Chapter 8
Toen zij dit gehoord hadden, was er niets meer noodig om hen met kracht naar voren te doen dringen. Zij begonnen te schreeuwen: Die verrader en bespotter van God en de heiligen moet gevat worden, die niet lam is, maar die zich zoo voordoet en hier kwam om met onzen heilige en ons den draak te steken! Bij deze woorden grepen zij hem, trokken hem van de plaats waar hij was, namen hem bij de haren, scheurden hem al de kleeren stuk en begonnen hem vuistslagen en stompen te geven; er scheen niemand te zijn, die daar niet aan meedeed. Martellino schreeuwde: Om Godswil genade! en verweerde zich zoo goed hij kon. Maar dit beteekende niets, de menigte werd steeds grooter. Stecchi en Marchese zagen dit, zeiden elkaar, dat de zaak mis liep en twijfelend aan hun eigen kracht, beijverden zij zich niet om hem te helpen; liever schreeuwden zij met de anderen mede, dat hij dood was, maar hadden toch plan hem in ieder geval uit de handen van het gepeupel te halen, dat hem zeker zou hebben gedood, indien er geen middel was geweest, dat Marchese dadelijk aangreep. Daar de geheele gewapende macht van het gebied buiten stond, ging Marchese zoo snel hij kon naar hem toe, die er het bevel voerde, en zeide: Help om Gods wil! Hier is een gemeene kerel, die mijn beurs heeft gerold met wel honderd florijnen; ik bid u, dat u hem gevangen neemt, opdat ik het mijne terug krijg. Onmiddellijk liepen, toen zij dit hoorden, twaalf manschappen daarheen, waar den armen Martellino zonder kam toilet werd gemaakt en toen zij met de grootste moeite de menigte hadden uiteengedrongen, trokken zij hem lam gebeukt en heelemaal plat getrapt uit haar handen en voerden hem naar het stadhuis, waarheen velen hem volgden, die zich door hem voor den mal gehouden achtten, en dien het dus scheen, toen zij gehoord hadden, dat hij gearresteerd was als zakkenroller, dat zij geen beter middel hadden hem een ongeluk aan te doen en daarom allen tegelijk begonnen te vertellen, dat hij hen allen de beurs had ontroofd. De rechter hoorde dit. Hij was een zeer streng man en nam hen snel in afzonderlijk verhoor. Maar Martellino antwoordde schertsend, alsof hij niets om de arrestatie gaf. De rechter werd hierover boos, liet hem op de pijnbank leggen en verscheidene flinke slagen geven om hem te doen bekennen, wat die lieden beweerden en hem dan te laten ophangen. Maar toen hij weer opstond, vroeg de rechter hem of het waar was, wat zij tegen hem inbrachten en dat het ontkennen niets hielp. Hij zeide: Neen, ik ben bereid de waarheid te bekennen, maar laat ieder, die mij beschuldigt zeggen, wanneer en waar ik hem de beurs stal en ik zal u zeggen, wat ik gedaan heb en wat niet. De rechter sprak: Mij goed, en nadat hij er enkelen had laten roepen, zeide de een, dat het acht dagen geleden was, dat hij hem dien had ontstolen, de ander zes, de ander vier en enkelen zeiden op dien dag zelf. Toen Martellino dat hoorde, hernam hij: Neen, zij liegen, dat ze zwart zien en dat ik de waarheid spreek, daarvan kan ik u het bewijs geven, omdat ik voor het eerst hier ben gekomen. Toen ik hier pas aankwam, ging ik tot mijn ongeluk dit heilige lichaam bezoeken, waar ik zoo afgeranseld vandaan ben gekomen, als gij nu ziet. En dat—wat ik zeg—waar is, kan bewezen worden door den beambte, die de paspoorten nakijkt, door zijn boek en door mijn waard. Daarom, indien gij bevindt, dat wat ik beweer, zoo is, zult gij mij niet dadelijk door die schelmen laten martelen en dooden.
Terwijl de zaken zoo stonden, zeiden Marchese en Stecchi tegen elkaar, die gehoord hadden, dat de rechter tegen hem streng te werk ging en hem al gepijnigd had, zeer bevreesd: Wij hebben heel verkeerd gehandeld en hebben hem van den wal in de sloot geholpen. Derhalve gingen zij in allerijl naar huis en toen zij hun waard gevonden hadden, vertelden zij hem het gebeurde. Hij lachte over die geschiedenis en bracht hen bij een zekeren Sandro Agolante, die in Treviso woonde en die zeer in den gunst van den landsheer stond. Toen hem alles naar behooren verteld was, verzochten de waard en zij, dat hij zich met het geval van Martellino zou bemoeien. Sandro, na erg te hebben gelachen, ging naar den landsheer en kreeg gedaan, dat Martellino werd ontboden; dit gebeurde. De lieden, die naar hem toe gingen, vonden hem nog in zijn hemd als voor den rechter en heel bang, omdat de rechter niets tot zijn verontschuldiging wilde hooren. Daar die bovendien nogal haat tegen de Florentijnen had, was hij geneigd om hem te laten opknoopen en wilde hem volstrekt niet loslaten, voor hij zijns ondanks er toe gedwongen werd.
Toen hij voor den heer stond en alles geregeld verteld had, verzocht hij hem als hoogste genade hem te laten weggaan, omdat, zoolang hij niet in Florence was, het hem zou schijnen, dat hij het touw van de galg om zijn hals had. De landsheer barstte het uit van het lachen over het gebeurde en na aan elk der drie een kleed te hebben gegeven, keerden zij boven hun verwachting en aan een groot gevaar ontsnapt, gezond en wel terug naar huis.
TWEEDE VERTELLING.
Rinaldo d’Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo, wordt daar opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos te zijn gesteld, gezond en wel weer terug naar huis. [22]
Over de lotgevallen van Martellino verteld door Neifile lachtten de donna’s uitermate en het meest onder de jongelui Filostrato, aan wien, omdat hij bij Neifile zat, de koningin beval, dat hij het vertellen zou vervolgen. Deze begon zonder verwijl: Schoone dames, ik heb lust u een verhaal te doen van kerkschelmerij en liefde door elkaar. Het kan niets anders dan nut stichten, als gij dit hebt gehoord, in het bijzonder onder degenen, die door de onveilige landen der liefde zwerven, bij hen, die het paternoster van San Giuliano [23] niet vele malen hebben opgezegd, en die een goed bed, maar een slechte herberg vinden.
Er was dan in den tijd van den markies Azzo van Ferrara, een koopman, Rinaldo d’Asti genaamd, die voor zijn zaken naar Bologna was gegaan. Toen hij klaar was, naar huis ging, Ferrara verliet en te paard naar Verona reed, ontmoette hij eenige lieden, welke kooplieden schenen, maar straatroovers waren, gemeene kerels, die een slecht leven leidden, met welke hij zich onvoorzichtig inliet. Zij, die zagen dat hij koopman was en meenden, dat hij geld bij zich droeg, spraken onder elkaar af, dat zij hem bij de eerste gelegenheid de beste zouden berooven. Opdat hij geen argwaan zou krijgen, liepen zij als bescheiden en welopgevoede menschen en spraken met hem over eerlijke en loyale zaken en gedroegen zich, zooveel ze maar konden en wisten, aardig en welwillend jegens hem. Zoo rekende hij het zich tot een groot geluk ze te hebben getroffen, daar hij slechts met een van zijn bedienden te paard zat. Aldus pratend over het eene na het ander, gelijk dat bij het spreken gebeurt, kwamen ze ook onder meer op de gebeden, die de menschen tot God richten en een van de drie bandieten zei tot Rinaldo: En gij, edelheer, wat zijt gij gewoon te bidden op reis?
Rinaldo antwoordde hierop: Werkelijk, ik ben in die dingen een practisch gewoon mensch, en heb weinig gebeden bij de hand; ik die op ouderwetsche wijze zoo leef, ik laat Gods water over Gods akker loopen, maar niettemin heb ik altijd de gewoonte gehad op reis en ’s ochtends, wanneer ik de herberg verlaat een paternoster op te zeggen en een ave maria voor de ziel van de vader en moeder van San Giuliano en dan bid ik God en hem, dat zij mij den volgenden dag een goede herberg geven.
Ik ben dikwijls genoeg in groote gevaren geweest, waaraan ik alle ontkomen ben en toch ’s nachts op een goede plaats en goed beherbergd geweest; daarom geloof ik vast, dat San Giuliano, tot wiens eere ik bid, voor mij die genade heeft afgebeden van God. Het komt mij voor, dat ik overdag niet goed zou kunnen voortgaan, noch bij den komenden nacht goed aankomen, als ik ’s ochtends het paternoster niet had opgezegd. Hierop zeide degene, die hem dit had gevraagd: En hebt gij het ook vanmorgen opgezegd? Rinaldo antwoordde: Welzeker. Daarna zeide de bandiet tot zich zelf, die al wist wat er gebeuren zou: Het komt je te pas, want indien er niets in den weg komt, zal je naar mijn plan toch leelijk gelogeerd zijn en toen hernam hij: Ook ik heb insgelijks veel gereisd en heb het toch nooit opgezegd, hoewel ik het van velen al meermalen heb hooren aanprijzen. Toch is het mij nog nooit gebeurd, dat ik slecht gehuisvest was en hedenavond zult gij toevallig kunnen zien, wie een betere herberg zal hebben, gij, die het hebt opgezegd, of ik, die het niet deed. Het is echter goed, dat ik in plaats daarvan het “Dirupisti” of de “intemerata” of het “Deprofundis” toepas, welke, naar een mijner grootmoeders placht te zeggen, van zeer groote kracht zijn.
En zoo over velerlei zaken sprekende en op hun reis voortgaande, wachtten zij plaats en tijd voor hun boos plan af. De drie bandieten vielen hem aan, bij Castel Guiglielmo bij de doorwaadbare, eenzame en afgesloten plek van een stroom, toen het donker was en beroofden hem. Zij lieten hem te voet en in zijn hemd staan en zeiden, toen ze heengingen: Ga en zie, dat San Giuliano je vannacht een goede herberg geeft gelijk onze heilige aan ons zal geven. Zij gingen van die plaats weg den stroom over.
De knecht van Rinaldo, toen hij hem zag aanvallen, deed als een lafbek niets om hem te helpen, maar het paard gekeerd hebbende, waarop hij zat, ging die zoo hard hij kon naar het dorp Guiglielmo [24] en daar overnachtte hij, toen het al laat was, zonder zich over iets te bekommeren. Rinaldo bleef in zijn hemd en barrevoets staan, terwijl het zeer koud was en sterk sneeuwde niet wetende wat te doen. Hij zag, dat het al nacht was. Bevend en klappertandend begon hij rond te kijken of er ergens in de buurt een schuilplaats was, waar hij gedurende den nacht kon blijven, opdat hij niet zou sterven van koude. Maar hij zag niets, omdat er kort te voren oorlog was gevoerd in de streek, waar alles was platgebrand, en voortgedreven door de koude, richtte hij zich haastig naar Castel Guiglielmo, hoewel hij niet wist of zijn knecht daar of elders heen gevlucht was en dacht, als hij er maar binnen kon komen, dat God hem wel eenige hulp zou verschaffen. Maar de donkere nacht verrastte hem op bijna een mijl afstand van de vesting, waardoor hij er zoo laat aankwam, dat de poorten al gesloten en de bruggen al opgehaald waren en hij er niet binnen kon komen. Daarom dwalend en troosteloos keek hij klagend rond, waar hij binnen kon gaan, zoodat het tenminste niet op hem sneeuwde en gelukkig zag hij een huis op de wallen van het kasteel, dat ietwat naar voren sprong, waaronder hij besloot tot den dageraad te blijven. Toen hij daarheen was gegaan, vond hij onder dien voorsprong een deur, die gesloten was, aan welker voet hij wat stroo ontdekte. Treurig en klagend legde hij zich er op neer, keerde zich herhaaldelijk bedroefd tot San Giuliano en zeide, dat dit niet overeenkwam met het geloof, dat hij in hem had. Maar San Giuliano, die op hem lette, bereidde hem zonder dralen een goede schuilplaats.
Er was in dat slot een zeer jonge weduwe, schooner dan eenige andere vrouw, die de markies Azzo lief had als zijn leven en die haar op dat oogenblik onderhield. Gezegde donna woonde in dat huis onder welks voorsprong zich Rinaldo had begeven om te overnachten. Den vorigen dag was juist de markies daar gekomen om den nacht bij haar door te brengen en had in haar huis stil een bed laten gereed maken en een heerlijk avondmaal. Maar toen alles klaar was en zij niets anders wachtte dan de komst van den markies aan het avondmaal, kwam er een knecht aan de deur, die berichten bracht aan hem, welke hem dadelijk dwongen te paard te stijgen. Hierdoor na te laten zeggen aan de donna, dat zij niet zou wachten, ging hij haastig weg. Daardoor was de donna een weinig mistroostig en niet wetende wat te doen, nam zij zich voor in het bad te gaan gemaakt voor den markies, en dan te avondmalen en naar bed te gaan. Ze ging dan ook in het bad.
Nu was dit bad dicht bij den uitgang, waar de armzalige Rinaldo buiten was, zoodat zij daarin staande het klagen en het klappertanden hoorde van Rinaldo, dat het geklepper van een ooievaar scheen. Daarom zeide zij na haar meid te hebben geroepen: Ga naar boven en zie over den rand van den muur, wie er aan de voet van de deur ligt, en wat hij er doet. De meid ging heen en daar de klaarheid van de lucht haar te hulp kwam, zag zij hem in zijn hemd en blootsvoets daar zitten, gelijk verteld is, en vreeselijk beven. Toen vroeg zij hem, wie hij was. Rinaldo was zoo koud, dat hij ternauwernood kon spreken, zeide haar hoe en waarom hij daar kwam, zoo kort hij kon en begon haar nederig te smeeken, om indien het kon, hem daar niet van koude te laten sterven. De meid, die medelijden met hem had, ging naar de donna en vertelde haar alles. Ook die was barmhartig en na zich te hebben herinnerd, waar de sleutel was van de deur, die telkens dienst deed bij de geheime binnenkomst van den markies, zeide zij: Ga en doe hem zachtjes open; hier is het avondmaal. Er is niemand om het op te eten en er is plaats genoeg om hem te logeeren. De meid prees de dame zeer om haar menschlievendheid, ging heen en opende de deur en nadat zij hem binnen had gelaten, zei de donna hem haast bevroren ziende: Ga bijtijds, goede man, in het bad, dat nog warm is. Hij, zonder verdere uitnoodiging af te wachten, deed het van zelf. Toen hij door die warmte hersteld was, scheen het hem, dat hij van den dood tot het leven was teruggekeerd. De donna leende hem daarna kleeren van haar echtgenoot, die kort te voren was overleden en die, toen hij ze had aangetrokken, hem naar het lijf gemaakt schenen. Terwijl hij de verdere bevelen der dame afwachtte, begon hij God en San Giuliano te danken, die uit zulk een boozen nacht, gelijk hij verwachtte, hem hadden verlost en naar het hem voorkwam, naar die goede herberg geleid. Toen de donna na haar bad een weinig gerust had en een groot vuur had laten aanleggen in de kamer, waarin zij kwam, vroeg zij hoe het met den goeden man was.
Hierop antwoordde de meid: Mevrouw, hij heeft zich opnieuw gekleed, is een knap man en schijnt zeer welgemanierd. Ga dan heen, zei de donna, roep hem en zeg hem, dat hij hier bij het vuur komt en het avondmaal gebruikt, want ik weet, dat hij dit nog niet heeft gedaan. Rinaldo kwam binnen, zag de donna en daar zij hem van hoogen stand scheen, groette hij haar eerbiedig en dankte haar voor de gunsten, die zij hem bewees, zoo goed hij kon. Toen de donna hem goed had aangekeken en aangehoord, scheen hij haar, wat de meid van hem gezegd had. Ze ontving hem vriendelijk, liet hem familiaar naast haar bij het vuur zitten en vroeg hem welk ongeluk hem daarheen had gevoerd. Rinaldo vertelde alles geregeld achter elkaar. Zij had bij de komst van Rinaldo’s knecht in het kasteel al iets er van gehoord, zoodat zij, wat hij vertelde, volkomen geloofde. Zij zeide hem ook, wat zij van zijn knecht al wist en hoe hij dien allicht den volgenden morgen kon aantreffen. Toen de tafel gedekt was begon, gelijk de donna het wilde, Rinaldo na met haar te samen de handen te hebben gewasschen, te eten. Hij was groot van figuur, schoon en aangenaam van gelaat, van zeer lofwaardige en sierlijke manieren en een jonge man van middelbaren leeftijd. De dame had er meermalen op gelet en hem zeer geprezen en reeds, omdat de markies die daar moest komen om te slapen, de begeerte tot bijslaap in haar had opgewekt, had zij daar zin in. Nadat zij van tafel was opgestaan, vroeg ze haar meid, of het die goed scheen nu de markies haar voor den mal had gehouden, dat zij gebruik zou maken van de goede gelegenheid, haar door de fortuin aangeboden. Daar de meid de begeerte van haar donna kende, raadde zij haar ten sterkste aan om dit te doen. Hierop keerde zij naar het vuur terug, waar zij Rinaldo alleen had achtergelaten, begon hem verliefd aan te zien en zei: Zeg Rinaldo, waarom zit je zoo in gedachten! Geloof je niet je te kunnen schadeloos stellen voor een paard en een paar kleeren, die je hebt verloren? Troost je en wees op je gemak, alsof je thuis waart; ik had je al eerder willen zeggen, dat ik je al honderd maal had willen omhelzen en kussen, toen ik je in de kleeren van mijn overleden man zag en het mij scheen, of hij het was. Als ik niet bang was geweest, dat het je onaangenaam zou zijn, had ik het zeker gedaan. Rinaldo, die deze woorden hoorde en den gloed in de oogen van de donna zag, daar hij niet gek was, zeide met geopende armen tegenover haar: Mevrouw, wanneer ik er aan denk, dat ik altijd zal moeten zeggen, dat ik aan u het leven dank, als ik er acht op geef, hoe gij mij hebt geholpen, zou het van mij een schelmenstreek zijn, als ik niet geneigd was alles te doen, wat u aangenaam is. Voldoe dus aan uw begeerte door mij te omhelzen en te kussen, want ik zal het u meer dan gaarne doen. Meer woorden waren hierbij niet noodig. De donna, die van liefdeverlangen brandde, wierp zich spoedig in zijn armen en nadat zij hem wel duizend malen verlangend had omhelsd en gekust en van hem gekust was, stonden zij op, gingen in de slaapkamer en begaven zich dadelijk ter ruste en ten volle en meermalen, tot het dag werd, bevredigden zij hun begeerten.
Toen de dageraad aanbrak en zij opstonden, gaf de donna, opdat niemand er erg in zou hebben, hem eenige vrij armelijke kleeren en vulde zijn beurs met geld. Zij verzocht hem stilzwijgendheid en na hem eerst den weg te hebben gewezen om in het kasteel zijn knecht te vinden, liet zij hem door het deurtje, waar hij binnen kwam, weer uit. Hij deed, toen het helder dag werd, of hij van verre aankwam, ging, toen de poorten geopend waren, in het slot en vond zijn knecht. Daar, toen hij zijn eigen kleeren uit het valies had aangedaan en op het paard van zijn knecht wilde stijgen, werden als door een hemelsch wonder de drie bandieten, die hem den vorigen avond beroofd hadden, wegens een ander misdrijf, waarvoor zij kort daarop gevat waren, in het kasteel gebracht en hij kreeg na hun bekentenis, het paard, de kleeren en het geld terug, zoodat hij er niets bij verloor dan een paar kousebanden, waarvan de roovers zelf niets meer wisten. Rinaldo steeg te paard, dankte God en San Giuliano, keerde gezond en wel naar huis terug en den volgenden dag spartelden de drie bandieten aan de galg.
DERDE VERTELLING.
Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist, geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar huis terugkeert, ontmoet een abt, die de dochter blijkt te zijn van den koning van Engeland. Na hem te hebben getrouwd, herstelt zij voor haar ooms alle schade en brengt ze weer in goeden doen. [25]
De lotgevallen van Rinaldo d’Asti werden met bewondering door de dames aangehoord en zijn vroomheid geprezen en God en San Giuliano door hen gedankt, dat zij bij zijn hoogsten nood hem hulp hadden verleend. Maar de donna (wat men ook zei van dat middel om het te verbergen) werd niet dwaas genoemd, die de goede gelegenheid had weten te gebruiken, welke God haar had gegeven. Terwijl men glimlachend sprak over den goeden nacht, dien zij had doorgebracht, begon Pampinea, die naast Filostrato zat en bedacht, dat aan haar de beurt kwam, te peinzen, wat zij zou vertellen. Na het bevel van de koningin ving zij niet minder flink dan blijmoedig, spoedig aldus aan te spreken:
Waardige donna’s. Hoe meer men spreekt van de lotswisselingen der fortuin, des te meer blijft er voor wie de zaken wel wil beschouwen, over om te bespreken en dit is niet te verwonderen, indien men bescheiden bedenkt, dat alle dingen, die wij hoovaardig de onzen noemen, in haar handen zijn en bijgevolg door haar naar haar verborgen oordeel van het eene in het andere en van het andere in het een [26] achtereenvolgens, zonder eenigen bij ons bekenden stelregel door haar kunnen veranderd worden. Wanneer men het te goeder trouw in alle en dezen ganschen dag aantoont en het bovendien nog in eenige vertellingen is uiteengezet, zal het toch aan onze koningin behagen, dat men hierover spreekt. En het zal misschien niet zonder nut zijn voor de toehoorders, waarvoor ik een vertelling van mij aan de reeds verhaalden zal toevoegen, welks strekking u wel zal behagen.
Er was vroeger in onze stad een ridder, Tedaldo genaamd, die, naar enkelen beweren, uit het geslacht der Lamberti’s stamde. Anderen houden vol, dat hij aan de Agolanti’s ontsproot, daar zij misschien hun meening meer dan op iets anders grondden op het vak, dat zijn zonen later uitoefenden en dat de Agolanti’s steeds hadden uitgeoefend en nog uitoefenen. Maar daar latend wat hiervan waar zij, vertel ik u, dat hij destijds een zeer rijk ridder was en dat hij drie zoons had, van welke de eerste Lamberti, de tweede Tedaldo en de derde Agolante heette, alle drie knappe en beminnelijke jongelieden. De oudste was nog geen achttien jaar, toen de rijke messire Tedaldo kwam te sterven en hun, zijn wettigen erven, al zijn roerend en onroerend goed naliet.