Chapter 9
Zij voelden zich zeer rijk en aan gelden en aan goederen; zij kenden geen perken voor hun eigen welbehagen en begonnen zonder eenigen teugel of tucht hun bezittingen te verkwisten, hielden een groot personeel, vele en goede paarden, honden, pluimvee, ontvingen voortdurend gasten, gaven geschenken, hielden steekspelen en leefden niet slechts gelijk het aan edellieden betaamt, maar bovendien al naar het in hun jeugdig brein opkwam. Het duurde dan ook niet lang of op die wijze werd de schat hun door hun vader nagelaten minder en toen voor hun reeds begonnen uitgaven hun inkomsten niet voldoende meer waren, verkochten en verpandden ze hun bezittingen. Zij verkochten den eenen dag dit, den volgenden wat anders en de armoede opende hun de oogen, welke de rijkdom hun gesloten had gehouden. Lamberti, riep daarom de andere twee tot zich en zeide hen hoe groot de naam van hun vader was geweest, hoe groot de hunne en hoe groot hun rijkdom was en tot welk een armoede zij door hun wanordelijke verkwisting gekomen waren. Hij gaf hun den raad, voor hun ellende nog meer aan den dag kwam, met hem te samen het weinige wat hun nog gebleven was te verkoopen, en weg te gaan en zoo deden ze. Zonder afscheid te nemen en zonder opzien te baren, trokken zij uit Florence en hielden zich nergens op, totdat zij in Engeland waren. Toen huurden zij in Londen een huisje, maakten zeer weinig vertering en leenden op woeker zonder genade. Hierbij was de fortuin hun zoo gunstig, dat zij binnen enkele jaren een groote som gelds overhielden. Aldus keerde de een na den ander naar Florence terug, ze kochten hun bezittingen weer op, wisten bovendien nog meer te koopen en kozen zich vrouwen. Daar zij nog altijd in Engeland op woeker leenden, zonden zij tot het waarnemen van hun zaken een jonkman, een neef van hen daarheen, die Alexander heette. Ze hadden alle drie te Florence vergeten in welk een toestand de dwaasheid der verkwisting hen had gebracht en begonnen, hoewel zij een familie hadden gevormd, meer dan ooit overmatig geld te verteren. Zij hadden het grootste crediet bij ieder koopman en van elk een groote som gelds in handen. Het geld door Alexander gezonden hielp hen eenige jaren lang om hun verkwistingen vol te houden. Alexander leende aan baronnen op hun kasteel en op andere inkomsten, die er met groote winst hem goed borg voor stonden. Terwijl de drie gebroeders rijkelijk verteerden en het geld hun ontbrak en zij leenden, daar zij altijd vaste hoop op Engeland hadden, brak er daar toevallig tegen de verwachting van iedereen een oorlog uit tusschen den koning en een van zijn zoons. Het geheele eiland raakte verdeeld, zoodat deze met den een en eene het met den ander streed. Hierdoor waren al de kasteelen der baronnen van Alexander verpand en alle andere inkomsten geheel onzeker. Daar men van dag tot dag nog hoopte op vrede tusschen vader en zoon en dat bijgevolg alles aan Alexander zou worden teruggegeven zoowel de rente als het kapitaal en Alexander niet van het eiland vertrok, beperkten de drie broeders, die te Florence waren hun zeer groote verteringen in niets en borgden elken dag meer. Maar toen men na enkele jaren niets van de gekoesterde hoop zag komen, verloren de drie gebroeders niet alleen hun crediet, maar hun schuldeischers drongen op betaling aan en zij werden gevangen genomen. Daar hun bezittingen niet toereikend waren om te betalen, bleven zij voor goed in de gevangenis en hun vrouwen en kleine kinderen zwierven van dorp tot dorp rond in schamele kleeren en zij wisten niet beter dan dat zij eeuwige armoede te wachten hadden.
Alexander, die in Engeland verscheidene jaren vergeefs op den vrede gewacht had, zag dat hij niet kwam. Het scheen hem daar twijfelachtig voor zijn levensbehoud en voor verdiensten te blijven. Hij nam zich voor naar Italië terug te keeren en ging geheel alleen op weg. Toen hij Brugge verliet, zag hij, dat toevallig eveneens een witte benedictijner-abt de stad uitreed door vele monniken vergezeld en met veel dienstpersoneel en bagage vooruit. Daarop volgden een paar oude ridders, verwant met den koning, met welke Alexander als met bekenden een gesprek begon en in hun gezelschap werd hij goed ontvangen. Terwijl hij aldus met hen voorttoog, vroeg hij hun stilletjes wie de monniken waren, die met zooveel bedienden te paard reisden en waar zij heengingen. Hierop antwoordde een der ridders: Die daar vooruit rijdt, is een ons verwant jonkman, die onlangs tot abt is gekozen van een der rijkste abdijen van Engeland. En omdat hij volgens de wetten te jong is om zulk een waardigheid te erlangen, gaan wij met hem naar Rome om van den Heiligen Vader gedaan te krijgen, dat hij hem wegens den jeugdigen leeftijd dispensatie verleent en hem dan in die waardigheid bevestigt. Maar u moet daarover niet met anderen spreken.
Daar nu de jonge abt dan eens voorop, dan weer achteraan in den stoet reed, gelijk wij allen dit van voorname heeren elken dag zien, kwam hij op dien tocht dicht bij Alexander, die een zeer knap man was van figuur en gelaat en die meer dan iemand het wezen kon, welopgevoed en aangenaam en van goede manieren was. Deze beviel hem op het eerste gezicht buitengewoon, zooveel als ooit iemand hem behaagd had en hem tot zich roepende, begon hij heel gezellig met hem te praten en te vragen wie hij was, vanwaar hij kwam en waar hij heenging. Aan hem legde Alexander vrijelijk zijn geheelen toestand bloot, voldeed aan zijn vragen en bood zich tot elken dienst, hoe weinig het ook zijn mocht, aan. De abt hoorde naar zijn aangenaam en geregeld gesprek en toen hij aandachtiger zijn manieren beschouwde en er van overtuigd werd, dat hij ondanks zijn nederig beroep, edelman moest zijn, werd hij met hem nog meer ingenomen. Hij was vol medelijden over zijn ongelukken, troostte hem vriendelijk en zeide hem, dat hij goeden moed moest houden, omdat, als hij een flink man was, God hem opnieuw zou plaatsen, vanwaar hij hem verworpen had en hooger zelfs. Hij verzocht hem, omdat hij ook naar Toscane ging, hem gezelschap te houden, daar de ander er insgelijks heentoog. Alexander bedankte hem voor dien troost en zeide, dat hij gereed was tot elk verzoek van hem.
Terwijl de abt aldus voortging en bij hem nieuwe gedachten opkwamen door den geest van Alexander, bereikten zij na eenigen tijd een dorp, dat niet al te rijk van herbergen was voorzien. Daar de abt er wilde logeeren, liet Alexander hem bij een waard afstijgen, die hem nogal toegedaan was, en liet voor hem een kamer in orde maken in het geriefelijkste vertrek van het huis. Nu hij als het ware de hofmeester van den abt was geworden en hij zeer practisch was, had hij het personeel van den abt, deze hier en gene daar, onder dak gebracht. Toen de abt het avondmaal had genuttigd en al een goed deel van den nacht voorbij was en iedereen was gaan slapen, vroeg Alexander, waar hij kon ter ruste gaan. Hierop antwoordde de waard: ik weet het werkelijk niet; gij ziet, dat alles vol is en gij kunt mij en mijn huishouden zien slapen op banken; evenwel zijn er in de kamer van den abt een soort graankisten, waar ik u heen kan brengen en u wat beddegoed kan geven en waarop gij op de beste manier als het u belieft, dezen nacht kunt liggen. Hierop sprak Alexander: Hoe zal ik in de kamer van den abt kunnen komen; gij weet, dat die zoo klein is, dat er door haar nauwheid zelfs niet een van zijn monniken kon liggen? Had ik dat geweten, toen de gordijnen er opgehangen werden, dan had ik op de graankisten zijn monniken laten slapen en mij bevonden, waar de monniken nu liggen. De waard hernam: Het is nu eenmaal zoo en gij kunt als gij wilt, daar het best logeeren. De abt slaapt, de voorhangen zijn dicht, ik zal u er zacht een matras toeschuiven en gij legt u er dan ter ruste. Alexander, die zag, dat dit kon gebeuren zonder den abt te storen, stemde er in toe en zoo stil hij kon, ging hij er liggen. De abt, die niet sliep, maar daarentegen hartstochtelijk aan zijn jeugdige begeerten dacht, hoorde, dat de waard en Alexander spraken en had ook gemerkt, waar Alexander zich had neergelegd. Hierdoor zeide hij in zichzelf zeer welgemoed: God heeft mij het geschikte oogenblik voor mijn wenschen gezonden; indien ik het niet aangrijp, zal het zoo per toeval in langen tijd niet terugkeeren. Nadat de abt over alles had nagedacht om hem bij zich te hebben en alles stil scheen in de herberg, riep hij met een zeer zachte stem Alexander en verzocht hem zich naast hem te leggen, die na vele weigeringen zich ontkleedde en dit deed. De abt, die hem de hand op de borst legde, begon die niet anders te beroeren dan de mooie meisjes het hun minnaars doen, waarover Alexander zich zeer verwonderde en er zeer aan twijfelde of de abt niet bewogen werd door ongeoorloofden hartstocht. De abt begreep dadelijk die twijfel òf door argwaan, òf door een beweging, die Alexander maakte en glimlachte en nadat hij haastig van zijn lichaam het hemd, dat hij aanhad, had neergetrokken, nam hij de hand van Alexander die hij op zijn borst legde en zei: Alexander, verban die dwaze gedachte en eer zoekend kennen, wat ik je hier verberg. Toen Alexander de hand op het lichaam van den abt had gelegd, vond hij twee gladde, stevige en zachte borsten als van ivoor. Toen hij die gevonden had en begrepen, dat dit een vrouw moest wezen, wilde hij zonder een verdere uitnoodiging af te wachten en haar snel te hebben omarmd, haar kussen en zij zeide: Hoor, voor dat gij mij nadert, wat ik je zeggen wil. Gelijk je kunt weten ben ik een vrouw en geen man. Ik heb als jonkvrouw mijn huis verlaten en ging naar den Paus, opdat die mij zou uithuwelijken. Het is uw geluk of mijn ongeluk, dat, toen ik u gisteren zag, mij de liefde ontbrandde als nooit een man een vrouw deed. Hierom had ik besloten u boven allen tot echtgenoot te verlangen. Zoo gij mij niet tot vrouw wilt, ga dan dadelijk hier uit en keer op uw plaats terug. Alexander, hoewel die haar nog niet kende, maar op het gezelschap lette, dat zij had, meende, dat zij edel en rijk moest zijn, en zag, dat zij zeer schoon was; daarom zonder al te lang na te denken antwoordde hij, dat, als het haar beviel, het hem zeer aangenaam zou zijn. Zij ging daarop in het bed rechtop zitten voor een plaat, waarop God was afgebeeld, gaf hem een ring in de hand en huwde hem en na elkaar te hebben omhelsd met groot genoegen van weerskanten, waren zij gelukkig zoolang de nacht duurde. Nadat zij maatregelen hadden beraamd en orde op hun zaken hadden gesteld, stond Alexander bij het krieken van den dag op en ging vervolgens de kamer uit, waar hij binnen was gekomen zonder dat iemand wist, waar hij had geslapen. Hij was bovenmatig verheugd, ging met den abt en diens gezelschap op reis en na vele dagen kwamen zij te Rome. Daarna, sinds zij er eenigen tijd hadden vertoefd, kwamen de abt met de twee ridders en Alexander bij den Paus en nadat zij hem den verschuldigden eerbied hadden betuigd, begon, de abt aldus te spreken:
Heilige Vader, gelijk gij het beter dan iemand kunt weten, moet ieder, die goed en fatsoenlijk wil leven zooveel mogelijk alles vermijden, wat hem tot iets slechts zou kunnen leiden. Opdat ik, die fatsoenlijk wil blijven, dit naar welgevallen kan doen, ben ik in het kleed, waarin gij mij ziet, heimelijk gevlucht met het grootste deel der schatten van den koning van Engeland, mijn vader (die mij met een oud man, den koning van Schotland, wilde laten trouwen, terwijl ik nog een jong meisje ben gelijk gij ziet.) Ik kwam hier, opdat Uw Heiligheid mij zou uithuwelijken en mij daarbij hielp. Nu deed mij niet zoozeer de leeftijd van den koning van Schotland vluchten als de vrees door de zwakheid van mijn jeugd iets te doen, wanneer ik eenmaal met hem getrouwd zou zijn, wat tegen de goddelijke wetten was en tegen de eer van het koninklijk bloed van mijn vader. En terwijl ik met dit geloof hier kwam, heeft God, die alleen het best weet, wat ieder behoeft,—ik geloof door zijn barmhartigheid—mij dezen toegevoerd, die het Hem behaagde, dat mijn echtgenoot zou worden. Dat is deze jonge man, die Alexander heet en dien gij thans voor u ziet en wiens zeden en moed een of andere groote dame waardig zijn, hoewel misschien de adel van zijn bloed niet zoo doorluchtig is als het koninklijke van mij. Hem heb ik genomen en hem wil ik dan ook hebben. Nooit wil ik een ander bezitten, wat ook mijn vader of anderen er van zeggen. Nu is de voornaamste reden, waarom ik op reis ging, vervallen, maar het behaagt mij mijn tocht voort te zetten, zoowel om de heilige en eerbiedwaardige plaatsen op te zoeken, van welken deze stad vol is als om Uwe Heiligheid in persoon te aanschouwen en ook opdat het huwelijk door Alexander en mij alleen gesloten voor God, openlijk zal worden voltrokken in Uw tegenwoordigheid en zoodoende van alle andere menschen. Daarom bid ik U nederig, dat, wat aan God en mij behaagde, ook U welgevallig zal zijn en gij Uw zegen geeft, opdat wij hiermee als met meer zekerheid omtrent de goedkeuring van hem, wiens Stedehouder gij zijt, ter eere van God en van u kunnen leven en eindelijk sterven. Alexander verwonderde zich er over, dat zijn vrouw de dochter was van den koning van Engeland en was vervuld van wonderbaarlijke, geheime vreugde maar de twee ridders verbaasden zich nog meer en waren zoo verstoord, dat zij, als ze elders dan bij den Paus waren geweest, Alexander en misschien ook de donna een leelijke poets hadden gebakken.
Anderzijds verwonderde de Paus zich zeer, zoowel over de vermomming van de dame als over haar verkiezing tot abt, maar daar hij zag, dat men er niets aan kon veranderen, voldeed hij aan haar bede. Eerst bracht hij de ridders, die hij verstoord zag, tot kalmte, verzoende hen weer met de donna en Alexander en gaf order tot wat er te doen bleef. Toen de dag, door hem bepaald, gekomen was, liet hij in tegenwoordigheid van alle kardinalen en van een groot aantal hooggeplaatste personen, die waren uitgenoodigd en die waren verschenen om aanwezig te zijn bij het prachtige feest, dat hij had laten voorbereiden, de donna komen koninklijk getooid, die zoo schoon en bekoorlijk leek, dat zij naar waarheid door allen werd geprezen en evenzoo Alexander prachtig uitgedost, in uiterlijk en manieren heelemaal niet een jongeling, die op woeker had geleend, maar veeleer een prins van koninklijken bloede en door de twee ridders zeer geëerd. Daarop liet de Paus opnieuw plechtig het huwelijk vieren en na een schoone en weelderige bruiloft, liet hij ze gaan met zijn zegen.
Het stond Alexander en ook de donna aan van Rome vertrekkend naar Florence te reizen, waar reeds de faam het nieuws had verbreid. Daar liet de donna, door de burgers met de hoogste eer ontvangen, de drie gebroeders bevrijden, nadat ze eerst iedereen had laten betalen en aan hen en hunne vrouwen hun bezittingen teruggaf. Alexander en zijn vrouw vertrokken onder de toejuichingen van allen en voerden Agolante met zich mede en te Parijs gekomen, werden zij met eerbewijzen door den koning verwelkomd. Vervolgens gingen de twee ridders naar Engeland en onderhandelden zoo met den koning, dat hij hun genade schonk en met een zeer groot feest haar en zijn schoonzoon ontving, dien hij met de grootste plechtigheid tot ridder sloeg en wien hij het graafschap Cornwales schonk. Alexander was zoo bekwaam en wist zoo te handelen, dat hij den zoon met den vader verzoende, waaruit veel goeds voor het eiland volgde en waardoor hij de liefde verwierf en de gunst van alle bewoners. En Agolante moet ook weer alles ontvangen hebben, wat men hem schuldig was en kwam weer buitengewoon rijk te Florence, nadat graaf Alexander hem eerst tot ridder had verheven.
De graaf leefde sinds dien tijd roemrijk met zijn vrouw en volgens het zeggen van enkelen veroverde hij door zijn verstand en moed en met de hulp van zijn schoonvader daarna Schotland en werd daar tot koning gekroond.
VIERDE VERTELLING.
Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de Genueesen gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich op een kist vol kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door een vrouw opgenomen en keert rijk naar huis terug.
Laurette zat naast Pampinea en toen zij die tot het roemvol einde van haar vertelling gekomen zag, begon zij zonder langer te wachten aldus te spreken: Zeer genadige donna’s. Geen daad kan naar mijn oordeel u meer er een van de fortuin blijken dan iemand van de diepste ellende tot koninklijken rang zich te zien verheffen gelijk de vertelling van Pampinea aantoonde, dat Alexander overkomen is. En opdat, wat van de voorgestelde stof ook in het vervolg gezegd wordt, zal overeenstemmen met hetgeen ik nu van dezelfde strekking verhaal, zal ik mij niet weerhouden u een historie te vertellen, die, hoewel zij de grootste ellende inhoudt, echter niet zulk een schitterenden uitslag heeft. Ik weet wel, als ik daar op let, dat die met minder aandacht zal worden aangehoord, maar omdat ik niet anders kan, zal het mij worden vergeven.
Men houdt den zeekant van Reggio tot Gaeta voor het liefelijkste deel van Italië. Hier bevindt zich in de nabijheid van Salerno een kust, die op de zee uitziet, welke de bewoners la Costa d’Amalfi noemen, vol kleine steden, tuinen en beken, bewoond door de rijkste en ondernemendste kooplieden. Onder gezegde steden is er een Ravello [27] genaamd, waar, zoo er heden al rijke lieden wonen, destijds een zeer rijke leefde, Landolfo Ruffolo. Daar hij niet genoeg had aan zijn geld en verlangde dit te verdubbelen, liep hij gevaar alles te verliezen met zijn leven er bij. Hij dan, gelijk dat gewoonte is bij kooplieden, na een plan te hebben gemaakt, kocht een zeer groot schip, bevrachtte het voor zijn rekening met verschillende koopwaren en ging hiermee naar Cyprus. Na hier te zijn aangekomen, vond hij hier met hetzelfde soort koopwaren, die hij had aangebracht, andere schepen, zoodat hij niet alleen heel goedkoop moest verkoopen wat hij had meegebracht, maar als hij ze kwijt wou raken, ze moest wegsmijten, zoodat hij hierover de wanhoop nabij was. Hij had hiervan zeer veel verdriet, niet wetend wat te doen, nu hij zag, dat hij van een zeer rijk man in korten tijd arm was geworden en hij dacht er over òf te sterven òf door roof zijn schade te herstellen, opdat hij, waar hij rijk vandaan was gekomen, niet arm zou terugkeeren. Toen hij een kooper voor zijn groot schip gevonden had, kocht hij met dit geld en met het andere, wat hij voor zijn koopwaar had ontvangen, een licht scheepje om te kapen en voorzag dit met al wat hiertoe noodig was, rustte het uitstekend uit en begon op alles jacht te maken, vooral op de Turken. Bij de kaapvaart was de fortuin hem zeer gunstig, die ’t hem niet was geweest in den handel. Misschien in één jaar roofde en nam hij zooveel schepen van de Turken, dat hij niet alleen herkregen had, wat hij in den handel had verloren, maar hij had het meer dan verdubbeld. Toen hij van de eerste smart van het verlies hersteld was en wist, dat hij genoeg had, nam hij zich voor er geen tweede keer in te loopen en dat, wat hij nu had, hem genoeg zou zijn. Hij besloot naar huis terug te keeren en beangst voor den handel, wilde hij zijn geld niet meer in koopwaar omzetten, maar stak met het scheepje, waarmee hij het had gewonnen, in zee.
Toen hij reeds in den Archipel was, verhief zich ’s avonds een storm, die niet slechts tegen zijn koers in ging, maar die de zee zeer ruw maakte, wat zijn scheepje niet goed kon verduren, zoodat hij in een zeeboezem, welken een klein eiland gevormd had, voor dien wind beschut, zijn toevlucht nam en zich voornam beter weer af te wachten. Hij was hier pas kort, toen er twee galjoenen van Genueezen ankerden, die van Constantinopel kwamen om hetzelfde weer als Landolfo te ontvluchten en met moeite er in slaagden. De manschappen hiervan, die het scheepje zagen en hem den weg hadden afgesloten om te vertrekken, hoorden, wie hij was en daar zij al bij gerucht wisten, dat hij zeer rijk was, besloten zij, gelijk natuurlijk is bij menschen begeerig naar geld en roofziek, het te bemachtigen. Toen zij een deel van hun volk met den voetboog en wel gewapend hadden aan land gezet, lieten zij een gedeelte er van naderen, zoodat niemand van het scheepje, als hij niet wilde doorboord worden, er uit kon komen. De anderen, die booten hadden laten zakken, naderden, begunstigd door de zee, het vaartuig van Landolfo en met weinig moeite hadden ze in korten tijd het heele scheepsvolk zonder een man te verliezen in handen. Zij brachten Landolfo op een van hun galjoenen, namen alles van zijn scheepje weg, deden dat zinken en lieten hem slechts een armzalig wambuis.