussen de kraal en de zee was de grond bedekt met weelderig gras en lage bloeiende struiken, terwijl links en rechts 't geboomte geleidelik hoger werd en eindelik in 'n dicht bos overging.

Al was men reeds in de tweede wintermaand, toch was de zon nog warm en de lucht zoel.

Ging men de heuvelrand over, dan zag men aan de voet ervan de talrijke hutten van de Abambo-kraal, links waarvan op 'n uitgestrekte gras vlakte duizenden koeien en ossen rustig weidden, want de Abambo's waren een rijk en welvarend volk.

Met groot welgevallen zagen de schipbreukelingen dan ook dit prachtige land aan, en MacIntosh zei, dat hij hier wel z'n hele leven zou willen blijven.

Inderdaad volgde er 'n zeer aangename tijd voor de schipbreukelingen van de Stavenisse.

In de eerste dagen was men de Engelsen behulpzaam met 't oprichten van vier grote ronde hutten, die elk als slaapplek voor drie man konden gebruikt worden, zodat er nu ruimte genoeg voor allen was.

William Christian bracht de Kapitein en z'n dochter naar 'n grote hut, die niet ver van de wal achter de verblijfplaats van de Engelsen stond.

Deze hut was 'n soort van pakhuis, waarin verscheidene kisten en balen stonden, waarvan sommige reeds geopend waren.

De inhoud van de geopende kisten bestond uit kralen van allerlei kleuren, koperen ringen, stukken ruw linnen, enz., en uit snuisterijen, alles afkomstig van de Good Hope, en geschikt voor ruiling met de inboorlingen, want de Good Hope had handel gedreven op de Oostkust van Afrika en zelfs op Madagascar, niet alleen in produkten, maar ook in slaven.

Het merkwaardigste in de hut was 'n grote hoop olifantstanden, waarvan er sommige zeker 80 pond wogen; in 'n hoek stonden zowat 'n twintigtal geweren van 'n beter maaksel dan dat waaraan de schipbreukelingen gewoon waren.

Vier of vijf van die geweren waren prachtig versierd en ingelegd met ivoor en zilver, en toen de Kapitein aan Christian vroeg, hoe hij aan die mooie wapenen kwam, antwoordde deze, dat zij ze gevonden hadden op 'n Arabiese Dhow, die zij ten noorden van Mozambique hadden veroverd.

Katrijn beschouwde al deze merkwaardigheden met aandacht en zei toen tot William Christian: "Ik zie, meneer Christian, dat ge niet te veel gezegd hebt, toen u ons vertelde, dat u bij de Baai genoeg goed had om voedsel voor 50 jaar te kopen."

"Ja," zei Christian, "er is genoeg goed en men kan er heel wat voor kopen, maar 't ongeluk is dat 't volk hier te slim begint te worden en steeds meer begint te vragen voor z'n produkten. Vroeger kreeg ik voor 'n koperen armband 'n dozijn hoenders, nu kan ik er slechts vier krijgen, en als ik mijn waren tegen 'n hoge prijs van de hand wil zetten, moet ik nu al ver 't binnenland in, soms bij volken die nog nooit 'n witte man hebben gezien. Die tochten zijn gevaarlik, want men weet nooit hoe 'n vreemd volk je ontvangen en behandelen zal, en vooral de stammen die in aanraking geweest zijn met de Arabieren zijn dikwels zeer gevaarlik."

Drie van de Engelsen leefden met kaffervrouwen uit de stam van de Abambo's, maar deden nog niet aan veelwijverij, zodat er slechts drie vrouwen in de kraal waren, die ieder 'n zuigeling in de arm hadden.

Katrijn had eerst 'n afkeer van die wezens, doch langzamerhand raakte zij met hen bekend, en vond zij ze beter dan ze gedacht had. Ze hielden hun hutten ordelik en zindelik en waren bezig van de morgen tot de avond, hetzij met 't koken van kost, of 't werken in de kleine tuinen, die buiten de kraal op de helling van de heuvel aangelegd waren en waarin kafferkoren, zoet riet, pompoenen en boontjes weelderig groeiden.

Er was zelfs een stuk grond met maïs of mielies bezaaid, 'n plant toen nog niet algemeen bekend in Zuid-Afrika, maar in die streken door de Portugezen ingevoerd; deze mieliepitten had de bemanning van de Good Hope in Sofala gekregen.

Toen Katrijn deze plant, die ze dikwels in Indië gezien had, opmerkte, vroeg ze aan Christian of men ze hier at. De Engelsman antwoordde, dat men ze zeer goed kon eten, maar de opbrengst van 't kleine lapje dat hij had, wilde hij gebruiken om ze te verkopen of te verruilen. Hij had 't vorige jaar 'n handjevol pitten ten geschenke gegeven aan de Koning van de Abambo's en deze had heel wat koppen daarvan gewonnen, en nu wilde het volk van de Abambo's ook van 't nieuwe voedsel hebben; hij hoopte zodoende heel wat voordeel uit dat stukje grond te maken. Was dit 't geval dan zou hij 't volgende jaar 'n groter stuk land er mee beplanten.

Nadat 't meisje haar eerste afkeer van de kleurlingvrouwen overwonnen had, bracht zij ze meermalen 'n bezoek en schoon ze hun taal niet kon praten, wist men door gebaren elkander op 'n manier te begrijpen.

Langzamerhand leerde Katrijn echter heel wat uitdrukkingen in de taal van de Abambo's, die niet veel verschilde van de tegenwoordige taal der Zulu's.

Overigens leidde Katrijn ook geen ledig leven. Zij moest voor de kost zorgen en voor de gemakken van haar vader.

Nog altijd was de Kapitein in droevige gedachten verzonken en gewoonlik zat hij stil en eenzaam in de schaduw van 'n boom of bosje naar de zee te turen, terwijl hij onophoudelik rookte. Dit roken was voor hem, zowel als voor de andere zeelieden 'n waar genot, want al hadden sommigen nog wel 'n pijp gehad, sinds de schipbreuk waren ze zonder tabak geweest.

De Abambo's echter kenden 't gebruik van tabak en verbouwden 'n soort van die plant, welke in sommige delen van Zuid-Afrika in 't wild groeit. Ze droogden de blaren en maakten er kleine rollen van, evenals de Pondo's dit tans nog doen. Die tabak had geen slechte smaak, maar was verbazend sterk, doch de zeelieden waren aan sterke tabak gewoon. Zij die geen pijpen hadden, kregen die òf van de kaffers, òf maakten ze zelf uit 't hout van 'n zekere boom, dat daartoe zeer geschikt was.

Nadat de hutten gereed waren, hadden de mannen weinig of niets te doen. Soms gingen ze 's morgens naar 't strand, waar ze zich eerst baadden, en zich dan vermaakten met 't vangen van vis en niet zelden 'n rijke buit meebrachten.

Nu en dan vergezelden ze Christian of een der andere Engelsen naar de hoofdkraal van de Abambo's; bij andere gelegenheden gingen ze met de nieuwe vrienden op de jacht.

Over 't algemeen leidden ze 'n aangenaam en zorgeloos leven. Wild, vis, kafferkoren en ander voedsel was er volop, en ze hadden zich over niets te bekommeren.

Om echter een van de kaffermeiden tot vrouw te nemen, zoals de drie Engelsen hadden gedaan, dat stuitte zelfs de anders niet kieskeurige Hollandse zeelui tegen de borst.

Nadat ze omtrent drie weken nabij de Baai van Natal waren geweest, kwam Kingston aanzetten met twee van de drie achtergebleven zieken, die tans hersteld waren. De derde was intussen overleden. Nu was het oude gezelschap weer zo goed als voltallig.

Kort na hun aankomst zeiden Christian en Kingston, dat ze van plan waren 'n eind ver 't binnenland in te gaan, ten einde olifanten te jagen en handel te drijven met de inboorlingen, en ze stelden aan de Hollanders voor met hen samen te gaan, 't geen dan ook aangenomen werd.

Slechts Hartog en de oude Kapitein en diens dochter bleven thuis, met de andere drie Engelsen.

De twee herstelde zieken wilde Christian eerst niet meenemen, want hij vreesde, dat ze nog niet sterk genoeg zouden zijn om de ongemakken van de reis te verdragen, doch ze drongen zo bij hem aan, dat hij ten slotte er in toestemde.

Al de blanken werden met geweren en de nodige ammunitie gewapend. Men had geen andere vracht te dragen, dan z'n eigen kombaars en genoeg proviand voor 'n dag.

Veertig dragers, ieder met twee assegaaien gewapend, werden met de handelswaren en genoeg kafferkoren voor de reis beladen; vlees kon men langs de weg krijgen in de vorm van wild.