De Decamerone van Boccaccio

Chapter 7

Chapter 73,765 wordsPublic domain

Bij die woorden voelde de heer Ermino zich plotseling bevangen door zulk een schaamte, dat die hem bewoog zijn geheele gezindheid te veranderen en hij antwoordde: Mijnheer Guiglielmo, ik zal die zoo laten schilderen, dat noch U, noch wie ook mij ooit weer zal kunnen verwijten, dat ik haar noch gezien, noch gekend heb. En van dien dag af werkten de woorden van Guiglielmo zoo sterk op hem, dat hij de vrijgevigste en joviaalste edelman werd van de wereld en vreemden en medeburgers met meer gastvrijheid ontving dan ieder ander Genuees.

NEGENDE VERTELLING.

De Koning van Cyprus, door een Gasconsche dame bestraft, wordt van een traag een werkzaam man.

Het laatste bevel van de koningin had betrekking op Elisa, die zonder dit af te wachten, zeer opgeruimd begon:

Jonge dames. Het gebeurt dikwijls, dat, wanneer vele berispingen en straffen bij iemand niet hielpen, een enkel woord per ongeluk—niet eens met opzet—gezegd, baatte. Wat duidelijk bleek uit de vertelling van Lauretta, zal ook ik U in het kort aantoonen. Want dit is iets, hetwelk goede menschen altijd verheugt, wanneer het door hen aandachtig wordt aangehoord, wie het ook vertelt.

In den tijd van den eersten koning van Cyprus, na de verovering van het Heilige Land door Godfried van Bouillon [19] toog een edelvrouw uit Gascogne ter bedevaart naar het Heilige Graf. Toen zij bij haar terugreis op Cyprus kwam, werd zij door eenige gemeene lui schandelijk mishandeld. Haar smart daarover was grenzenloos en zij wilde zich bij den koning gaan beklagen. Maar men vertelde haar, dat zij moeite deed voor niets, want de koning was zulk een traag en lui mensch, dat hij op de klachten van anderen niet inging, en dat hij zelfs niet den smaad, hem vaak zeer onbeschaamd toegevoegd, wilde vervolgen. Daarom liet iedereen, die hem al had beleedigd, zich jegens hem met verachting en schimp uit. De dame, die dit hoorde en alle hoop opgaf, om voldoening te krijgen, nam zich voor haar toorn wat te bekoelen en daartoe den koning zijn laffe luiheid voor de voeten te werpen. Met tranen in de oogen trad ze voor hem en zeide: “Sire, ik kom niet tot u om wraak te eischen voor den smaad, dien men mij heeft aangedaan, maar ik wil u slechts om de gunst bidden, dat gij mij leert, hoe gij de vele beleedigingen verdraagt, die men (naar ik hoor) u dagelijksch toevoegt, opdat ook ik zal leeren de mijnen gelaten te verduren. Ik zou die bij God gaarne aan u overdoen, daar gij die zoo goed kunt verdragen.”

De koning, die tot nu toe laksch en traag was geweest, leek uit een droom te ontwaken. Hij wreekte zich voor de dame op de strengste wijze over de haar aangedane beleediging en sinds dien tijd strafte hij zoo zwaar mogelijk, ieder die het waagde, de eer van zijn kroon aan te randen.

TIENDE VERTELLING.

Dokter Alberto van Bologna maakt op bedekte wijze een dame beschaamd, die hem voor den gek wil houden, omdat hij verliefd op haar is.

Nu Elisa zweeg, moest alleen de koningin nog vertellen, die met vrouwelijke gratie zeide:

Waarde jongelui: Gelijk in de lichtende avonden de sterren het sieraad des hemels zijn en in de lente de bloemen dit in de groene velden, zoo zijn de geestige woorden het bij lofwaardige manieren en in aangename gesprekken. Dezen passen, zoo zij kort zijn, beter aan de vrouwen dan aan de mannen, daar veel en lang spreken, indien dit niet noodig is, aan de dames meer dan aan de heeren misstaat, ofschoon er thans haast geen donna voorkomt, die een aardig woord kent of op een gezegde, indien ze het althans begrepen heeft, weet te antwoorden: Het is een algemeen gebrek van ons en van alle vrouwen, die thans leven. Die deugd, welke vroeger aanwezig was in den geest der voorvaderen hebben de nakomelingen op uiterlijken tooi overgebracht; zoo ook gelooft zij, die op haar lichaam meer gekleurd en geschakeerd laken en met veel strepen heeft, daardoor meer in aanzien en meer geëerd te zijn dan andere vrouwen. En zij denkt niet, dat een ezel nog veel meer strepen zou dragen, indien er maar iemand was, die ze hem van voren en van achteren aan deed, noch dat zij daarom ook niet meer dan een ezel geëerd behoeft te worden.

Ik schaam mij dat te zeggen, daar ik niet aan anderen beken, wat ik mij zelf verzwijg; die vrouwen zoo bont gekleed, zoo geschakeerd, zoo gestreept, staan of als marmeren beelden stom en ongevoelig of antwoorden niettemin, indien ze iets gevraagd wordt, zóó, dat het beter zou geweest zijn, dat ze hadden gezwegen. Zij maken zich wijs, dat het uit de reinheid der ziel voortkomt, wanneer dames en waardige mannen niet met elkaar weten te praten, en aan hun stompheid hebben zij den naam fatsoen gegeven, alsof slechts een dame fatsoenlijk zou zijn, die alleen met haar knecht of werkvrouw of bakkersvrouw praat. Maar indien de natuur dat gewild had, gelijk zij zich wijs maken, zou deze dit geestig praten wel op andere wijze beletten. Het is waar, dat hierbij als bij andere zaken in aanmerking genomen moet worden de tijd en de plaats en de persoon met wien men spreekt. Want het gebeurt menigmaal, dat een dame of heer gelooft met een geestig woord een ander te doen blozen, maar zijn of haar krachten tegenover die van een ander heeft overschat en de blos, welken hij bij anderen meende op te wekken, bij zich zelf voelde opkomen. Opdat gij u daarvoor weet te behoeden en bovendien, opdat men op u niet de volgende zegswijze kan toepassen, die men gewoonlijk overal gebruikt, namelijk dat de vrouwen in alles altijd het slechtst wegkomen, wil ik, dat gij deze laatste vertelling van dezen dag, welke ik moet verhalen, onthoudt, en opdat gij, die door zielenadel boven anderen uitmunt, ook door de voortreffelijkheid van uwe manieren boven anderen toont uit te steken.

Nog niet vele jaren geleden leefde er in Bologna een zeer groot medicus, door een schitterenden naam bekend over de heele wereld en die er misschien nog leeft. Hij heette Maëstro Alberto [20], was bijna zestig jaar oud en was zoo nobel van geest, dat zoo uit het lichaam elke natuurlijke passie al verdwenen was, hij het niet ontweek verliefd te worden bij een feest op een zeer schoone weduwe, volgens het zeggen van enkelen, mevrouw Malgherida de’ Ghisolieri genaamd. Zij behaagde hem zeer, alsof hij een jongeling was, welke de liefdevlammen in zich opneemt en die ’s nachts niet goed scheen te slapen, als hij den vorigen dag niet het schoone en teedere gelaat van zijn donna had gezien. Dit hield hij vol soms te voet en dan weer te paard, alnaar het hem het best leek langs het huis der dame. Tengevolge daarvan bemerkten zij en vele andere donna’s de reden waarom hij telkens voorbij kwam. Meermalen spotten zij er samen over, dat ze een man zoo oud en wijs verliefd zagen en dachten, dat die hartstochtelijke liefde alleen in de dwaze zielen van jongelieden kon post vatten en standvastig kon blijven. Daarom, toen maëstro Alberto steeds voorbij bleef komen, spraken zij op een zekeren feestdag met elkaar, toen die dame met vele andere voor de deur van haar huis zat en zij hem van verre zagen naderen af, hem te zamen te ontvangen, hem beleefd te behandelen en hem daarna om zijn verliefdheid voor den mal te houden. Zoo deden zij; zij stonden allen op en na hem te hebben uitgenoodigd, leidden zij hem op een koele binnenplaats, waar zij de fijnste wijnen en confituren lieten komen. Eindelijk vroegen zij hem met vele schoone en lieve woorden, of hij op die schoone dame verliefd was, terwijl hij toch wist, dat vele knappe, aardige en geestige jongelui ook op haar verliefd waren. De dokter, die zich op bedekte manier zag bespotten, trok een vriendelijk gezicht en antwoordde: Dat ik verliefd ben, mevrouw, zal geen verstandig man verwonderen en vooral niet, dat ik u bemin, die dit waard zijt. Wanneer aan oude heeren door de Natuur de krachten ontnomen zijn, welke men voor de liefde noodig heeft, ontbreekt hun daarom toch niet de goede wil, noch het besef van wat het zeggen wil verliefd te zijn, maar zij zijn zooveel beter kenners, omdat ze zooveel meer ondervinding hebben dan jongelui. Nu wil ik u zeggen, waarom ik, oude man, nog hoop heb, ofschoon gij door vele jongelieden bemind wordt.

Ik ben dikwijls bij het avondmaal geweest, waar ik de vrouwen wolfsboonen en prei zag eten. Hoewel de prei geen goed eten is, maar alleen de kop goed en lekker in den mond, houdt gij in het algemeen door een verkeerden smaak geleid den kop in de hand en eet gij het loof, dat niet alleen niet deugt, maar ook slecht smaakt. Zoo ik me niet vergis, doet gij bij het kiezen van Uw minnaars hetzelfde. Indien gij het niet doet, zal ik gekozen worden en de anderen zullen worden weggeworpen. De edelvrouw schaamde zich en ook de andere dames; zij zeide: Maëstro, gij hekelt onze bevooroordeelde denkwijze goed en hoffelijk; Uwe liefde is mij zeer dierbaar gelijk die van een verstandig en waardig man dit behoort te zijn en daarom kunt gij met inachtneming van mijn eer, U elk genoegen gunnen, dat u behaagt. De dokter stond met zijn geleide op, bedankte de dames, vertrok lachend en nam vergenoegd afscheid. Zoo werd de vrouw, die niet vermeed iemand te bespotten en geloofde te overwinnen, overwonnen. Gij, indien gij wijs wilt zijn, moet daarvoor waken, dames!

Reeds was de zon ter kim gedaald en werd het zoeler, toen de vertellingen van de jonge dames en de drie jonge heeren ten einde waren. Daarom zeide de koningin op innemend wijze:

Thans, waarde gezellinnen, is er voor mij niets anders te doen op dezen dag dan u een nieuwe koningin te geven, die wat er gebeuren moet volgens uw oordeel, haar leven en het onze tot eerbaar vermaak regelt, zoolang de dag nog duurt. Want wie niet te voren overlegt, kan niet goed voor de toekomst zorgen. Opdat de nieuwe koningin kan bedenken wat voor morgen goed is, meen ik, dat op dit uur de volgende regeeringsdagen telkens moeten beginnen. En ter eere van Hem, waardoor alles leeft en tot ons vermaak zal den volgenden dag de zeer bescheiden jonge dame Filomena als koningin het bewind voeren. Na dit gezegd te hebben, stond zij op, zette den lauwerkrans af en overhandigde dien eerbiedig aan Filomena; zij eerst en daarna al de anderen begroetten deze als koningin en onderwierpen zich welwillend aan haar heerschappij. Filomena een weinig blozend van verlegenheid, toen ze zich gekroond zag voor het bestier en zich de woorden herinnerend kort te voren door Pampinea gesproken, vatte moed, opdat zij niet dom zou schijnen en nam het gansche bestuur over, haar zooeven door Pampinea geschonken. Zij stelde vast welk maal voor den volgenden morgen en daarna moest worden gereed gemaakt en waar zij den volgenden dag zouden verblijven en begon aldus te spreken:

Zeer waarde gezellinnen, hoewel Pampinea meer door haar hoffelijkheid dan door mijn verdienste mij tot uw aller koningin heeft benoemd, ben ik daarom toch niet geneigd in de manier van ons leven u mijn oordeel op te dringen, maar samen te rade te gaan, en opdat gij weet wat mij goed dunkt, en gij bijgevolg naar uw welgevallen er kunt bijvoegen of afnemen, zal ik u mijn voornemen met weinig woorden uiteenzetten. Indien ik nu wel heb acht gegeven op de regels, waar Pampinea zich aan hield, schijnt het mij, dat gij die even lofwaardig als aangenaam beschouwt. Voor zoover die regels door den langen duur of om een andere reden niet vervelend worden, wil ik ze in stand houden.

Aangenomen dus de orde, waarmee we reeds zijn begonnen, zullen wij, nadat we hier opstaan, ons een weinig gaan vermaken. Daar de zon zal ondergaan, zullen wij, terwijl het frisch is, avondmalen en na eenige gezangen en andere genoegens, zal het goed zijn om te gaan slapen. Morgen, als we gedurende de koelte ontwaken, zullen wij ons elders gaan vermaken. Naar elk dit verkiest en gelijk wij heden hebben gedaan, zullen wij op het afgesproken uur gaan eten en dansen. Als we weer opstaan, zullen we weer gaan vertellen. Het komt mij voor, dat het grootste deel van het genoegen daarin bestaat en dat het ook van nut is. Wat Pampinea niet kon doen, omdat zij te laat voor de regeering was verkozen, wil ik vast stellen, namelijk binnen zekeren duur elk verhaal te beperken en u dien aan te geven, opdat ieder tijd hebbe om over een mooie vertelling naar een gegeven te denken, namelijk, als ’t U bevalt, dat het ook hierin gaat als bij het begin der wereld, toen de menschen door verschillende lotgevallen bewogen werden en het ook zullen zijn tot het einde toe en dat ook hier: Wat door verschillende oorzaken zich ook zal voordoen, boven alle verwachting tot een goed einde zal voeren.

De dames en heeren prezen allen gelijkelijk dien regel en zeiden dien te zullen volgen. Alleen Dioneo zeide, terwijl al de anderen zwegen: Mevrouw, gelijk al die anderen hebben gezegd, vind ook ik, dat de regel door u gesteld ten hoogste aangenaam en lofwaardig is, maar ik vraag u als bijzondere genade een gunst, die mij moet worden toegestaan, zoolang ons gezelschap bijeen zal wezen, en dat is deze: dat ik niet aan die wet onderworpen word om een verhaal te doen op aangegeven tijd, indien ik het niet wil, maar alleen wanneer het mij aanstaat er een te vertellen. En opdat niemand geloove, dat ik die gunst wil, als iemand, die geen verhalen kent, verzoek ik tot nader order steeds de laatste te zijn. De koningin, die hem een aardig en prettig man vond en die maar al te wel wist, dat hij dit niet vroeg dan alleen om het gezelschap, wanneer het moe was van het spreken, met een grappige vertelling op te vroolijken, schonk hem vriendelijk met de toestemming der anderen dien gunst. Na te zijn opgestaan, begaven zij zich met langzamen tred naar een beek, met rein helder water, die van een bergje daalde in een vallei beschaduwd door vele boomen tusschen bonte steenen en groene grassprieten. Daarna met de schoenen uit en de bloote beenen door het water gaande begonnen zij onder elkaar verschillende grappen te maken. Toen het uur van het avondmaal naderde, keerden zij naar het paleis terug en aten genoegelijk. Nadat zij de instrumenten hadden laten komen, beval de koningin, dat een dans werd uitgevoerd en terwijl Lauretta leidde, zong Emilia een lied met de mandoline. Lauretta vormde een dans en regelde die, terwijl Emilia op verliefde wijze dit lied zong:

Ik ben zoo verlangend naar mijn schoonen man, Dat ik nooit aan andere liefde Denken zal, noch ooit er hartstocht voor zal gevoelen. Ik zie in deze, elk uur, dat ik mij spiegel, Het goede, dat mijn ziel bevredigt, En dat noch een nieuwe gebeurtenis, noch een oude gedachte Mij zoo dierbaar genoegen kan ontrooven. Welk ander voorwerp van bekoring Zou ik dan ook ooit kunnen zien, Dat mij nieuw verlangen stortte in het hart? Dit heil, telkens als ik verlang Het weer te zien tot mijn bevrediging, Vlucht niet, maar zweeft mij dan voor Zoo zoet om te gevoelen, dat het met geen woorden Te zeggen is, noch ooit Voor een sterveling te begrijpen, Die niet van zulk een verlangen brandde. En ik, die van uur tot uur meer ontvlam, Hoe meer ik de oogen op hem houd gevestigd, Des te meer geef ik mij over, gansch lever ik mij hem over, Reeds proevend van wat hij mij heeft beloofd; En hooger vreugd voel ik al naderen Bij een hartstocht zooals men Nog nooit hier gevoelde.

Toen dit danslied uit was, waarop alle vroolijk hadden geantwoord, hoewel de woorden ieder toch te denken gaven, behaagde het de koningin, nadat eenige andere rondedansen waren gedaan en reeds een deel van den korten nacht voorbij was, den eersten dag te eindigen. Zij beval, nadat ze toortsen had laten aansteken, dat iedereen ging slapen. Toen begaf zich elk naar zijn kamer en deed aldus.

TWEEDE DAG.

De eerste dag van de Decamerone eindigt; de tweede vangt aan, waarop onder het bewind van Filomena besproken wordt, wie door verschillende oorzaken gekweld is en boven alle verwachting met een heugelijk einde slaagt.

Reeds had de zon met zijn licht overal den nieuwen dag aangekondigd en zongen de vogels op de groene takken lieve liederen en gaven er aan de ooren getuigenis van, toen de donna’s en de drie jongelieden tegelijk opstonden, in de tuinen traden, waar zij de van dauw volle grassprieten met de voeten doorwoelden, voor elkaar schoone kransen vlochten en gedurende een lange wandeling zich vermaakten. Gelijk zij den vorigen dag hadden gedaan, deden zij ook dezen; gedurende den tocht aten zij en gingen zij na een kort bal rusten. Toen zij na den noen opgestaan waren, kwamen zij aan een groene weide en zetten zich, gelijk het de koningin behaagde, rondom haar in een kring neer. De koningin was schoon en van zeer aangenaam uiterlijk. Zij bleef met haar krans gekroond een oogenblik staan, zag het gansche gezelschap aan, en beval aan Neifile, dat die een begin maken zou met de volgende vertellingen en deze, zonder eenigen omhaal begon opgeruimd aldus te spreken:

EERSTE VERTELLING.

Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt hij geslagen en gevangen genomen. Hij loopt zelfs gevaar te worden opgehangen, maar ontkomt dit. [21]

Liefste dames, het gebeurt menigmaal, dat wie er zich op toe heeft gelegd anderen voor den mal te houden en het meest die zaken te bespotten, die heilig zijn, zich zelf hiermee bespot ziet en dan met schade terugkomt. Hiertoe wil ik, opdat ik aan het bevel der koningin gehoorzaam en een begin maak met een vertelling, die van pas is, u die verhalen van hetgeen eerst bij ongeluk en daarna boven al zijn verwachting toch nog gelukkig, een onzer medeburgers overkwam.

Niet lang geleden was er te Treviso een Duitscher Erich genaamd, die arm was en lastdrager van beroep. Men dacht algemeen, dat hij een zeer heilig en goed leven leidde. Of dit nu waar was of niet, toen hij stierf, beweerden de Trevisanen, begonnen op het uur van zijn dood van de hoofdkerk van Treviso, hoewel door niemand geluid, de klokken te bommen. Dit leek ieder een wonder en zij hielden allen daarom Erich voor een heilige. De gansche bevolking van de stad liep naar het huis, waar zijn stoffelijk overschot lag. Ze droegen het als het lijk van een heilige naar de hoofdkerk en namen kreupelen, lammen en blinden en anderen, door welk soort ziekte of gebrek ook getroffen mede, alsof die alle door het aanraken van zijn lichaam gezond konden worden. Gedurende dit tumult en dien toeloop, kwamen er in Treviso drie van onze medeburgers, van welke de een Stecchi, de ander Martellino en de derde Marchese heetten, mannen, die de hoven der groote heeren bezochten en die met het nadoen van alle andere menschen met gelijksoortige gebaren de toeschouwers vermaakten en daarvan leefden. Zij waren daar nog nooit geweest en toen zij alle menschen zagen toeloopen, verwonderden zij zich er over en de reden vernemend waarom dit gebeurde, wenschten zij dit ook te zien. Nadat zij hun bagage in een herberg hadden neergezet, zei Marchese: Wij zullen dien heilige gaan kijken, maar ik begrijp nog niet, hoe wij er komen kunnen, want ik heb gehoord, dat het plein vol Duitschers en andere soldaten is, welke de heer van dit gebied er opstelde, opdat er geen woeling plaats heeft en bovendien is de kerk, waarvan hier sprake is, zoo vol menschen, dat om zoo te zeggen niemand er binnen kan komen. Daarop zeide Martellino, die verlangend was dit te zien: Daarvoor blijf ik niet; ik zal toch wel een middel vinden om tot het heilige lichaam door te dringen. Marchese vroeg: Hoe? Martellino antwoordde: Dat zal ik je vertellen. Ik zal mij voordoen als een lamme en gij zult mij aan den eenen en Stecchi aan den anderen kant ondersteunen, alsof ik niet loopen kan en jullie zult doen of je me daarheen wilt voeren, opdat die heilige mij geneest; er is dan niemand, die dit ziende geen plaats maakt en ons doorlaat. Dit beviel aan Marchese en Stecchi en zonder verwijl werd uit de herberg gegaan en op een eenzame plaats gekomen, verwrong Martellino zoo de handen, de vingers, de armen, de beenen en ook het geheele gelaat, dat het vreeselijk was om te zien en ieder, die het zou aanschouwd hebben, zou gezegd hebben, dat hij werkelijk een geheel en al verloren man en verlamd was. Nadat Marchese en Stecchi den zoo misvormden man hadden vastgegrepen, begaven zij zich naar de kerk, met een heel vroom en ootmoedig gezicht en vroegen om Gods wil aan ieder, die voor hen stond, dat hij voor hen plaats zou maken, wat ze ook licht gedaan kregen. Om kort te gaan, iedereen was welwillend, en terwijl ze overal riepen: maak plaats! maak plaats! kwamen zij daar, waar het lichaam van den heiligen Erich neergezet was. Door eenige edellieden die er omheen stonden, werd Martellino vlug opgeheven en boven het het lichaam gehouden, opdat hij aldus de zegen van de gezondheid verwierf.

Daar ieder nieuwsgierig was om te zien wat hem zou gebeuren, begon Martellino na eenigen tijd in die houding gebleven te zijn, te doen of hij een van de vingers uitstrekte en toen de hand en daarna den arm en eindelijk rekte hij zich zoo geheel uit. Toen de menschen dit zagen, ontstond er zoo’n tumult ter eere van den heiligen Erich, dat men er den donder niet had kunnen hooren. Toevallig was er een Florentijner in de buurt, die Martellino zeer goed kende, maar die hem, daar hij zoo veranderd was, niet had herkend, en die, toen hij hem weer normaal zag en ontdekte, begon te lachen en opeens zeide: Heere, wat een treurig geval; wie zou niet geloofd hebben, die hem zag komen, dat hij werkelijk verlamd was! Deze woorden hoorden eenige Trevisanen, die terstond vroegen: Wat! Is die kerel niet lam? Waarop de Florentijn antwoordde: Neen, God beware hem; hij is altijd recht van lijf en leden geweest net als wij, maar hij weet beter dan wie ook, zooals jullie hebt kunnen zien, de aardigheid te verkoopen om zich in iedere gedaante voor te doen waarin hij dit wil.