De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal
Part 2
MacIntosh, de Schot, was heel wat ontdooid en scheen op goede voet te geraken met Katrijn, schoon hij nog enigszins stug was tegenover haar vader.
De bootsman glimlachte van plezier als hij Katrijn naar 't voordek zag komen, om met hem en de bemanning 'n praatje te maken.
Hogesaad alleen bleek onhandelbaar, en alle pogingen van Katrijn om hem aan 't praten te krijgen en wat vroliker te stemmen, schenen vruchteloos te zijn.
Ja, somtijds was hij zelfs tamelik onbeschoft tegen haar, doch ze vond het geraden hiervan geen notitie te nemen en er zelfs geen klachten bij haar vader over te maken.
Met de Kapitein zelf onderhield de Eerste stuurman zich ook weinig.
Als hij iets tegen deze zei, was het slechts om hem te bestrijden omtrent de een of andere voorgestelde maatregel.
Tegenover het scheepsvolk sloeg hij 'n hoge toon aan, vloekte tegen hen voor 't minste vergrijp en maakte 'n vrij gebruik van 't eindje touw om hen lichaamstraf toe te dienen; om die redenen was hij wel gevreesd door de bemanning, maar tevens gehaat.
De enige man, die 't waagde om de Eerste stuurman 't hoofd te bieden, was de opperbootsman, die met de grootste koelbloedigheid z'n vloeken en schelden aanhoorde, nooit 'n woord terug zei, doch als hij er genoeg van had, met 'n minachtend schouderophalen, de offisier de rug toedraaide.
Eens had Hogesaad in z'n woede 'n bevel gegeven omtrent 't rangschikken van de zeilen; 't was echter onuitvoerbaar, waarop Tuijl in luid gelach uitbarstte en zich naar 't voordek begaf, waar hij overluid tot 't scheepsvolk zei: "Hier, maats, de Eerste stuurman heeft ons een raadsel opgegeven; ik kan 't niet oplossen; probeer jullie het maar!"
Hogesaad had reeds z'n fout ingezien, doch hij beefde van woede, toen hij hoorde, dat de bootsman de gek met hem scheerde bij de bemanning; hij wilde zich juist naar 't voordek begeven met 'n stuk dik touw, toen hij bijna de Kapitein tegen 't lijf liep, die op dat ogenblik de kompanjietrap opkwam.
De Kapitein, die zag dat zijn Eerste stuurman zeer opgewonden was, vroeg: "wat is er aan de hand, Hogesaad?"
"De bootsman heeft me beledigd," riep Hogesaad verbolgen uit, "en ik ga hem eens flink op z'n tabernakel geven."
"Ik zou je niet raden dat te doen, stuurman," zei de Kapitein bedaard; "de bootsman is geen gewone matroos, maar de eerste onderoffisier op 't voordek, en de scheepsartikelen van de Kompanjie bepalen dat alle twisten tussen de offisieren of onderoffisieren beslist zullen worden door de bevelhebber van 't schip, en in ernstige gevallen door de Scheepsraad. Wil je je bij mij beklagen, dan zal ik zien of de zaak door mij persoonlik beslist kan worden, dan wel of 't nodig is, om de Scheepsraad bij elkaar te roepen."
Hogesaad begreep dat 't niet ging om de kwestie op gerechtelike wijze te doen beslissen, en terwijl hij 't stuk touw op 't dek wierp, antwoordde hij, dat de zaak de moeite niet waard was.
Katrijn sprak, toen zij eens met de bootsman alleen was, met hem over 't gedrag en karakter van de Eerste stuurman, waarop zij ten antwoord kreeg, dat deze geheel veranderd was, sedert Kapitein Gerritsen het schip had verlaten, want met hem had Hogesaad goed klaar kunnen komen; z'n behandeling van 't scheepsvolk was in die tijd ook heel wat zachter dan tans. "Ik kan niet anders dan tot de gevolgtrekking komen, Juffer," zei de bootsman, "dat meneer Hogesaad 'n teleurgesteld man is, die geloofde dat hij Kapitein van 't schip zou worden. Hij voelt zich nu beledigd en uw vader moet daarvan de gevolgen ondervinden. Ik ben bang dat hij op de een of andere goede dag uw vader 'n lelike streek zal trachten te spelen; maar gelukkig staat hij alleen, en wij zullen wel 'n oogje op hem houden en toezien dat hij geen malligheden begint. Het scheepsvolk heeft al de buik vol van hem, en er zijn zelfs sommigen die menen, dat 't raadzaam zou zijn, dat de Eerste stuurman op 'n donkere nacht over boord viel, het zij per ongeluk of anderszins."
"Nee," zei Katrijn, "dat moeten jullie niet doen, maar ik zou daarom wensen, dat Hogesaad zich wat aangenamer gedroeg."
Behalve de reeds hierboven genoemde offisieren waren er nog twee mannen aan boord, die de rang van offisier hadden, namelik de Boekhouder of Kargadoor, en de Barbier of Chirurgijn.
De Boekhouder was 'n man van over de 50 jaar, heel stil en eenvoudig van aard, die dageliks bezig was met de scheepspapieren en z'n vrije tijd doorbracht met 't lezen van boeken, waarvan hij een kist vol in z'n kajuit had.
De Barbier, die eigenlik slechts de rang van onderbarbier had, was 'n jonge man van 24 jaar, vrolik van aard en 'n echte spotvogel, die niemand spaarde met z'n kwinkslagen, en 'n biezondere slag had om spotversjes te dichten. Zijn spottende aanmerkingen waren hoofdzakelik tegen de Eerste en de Tweede stuurman gericht, die zich niet weinig woedend daarover maakten, doch natuurlik de dichter niet 't stilzwegen konden opleggen.
Toen men omtrent 10 mijl ten zuiden van 't eiland Ceylon was, sloeg de wind om naar 't Noorden en werd 't weer stormachtig.
Kapitein Knijf liet de zeilen reven, doch de wind nam zo in hevigheid toe, dat hij ten slotte verplicht was alle zeilen in te halen, met uitzondering van 'n stormzeil en 'n gaffel.
Het schip steigerde en rolde op 'n ontzettende wijze en schoon 't aan 't roer gehoorzaamde, moest men twee stuurlui aan 't stuurtoestel hebben.
Op de tweede dag van de storm stond Katrijn als gewoonlik naast haar vader op 't kampanjedek en bespraken ze samen de toestand van 't weer en de kans van 'n verandering in de richting van de wind.
Abraham Hartog was met 'n jonge matroos aan 't roer.
Plotseling sloeg 'n hevige golf tegen 't schip aan en draaide 't roer met zulk 'n geweld om, dat de twee mannen niet in staat waren het stuurrad in bedwang te houden; het slingerde hen zo hevig weg, dat 't aan hun handen ontglipte. Katrijn zag dit en nog voor haar vader het bemerkte, vloog ze naar het rad, greep het met forse hand beet en bracht met een snelle beweging 't schip voor de wind.
Hartog was weer opgesprongen en hij en de Kapitein snelden toe om 't dappere meisje te helpen, dat met al haar krachten nauweliks bij machte was om 't stuurrad te bedwingen.
Zodra de twee mannen het in handen hadden, liep Katrijn op de jonge matroos toe, die bewusteloos op 't dek lag en uit 'n gat in z'n hoofd bloedde; 't meisje trachtte 't bloed met haar zakdoek te stillen.
Intussen hadden de bootsman en enige matrozen 't ongeval bemerkt en zij snelden te hulp om de nog bewusteloze jonge man van 't dek op te tillen en hem ter behandeling naar de barbier te brengen.
Dit voorval maakte, toen 't op 't voordek bekend werd, 'n verbazende indruk en Katrijn steeg er nog hoger door in de achting van de bemanning.
De derde dag hield de storm op en gedurende twee weken was 't weer fraai en de wind rustig. Daarna echter werd de hemel bedekt met wolken en schoon de wind bleef waaien, zag men drie weken lang noch zon noch sterren.
De Kapitein kon dus geen waarnemingen doen om de richting en plaats te bepalen en slechts bij benadering kon hij vaststellen dat hij omtrent 200 mijlen van de Zuid Afrikaanse kust moest verwijderd wezen. Na afloop van de drie weken ging de wind liggen, doch de hemel bleef bewolkt en het schip maakte slechts weinig vordering.
Kapitein Knijf, voelde zich volstrekt niet op z'n gemak en hij sprak er over met z'n dochter.
"Het is een lelike toestand," zo begon hij, op zekere avond in Februarie 1686, "waarin wij verkeren. Er lopen hier in de Oceaan zeer veranderlike stromingen, die daarbij zo sterk zijn dat ze 't schip mijlen uit z'n koers kunnen werpen en de Oostkust van Madagascar, zowel als de kust van Zuid-Afrika is rotsachtig en zeer gevaarlik. Ik heb dan ook aan Hogesaad bevolen om dag en nacht 'n uitkijk op de grote mast te zetten en ook nog een op de voorboeg. Het zal me echter niets verwonderen als, met m'n gewone ongeluk, dit schip ergens op de kust wordt geworpen, en dat zou voor goed 'n einde aan mijn loopbaan maken."
Katrijn glimlachte en zeide: "Vader, u moet niet alles zo donker inzien. Denk wat moeder altijd gezegd heeft: Vertrouw op God en alles zal recht komen."
HOOFDSTUK IV.
DE SCHIPBREUK.
In diezelfde nacht van 16 Februarie 1686 had IJsbrand Hogesaad de wacht op de Stavenisse. Eigenlik was 't de wachtbeurt van de Kapitein, doch deze gevoelde zich niet wel en had Hogesaad gevraagd de eerste wacht te doen, om dan zelf de tweede te nemen. Het was 8 uur in de avond toen de Eerste stuurman op wacht ging; 't was pikdonker en er woei bijna geen wind. De ene uitkijk was in de grote mast, en vooraan de boeg was er nog een en daar zat ook Abraham Hartog. Het was omtrent 10 uur en de Kapitein en z'n dochter waren reeds naar bed gegaan, toen opeens de uitkijk in de mast zo hard hij kon, schreeuwde dat hij land zag.
Hogesaad riep hem toe, dat hij gek was, want dat ze wel honderd mijlen van 't land af waren en dat wat de man zag niet anders kon zijn dan 'n mistbank.
Voor 'n ogenblik dacht IJsbrand Hogesaad eraan om zelf in de mast te gaan kijken wat er van was, maar opeens werd hij als door de duivel bezeten en fluisterde deze hem in: wat, stoor je niet aan de zaak, als 't schip strandt, rust er geen blaam op jou, maar wel op de Kapitein, die z'n wacht heeft verzuimd. Gebeurt er iets, dan verliest hij z'n post en dan ben jij niet alleen gewroken, maar heb kans om kapitein te worden.
Aan die valse gedachte liet de Eerste stuurman de vrije teugel en hij bleef rustig op 't kampanjedek staan.
Zowat 'n kwartier later kwam weder uit de grote mast 't geroep: "Land vlak bij ons!" en riep ook de man op de voorboeg 't zelfde, terwijl Hogesaad zelf 't witte van de branding reeds kon zien en het geluid er van horen.
Voor hij echter 'n woord kon uiten, sprong Abraham Hartog naar de trap, die naar de slaapplek van de bemanning leidde en riep luidkeels: "alle handen op dek! 't schip is in gevaar!"
De bootsman hoorde 't en in 'n ogenblik was de bemanning op 't dek, gereed om alle orders uit te voeren.
Hogesaad scheen als door de bliksem getroffen en geen bevel kwam uit z'n mond, maar Abraham Hartog gaf dadelik order de beste twee ankers uit te werpen, ten einde 't schip tot staan te brengen.
De bemanning was juist hiermede bezig toen de Kapitein op 't dek verscheen en 't bevel overnam.
Toen hij op de kampanje kwam was Hogesaad verdwenen, maar Abraham Hartog vertelde hem welke maatregelen genomen waren.
Ook de andere offisieren verschenen op 't dek, alsmede Katrijn.
Men hield raad, maar kon voor 't ogenblik geen betere maatregelen bedenken, dan die reeds genomen waren; de grote vraag was slechts of de kabels 't schip zouden houden, want blijkbaar was dit in 'n sterke stroming.
Een uur later brak de eerste kabel en slechts de stuurboordkabel hield het schip toen nog vast.
Op die wijze bleef het vaartuig liggen tot omtrent 3 uur in de morgen, maar elk ogenblik verwachtte men dat de tweede kabel ook zou breken. Offisieren zowel als bemanning maakten zich gereed voor 't ergste.
Katrijn snelde naar haar kajuit, ontdeed zich van haar vrouwekleren en trok 'n mans pak aan, dat zij dikwels in stormweer had gebruikt.
Zij was 'n uitmuntende zwemster, maar wist dat in 't water vrouwekleren haar bewegingen zouden belemmeren.
Zonder te weten waarom, stak ze in de rechterzak van haar baadje, 'n groot zakmes en in de linker 'n tweeloops pistool, dat aan de wand van haar kajuit hing, maar niet geladen was.
Even voor drieën sprong de tweede kabel met 'n knal als van 'n kanonschot en bijna onmiddellik daarna stootte 't schip op 'n rots en werd zo beschadigd, dat 't zich dadelik met water begon te vullen.
De bemanning sprong weldra over boord en 'n ieder trachtte door zwemmen 't land te bereiken, want in de branding waren de boten nutteloos.
Van de 71 personen op 't schip slaagden 60 er in om op 't droge te komen, terwijl 11 man verdronken.
De Kapitein en z'n dochter waren de laatste twee die in zee sprongen. Gedurende enige tijd hadden ze een zware strijd te doorstaan met de branding, toen bereikten ze echter 'n platte rots, die slechts 'n paar voet onder water was en daarna zonder veel moeite 't zanderige strand.
De Kargadoor, de Dokter, en een der matrozen hadden zich vrij erg bezeerd aan de rotsen, en waren niet in staat zich te bewegen, de anderen waren voor 't ogenblik wel uitgeput, maar herstelden zich spoedig.
Toen de dag aanbrak, zag men dat 't schip reddeloos verloren was. De masten waren overboord geslagen en aan de ene zijde was 'n groot gat, waaruit reeds 'n deel van de lading in zee spoelde.
Gelukkig lagen de ra's van de grote mast en de fokkemast met hun zeilen op 't strand en 't eerste werk was dan ook om daarmee zo goed mogelik een soort van tent op te slaan, als beschutting tegen zon en regen.
Op de twee volgende dagen slaagde men er in om 't kompas en enige andere instrumenten uit 't wrak te redden, alsmede drie vaten varkensvlees, 'n kist met beschuit en wat kleren.
Natuurlik zou die proviand slechts voor enige dagen voldoende zijn, doch men hoopte spoedig inboorlingen te zien en van hen vee te kunnen ruilen, terwijl ook kreeft en vis verkrijgbaar zouden zijn.
HOOFDSTUK V.
EEN BERAADSLAGING EN DE GEVOLGEN DAARVAN.
De schipbreuk had 'n geweldige invloed op Kapitein Knijf, die door 't ongeluk geheel was terneder geslagen. Hij sprak bijna geen woord, maar zat tegen 'n rots aan 't strand geleund, bij zichzelf te klagen en te mompelen, en had blijkbaar alle geestkracht verloren.
Het nam Katrijn heel wat tijd en moeite om haar arme vader wat op te beuren; maar de Kapitein antwoordde, dat alles nu verloren was, dat hij nooit meer 'n schip zou krijgen en dat hij en z'n dochter nu van honger zouden omkomen. "De toekomst is donker, erg donker mijn kind," zo besloot hij met 'n diepe zucht.
"Vader, 't is nu niet de tijd om over de toekomst te denken, maar we moeten ons tot 't heden bepalen en zien wat 't beste is voor ons om te doen, en ik moet zeggen dat u ondankbaar is jegens de Hemel. Het is wel waar, dat 't vergaan van de Stavenisse 'n grote slag voor ons allen is, maar we behoren dankbaar te zijn, dat ons leven tot dusver gespaard werd. U geeft 'n slecht voorbeeld aan 't scheepsvolk, dat ook alle moed zal verliezen, als ze hun Kapitein in zo'n toestand zien."
Ook de jonge Hartog sprak tot de Kapitein en spoorde hem aan, allen bij elkander te roepen, ten einde te bespreken wat men zou doen. "Maar voor wij daarmede beginnen, moeten wij trachten uit te vinden, waar wij zijn," zei hij. "De lucht is nu helder en we hebben de instrumenten om de lengte- en breedtegraad te vinden."
De Kapitein luisterde naar de raad van de Derde stuurman, en spoedig waren hij, Hogesaad en ook Hartog bezig met 't doen van waarnemingen, waaruit bleek dat ze op de kust van Zuid-Afrika waren gestrand, op omtrent 70 mijl ten zuiden van 't tegenwoordige Durban.
De Kapitein maakte dit bekend aan de bemanning en riep allen bijeen.
Weldra was men 't er algemeen over eens, dat men dadelik moest beginnen de reis over land naar de Kaap te ondernemen.
Hoe ver dat was, wist eigenlik niemand en zeker was er niet een die op dat ogenblik 't minste denkbeeld had, dat ze zowat duizend mijl van de Kaap af waren, en nog minder een die begrip had van de moeilikheden aan zo'n reis verbonden.
De hoofdzaak was, volgens de meesten, dat men dadelik zou aanvangen, want hoe langer men bleef hoe groter de kans voor hongersnood werd.
Men maakte zich dus dadelik voor de reis gereed. De drie mannen die zich bij de landing hadden bezeerd, waren niet in staat om te lopen, en er zat dus niets anders op, dan dezen in de tent achter te laten met wat voedsel.
Diezelfde morgen nog gingen de andere 57 op weg en namen zoveel proviand met zich mee als ze konden dragen.
Men nam z'n weg langs 't strand, dat echter spoedig rotsachtig werd en daardoor zeer vermoeiend.
Twee dagen lang hield men vol, maar op de morgen van de derde dag, bevonden de Kapitein en z'n dochter, de drie stuurlui, de zeilmaker, de bootsman en vier matrozen, dat ze niet in staat waren om verder te gaan; zij besloten derhalve terug te keren naar de plaats waar 't schip gestrand was. De overige 46 man vervolgden hun reis westwaarts.
Er was echter bij de tent geen proviand genoeg voor 14 personen en men moest daarom dadelik beginnen, met aan 't strand schelpdieren te zoeken.
Met veel moeite vond men voldoende oesters en mosselen voor 'n dag of twee, maar gelukkig spoelden er de dag daarna enige vaten en kisten met voedsel aan land, zodat men nu voor de eerste maand geen vrees voor hongersnood behoefde te koesteren.
Bij laag water zou men, zoals later bleek, 't wrak wel kunnen bereiken, al was 't dan ook met moeite, en de bootsman en vier matrozen, deden ook werkelik 'n poging daartoe en slaagden er in om na heel wat gesukkel, 'n kleine hoeveelheid proviand aan land te brengen.
Ook spoelde 'n beschadigde boot van 't schip aan, en de Kapitein besloot dadelik om de boot te doen herstellen en daarmee 'n reis naar Kaapstad te ondernemen.
Bomen van allerlei soort en grootte waren er op korte afstand van 't strand te vinden. Men had enige bijlen en messen en ook wat ruw timmermansgereedschap, en moedig toog men aan 't werk.
Slechts zeer langzaam vorderde men, want er moesten verscheidene planken van de boot uitgezaagd en door nieuwe vervangen worden, en daar men geen spijkers had, was men genoodzaakt de nieuwe planken door middel van pennen van hard hout te bevestigen.
Maar dit scheen zo weinig betrouwbaar, dat de bootsman en de vier matrozen met heel wat levensgevaar 'n tweede tocht naar het wrak ondernamen, waarvan zij terugkwamen met 'n hoeveelheid bouten en spijkers, die ze uit de romp van 't wrak hadden gehaald.
Katrijn was de ziel en 't leven van het gezelschap. Haar voornaamste werk was natuurlik om voor de kost te zorgen, maar niet zelden nam zij ook bijl en hamer ter hand en hielp de anderen met hun werk.
Bootsman Willem Tuijl toonde nu wat er in hem zat, en daar hij zeer vernuftig was, kwam hij de grootste moeilikheden te boven.
Hij slaagde er zelfs in om van 'n paar spijkers vishoeken te maken, waarmee men inderdaad 'n aantal tamelik grote vissen ving, die 'n welkome versnapering waren, al moest men ze zonder zout eten.
Niet minder handig toonde zich Abraham Hartog, en ook de oude MacIntosh deed onder de invloed van Katrijn alles in z'n vermogen om met 't werk behulpzaam te zijn. Slechts de Eerste stuurman bleef nors en mokkend, zonder zich veel met de anderen te bemoeien of hen te helpen, en dit gaf dikwels aanleiding tot hevige twisten tussen hem en de bootsman.
Na 14 dagen hard werken was de boot gereed en zeevaardig. Hij werd te water gelaten en gevuld met zoveel proviand als men machtig kon worden.
De drie zieken gaven heel wat moeite. MacIntosh had voorgesteld hen achter te laten; Hogesaad verenigde zich met dat voorstel en zelfs de Kapitein was daartoe geneigd, doch Katrijn, Hartog en de bootsman verzetten zich ten sterkste tegen deze onmenselike daad, en daar de anderen hen steunden, werd ten slotte overeengekomen hen mee te nemen.
Toen allen zich ingescheept hadden, was de boot vrij zwaar geladen, en Willem Tuijl die het roer vatte, zag met een bezwaard hart naar de vrij sterke branding die tegen de rotsen en 't strand sloeg. Het zeil werd gehesen en de boot verliet de kust, doch de bootsman had zich niet vergist. Toen 't zwakke vaartuig in de ziedende branding kwam, bleek 't onhandelbaar en schoon Tuijl alle pogingen van de stuurmanskunst in 't werk stelde, werd de boot door 'n zware golf getroffen en kantelde om.
Met grote moeite bereikte men de kust, waarbij Hartog, de bootsman en de vier matrozen niet alleen zichzelf moesten redden, maar ook behulpzaam zijn met 't aan land brengen van de drie ongelukkige zieken, die buiten staat waren zich zelf te helpen.
Het grootste verlies echter was dat van de ingescheepte proviand, want nu dreigde er werkelik hongersnood.
Wel gelukte 't de bootsman om nog twee vishoeken te maken, maar 't scheen of de vissen de lust om te bijten hadden verloren en in drie dagen ving men slechts twee vissen.
Hartog, de zeilmaker en drie matrozen ondernamen opnieuw 'n tocht naar 't wrak, maar zij bevonden dat de gehele lading reeds zo goed als weggespoeld was en men kwam met bijna lege handen terug.
Slechts enige bouten en wat spijkers en losse ijzeren staven werden buitgemaakt.
De toekomst zag er nu waarlik duister uit.
HOOFDSTUK VI.
DONKERE DAGEN.
Men had uit 't schip ook drie geweren gered, en 'n klein vaatje buskruit, dat echter gedeeltelik door 't zeewater bedorven was, en 'n kistje met hagel waren nog aangespoeld.
Maar onder de veertien personen waren er slechts twee die behoorlik 'n geweer konden hanteren en dit waren de Eerste stuurman en een der matrozen, Willem Schelling geheten.
Het kostte echter heel wat moeite voor men Hogesaad kon overreden op de jacht te gaan, maar ten slotte stemde hij toch toe.
Elk der twee mannen nam 'n zakje kruit mee en wat hagel van de grootste soort. Ook zorgden zij om nieuwe vuurstenen, in hun pangeweren te zetten en daarop trokken zij welgemoed 't land in.
Men zag spoedig enige bokken, maar ze schenen erg wild en toen Hogesaad er op een schoot, miste hij.
Plotseling, bij 't komen uit een dik bos in 'n open ruimte, bevonden de jagers zich tot hun niet geringe schrik, tussen een aanzienlike troep olifanten.
Schelling wierp dadelik z'n geweer weg en klom in 'n hoge, dikke boom, maar niet voordat de olifanten de indringers reeds hadden bemerkt. Hogesaad trachtte het voorbeeld van z'n maat te volgen, maar toen hij, zo hard als hij kon, naar 'n andere grote boom liep, zag hij zich achtervolgd door 'n reusachtige mannetjesolifant, die hem inhaalde, juist toen de stuurman de boom trachtte te beklimmen.
De olifant greep hem met z'n slurf, wierp hem 'n eind ver weg en trapte hem zodanig, dat de Eerste stuurman binnen weinige minuten een vormeloze klomp vlees was.
Na z'n woede aldus gekoeld te hebben, stapte de olifant 't bos in, gevolgd door de overige van de troep en waren ze alle spoedig uit 't gezicht.
Schelling bleef nog enige tijd in de boom zitten om te zien of de dieren niet zouden terugkomen, doch toen dit niet geschiedde en alles stil bleef, klom hij uit de boom, nam z'n geweer op en stapte naar de plaats waar 't lijk van Hogesaad lag. Hij nam ook diens geweer en begaf zich daarop zo snel mogelik naar de tent terug.
Na dit rampspoedig voorval waagde niemand 't meer om op de jacht te gaan.
We zouden een onwaarheid vertellen, als we beweerden, dat de Eerste stuurman diep betreurd werd door zijn metgezellen. Slechts MacIntosh mompelde, toen hij 't verhaal gehoord had, de woorden "poor fellow".
Twee dagen daarna werden de schipbreukelingen niet weinig verrast door de aankomst van ongeveer twintig kaffers, die met assegaaien en knopkieries gewapend waren, maar die blijkbaar geen kwaad in hun schild voerden, en met vriendschappelike gebaren de tent naderden.
Geen der blanken kon 'n woord van hun taal verstaan, maar door gebaren en door hen wat spijkers en bouten en ook 'n paar koperen ringen te wijzen, die uit 't wrak waren aangespoeld, deed men hen ten slotte verstaan, dat zij die ten geschenke zouden krijgen, wanneer ze enig voedsel brachten.
De kaffers gingen daarop terug, en kwamen de volgende dag in groter getal opnieuw 'n bezoek brengen, en brachten toen 'n dozijn hoenders, 'n platte mand gevuld met kafferkorenmeel, en 'n kleine wilde bok mede.
Er begon nu 'n handel die meer dan 'n uur duurde, en waarbij van beide kanten getracht werd een zo voordelig mogelike koop te sluiten. De blanken slaagden er ten slotte in al de meegebrachte eetwaren te verkrijgen voor 12 grote bouten, 20 spijkers en 1 koperen ring, en gaven de kaffers te kennen, dat zij nog meer eetwaren moesten brengen.