De Dochter van de Zeekapitein: Een Histories Verhaal
Part 10
"Enige dagen later werd ik overgeplaatst op de Zeeland, die een reis naar China en Japan ging maken. Op de zesde dag van onze reis werden we door 'n Chinese zeerover aangevallen. De djonk was 'n groot schip met een sterke bemanning, en zij schenen te denken, dat ze 'n gemakkelik zaakje aan ons zouden hebben. We voerden echter 24 stukken grof geschut, de Kapitein was 'n dappere kerel en de manschappen waren van zessen klaar. De djonk trachtte ons aan te klampen, maar we peperden hem zo geweldig, dat 't niet gelukte. Daarop zond hij 7 boten naar ons om te trachten vaste voet op ons dek te krijgen, maar onze zeesoldaten schoten de rovers bij hopen dood, terwijl ze probeerden om langs de zijde van 't schip ons te bereiken.
"De Kapitein van de djonk scheen echter vast besloten te hebben ons niet los te laten, en 't gevecht duurde meer dan drie uur. Eindelik slaagden wij er in een kogel in de kruidkamer van de djonk te schieten, waarop deze in de lucht vloog en de Chineesjes als poedels in 't water ploeterden, waar we ze lieten. In dat gevecht vielen aan onze kant 7 doden en omtrent 20 gekwetsten, tot welke laatsten ik ook behoorde, want ik kreeg 'n lelike kogelwond in mijn linkerarm. Gelukkig had de kogel 't been niet geraakt, maar de wond bloedde sterk, daar 'n slagader was afgesneden, doch nadat de barbier me verbonden had, herstelde ik spoedig. Ik moet me dapper in dat gevecht gedragen hebben, al weet ik 't zelf niet, want niet alleen prees de Kapitein mijn gedrag, maar toen we in Batavia terugkwamen, beval hij me bij de Kompanjie aan voor bevordering.
"Tien dagen na dit gevecht kwamen we in de Chinese havenstad Foochow aan, waar we een gedeelte van onze lading losten, en daarvoor 'n paar honderd kisten tee inscheepten.
"Van Foochow zeilden we rechtuit naar 't eiland Decima, waar de Hollanders de alleenhandel met Japan hebben, en ik vertel jullie dat de Kompanjie daar geld maakt als water, niettegenstaande de beperkingen en zware belastingen, die de Japanners ons opleggen.
"We raakten hier de rest van onze lading kwijt, maar namen weer 'n grote partij rijst, porselein, verlakte waren en andere snuisterijen in, zodat we zwaar beladen naar Batavia terugzeilden, waar we zonder wederwaardigheden aankwamen.
"Drie weken later werd ik overgeplaatst op de Vlaardingen, als Tweede stuurman, alhoewel ik nooit mijn stuurmanseksamen afgelegd heb, maar ik had genoeg ervaring opgedaan in de 20 jaren die ik al op zee was, om net zoveel van 'n schip te weten als de beste stuurman, die ooit op 'n kampanjedek heeft gelopen.
"De Kapitein van de Vlaardingen was een ziekelik man, die aan een nierkwaal leed, en we waren nog geen tien dagen van Batavia weg, toen hij erg ziek werd en binnen vier dagen overleed. Onze kost aan boord was slecht, doordat de Eerste stuurman, die voor de proviand had moeten zorgen, kop in één muts was met de leverancier van de Kompanjie, en zij deze met hun tweeën lelik in de nek zagen; maar 't noodlot wilde dat de Eerste stuurman zelf 't slachtoffer werd van zijn bedrog.
"Op zekere dag, kort na 't middagmaal, werden alle offisieren ziek en ik ook. We braakten dat 't verschrikkelik was en leden aan hevige pijnen in de ingewanden. De barbier zei, dat we door 't een of ander voedsel vergiftigd waren.
"Twee dagen daarna overleed de Eerste stuurman aan de gevolgen van die ziekte, en wij anderen sukkelden wel tien dagen vóór we weer beter waren.
"De Tweede stuurman, die nu 't bevel voerde, wilde de Tafelbaai binnenlopen, om nieuwe proviand in te nemen, maar niet ver van Kaap Agulhas liepen we in 'n storm, die ons snel in zee joeg en tien dagen lang aanhield.
"Toen de storm voorbij was, bemerkten we dat we bijna 200 mijl ten westen van de Kaap waren, en daarop wilde de stuurman niet omkeren, maar de reis voortzetten.
"De proviand werd nauwkeurig onderzocht en alles, wat er niet pluis uitzag, over boord geworpen.
"Dit maakte dat de bemanning op kort rantsoen werd gezet en deed ook de scheurbuik onder hen uitbreken. De Vlaardingen was een eerste klas schip van over de 1000 ton, met een bemanning van zo wat 220, maar zó erg woedde de scheurbuik, dat toen we de Azoren voorbij gingen, 70 man gestorven waren en er bijna 100 ziek in hun hangmatten lagen.
"Er waren dus niet meer dan omtrent 40 man om 't schip te hanteren en zij hadden hun handen vol, vooral toen we langs de Spaanse kust opnieuw door 'n verschrikkelike storm werden overvallen.
"Het roer brak en 't schip was aan de genade van de golven overgeleverd. Met de grootste moeite gelukte het ons om 'n noodroer samen te flansen en dat over boord te krijgen, zodat 't schip enigszins handelbaar werd. Doch diezelfde avond sloeg een geweldige golf op 't dek en vernielde niet alleen al onze boten, maar wierp de Kapitein en de Derde stuurman, die aan 't roer waren, over boord. Er was geen kans hen te redden, en nu kwam 't bevel aan mij. De storm hield aan tot ver in de Golf van Biskaie en vóór de wind ging liggen, hadden we twee van onze masten verloren. Nog nooit van m'n leven heb ik 't zo zwaar gehad als in die tijd.
"Met 100 man ziek aan boord, met niet meer dan 40 paar handen om te helpen, en met 'n gebrekkig roer moest ik het bijna ontredderd schip veilig in de haven brengen, en toch was ik beslist van plan dit te doen.
"Gelukkig was de weerbare bemanning gewillig en zette alle krachten op 't spel. We richtten twee kleine noodmasten op, en daar 't weer goed bleef en de wind gunstig, bereikten we in veiligheid Vlissingen.
"Van de Kamer van Vlissingen kreeg ik een speciaal bedankje voor de bekwame wijze waarop ik 't schip behouden had, en tevens een ekstra maand gage voor mezelf en de bemanning.
"De Vlaardingen bleef te Vlissingen om op de scheepswerf te worden hersteld, maar ik ging door naar Rotterdam, om aan de Kamer aldaar, aan wie de Vlaardingen toebehoorde, verslag van mijn reis uit te brengen.
"Tot mijn niet geringe verwondering zette men me voor drie maanden op wachtgeld, en wilde me daarvoor geen reden opgeven. Gelukkig had ik wat geld opgespaard en behoefde dus geen gebrek te lijden.
"Na verloop van die drie maanden, werd ik aangesteld als Tweede stuurman van de Wassenaar, en maakte daarmee drie reizen naar de Oost.
"De Wassenaar was echter een oud schip en op de derde reis huiswaarts, vertoonde het zulke gebreken dat 't afgekeurd werd.
"Ik werd toen nogmaals drie maanden op wachtgeld gezet en daarna bevorderd tot Eerste stuurman van de Schiedam, en deed verleden jaar mijn eerste reis daarmee naar Batavia, en later nog 'n reisje naar Japan.
"Bij mijn terugkomst te Batavia in Desember van het vorig jaar, werd me buiten alle verwachting het bevel aangeboden over de Prins te paard, die op de ree van Batavia lag, en ik aarzelde niet die benoeming aan te nemen.
"Op 10 Januarie van dit jaar ondernamen we onze terugreis naar Patria en alles ging uiterst voorspoedig, totdat wij, niet ver van Madagascar, in een cykloon kwamen, die ons niet losliet voor hij onze fokkemast en de helft van onze grote mast had meegenomen.
"Verleden week Zaterdag zeilden we Tafelbaai binnen zonder enig verder ongeval, en daar moeten we nu blijven totdat we zo goed mogelik opgeknapt zijn."
"Drommels," zei Hartog, "je hebt heel wat meegemaakt, maar zoals gewoonlik ben je er verbazend goed afgekomen, en ik wens je geluk met je nieuwe rang."
"Ja," antwoordde Tuijl, "zoals je weet, ben ik op zee geboren, maar ik ben niet van plan ook op zee te sterven, en hoop ergens in Holland 'n rustig plekje te kunnen vinden, waar ik kalm kan slapen tot aan de Opstandingsdag."
"Je zult wel dorstig wezen, Tuijl, na dit lange verhaal," meende de praktiese Katrijn, en meteen stond ze op en haalde een karaf wijn met drie glazen.
"Proef die wijn eens, Tuijl," zei Hartog, "dit is eigen maaksel."
Tuijl nam een duchtige teug uit zijn glas, smakte met z'n lippen en zei toen:
"Abraham, je was in jouw tijd 'n degelik zeeman, maar ik geloof dat je nog 'n betere wijnboer bent. Hoe ben je er toe gekomen om een landrot te worden, en dat nogal in Zuid-Afrika?"
Hartog wilde nu op zijn beurt een verhaal van zijn verdere leven doen, maar juist op dat ogenblik kwam de oude kapitein in de kamer. Hij keek de bezoeker oplettend aan, haalde toen zijn bril te voorschijn, zette die op de neus en keek de bezoeker nog eens aan.
"Wel, duivekater," mompelde hij, "ik ben 'n boon, als dat niet Willem Tuijl is!"
"Je hebt goed gezien, Kapitein," riep Tuijl verheugd uit, en hij sprong op om zijn oude bevelhebber hartelik de hand te drukken.
"Ik dacht dat je al lang naar de haaien was, Tuijl," zei de oude kapitein, "maar je hebt nu 'n kapiteinspak aan," vervolgde hij, en voegde er schertsend bij: "'t moet er beroerd bij de Kompanjie uitzien, als ze nu al bootslui tot kapiteins maken!"
"Ze kunnen niet anders doen, Kapitein," antwoordde Tuijl lachend, "want de goede, oude kapiteins, zoals u, zijn allemaal landrotten geworden, en boeren of tuiniers."
Er werd die dag en ook de volgende nog heel wat "gezelsd" tussen de oude schipbreukelingen van de Stavenisse, en met 'n week hart nam de Kapitein van de Prins te paard afscheid van de oude Knijf en zijn dochter, voor hij in 't lichte karretje steeg, waarin Hartog reeds gezeten was.
HOOFDSTUK XXVI.
DE DOOD VAN KAPITEIN KNIJF.
Het landleven was niet alleen aangenaam voor de oude Kapitein, maar scheen ook 'n gunstige invloed op zijn gezondheid en gemoedstoestand te hebben. Wat deze laatste aanging, hij kreeg nooit meer die aanvallen van zwaarmoedigheid, die hem vroeger zo gekweld hadden. Hij was nu altijd vrolik en goed gehumeurd, en hij gromde alleen, wanneer de rupsen of andere insekten 't wat te bont maakten in de tuin.
En wat zijn gezondheid betrof: zijn gewicht was in de laatste jaren heel wat toegenomen, zodat hij zelf menigmaal 'n grap maakte over zijn "Burgemeester's buik". Inderdaad was de eetlust van de oude heer verbazend, en dit was voor een groot gedeelte te wijten aan de zorg en oplettendheid van Katrijn, die steeds er op uit was haar vader zijn lievelingsgerechten voor te zetten. Zo was bijvoorbeeld "kop en pootjes" iets, waarvan de oude heer zeer veel hield, en als dit 's avonds op tafel was, scheen de Kapitein er nooit genoeg van te kunnen krijgen; niet zelden gebeurde het dan, dat Katrijn verplicht was te weigeren hem 'n derde of vierde maal te bedienen, wat ze gewoonlik deed met de woorden: "Nee vader, u krijgt niet meer, anders wordt u vannacht nog door 'n beroerte overvallen."
Die uitmuntende eetlust had de Kapitein waarschijnlik te danken aan 't feit, dat hij 't grootste gedeelte van de dag in de buitenlucht doorbracht, en daarbij matig in zijn tuin arbeidde, zonder zich ooit te veel te vermoeien.
Het was in de maand Junie 1700, dat de Kapitein hard bezig was in de tuin en, niet bemerkende dat 't weer dreigend werd, plotseling door een regenbui overvallen werd. Tot haar niet geringe verbazing zag Katrijn, die even aan de voordeur keek, dat de oude heer in z'n hemdsmouwen in de tuin werkte, terwijl dikke regendroppels in groten getale neerkwamen. Snel nam zij de overjas van haar vader van de kapstok en bracht hem die, waarbij ze hem beknorde, dat hij zich liet natregenen, en de vrees uitsprak, dat hij zich 'n lelike verkoudheid op de hals zou halen.
De Kapitein antwoordde echter: "Stil, stil nou Katrijn, 'n mens zou waarlik gaan denken, dat ik nog nooit in 'n regenbui ben geweest, en op zee heb ik dan wel 24 uur in stortzeeën gestaan, zonder dat iets mij overkwam."
"Dat is waar, Vader," hernam zijn dochter, "maar regenbuien zijn veel ongezonder dan stortzeeën, en zeewater is niet zo gevaarlik als regenwater."
De volgende morgen klaagde de Kapitein over wat hoofdpijn, en 's avonds hoestte hij op een wijze, die Katrijn de schrik in 't hart deed slaan. Op haar aandringen nam hij voor 't naar bed gaan, een warm mosterd-voetbad, doch de morgen daarna had hij zulk een hevige koorts, dat Katrijn het geraden achtte, hem in bed te houden, en ze 's middags om tante Sannie, de vrouw van Willem van Zijl, zond, die in 't dorp een goede naam had wegens haar kennis van medicijnen en ziekten. Tante Sannie zei dadelik in vertrouwen tot Katrijn, dat zij vreesde, dat de oude Kapitein 'n aanval van longontsteking had, en toen hij de volgende dag niet beter was, liet de oude vrouw een bok slachten en de warme pens ervan op de borst van de zieke leggen, om er de inflammatie uit te trekken, zoals ze zei; maar niettegenstaande dit beproefde middel, was de Kapitein daags daarna nog erger en werd de koorts zo hevig, dat hij van tijd tot tijd begon te ijlen.
Op verzoek van zijn vrouw liet Abraham vier van zijn beste paarden inspannen en reed er zelf mede naar Kaapstad om de garnizoensbarbier te halen, want er was geen geneeskundige te Stellenbosch.
Binnen 16 uur was Hartog terug met de opperbarbier, doch in die tussentijd had de ziekte reeds zoveel voortgang gemaakt, dat de geneesheer meende, dat er geen de minste hoop was om 't leven van de oude man te redden, en langzamerhand namen diens krachten dan ook af.
Op de vierde dag was de patiënt bijna de gehele tijd ijlend, maar kort voor zononder, kwam hij weder bij zijn verstand en riep Katrijn bij zijn bed: "Ik voel, m'n kind," zei hij met zwakke stem, "dat ik spoedig sterven zal, en als ik dood ben, dan moet jullie me begraven bij de jonge eik, die ik zes jaar geleden van de Kommandeur heb gekregen en door mij geplant is in 't midden van de tuin."
Katrijn beloofde dit en dadelik daarop werd de oude man overvallen door zulk 'n hevige hoestbui, dat zijn dochter meende, dat hij daarin zou blijven.
Hij overkwam die echter voor 't ogenblik, maar viel daarna vermoeid op zijn kussens terug, en Katrijn, die zag dat 't einde niet meer ver af was, liet haar man roepen.
Toen deze bij 't bed kwam, trachtte de lijder nog enige woorden te uiten, doch zijn stem was reeds zo zwak, dat Hartog slechts met moeite de woorden: "Zorg voor haar" kon verstaan, waarop de oude man in een toestand van bewusteloosheid verviel, en om 10 uur die avond, met een diepe zucht 't tijdelike met 't eeuwige verwisselde.
Hartog sloot hem de ogen en Katrijn drukte een laatste kus op de lippen van haar vader, en barstte toen in tranen uit.
Abraham trachtte zijn vrouw te troosten, door te zeggen, dat ze haar gehele leven haar plicht tegenover haar vader had gedaan en zich dus niets te verwijten had, en dat zij daarbij ook nog de troost had, dat hij de laatste elf jaar van zijn leven in geluk en tevredenheid in hun huis had doorgebracht.
Overeenkomstig de belofte aan hem gedaan, werd de Kapitein begraven in 't midden van zijn geliefd tuintje, aan de voet van de jonge eikeboom, die gewoonlik door de familie de Kommandeursboom werd genoemd.
HOOFDSTUK XXVII.
DE LAATSTE ZEEREIS VAN DE DOCHTER VAN DE ZEEKAPITEIN.
Het ene jaar na 't andere verliep. Simon van der Stel had met verlof van de Direkteuren zijn hoge betrekking neergelegd, en leefde tans rustig op zijn prachtige plaats Constantia, bij de Wijnberg.
Na hem was zijn zoon, Willem Adriaan van der Stel, Goeverneur geworden, doch deze was een man van 'n geheel ander karakter als zijn vader. De wijze waarop hij steeds op eigen voordeel uit was, zichzelf trachtte te verrijken ten koste van de kolonisten, wier belangen geheel door hem verwaarloosd werden--een voorbeeld spoedig door de andere ambtenaren gevolgd,--deden weldra grote ontevredenheid onder de kolonisten ontstaan.
In die dagen had een zekere Henning Huising een kontrakt met de Kompanjie, waarbij hij aangenomen had om deze tegen 'n bepaalde prijs van beeste- en schapevlees te voorzien, maar kort nadat Willem van der Stel aan het bestuur was gekomen, werd dit kontrakt door hem vernietigd. Henning Huising was hierover zeer verbolgen en zette nu met behulp van zijn neef Adam Tas een beweging tegen de Goeverneur op touw.
Zij hadden een aantal gegronde redenen en vonden grote steun onder alle klassen van de burgers, maar vooral bij de Franse vluchtelingen te Drakenstein en Franschhoek.
Op zijn rondreizen door de Kolonie, met 't doel om ondertekenaars te krijgen op een klaagschrift tegen de Goeverneur, dat men naar de Kamer van Zeventien wilde zenden, kwam Adam Tas in 't jaar 1704 op Goede Hoop, en had een lang onderhoud met Abraham Hartog, waarin hij z'n uiterste best deed, om deze te overreden, bovengenoemd stuk ook te tekenen.
Abraham Hartog weigerde echter standvastig iets met de zaak te doen te willen hebben, en zei dat hij zulks hoofdzakelik om twee redenen deed. Ten eerste had de Goeverneur hem persoonlik nooit enig kwaad gedaan of nadeel toegebracht, maar kocht hij daarentegen, evenals zijn vader, elk jaar de wijnopbrengst van Goede Hoop; ten tweede wilde Hartog, zich niet met politieke zaken bemoeien en vooral niet voor anderen de kastanjes uit 't vuur halen; hij had niets over de Regering te klagen, hij betaalde zijn belastingen en tienden geregeld, en zolang men hem verder niet lastig viel, had hij geen reden om zich tegen de Regering te verzetten.
"Dan ben u dus een ondersteuner van de Goeverneur," zei Adam Tas ten laatste; "dit zal u niet populair maken onder de bevolking van Drakenstein."
"Ge vergist u, meneer Tas," antwoordde Hartog op vrij scherpe toon. "Ik ben geen ondersteuner van de Goeverneur, maar ook niet tegen hem. Ik ben alleen geheel neutraal, en weiger me te bemoeien met een zaak, die me persoonlik niet aangaat; en wat u daar zegt omtrent mijn populariteit onder de inwoners van Drakenstein, dit is iets wat mij koud laat, en ik kan daaromtrent slechts zeggen, dat ik nooit naar populariteit gestreefd heb, doch, zonder meer, mijn plicht tegenover mijn medemensen heb gedaan en dit voortaan nog zal doen."
Adam Tas moest onverrichter zake van Goede Hoop wegrijden.
Enige dagen later bezocht Hartog de Kaapstad, en toen hij daarvandaan terugkwam, vroeg hij 's avonds plotseling aan Katrijn:
"Vrouw, zou je niet weer eens 'n zeereisje willen doen?"
Katrijn keek verwonderd op en begreep niet wat haar man in 't schild voerde. "Hoe kom je daar zo opeens toe?" vroeg zij. "Heb je misschien 'n schip gekocht?" voegde ze er lachend bij.
"Nee," zei haar man, "zo dwaas ben ik nog niet, maar gisteren heeft de Goeverneur me gevraagd of ik niet tijdelik 't bevel wil nemen over de galjoot de Postloper. De Politieke Raad wil dit scheepje zodra mogelik langs de kust naar Natal sturen, om te zien of er ergens een plaats of geschikte baai is, waar men goed bouwhout kan krijgen, dat gemakkelik naar de Kaap kan verscheept worden. Het hout rondom Tafelberg is reeds geheel uitgeroeid en om 't over Holland uit Rusland of Zweden te laten komen, maakt de onkosten te groot. Ik heb aan de Goeverneur gezegd, dat ik hem niet dadelik een antwoord kon geven, omdat ik jou eerst wilde raadplegen, want in geen geval zal ik jou hier alleen op de plaats achterlaten. De vraag is dus, of je lust hebt om met me mee te gaan of niet.
"Ik, voor mij, geloof dat een reisje in de frisse zeelucht je geen kwaad zal doen, want je hebt je de dood van je vader, wat sterk aangetrokken, en dit heeft natuurlik invloed gehad op je gezondheid, want je ziet er wat bleek en zwak uit, al zeg je dat je er zelf niets van bemerkt."
Katrijn bewaarde enige tijd 't stilzwijgen, en vroeg toen of de zaak haast had, waarop Hartog antwoordde, dat hij zo gauw mogelik tot 'n besluit moest komen, want dat de Goeverneur 't scheepje spoedig wenste te laten vertrekken. Bovendien zat de Regering in een moeilikheid, want er was op dat ogenblik geen zeeman in Kaapstad, die genoeg met de Oostkust van Afrika bekend was om 't bevel van de expeditie op zich te nemen.
"Goed, Abraham," zei Katrijn, "morgenochtend bij 't ontbijt, zal ik je mijn antwoord geven. Maar zeg me eerst, wie naar de plaats zal kijken, gedurende onze afwezigheid."
Hartog antwoordde: "Ik geloof niet dat we langer dan hoogstens twee maanden zullen wegblijven en bovendien is er op 't ogenblik niet veel op de plaats te doen, zodat ik meen dat Jean Nortier in staat zal zijn om intussen de plaats te besturen. Als er iets biezonders gebeurt, kan hij altijd Oom Willem van Zijl raadplegen."
Die nacht streed Katrijn een zware strijd. Zij dacht aan die grote, prachtige zee, aan 't vrije leven op 't schip, aan de opwekkende gevaren, die zulk een reis opleverde en zij gevoelde dat grote verlangen en die oude liefde, die zij steeds voor de oceaan had gehad, terugkeren.
En toch boezemde juist dat verlangen en die liefde haar een zekere onbepaalde vrees in. Het was geen vrees voor de zee en zijn gevaren, het was een vrees voor haar eigen gemoed. Zij wist dat haar man nimmer weer z'n fortuin op de baren zou gaan zoeken, maar ze was bang, dat, als zij eenmaal de zeelucht weer voor enige tijd ingeademd had, zij de zee weer zou liefkrijgen en een tegenzin gaan voelen voor 't landleven, en aldus in haar hart een strijd zou ontstaan tussen liefde en plicht. Eindelik viel zij in slaap en toen zij ontwaakte, was haar besluit genomen, alsof dit in een droom tot haar gekomen was.
"Ik zal meegaan," zei ze tot zichzelf, "en de zee zal me niet overwinnen."
Aan 't ontbijt, deelde zij dit besluit aan Hartog mede, die daarover blijkbaar zeer verheugd was. Dadelik schreef hij dan ook een brief aan de Goeverneur, dat hij tijdelik en alleen voor deze tocht, 't bevel van de Postloper op zich zou nemen, en dat hij daartoe zodra mogelik met zijn vrouw in Kaapstad zou zijn.
Veel voorbereidingen waren er niet te maken. Katrijn pakte wat oude kleren voor zich en haar man in 'n kist, en wat handwerk, en daarmee was de zaak klaar, want goede kleren aan boord te dragen vond ze verkwisting. De kist werd met de wagen van een buurman, die toevallig naar de Kaap ging, meegezonden, om afgegeven te worden aan het Kasteel, en de volgende dag bracht ou Koos, de vertrouwde staljongen op Goede Hoop, de baas en zijn vrouw in de grote kar met vier paarden naar Kaapstad, en reed daarop alleen met de kar terug.
De Postloper lag zeilklaar in de Baai. Hartog liet wat ekstra proviand voor zich en zijn vrouw op 't schip bezorgen, kreeg vervolgens op het Kasteel de nodige bevelen van de Sekretaris en zeilde op de 20ste November 1705 met de galjoot de baai uit.
Het weer was mooi en de wind de eerste dagen gunstig, doch hij ging daarna liggen, en woei eindelik als een lichte bries uit 't Westen, zodat 't schip eerst op 29 Desember de Baai van Natal binnenliep.
De reis deed Katrijn werkelik goed. Zij voelde zich biezonder gelukkig, doch hield haar oude hartstocht toch in bedwang. Daar de zandbank het water te ondiep maakte, kon de Postloper niet in de Binnenbaai ankeren en moest men met een boot het strand bereiken. Eerst zes dagen later, toen 't hoog getij was, waagde Hartog 't de baai binnen te lopen. De stam van de Abambo's, die 18 jaar geleden bij de Baai woonde, werd er nog gevonden, maar de Engelsen waren, zoals de Kaffers mededeelden, op 'n expeditie naar 't verre binnenland, door een vijandelike stam vermoord. De Abambo's zelf hadden in die jaren herhaaldelik strijd gevoerd met andere naburige volken, en zware verliezen geleden, zodat zij lang niet meer zoveel vee hadden als vroeger.
Hartog ondernam 'n kleine tocht naar 't binnenland ten einde de bossen aldaar te onderzoeken, en daarbij werd hij vergezeld door Katrijn en ook door een Engelsman, Goodwin geheten, die in 1699 aan de Baai was gekomen met twee andere landgenoten, welke echter door de Kaffers vermoord waren. Deze Engelsman had twee kaffervrouwen en 'n aantal kinderen.
Hartog bevond dat er nog ontzaglike bossen met bruikbare bomen waren in Natal en wel op geringe afstand van 't strand, zodat men het hout zonder grote moeite naar de Kaap kon verschepen. Hij vertoefde echter langer in de Baai, dan oorspronkelik zijn plan was, en eerst op 22 Februarie 1706 zeilde de Postloper weer uit om de terugreis te aanvaarden. Intussen waren er twee van de bemanning van het schip gedrost en hadden zich bij de Kaffers aangesloten.