De Decamerone van Boccaccio

Chapter 67

Chapter 673,259 wordsPublic domain

Deze verhalen kunnen schaden en nuttig zijn als alle andere dingen al naar dengeen, die er bij luistert. Wie weet niet, dat de wijn zeer goed is voor alle stervelingen, volgens Cinciglione en Scolajo [193] en vele anderen en nadeelig voor een koortslijder? Zullen wij zeggen, omdat die aan dezen hindert, dat die slecht is? Wie weet niet, dat het vuur zeer nuttig is en noodig voor de menschen? Zullen wij dan zeggen, omdat het huizen, dorpen en steden verbrandt, dat het slecht is? De wapens verdedigen ook het heil van hen, die vreedzaam verlangen te leven en toch dooden zij vaak menschen, die ze niet uit boosaardigheid, maar toch slecht gebruiken. Nooit verstaat een bedorven geest een woord goed en zooals de eerbaren die niet verbeteren, zoo kunnen zij, die oneerbaar zijn de niet daartoe aangelegden niet bezoedelen, zoo min als het slijk de zonnestralen of het vuil van den grond de schoonheden des hemels.

Welke boeken, welke woorden, welke brieven zijn heiliger, waardiger, eerbiedwaardiger dan die van de Heilige Schrift? En er zijn er genoeg geweest, die deze verkeerd verstaan en zich zelf en anderen ten verderve hebben gevoerd. Elk ding op zich zelf is goed voor iets en slecht toegepast kan het in vele gevallen nadeelig zijn en dit zeg ik ook van mijn novellen. Die er slechten raad of een slechte daad uit wil doen voortkomen, zullen zij het niet beletten, als zulke menschen dit misschien al in zich hebben en die ze verwringen en vervormen om zoo te doen. En die er nut uit zal halen, zullen zij het niet verhinderen; en zij zullen nooit anders dan nuttig en eerbaar genoemd worden, indien zij op dien tijd en door die menschen gelezen worden, voor wie ze worden verteld. Die paternosters moet zeggen of zoete broodjes moet bakken bij zijn zielenherder, late ze liggen. Die hoeven niemand na te loopen om ze te laten lezen en die maken zelf soms genoeg van die histories!

Er zullen er ook zijn, die zeggen, dat het beter ware, dat enkelen van die verhalen ontbraken. Dat stem ik toe: maar ik kon noch moest anderen schrijven dan de verhaalden; bijgevolg hadden de dames, die ze vertelden, ze mooi moeten vertellen en ik ze mooi moeten schrijven. Maar als men zou willen onderstellen, dat ik er èn de schepper èn de schrijver van was (wat niet zoo is), zou ik mij daar niet voor schamen, omdat er geen meester is, behalve God, die alles goed en volmaakt doet en Karel de Groote, die de schepper was der Paladijnen heeft van dezen geen heel leger kunnen maken. In vele dingen moet men een groote verscheidenheid vinden. Geen veld is zoo goed bewerkt of men vindt er brandnetels, distels of doornen vermengd met het heilzame groen. Buitendien: als men te spreken heeft tegen eenvoudige jonge meisjes, als gij zijt, zou het dwaasheid geweest zijn te gaan zoeken en zich in te spannen voor de meest kiesche zaken en met groote zorg zeer behoedzaam te spreken. Evenwel zij, die ze lezen, kunnen de kwetsenden voorbij gaan en men leze de vermakelijken. Om niemand te bedriegen dragen zij allen het opschrift van wat zij inhouden. En dan, geloof ik, zullen er zijn, die er eenigen te lang zullen vinden. Hun zeg ik nog, dat wie wat anders te doen heeft, dwaasheid doet ze te lezen zelfs, als ze korter waren. En hoewel het lang geleden is, dat ik ze begon te schrijven, is, nu ik tot het einde van mijn arbeid kom, het mij niet uit den geest gegaan, dat ik mijn werk heb aangeboden aan hen, die niets te doen hebben en niet aan anderen. Wie ze leest als tijdverdrijf, kan niets te lang duren, zoo daaruit volgt, wat men zoekt. De korte dingen passen meer voor de studenten, die niet om den tijd te verdrijven maar om dien nuttig te besteden zich inspannen dan aan u, donna’s, die zooveel tijd overhoudt als gij niet voor uw liefdegenoegens verbruikt. Behalve dat moet men, omdat geen van u te Athene, Bologna of Parijs ging studeeren, uitvoeriger spreken tot u dan tot hen, die hun geest in de studie scherpten.

Ook twijfel ik er niet aan, dat er zullen zeggen, dat de verhalen te vol zijn van woordspelingen en scherts en dat dit slecht staat aan een ernstig, bedachtzaam man. Aan hen moet ik dank zeggen en doe ik dit, omdat zij door goeden ijver bewogen worden voor mijn naam. Maar dit wil ik op hun verzet antwoorden: Ik beken een bedachtzaam man te zijn en vaak in mijn leven te hebben gewogen en daarom zeg ik aan hen, die mij niet gewogen hebben, dat ik niet zwaar ben, maar zóó licht, dat ik drijf als een galnoot op water. En omdat de preeken van de monniken om de schulden der menschen uit te wisschen tegenwoordig vol woordspelingen, scherts en dwaasheid zijn, meen ik, dat die zelfden niet slecht zouden staan in mijn novellen, geschreven om de zwaarmoedigheid van de vrouwen te verdrijven. Niettemin als zij er te veel om lachen, kunnen de klaagliederen van Jeremia, het Lijden van den Verlosser en de Boete van Magdalena hen dan licht genezen. En wie zal aanvoeren, dat er nog zullen zeggen, dat ik een kwade en giftige tong heb, omdat ik ergens de waarheid heb gezegd van de monniken? Hen, die zoo spreken, moet men dit vergeven, omdat het niet te gelooven is, dat een andere dan een rechtmatige reden ze beweegt, daar de monniken goede lieden zijn, die den arbeid ontwijken uit liefde tot God en bij sluizen vol malen maar in het geheim en als zij niet een beetje naar den geitebok roken, zou hun omgang veel aangenamer zijn. Ik beken niettemin, dat de dingen dezer wereld in ’t geheel niet standvastig zijn, maar steeds veranderen en dat zou met mijn tong kunnen gebeurd wezen, van welke daar ik niet aan eigen oordeel hecht,—dat mij in eigen zaken zou kunnen ontgaan—toch onlangs een mijner buurvrouwen zeide, dat ik de beste en de zoetste ter wereld had. Waarlijk, als dat zoo was, bleef er weinig van dezen te schrijven over. En voor hen, die zoo uit welwillendheid spreken, meen ik, dat dit antwoord volstaat. Verder laat ik elk spreken en denken, gelijk het hem goeddunkt, daar het mij tijd schijnt aan de woorden een einde te maken, Hem nederig dankend, die na zulk een langen arbeid met Zijn hulp mij tot het gewenschte einde heeft gevoerd. En gij, bekoorlijke donna’s, blijf in vrede met Zijn genade, als gij aan mij denkt en als het voor een Uwer misschien van nut is ze te hebben gelezen.

Hier eindigt de Tiende en Laatste Dag van het Boek genaamd Decameron, bijgenaamd Prins Galeotto.

INHOUD

Het Leven en de Werken van Boccaccio. Inleiding tot de Decamerone.

Eerste Dag.

Inleiding. 9 De valsche Biecht. 28 De bekeerde Jood. 38 De drie Godsdiensten. 42 De Waardigheid van den Abt. 44 De Kippen van de Markiezin. 47 De beschaamde Inquisiteur. 50 De drie Brooden van Primasseau. 52 Guglielmo Borsiere. 56 De Koning van Cyprus. 58 De Kop van de Prei. 59

Tweede Dag.

Inleiding. 65 De valsche Lamme. 65 Het Gebed van Sint Julianus. 69 De dochter van den Koning van Engeland. 75 Het Juweelen-Kistje. 82 De Ring van den Aarts-Bisschop. 86 De Avonturen van Beritola. 97 De Verloofde van den Koning van Algarvië. 109 De Graaf van Angers. 126 Madonna Ginevra. 138 De Kalender der Grijsaards. 148

Derde Dag.

Inleiding. 157 De Tuinman van het Nonnen-Klooster. 160 De Stalknecht des Konings. 165 De gefopte Monnik. 170 Broeder Puccio. 177 De Fat. 182 Ricciardo Minutolo. 187 De Pelgrim. 194 Het Vagevuur. 207 Giletta van Narbonne. 215 De Duivel in de Hel. 222

Vierde Dag.

Inleiding. 230 De Minnenden van Salerno. 236 De Engel Gabriël. 244 De Minnenijd. 252 Gerbino. 258 De Pot van den Basiliek. 262 De twee Droomen. 267 Simona. 273 De Krachten der Liefde. 276 Het vreeselijk Gerecht. 281 De Slaapdrank. 284

Vijfde Dag.

Inleiding. 295 Cimon. 296 De beloonde Trouw. 304 Pietro Boccamazza. 310 De Nachtegaal. 315 De twee Medeminnaars. 320 Gianni van Procida. 324 Violanta. 329 De Spook-Jacht. 335 De Valk. 340 De schandelijke Verzoening. 345

Zesde Dag.

Inleiding. 354 De mislukte Vertelling. 356 Bakker Cristi. 357 Monna Nonna. 360 De Kraanvogels. 362 Messer Giotto. 364 De Adel der Baronci. 306 Madonna Filippa. 368 Fresco van Celatico. 370 Guido Cavalcanti. 371 De Relieken. 373

Zevende Dag.

Inleiding. 385 Het Spook. 386 Het Vat. 389 Broeder Rinaldo. 392 De Put. 396 De Echtgenoot-Biechtvader. 399 Madonna Isabetta. 404 De misleide Echtgenoot. 407 De jaloersche Man. 411 De betooverde Perenboom. 416 De twee Peetvaders. 422

Achtste Dag.

Inleiding. 428 De gierige Vrouw. 428 De Pastoor van Varlungo. 430 De Toover-Steen. 434 De Provoost van Fiesole. 440 De Broek van den Rechter. 444 Het Varken van Calandrino. 446 De Wraak van den Student. 450 De Wraak van den Echtgenoot. 467 Dokter Simon. 470 De bestolen Dievegge. 481

Negende Dag.

Inleiding. 491 Madonna Francesca. 492 Het Psalmboek van de Abdis. 496 De zwangere Man. 498 Cecco Fortarrigo. 501 De gelukkige Calandrino. 504 De Wieg. 510 De Wolf. 514 Ciacco, de Gulzigaard. 515 Het Oordeel van Salomo. 518 De Merrie van Peet Pietro. 521

Tiende Dag.

Inleiding. 526 De Muilezel des Konings. 526 De Abt van Cligny. 529 De Edelmoedigheid van Nathan. 532 Ridder Gentile. 536 De betooverde Tuin. 541 Karel de Zegevierende. 544 Het Lied van Minuccio. 548 Sophronia. 553 Messer Torello. 565 Griselda. 576

Besluit van den Schrijver. 586

AANTEEKENINGEN

[1] Decamerone, woord van griekschen oorsprong, dat tien dagen beteekent.

[2] Vorst Galeotto. Deze titel werd aan het boek door Boccaccio gegeven (zoo hij het althans was, die het dezen schonk misschien ter herinnering aan den bekenden versregel van Dante uit het fragment over Francesco da Rimini. (Inferno V). “Galeotto was het boek en die het maakte.”)

[3] Zinspeelt op zijn liefde voor Fiametta of Maria, natuurlijk kind van Roberto, koning van Napels.

[4] De vreeselijke ziekte overgebracht in het vorige jaar uit den Levant door Genueesche galeischepen na vele verwoestingen in Italië te hebben aangericht, verminderde een weinig in November maar woedde nog erger in dat jaar 1348, in heel Italië moordend, ging door Milaan en Piemont en vandaar naar Frankrijk, Duitschland, Engeland en andere landen, waar zij overal een ongehoorde wanhoop veroorzaakte. Mattheus Villani getuigt, dat in Florence en in zijn stadsdistrict van de vijf personen van elke sekse en leeftijd er drie stierven, in Bologna overleden twee derden van de bevolking en Agnolo di Susa schrijft, dat in zijn stad Siena alleen tachtigduizend menschen stierven, wat overdreven schijnt.

[5] Dit heeft betrekking op de jongelieden en het genoegen.

[6] Men kan niet zeggen, dat die signor Ciappelletto of Cepparello werkelijk heeft bestaan, maar als feit staat vast, dat de familie der Cepparelli bloeide tot aan het einde van de vorige eeuw in Prato, waarvan Boccaccio juist onze man afkomstig laat zijn.

[7] Dino Compagni verhaalt van Musciatto Franzesi, dat hij een ridder was van groote sluwheid, klein van persoon maar groot van ziel en dat hij zeer rijk geworden en tot ridder geslagen, den handel opgaf en Charles van Valois volgde op zijn tocht naar Italië.

[8] Alle Italianen heetten destijds in Frankrijk, Vlaanderen en Engeland Lombardiërs.

[9] Boccaccio trok de strekking van deze vertelling uit de Avventuroso Ciciliano van Bosone van Gubbio, waar Saladin na Rome bezocht te hebben in gezelschap van graaf Artese, met hem dezelfde gesprekken houdt, welke Boccaccio den Jood Abraham in den mond legt.

[10] Boccaccio trok de stof voor deze vertelling uit de drie-en-zevenstigste van Novellino, die tot titel heeft: “Hoe de Sultan, die behoefte aan geld had, verstand wou krijgen van een Jood.”

[11] Jussuf, koning van Marokko, later Salâh-ed-dîn genaamd, en door taalbederf Saladin, vervulde van zijn naam geheel Europa en als de andere groote mannen van de Midden-Eeuwen had hij zijn legende. Maar de schrijvers van dien tijd gebruiken den naam Saladin om onverschillig welken khalief of arabischen en barbarijschen emir aan te duiden.

[12] Manni beweert, dat naar de meening van Aldo Manuzio junior die geschiedenis van de markiezin van Montferrat door Boccaccio is gecopieerd naar het bekende feit van koning Manfred met zijn zuster Siligaita, gravin van Caserta, maar op niet aanstootelijke wijze is veranderd, omdat, waar die met bloedschande eindigt, dit verhaal van Boccaccio slechts besluit met de berisping van den koning van Frankrijk.

[13] De Paleologo’s, markiezen van Montferrat waren een van de beroemdste en machtigste vorstenfamilies, die in de middeleeuwen Italië beroemd hebben gemaakt. Hun stamburchten lagen te Montferrat in Piemont; hun paleis stond te Casale; maar terzelfdertijd heerschten ze ook in Thessalië en te Jeruzalem. Het Huis der Paleologi stierf uit in 1533 en het markiesaat ging over op de Gonzago’s.

[14] Giovanni Villani verhaalt in zijn Geschiedenissen, dat dit broeder Pietro Dall’ Aquila was, wien de florentijners om zijn groote gierigheid zeer vijandig gezind waren en die in 1348 benoemd werd tot Bisschop van Sant’ Angelo in het koninkrijk Napels.

[15] Cinciglione, naam van een bekenden drinker uit dien tijd, wat later de naam werd voor elken dronkaard.

[16] De genade van Sint Johannes Goudmond, een woordspeling, die betrekking heeft op de florijnen van Florence, welke het beeld van den heiligen Johannes dragen.

[17] De Inquisitie schreef dikwijls voor onbeteekenende ketterij het dragen voor van een groot laken kruis op de kleeren.

[18] De held van die vertelling is Cane Grande della Scala, van welke Dante in Zang XVII van zijn Paradiso schreef:

Als eerst verblijf zal—om u te beveiligen— U des grooten Lombardiërs hoofschheid wachten, Wiens schild een Trap en Adelaar voert, den heiligen;

Die voor U van zóó goeden wil is te’ achten, Dat van voldoen en vragen bij u beide Het eerst gebeurt, wat and’re’ eer ’t laatste dachten.

Men meent juist thans met eenig recht, dat Primasseau, waarvan Boccaccio spreekt, een dergelijke Primas of Primasso of Primate was, kanunnik van Colonia, een licht te begrijpen en beroemd dichter uit de XIIIe eeuw, waaraan ook door Salimbene in zijn Cronaca wordt herinnerd en die voor den auteur wordt gehouden van eenige gedichten.

[19] Godfried van Bouillon, hertog van Lotharingen, leider van den Eersten Kruistocht en eerste christelijke Stedehouder van Jeruzalem.

[20] Manni gelooft, dat die maëstro Alberto, een beroemd arts, geen ander was dan de Bolognees Alberto Zancari, die toch ook lid was van de gemeenteraad en openbare lezingen hield in de Universiteit van Bologna vanaf 1326 tot aan het jaar van zijn dood.

[21] Het feit in deze geschiedenis verhaald is historisch en ook Giovanni Bonifacio verhaalt het in Boek VIII van zijn Istoria Trivigiana.

[22] Manni op het gezag van Sansovino meent, dat de historie door Boccaccio in deze vertelling verhaald, plaats had omstreeks 1306 of eenige jaren vroeger en leidt dit daaruit af, dat toen de markies Azzo van Ferrara leefde, van wien hier melding wordt gemaakt.

[23] San Giuliano was de heilige beschermer der reizigers en de gewoonte hem ter eere, voor men op reis ging, een gebed te doen, terecht het Paternoster van San Giuliano genoemd, is overoud.

[24] Castel Guiglielmo, een dorp, dat nog bestaat in het district Lendinara op den rechteroever van het Bianco-Kanaal.

[25] Over de historische waarheid van het feit in deze vertelling verhaald, kan men alleen zeggen, dat de Lamberti’s en de Agolanti’s zeer oude Florentijnsche families waren en dat men in de Cronologia van Girolamo Bardi vindt, dat koning Alexander I van Schotland in 1109 den troon beklom. Maar alle Alexanders, die deze bestegen, waren uit de familie van koning Malcolm. En men vindt alleen, dat omstreeks den tijd aangeduid door Bardi onder koning Malcolm, als eerste van dien naam een zekere Alexander stierf, Carrone genoemd. Na zich door een wapenfeit te hebben onderscheiden, werd aan hem en ook aan zijn nakomelingen toegestaan in den oorlog den koninklijken standaard te dragen.

[26] Woorden letterlijk overgenomen uit Dante’s Hel. VII, vers 80–85.

[27] Ravello was een kolonie van de republiek Amalfi, waar ze niet ver vandaan ligt. Victor III verhief haar tot een bisdom, maar thans is het een gewone gemeente.

[28] Het was toen het tijdvak van de noodlottige twisten tusschen de Guelfen en de Ghibellijnen; die laatsten trokken partij voor keizer Frederik II, genen voor den Paus, die Karel van Anjou naar Italië riep.

[29] Een historisch persoon, werkelijk onderkoning van Sicilië van koning Manfred.

[30] Ponzo, onbewoond eiland bij de westkust van het koninkrijk Napels.

[31] Magra, tak van de Lunigiana, van welke Dante schreef:

... Die langs korten weg Het Genueesch land scheidt van het Toscaansche.

[32] Pietro III van Arragon, bijgenaamd de Groote, geboren in 1239, overleden in 1285.

[33] Gian di Procida, een dokter en napolitaansch edelman, uit een edel, napolitaansch geslacht en beroemd in de geschiedenis door zijn aandeel in het oproer van de Siciliaansche Vesper in 1282.

[34] Men noemde Caïro van Babylon, de stad Caïro van Egypte en de muzelmaansche vorsten van Egypte Soldani van Babylon.

[35] Garbo of Algarvië, de gansche kust van Afrika tegenover Andalusië en het koninkrijk van Granada, dus het tegenwoordige Marokko.

[36] Majolica, het eiland Majorca, het grootste der Balearen.

[37] Chiarenza of Clarentza was vroeger een der belangrijkste steden van Morea thans is het er slechts een ellendig vlek.

[38] Jurisdictie: rechtspraak.

[39] Chinzica is nog de naam van een straat in de stad Pisa.

[40] Gualandi, een zeer oude Pisaansche familie. Dante herinnert er aan in den Zang XXXIII van zijn Hel:

Gualandi met Sismondi en met Lanfranchi.

[41] Te Ravenna, zegt Martinelli, zijn evenveel kerken als dagen in het jaar, van daar dat elke dag er aan een heilige gewijd is.

[42] Paganin da Mare is de titel in plaats van Paganin van Monaco, afgeleid van de plaats, waar hij met vele andere Genueezen zich een standplaats had gekozen, die op de Middellandsche Zee rooftochten deden. De familie Da Mare of Da Mari is een zeer oud en edel geslacht uit Genua.

[43] De dag van 12 uur was verdeeld in vier deelen: terza, sesta, nona en vespro; vandaar dat mezza terza, (half terza) beteekent anderhalf uur na zonsopgang.

[44] Lamporecchio is een bekoorlijk dorp bij Pistoia. Er gaat een oude traditie in dit graafschap, dat daar in de buurt een nonnenklooster was, hetwelk werd afgebroken, en dat de nonnen voor een of andere overtreding naar elders werden overgebracht. Of dit waar is of niet, het schijnt aan Boccaccio voldoende stof te hebben gegeven er deze geschiedenis uit te putten.

[45] Het verhaal schijnt historisch te zijn, en op bekende personen betrekking te hebben, maar heeft te veel aanrakingspunten met andere overleveringen, om geheel waar te wezen.

[46] Agilulf, hertog van Turijn, daarna koning der Longobarden. Hij beklom den troon door zijn huwelijk met Teodelinda en regeerde lang en roemrijk (590–616.)

[47] Teudelinga of Teodelinda, dochter van Garibaldo, hertog van Beijeren, huwde eerst Autarius en daarna Agilulf. Zij stierf in 625 beweend door al haar onderdanen om de vroomheid en wijsheid, die haar sierden.

[48] Men gelooft naar oude geschiedvorschers, dat het feit, in deze historie verhaald, werkelijk in Florence gebeurd is, waar zeer rijke wevers woonden, te meer daar Boccaccio stellig verzekert den naam te weten van de dame, die deze klucht uithaalde.

[49] De oorsprong van de veertig missen van Sint Gregorius, schrijft Manni, ontleenen wij aan de Geschiedenis van Paus Sint Gregorius, waarin men leest, dat veertig missen dienden tot de verlossing van de ziel van broeder Giusto, een rijk man. De heilige Antonino, aartsbisschop, herinnert er ook in zijn Somma aan, dat die daarvan afkomstig zijn.